|
20.9.2005 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 231/35 |
Advies van het Comité van de Regio's over het „Voorstel voor een verordening van de Raad tot oprichting van het Cohesiefonds”
(2005/C 231/03)
HET COMITÉ VAN DE REGIO'S,
gezien het Voorstel voor een verordening van de Raad tot oprichting van het Cohesiefonds (COM(2004) 494 def. — 2004/0166 (AVC) );
gezien het besluit van de Commissie op 15 juli 2004 om het Comité overeenkomstig artikel 265, lid 1, van het EG-Verdrag over dit vraagstuk te raadplegen;
gezien het besluit van de voorzitter van het Comité op 26 mei 2004 om de commissie „Beleid inzake territoriale samenhang” met de voorbereiding van het desbetreffende advies te belasten;
gezien Verordening (EG) nr. 1164/94 van de Raad houdende oprichting van het Cohesiefonds, dat vervolgens is aangevuld bij Verordeningen (EG) nr. 1264/99 en (EG) nr. 1265/99;
gezien de andere voorstellen van de Commissie voor verordeningen betreffende de vaststelling van algemene bepalingen inzake het Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds en het Cohesiefonds (COM(2004) 492 def., 2004/0163 (AVC) en het Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling (EFRO), COM(2004) 495 def. — 2004/0167 (COD) );
gezien zijn al eerder uitgebrachte advies over het derde verslag over de economische en sociale samenhang (CdR 120/2004 fin (1));
gezien zijn verkennend rapport over „Governance en de vereenvoudiging van het beheer van de structuurfondsen na 2006” (CdR 389/2002 fin (2));
gezien het door zijn commissie „Beleid inzake territoriale samenhang” op 4 februari 2005 goedgekeurde ontwerpadvies (CdR 234/2004 rev.2) (rapporteur: de heer Paiva, voorzitter van de gemeenteraad van Tomar, PT/EVP),
heeft tijdens zijn 59e zitting op 13 en 14 april 2005 (vergadering van 13 april) onderstaand advies uitgebracht.
1. Standpunten
|
1.1 |
Het Comité is ingenomen met het voorstel van de Commissie voor een raamwerk betreffende de verordeningen voor de structuurfondsen in de periode 2007-2013. |
|
1.2 |
Het is ervan overtuigd dat het financieel voorstel van de Commissie om, gezien de uitbreiding van de Europese Unie tot 25 en later tot 27 lidstaten, 0,41 % van het BNP (een percentage dat kan worden opgetrokken tot 0,46 % als daar de steun voor plattelandsontwikkeling en visserij wordt bijgeteld) toe te wijzen en 336,3 miljard € voor de financiering van de drie doelstellingen (convergentie: 78 %, regionaal concurrentievermogen en werkgelegenheid: 18 % en territoriale samenwerking: 4 %) uit te trekken, een compromis is dat het minimum biedt dat nodig is voor het toekomstig cohesiebeleid. |
|
1.3 |
Het acht het een goede zaak dat projecten die voordelen voor het milieu met zich meebrengen (energie-efficiëntie en vervangbare energiebronnen), alsook projecten in de vervoerssector buiten de trans-Europese netwerken, het vervoer per spoor, over rivieren en over zee, systemen voor intermodaal vervoer en hun interoperabiliteit, het beheer van weg- en luchtverkeer, schoon vervoer in de stad en openbaar vervoer, tot het toepassingsgebied van de het Cohesiefonds worden gerekend. |
|
1.4 |
Het is ermee ingenomen dat het Cohesiefonds van toepassing zal zijn op lidstaten waar het BNP lager is dan 90 % van het EU-gemiddelde. Er dient te worden gezocht naar een politieke oplossing voor lidstaten die ten gevolge van de uitbreiding niet langer in aanmerking komen voor steun uit het Cohesiefonds. |
|
1.5 |
Het is van oordeel dat de uitbetaling van de steun die een lidstaat uit het Cohesiefonds ontvangt, niet mag worden opgeschort als bij die lidstaat, overeenkomstig artikel 104, lid 6, van het EG-Verdrag, een „buitensporig tekort” wordt vastgesteld. |
|
1.6 |
Het vertrouwt erop dat de Commissie zal verduidelijken of een dergelijke opschorting van betaling, zo daartoe al wordt besloten, alleen betrekking heeft op nieuwe projecten, d.w.z. projecten die moeten worden goedgekeurd nà de eerste januari van het jaar dat volgt op dat opschortingbesluit. |
|
1.7 |
De Commissie moet beslist een onderzoek doen naar de voor- en nadelen van een mogelijke gelijktrekking van de algemene bepalingen voor enerzijds het EFRO en het ESF en anderzijds het Cohesiefonds. Uit de toelichting die bij het Commissievoorstel wordt gegeven, valt niet af te leiden of die afweging is gemaakt. Van een dergelijke verandering in de bepalingen van het Cohesiefonds zou een kosten-batenanalyse moet worden gemaakt. |
|
1.8 |
De Commissie zal ongetwijfeld niet voor niets hebben besloten om op een methode over te stappen die volledig breekt met de gangbare methode: de door de lidstaten voorgestelde projecten waarvoor steun uit het Cohesiefonds wordt ontvangen, zullen niet langer als afzonderlijk project worden beoordeeld (zoals dat is geregeld volgens de huidige Verordening (EG) nr. 1164/94, artikel 1, lid 3), maar als onderdeel van een programma (volgens punt 5.2, laatste paragraaf, van de toelichting bij het Commissievoorstel betreffende de structuurfondsenverordening, COM(2004) 492 def.). De Commissie zou die verandering moeten motiveren aan de hand van de uitkomsten van een analyse van het huidige Cohesiefonds. |
2. Aanbevelingen
Aanbeveling 1
Nieuwe vijfde overweging
|
Door de Commissie voorgestelde tekst |
De door het Comité voorgestelde nieuwe overweging |
|
|
Bij de werking van het Cohesiefonds moet tevens rekening worden gehouden met de sociale aspecten van duurzame ontwikkeling en de noodzaak om tot sociale integratie bij te dragen, met name door overeenkomstig artikel 13 van het EG-Verdrag discriminatie op grond van een handicap te bestrijden, en wel door de bevordering van een grotere toegankelijkheid en de opheffing van belemmeringen. |
Motivering
De structuurfondsen, en met name het Cohesiefonds, zijn onmisbare instrumenten om de maatschappelijke uitsluiting van kwetsbare groepen terug te dringen of die uitsluiting in ieder geval te verlichten. Zo moeten de belemmeringen die mensen met een handicap in alle onderdelen van hun dagelijks bestaan ondervinden, worden opgeheven. Daartoe is het met name nodig dat voor mensen met een handicap een leefomgeving wordt gepromoot en gecreëerd die ook voor hen toegankelijk is (ICT, vervoer en gebouwd milieu).
Aanbeveling 2
Artikel 2 — punt 1
Toepassingsgebied van de bijstand
|
Door de Commissie voorgestelde tekst |
Daarop door het Comité voorgestelde wijziging |
|
de trans-Europese vervoersnetwerken, en met name de prioritaire projecten van gemeenschappelijk Europees belang, zoals vastgesteld bij Beschikking 1692/96/EG; |
de trans-Europese vervoersnetwerken, en met name de prioritaire projecten van gemeenschappelijk Europees belang, zoals vastgesteld bij Beschikking 1692/96/EG, en hun respectieve aansluitingen via (lucht)havens; |
Motivering
Vooral ultraperifere regio's van de EU hebben die aansluitingen nodig om hun isolement van het Europese vasteland te doorbreken en toegang tot het trans-Europese netwerk te hebben.
Aanbeveling 3
Artikel 3 — punt 1
Subsidiabiliteit van de uitgaven
|
Door de Commissie voorgestelde tekst |
Daarop door het Comité voorgestelde wijziging |
||||||||||||||||||||
|
De volgende uitgaven komen niet voor steun uit het Fonds in aanmerking:
|
De volgende uitgaven komen niet voor steun uit het Fonds in aanmerking:
|
Motivering
In de huidige verordening voor het Cohesiefonds is BTW subsidiabel. Niets rechtvaardigt strengere regels dan de regels die thans van toepassing zijn.
Aanbeveling 4
Artikel 4
Voorwaarden voor bijstandsverlening uit het Cohesiefonds
|
Door de Commissie voorgestelde tekst |
Daarop door het Comité voorgestelde wijziging |
||||||||
|
1. De financiële bijstand uit het Fonds is aan de volgende voorwaarden gebonden. 2. Indien de Raad:
besluit hij de financiële bijstand uit het Fonds aan de betrokken lidstaat geheel of gedeeltelijk te schorsen met ingang van 1 januari van het volgende jaar. Het schorsingsbesluit heeft betrekking op de vastleggingen. |
1. De financiële bijstand uit het Fonds is aan de volgende voorwaarden gebonden. 2. Indien de Raad:
besluit hij de financiële bijstand uit het Fonds aan de betrokken lidstaat geheel of gedeeltelijk te schorsen met ingang van 1 januari van het volgende jaar. Het schorsingsbesluit heeft betrekking op de vastleggingen. |
||||||||
|
3) De Raad besluit de schorsing van de financiële bijstand te beëindigen als hij constateert dat de betrokken lidstaat doeltreffende corrigerende maatregelen heeft genomen. De Commissie neemt de nodige maatregelen voor de herbudgettering van de geschorste vastleggingen. 4) De Raad neemt de in de leden 2 en 3 bedoelde besluiten bij gekwalificeerde meerderheid, op voorstel van de Commissie. |
3) De Raad besluit de schorsing van de financiële bijstand te beëindigen als hij constateert dat de betrokken lidstaat doeltreffende corrigerende maatregelen heeft genomen. De Commissie neemt de nodige maatregelen voor de herbudgettering van de geschorste vastleggingen. 4) De Raad neemt de in de leden 2 en 3 bedoelde besluiten bij gekwalificeerde meerderheid, op voorstel van de Commissie. Lidstaten met een — in koopkrachtpariteiten uitgedrukte en met behulp van de op (…) beschikbare Gemeenschapscijfers over de afgelopen drie jaar berekende — pro capita-BNP van minder dan 90% van het EU-gemiddelde, komen in aanmerking voor steun uit het Cohesiefonds. |
Motivering
Artikel 4 zou moeten worden vervangen door een nieuwe paragraaf waarin de lidstaten zijn opgesomd die aanspraak kunnen maken op steun uit het Cohesiefonds.
Als artikel 4 ongewijzigd blijft, zoals de Commissie voorstelt, dan worden de lidstaten die voor steun uit het Cohesiefonds in aanmerking komen, tweemaal „gestraft”: de eerste „straf” is dezelfde als voor iedere andere lidstaat met een buitensporig tekort en de tweede „straf” wordt dan het besluit om de uitbetaling van de steun op te schorten.
Alhoewel begrijpelijk is dat lidstaten die voor steun uit het Cohesiefonds in aanmerking komen, aan de voorwaarden van economische convergentie moeten voldoen, mag niet uit het oog worden verloren dat opschorting van de uitbetaling van die steun dergelijke lidstaten die per definitie al te kampen hebben met een BNP dat onder het EU-gemiddelde ligt, alleen maar met nog grotere moeilijkheden opzadelt.
Ook is onduidelijk of die opschorting geldt voor nieuwe, na de eerste januari van het op het opschortingbesluit volgende jaar goedgekeurde projecten, en wat er gebeurt met de vóór die datum goedgekeurde projecten.
Brussel, 13 april 2005
De voorzitter
van het Comité van de Regio's
Peter STRAUB
(1) PB C 318 van 22 december 2004, blz.1
(2) PB 2003/C 256/01