22.12.2004   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 318/1


Advies van het Comité van de Regio's over het Derde verslag over de economische en sociale samenhang

(2004/C 318/01)

HET COMITÉ VAN DE REGIO'S,

GEZIEN de mededeling van de Commissie – Derde verslag over de economische en sociale samenhang (COM(2004) 107 def.);

GEZIEN het overeenkomstig art. 265(1) van het EG-Verdrag op 18 februari 2004 door de Europese Commissie geformuleerde verzoek om een advies van het Comité van de Regio's over dit onderwerp;

GEZIEN het besluit van zijn voorzitter van 27 januari 2004 om de commissie „Beleid inzake territoriale samenhang” te belasten met het opstellen van dat advies;

GEZIEN zijn advies over „Opzet en doelstellingen van het Europees regionaal beleid tegen de achtergrond van de uitbreiding en de mondialisering: een aanzet tot discussie” (CDR 157/2000 fin); (1)

GEZIEN zijn advies over de mededeling van de Commissie – Tweede Verslag over de Economische en Sociale Samenhang (CDR 74/2001 fin); (2)

GEZIEN zijn advies over de mededeling van de Commissie – Eerste voortgangsverslag over de economische en sociale cohesie (CDR 101/2002 fin); (3)

GEZIEN zijn advies over de mededeling van de Commissie – Tweede voortgangsverslag over de economische en sociale cohesie (CDR 391/2002); (4)

GEZIEN zijn op 10 april 2003 uitgebrachte initiatiefadvies over „De territoriale samenhang” (CDR 388/2002 fin); (5)

GEZIEN zijn verkennend rapport over „Governance en de vereenvoudiging van het beheer van de structuurfondsen na 2006” (CDR 389/2002 fin); (6)

GEZIEN het op 5 mei 2004 door zijn commissie „Beleid inzake territoriale samenhang” goedgekeurde ontwerpadvies (CDR 120/2004 rev. 1) (rapporteurs: de heer D'Ambrosio, voorzitter van de regioraad van Marche (I, PSE) en de heer Schneider, staatssecretaris en gevolmachtigde van de Duitse deelstaat Saksen-Anhalt bij de Bond (DE, EVP);

GEZIEN de mededeling van de Europese Commissie over het „Europees nabuurschapsbeleid – oriëntatiedocument” van 12 mei 2004;

heeft tijdens zijn 55e zitting van 16 en 17 juni 2004 (vergadering van 16 juni) het volgende advies uitgebracht:

Het Comité van de Regio's

Algemene opmerkingen

1.

Het Comité juicht het „Derde verslag over de sociale en economische samenhang” toe. Evenals het tweede verslag is het een volledig document, dat gedetailleerde informatie verstrekt over met name door de EU gevoerd beleid.

2.

Het beschouwt de in de afgelopen jaren bereikte resultaten met cohesie als positief, alsook de impact van het regionaal beleid van de Europese Unie ten aanzien van de versterking van de sociale en economische cohesie in de gehele Gemeenschap; het herhaalt voorts dat het in de Verdragen vastgelegde cohesiebeleid het krachtigste en belangrijkste instrument is om de beginselen van solidariteit en samenwerking gestalte te geven, en dus één van de hoekstenen van de integratie tussen de volken en gebieden van de Unie vormt.

3.

Het stelt vast dat de bevolkingsomvang in de EU na de uitbreiding toeneemt van 380 miljoen (EU-15) tot 454 miljoen (EU-25) of 485 miljoen (EU-27) inwoners. Tegenover deze bevolkingsgroei van circa 20 % staat een toename van het EU-BBP van slechts 5 %! Het gemiddelde BBP per inwoner daalt met 12,5 %. In plaats van de huidige 84 miljoen inwoners zullen meer dan 123 miljoen EU-burgers in regio's met een ontwikkelingsachterstand wonen.

4.

Het is het ermee eens dat de prioriteit van het Europese cohesiebeleid bij de nieuwe lidstaten komt te liggen: hieruit blijkt dat het de Europese Unie ernst is om de sociaal-economische verschillen ook in een uitgebreide Unie te blijven aanpakken. Het Comité heeft deze benadering vanaf het begin gesteund als een daad van solidariteit jegens de nieuwe lidstaten.

5.

Het stelt vast dat een aantal sociaal-economische problemen in de regio's van de EU-15 blijkens het derde cohesieverslag nog steeds niet is opgelost. Dit betreft, om maar enkele aspecten te noemen: de kloof met regio's met een achterstand in het BBP/inwoner, hoge werkloosheid, lage economische groei, te weinig O&O-uitgaven en buitenlandse directe investeringen.

6.

Het wijst erop dat in een Europa met 25 lidstaten de sociaal-economische verschillen nog zullen toenemen, hetgeen noopt tot tenuitvoerlegging van een beleid voor territoriale, sociale en economische cohesie dat rekening houdt met de effecten van de mondialisering van de economie en de gevolgen hiervan in verband met de voortschrijdende liberalisatie van de internationale handel.

7.

Het stelt vast dat de regionale dimensie van het cohesiebeleid met het oog op de harmonieuze ontwikkeling van de Unie in haar geheel door versterking van de sociale en economische cohesie, zoals vastgelegd in artikel 158 van het EG-Verdrag, meer dan ooit van belang en nodig is. Bovendien is het belangrijk dat bij de ontwikkeling van nationaal en Europees beleid ook altijd met de regionale dimensie rekening wordt gehouden.

8.

Het steunt de voorstellen om partnerschap en samenwerking tussen de lokale, regionale, nationale en communautaire overheidsinstanties te versterken bij het hele proces van programmering, implementatie en evaluatie van de Structuurfondsen en het Cohesiefonds, en verzoekt de Commissie de lidstaten daarbij te stimuleren gebruik te maken van de mogelijkheid om waar nodig tripartiete overeenkomsten te sluiten.

9.

Het stelt bovendien vast dat de realisatie van de doelstelling van de Lissabonstrategie achterblijft bij het gewenste tempo.

Middelen voor het toekomstige cohesiebeleid

10.

Het Comité meent dat het financiële voorstel van de Commissie om 0,41 % van het bruto nationaal inkomen (te verhogen tot 0,46 % als maatregelen voor plattelandsontwikkeling en visserij worden meegerekend) dat geraamd wordt op 345 miljard euro, te alloceren ten behoeve van de drie doelstellingen (78 % voor de doelstelling „Convergentie”; 18 % voor de doelstelling„Regionaal concurrentievermogen en werkgelegenheid” en 4 % voor de doelstelling „Territoriale samenwerking”) een aanvaardbaar compromis is voor het toekomstige cohesiebeleid.

11.

Wil het cohesiebeleid kunnen bijdragen tot verwezenlijking van de Lissabon-doelstellingen, dan is 0,46 % van het BNI, het percentage dat reeds in 1999 voor de EU-15 werd vastgesteld, de absolute ondergrens.

12.

Het onderschrijft het standpunt van de Europese Commissie dat het door haar voorgestelde budget toereikend is om de regio's van de huidige Europese Unie te blijven steunen en tevens op gelijke basis de nieuwe lidstaten te assisteren, mits de middelen eerlijk verdeeld worden en besteed worden om de grootste knelpunten op te heffen.

13.

Het stemt ermee in dat voor financiële transfers naar de nieuwe lidstaten een absorptieplafond van 4 % van het BBP wordt gehandhaafd en dat de als onderdeel van het Gemeenschappelijk Landbouw- en Visserijbeleid overgedragen middelen in deze berekening worden opgenomen.

Doelstelling „Convergentie”: steun voor (banen)groei in de minst ontwikkelde lidstaten en regio's

14.

Het Comité onderschrijft het voorstel in het cohesieverslag dat de nieuwe doelstelling „Convergentie” de regio's (op NUTS-II-niveau) dient te omvatten met een BBP/inwoner dat minder is dan 75 % van het EU-gemiddelde, alsmede regio's die met het zogenaamde statistische effect geconfronteerd worden.

15.

Het is het er tevens mee eens dat de huidige regelgeving voor doelstelling-1 grotendeels wordt behouden en in de gehele, uitgebreide Unie wordt toegepast.

16.

Het schaart zich achter het voorstel om het Cohesiefonds in de nieuwe doelstelling „Convergentie” te integreren. Dit houdt verband met de toepassing van de 90 %-criteria voor de keuze van de lidstaten die in aanmerking komen voor overdrachten uit het Cohesiefonds en de koppeling van de programma's die onder de doelstelling „Convergentie” vallen en de maatregelen van het Cohesiefonds op het gebied van infrastructuurontwikkeling. Daar het Cohesiefonds wordt gefinancierd uit de doelstelling „Convergentie”, moet bij de verdeling van de resterende middelen van de doelstelling „Convergentie” rekening worden gehouden met middelen die uit dit fonds worden overgedragen. Voor de lidstaten die als gevolg van de uitbreiding niet meer in aanmerking komen, kan een politieke oplossing alleen op het niveau van de lidstaten worden gevonden.

17.

Het dringt erop aan dat de verdeling van de middelen over de lidstaten in de nieuwe doelstelling-1 plaatsvindt met inachtneming van objectieve en transparante criteria, die uitgaan van de problemen en behoeften in de te steunen regio's. Aan de tijdens de toppen van Berlijn en van Kopenhagen omschreven formule voor de huidige programmeringsperiode dient voortaan in het algemeen de hand te worden gehouden. Er moet echter, meer dan tot nu toe, ruimer aandacht worden geschonken aan regionale welvaart en werkloosheid.

Statistisch effect

18.

Het Comité stelt vast dat op basis van actuele gegevens van de Europese Commissie 17 regio's met circa 19 miljoen inwoners de „traditionele” doelstelling-1-steun zouden kwijtraken, louter omdat het EU-gemiddelde van het BBP/inwoner daalt ten gevolge van de uitbreiding (het zgn. statistische effect).

19.

Het steunt het voorstel van de Commissie om voor deze regio's binnen de nieuwe doelstelling „Convergentie” een oplossing te vinden.

20.

Het neemt nota van het voorstel van de Commissie om de „tijdelijke steun” op grond van ontwikkelingsachterstand voor de regio's die met het statistisch effect te maken krijgen, in 2013 te beëindigen. Het Comité wil echter benadrukken dat de regio's in kwestie, gezien het streven naar gelijke behandeling, niet automatisch mogen worden uitgesloten van een latere geleidelijke invoeringsprocedure van de nieuwe doelstelling „concurrentievermogen en werkgelegenheid” in de programmeringsperiode na 2013. Een dergelijke procedure in de programmeringsperiode na 2013 dient te worden afgestemd op de sociaal-economische situatie van die tijd.

21.

Het acht het voorstel van Commissaris Barnier om deze regio's aan het begin van de volgende programmeringsperiode recht te laten hebben op 85 % van de voor klassieke doelstelling-1-regio's geplande subsidies, die vervolgens tegen het eind van de programmeringsperiode worden teruggebracht tot 60 % van die middelen, een aanvaardbaar compromis, mits daaraan een passende hoeveelheid middelen gekoppeld wordt, overeenkomstig de voorstellen van de commissie voor de Financiële vooruitzichten 2007-2013. Het strijdt echter niet met de doelstellingen van de commissie om in het toekomstige voorstel de mogelijkheid op te nemen om de steun tot 100 % op te trekken als de doelstelling-1-regio's de middelen niet gebruiken. Deze middelen zouden in een reserve kunnen worden gestort en halverwege de programmeringsperiode opnieuw binnen iedere lidstaat kunnen worden verdeeld.

Regeling inzake staatssteun

22.

Het Comité neemt nota van het voorstel van de Europese Commissie om voor de regio's in de oude en nieuwe lidstaten die onder de nieuwe doelstelling „Convergentie” vallen, ook in de toekomst staatssteun toe te staan overeenkomstig artikel 87, lid 3, sub a) van het EU-Verdrag.

23.

Het eist dat artikel 87, lid 3, sub a) gedurende de gehele programmeringsperiode op regio's die het „statistisch effect” ondervinden, van toepassing is.

24.

Het Comité dringt erop aan om in de loop van de programmeringperiode alle regio's die het „natuurlijk effect” ondervinden (de regio's waarop de „geleidelijke invoering” van toepassing is), gefaseerd niet meer onder artikel 87, lid 3, sub a), maar onder artikel 87, lid 3, sub c) te laten vallen.

Doelstelling „Concurrentievermogen en werkgelegenheid”

25.

Het Comité stemt in met het voorstel van de Commissie om een aparte doelstelling in het leven te roepen voor alle regio's die niet voldoen aan de criteria van de doelstelling „Convergentie”; bijzondere aandacht dient geschonken te worden aan regio's met omvangrijke, op grond van uniforme criteria omschreven sociaal-economische problemen en regio's waar ingrijpende structurele aanpassingen moeten worden doorgevoerd, mits deze voldoen aan nog nader te bepalen uniforme criteria. Het vindt het ook een goede zaak dat de nieuwe doelstelling het hele grondgebied van de desbetreffende regio's bestrijkt.

26.

Het schaart zich achter de keuze van de Commissie om acties in het kader van de nieuwe doelstelling „Concurrentievermogen en werkgelegenheid” te baseren op een aanpak waarbij het gehele grondgebied van de regio betrokken is, alsook vraagstukken i.v.m. de Lissabon- en Göteborg- strategieën, zonder de diensten van algemeen belang daarbij uit het oog te verliezen. Eventuele maatregelen dienen echter genoeg speelruimte te bevatten om in een geïntegreerde aanpak voor regionaal beleid recht te doen aan de talrijke verschillen van de Europese regio's.

27.

In het kader van de realisering van de Lissabon-strategie roept het Comité de Commissie op goede praktijkvoorbeelden uit de eerdere programma's voor innovatieve acties op te sporen en te gebruiken als richtsnoeren voor acties op het themagebied „innovatie en kenniseconomie”. Op die manier hoeft het wiel niet opnieuw te worden uitgevonden en wordt dus veel tijd en geld bespaard.

28.

Het stemt ermee in dat regio's die door hun gunstige ontwikkeling niet langer in aanmerking komen voor de nieuwe doelstelling „Convergentie”, thans worden opgenomen onder de nieuwe doelstelling „Concurrentievermogen en werkgelegenheid”, onder de rubriek „geleidelijke invoering”. Regio's die op natuurlijke wijze boven 75 % van het gemiddelde BBP per capita van de EU-15 uitkomen, zouden behandeld moeten worden volgens een soortgelijke procedure als is vastgesteld voor dezelfde omstandigheden voor de periode 2000-2006. De middelen kunnen zo flexibeler worden ingezet, zodat de economische ontwikkeling die bereikt is door regio's die dankzij een natuurlijk effect niet langer in aanmerking komen, kan worden geconsolideerd.

29.

Het is het eens met de koppeling tussen de Europese werkgelegenheidsstrategie en de maatregelen van het ESF; het wijst erop dat de lokale en regionale overheden op grond van het subsidiariteitsbeginsel meer en beter betrokken moeten worden bij de programmering en uitvoering van maatregelen van het ESF. Dergelijke acties moeten passen binnen de Europese werkgelegenheidsstrategie en het nationale luik daarvan, de nationale actieplannen op werkgelegenheidsgebied, en tevens binnen de op regionale arbeidsmarkten gerichte regionale plannen. Zij moeten ook acties omvatten die momenteel onder het programma EQUAL vallen.

30.

Het verzoekt dat de middelen voor het onderdeel „Concurrentievermogen” van deze nieuwe doelstelling onder de lidstaten worden verdeeld op basis van objectieve en transparante sociale, economische en territoriale criteria, met inachtneming van de problemen en behoeften in de te subsidiëren regio's. Het verzoekt de lidstaten om bij de verdeling van de middelen van de doelstelling „concurrentievermogen en werkgelegenheid” onder hun regio's rekening te houden met de territoriale ontwikkeling, het regionale concurrentievermogen en EU-brede sociaal-economische indicatoren.

Controle op overheidssteun

31.

Het verzoekt de Europese Commissie dringend voorstellen in te dienen voor de toekomst van overheidssteun op basis van artikel 87, lid 3, sub c) van het EG-Verdrag en zich te beraden over de vraag hoe territoriale differentiatie kan worden verwerkt in de regelgeving via het gebruik van adequate en deugdelijke indicatoren. Handhaving van een territoriale differentiatie in het kader van het beleid inzake overheidssteun is noodzakelijk, omdat hierdoor doelgerichte overheidsinvesteringen mogelijk worden als daarmee een falende markt kan worden bijgestuurd om de doelstelling van territoriale cohesie te verwezenlijken. Daarbij moet ervoor worden gewaakt dat het komt tot buitenproportionele verschillen in de toegestane maximale plafonds voor subsidiëring tussen aan elkaar grenzende regio's.

32.

Het wil dat de niet-convergentieregio's passende steun ontvangen, zodat deze overeenkomstig het subsidiariteitsbeginsel de structurele ontwikkeling en het terugdringen van de interregionale verschillen kunnen voortzetten. Dit betekent handhaving van de status conform art. 87, lid 3, sub c) voor - aan de hand van uniforme criteria te selecteren - regio's waarvan de structuur moet worden aangepast.

33.

Voor regio's met structurele problemen als gevolg van hun geografische of demografische situatie, moet gebruik kunnen worden gemaakt van de bepaling in art. 87, lid 3, sub c) van het EU-verdrag.

Doelstelling „Territoriale samenwerking”

34.

Het Comité is voorstander van de invoering van een specifieke doelstelling voor transnationale, grensoverschrijdende en interregionale samenwerking en is verheugd over het aandeel van het voorgestelde budget voor territoriale samenwerking.

35.

Het steunt de erkenning van maritieme grenzen in het kader van grensoverschrijdende samenwerking en is van mening dat de regio's samen met de lidstaten moeten deelnemen aan het definiëren en selecteren van kustregio's die voor steun in aanmerking komen.

36.

Het verzoekt om integratie van interregionale samenwerking in deze nieuwe doelstelling. Het is zorgwekkend dat in het cohesieverslag steun voor interregionale samenwerking slechts genoemd wordt in het kader van de reguliere programma's: deze benadering is niet aanvaardbaar omdat de ontwikkeling van complexe multilaterale samenwerkingsprogramma's daardoor afhankelijk zou blijven van de strategieën die worden uitgestippeld in het kader van het regionaal beleid. Verder moet gewaarborgd zijn dat grensoverschrijdende samenwerking ook mogelijk blijft aan de binnen- en buitengrenzen, met inbegrip van de „oude” binnengrenzen.

37.

Het pleit er, niettegenstaande het ad 36 gestelde, voor om het voor de regio's die dat willen, mogelijk te maken het beheer van programma's op grond van de samenwerkingsdoelstelling te integreren met hun reguliere programma's.

38.

Het juicht het voorstel toe om een „nieuw wetsinstrument” in te voeren voor de grensoverschrijdende samenwerking en roept de Europese Commissie op om nader toe te lichten hoe dat instrument moet worden toegepast. In dit verband moet vertraging in de lancering en uitvoering van nieuwe programma's voorkomen worden en de continuïteit van reeds bestaande vormen van samenwerking gegarandeerd worden.

39.

Het kan zich tevens vinden in de invoering van een „nieuw instrument voor nabuurschap” en hecht er belang aan dat dit nieuwe instrument snel wordt toegepast, zodat het al in de nieuwe programmeringsperiode kan worden gebruikt; hierbij moeten de ervaringen als uitgangspunt worden genomen die nu al, tijdens de huidige uitvoering van het Interreg-programma, worden opgedaan.

40.

Het roept de Europese Commissie op een nieuw juridisch instrument te introduceren voor gedecentraliseerde interregionale samenwerking, die op regionaal en lokaal niveau tot stand komt.

41.

Het beveelt aan dat de verschillende instrumenten voor lokale en regionale samenwerking de vorming en uitbreiding van netwerken tussen steden bevorderen, en projecten voor decentrale samenwerking tussen lokale en/of regionale overheden.

Een geïntegreerde benadering van de bijzondere kenmerken van gebieden

42.

Het Comité is verheugd over het feit dat de Europese Commissie, evenals in het verleden, voorstelt om (overeenkomstig artikel 299, lid 2, van het Verdrag) enerzijds een specifiek programma ter compensering van de nadelen van alle ultraperifere regio's op te nemen in de nieuwe doelstelling „Convergentie”, en anderzijds voor deze regio's een nabuurschapsmaatregel te introduceren in de nieuwe programma's voor „Europese territoriale samenwerking”, teneinde hun de economische middelen te geven die nodig zijn om zich doeltreffend te kunnen kwijten van hun taak als actieve buur van de EU en zodoende bij te dragen tot de Europese integratie. Het roept de Europese Commissie echter op om duidelijke voorstellen te formuleren voor de coördinatie van de maatregelen met het recent voorgestelde initiatief „Goed nabuurschap” en de doelstelling van territoriale samenwerking.

43.

Het spreekt zijn waardering uit voor de inspanningen om urbane vraagstukken te plaatsen in het kader van een bredere regionale en nationale strategie, maar doet een beroep op de Europese Commissie om de selectiecriteria voor urbane gebieden nader te omschrijven, indachtig de rol van kleine en middelgrote steden voor een evenwichtige regionale ontwikkeling.

44.

Het vindt dat bij de behandeling van urbane vraagstukken in het regionaal beleid niet alleen aandacht moet worden besteed aan stadsvernieuwing, maar ook aan de rol van urbane gebieden als stuwende krachten achter de regionale economie en aan de relatie stad-platteland.

45.

Het steunt de voorstellen van de Europese Commissie om overeenkomstig het subsidiariteitsbeginsel steden meer inspraak te geven bij de tenuitvoerlegging van de urbane dimensie.

46.

Het deelt het standpunt van de Commissie omtrent de regio's met permanente natuurlijke handicaps als gevolg van hun ligging of demografische situatie, zoals bergstreken, dunbevolkte gebieden en eilandregio's. Voorts zou het graag zien dat er desgewenst specifieke maatregelen (afgestemd op de mate waarin de bestaande omstandigheden problemen opleveren) worden genomen zodat deze regio's onder eerlijke voorwaarden kunnen integreren in de interne markt. Ook de hoogte van de kosten die sommige regio's als gevolg van hun specifieke territoriale of demografische kenmerken moeten maken om de bevolking essentiële diensten te kunnen verlenen, zou als criterium moeten worden meegenomen.

Verband met sectoraal beleid op andere gebieden

47.

Het Comité beaamt dat het cohesiebeleid als horizontaal beleid beschouwd moet worden dat op basis van duurzame ontwikkeling gericht is op versterking van de economische en sociale cohesie en dat een essentiële rol vervult in het integratieproces tussen de diverse bevolkingsgroepen en gebieden in de Unie. Al het communautaire beleid dient aan de verwezenlijking van de cohesiedoelstelling bij te dragen.

48.

Het neemt kennis van het voornemen van de Europese Commissie om het Leader + initiatief te integreren in de reguliere activiteiten, maar is bezorgd over de opname van plattelandsontwikkeling in de tweede pijler van het GLB, omdat regionalisatie wat dat betreft nog maar nauwelijks van de grond is gekomen en agrarische productie bij de ontwikkeling van het platteland een overheersende rol speelt. Het roept de Commissie op om alle plattelandsgebieden zoveel mogelijk te stimuleren deel te nemen aan activiteiten in het kader van het onderdeel „Toegankelijkheid en diensten van algemeen belang” van de doelstelling „Concurrentievermogen”.

49.

Het Comité is van oordeel dat er afstemming plaats moet vinden tussen de programmering en de besteding van de middelen voor plattelandsontwikkeling uit de tweede pijler van het Gemeenschappelijk landbouwbeleid en de besteding van de middelen uit de nieuwe doelstelling 2, concurrentie en werkgelegenheid. Deze afstemming dient op regionaal niveau plaats te vinden.

50.

Het Comité is opgetogen dat er een speciaal instrument komt voor de ontwikkeling van het platteland en visserijgebieden; de Commissie doet er goed aan duidelijk te maken hoe dit instrument buiten de doelstelling„convergentie” om moet fungeren. Het Comité meent dat hierbij voorrang moet worden verleend aan maatregelen om de grootste problemen van landelijke gebieden, nl. leegloop, vergrijzing en gebrek aan eigen ontwikkelingsmogelijkheden, aan te pakken.

51.

Het dringt er voorts op aan dat de maatregelen in het kader van EG-Verordening inzake de ontwikkeling van het platteland behalve ondersteuning van de landbouwproductie ook agrarische en min of meer met landbouw gelijk te schakelen sectoren gaan omvatten. Bij de middelenverdeling moet gewaarborgd zijn dat er tegelijkertijd rekening wordt gehouden met de convergentiedoelstellingen en de behoefte aan middelen voor de taken die voortvloeien uit de GLB-hervorming.

Vereenvoudiging van het beheer van de Structuurfondsen

52.

Het Comité is ingenomen met het voorstel van de Europese Commissie om kernonderdelen van het programmeer- en beheerssysteem te handhaven voor de toekomstige tenuitvoerlegging van de Structuurfondsen, zoals een meerjarig kader, een strategische benadering binnen één coherent kader, co-financiering, evaluatie en bevordering van publiek-private-partnerschappen op regionaal niveau, en versteviging van de samenwerking tussen de verschillende bestuursniveaus (lokaal, regionaal, nationaal en Europees).

53.

Het wenst dat de regio's nauwer worden betrokken bij een doeltreffender en transparanter controlesysteem inzake de toewijzing, verdeling en besteding van de structuurfondsen.

54.

Het constateert dat de Commissie veel voorstellen van de lokale en regionale overheden ter vereenvoudiging van het beheer van de fondsen heeft overgenomen, nl.:

alleen op prioritaire werkterreinen programma's vastleggen en dus afzien van aanvullende programma-onderdelen;

de programma's slechts uitvoeren met de middelen uit één enkel fonds („mono-fonds”-programma's), en toestaan dat de resterende activiteiten met betrekking tot menselijke en materiële hulpbronnen met middelen uit het EFRO en het ESF worden gefinancierd;

voor de Cohesiefondsen en het EFRO één programmeerdocument gebruiken als het gaat om vervoers- en milieu-infrastructuur;

de financiële controle decentraliseren met het oog op vereenvoudiging en overeenkomstig het evenredigheidsbeginsel.

55.

Het onderstreept dat vereenvoudiging van de programmeerprocedure niet mag leiden tot een zwaardere last voor de regionale en lokale overheden of voor projectleiders. Het opzetten van zogenoemde „mono-fonds”-programma's in de nieuwe doelstelling „Convergentie” zou bijvoorbeeld kunnen resulteren in nog meer programma's, zonder dat de regio's daar baat bij hebben. Het verdient de voorkeur dat de huidige regels voor operationele programma's worden gehandhaafd, met dien verstande dat dan wordt afgezien van de geïntegreerde benadering voor de programmering van de fondsen. Verder zouden de operationele programma's voortaan ook betrekking moeten kunnen hebben op naburige regio's, ook wat de financiële planning betreft.

56.

Het verzoekt de Commissie om bij het vereenvoudigen van het regionaal beleid rekening te houden met het zogeheten 'uitgangspunt van de gebruiker'.

57.

Het verzoekt de Europese Commissie te verduidelijken welke rol het voorgestelde document waarin het beleidskader is uiteengezet, vervult in verband met de programmeringsfase op nationaal/regionaal niveau, en welke gevolgen de jaarlijkse raadplegingen in het kader van de nationale voortgangsverslagen zullen hebben. Het Comité gaat ervanuit dat er rekening wordt gehouden met de constitutionele situatie in de lidstaten. Het verzoekt om bij de uitwerking van deze strategische documenten als gelijkwaardige partners samen te werken, overeenkomstig het subsidiariteitsbeginsel.

58.

Het acht het bevredigend indien de Europese instellingen zich ten hoogste om de twee jaar over de prioriteiten en behaalde resultaten buigen. Bij deze evaluatie - die kan worden doorgevoerd tijdens de voorjaarstop, waar de processen van Lissabon en Göteborg op de agenda staan - mag de tenuitvoerlegging van de programma's in de regio's, noch de structuur hiervan niet gewijzigd worden.

59.

Het betreurt het dat de Europese Commissie het voorstel van het CvdR om de regel n+2 te vervangen door een regel n+3 naast zich neer heeft gelegd, waarmee de problemen i.v.m. de implementatie van grootschalige projecten zouden verminderen. Het Comité verzoekt de Commissie deze voorstellen (van lokale en regionale overheden) opnieuw te bekijken en in geval van afwijzing een grondige motivering hiervoor te verstrekken.

Brussel, 16 juni 2004

De voorzitter

van het Comité van de Regio's

Peter STRAUB


(1)  PB C 148 van 18 mei 2001, blz. 25

(2)  PB C 107 van 3 mei 2002, blz. 27

(3)  PB C 66 van 19 maart 2003, blz. 11

(4)  PB C 256 van 24 oktober 2003, blz. 13

(5)  PB C 244 van 10 oktober 2003, blz. 23

(6)  PB C 256 van 24 oktober 2003, blz. 1