|
27.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 101/60 |
GEMEENSCHAPPELIJK STANDPUNT (EG) Nr. 27/2004
door de Raad vastgesteld op 26 april 2004
met het oog op de aanneming van Richtlijn 2004/ /EG van het Europees Parlement en de Raad van … houdende wijziging van de Richtlijnen 72/166/EEG, 84/5/EEG, 88/357/EEG en 90/232/EEG van de Raad en Richtlijn 2000/26/EG van het Europees Parlement en de Raad betreffende de verzekering tegen de wettelijke aansprakelijkheid waartoe deelneming aan het verkeer van motorrijtuigen aanleiding kan geven
(Voor de EER relevante tekst)
(2004/C 101E/02)
HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,
Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, en met name op artikel 47, lid 2, eerste en derde zin, artikel 55 en artikel 95, lid 1,
Gezien het voorstel van de Commissie (1),
Gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité (2),
Handelend overeenkomstig de procedure van artikel 251 van het Verdrag (3),
Overwegende hetgeen volgt:
|
(1) |
De verzekering tegen de wettelijke aansprakelijkheid waartoe deelneming aan het verkeer van motorrijtuigen aanleiding kan geven (motorrijtuigenverzekering) is van bijzonder groot belang voor Europese burgers, of zij verzekeringnemers zijn of slachtoffers van een ongeval. Zij is tevens van grote betekenis voor verzekeringsondernemingen omdat de motorrijtuigenverzekering een aanzienlijk deel van het schadeverzekeringsbedrijf in de Gemeenschap vormt. Daarnaast heeft de motorrijtuigenverzekering gevolgen voor het vrije verkeer van personen en voertuigen. Een van de hoofddoelstellingen van het communautaire optreden op het gebied van financiële diensten dient derhalve een versterking en consolidering van de interne markt op het gebied van motorrijtuigenverzekering te zijn. |
|
(2) |
Een zeer aanzienlijke vooruitgang in deze richting is reeds gemaakt door Richtlijn 72/166/EEG van de Raad van 24 april 1972 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der lidstaten betreffende de verzekering tegen de wettelijke aansprakelijkheid waartoe de deelneming aan het verkeer van motorrijtuigen aanleiding kan geven en de controle op de verzekering tegen deze aansprakelijkheid (4), de Tweede Richtlijn 84/5/EEG van de Raad van 30 december 1983 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der lidstaten betreffende de verzekering tegen de wettelijke aansprakelijkheid waartoe de deelneming aan het verkeer van motorrijtuigen aanleiding kan geven (5), de Derde Richtlijn 90/232/EEG van de Raad van 14 mei 1990 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen van de lidstaten betreffende de verzekering tegen de wettelijke aansprakelijkheid waartoe deelneming aan het verkeer van motorrijtuigen aanleiding kan geven (6) en Richtlijn 2000/26/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 mei 2000 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen van de lidstaten betreffende de verzekering tegen de wettelijke aansprakelijkheid waartoe deelneming aan het verkeer van motorrijtuigen aanleiding kan geven (Vierde richtlijn motorrijtuigenverzekering) (7). |
|
(3) |
De gemeenschapsregeling inzake de motorrijtuigenverzekering moet worden geactualiseerd en verbeterd. Deze noodzaak is bevestigd door een raadpleging van de sector en van consumenten- en slachtofferorganisaties. |
|
(4) |
Om een mogelijke verkeerde uitlegging van Richtlijn 72/166/EEG uit te sluiten en om het verkrijgen van verzekeringsdekking voor voertuigen met tijdelijke kentekenplaten te vergemakkelijken dient de definitie van het grondgebied waar het voertuig gewoonlijk is gestald te verwijzen naar de lidstaat waarvan het voertuig de kentekenplaat draagt, ongeacht of het een permanente of een tijdelijke kentekenplaat betreft. |
|
(5) |
Overeenkomstig Richtlijn 72/166/EEG worden voertuigen met valse of ongeldige kentekenplaten geacht gewoonlijk gestald te zijn op het grondgebied van de lidstaat die de oorspronkelijke platen heeft afgegeven. Het gevolg hiervan is dat nationale bureaus van verzekeraars dikwijls verplicht zijn de financiële gevolgen van ongevallen die op generlei wijze gerelateerd zijn aan de lidstaat waar zij gevestigd zijn, op zich te nemen. Zonder verandering te brengen in het algemene criterium dat het grondgebied waar het voertuig gewoonlijk is gestald, wordt bepaald door de kentekenplaat, dient een bijzondere regeling te worden vastgesteld voor ongevallen die worden veroorzaakt door een voertuig zonder kentekenplaat of met een kentekenplaat die niet overeenkomt of niet langer overeenkomt met het betrokken voertuig. In dit geval, en uitsluitend met het oog op het afwikkelen van de vordering, dient het grondgebied waar het ongeval heeft plaatsgevonden te worden beschouwd als het grondgebied waar het voertuig gewoonlijk is gestald. |
|
(6) |
Ter vergemakkelijking van de uitlegging en de toepassing van de term „controle door middel van steekproeven” in Richtlijn 72/166/EEG moet de desbetreffende bepaling worden verduidelijkt. Het verbod op systematische controles inzake de motorrijtuigenverzekering moet van toepassing zijn op voertuigen die gewoonlijk op het grondgebied van een andere lidstaat zijn gestald, evenals op voertuigen die gewoonlijk op het grondgebied van een derde land zijn gestald, maar die vanuit het grondgebied van een andere lidstaat binnenkomen. Alleen niet-systematische controles, die niet discriminerend zijn en die als onderdeel van een controle worden uitgevoerd welke niet uitsluitend gericht is op verzekeringscontrole, kunnen worden toegestaan. |
|
(7) |
Volgens artikel 4, onder a) van Richtlijn 72/166/EEG kunnen de lidstaten afwijken van de algemene verplichting tot het afsluiten van een verzekering ten aanzien van voertuigen van publiekrechtelijke of privaatrechtelijke natuurlijke of rechtspersonen. In geval van ongelukken, veroorzaakt door deze voertuigen, moet de lidstaat die deze afwijking voorziet een instantie of lichaam aanwijzen die of dat de schade aan de slachtoffers van in een andere lidstaat veroorzaakte ongevallen vergoedt. Om ervoor te zorgen dat niet alleen slachtoffers van door deze voertuigen in het buitenland veroorzaakte ongevallen schadeloos worden gesteld, maar ook de slachtoffers van ongevallen in dezelfde lidstaat als waar het voertuig gewoonlijk is gestald, ongeacht of zij wel of niet op het grondgebied van die lidstaat verblijven, dient eerder genoemd artikel dienovereenkomstig te worden gewijzigd. Voorts dienen de lidstaten ervoor te zorgen dat de lijst met van verplichte verzekering vrijgestelde personen en van de instanties of lichamen die verantwoordelijk zijn voor de schadevergoeding aan de slachtoffers van door deze voertuigen veroorzaakte ongevallen ter publicatie aan de Commissie wordt toegestuurd. |
|
(8) |
Volgens artikel 4, onder b) van Richtlijn 72/166/EEG kunnen de lidstaten afwijken van de algemene verplichting tot het afsluiten van een verzekering ten aanzien van bepaalde typen voertuigen of bepaalde voertuigen met een speciale kentekenplaat. In dat geval mogen de andere lidstaten bij binnenkomst op hun grondgebied een geldige groene kaart of een grensverzekeringsovereenkomst eisen, zodat schadeloosstelling van slachtoffers van eventueel door deze voertuigen op hun grondgebied veroorzaakte ongevallen, is gewaarborgd. Sedert de afschaffing van de grenscontroles in de Gemeenschap is het echter niet mogelijk zich ervan te vergewissen of voertuigen die de grens oversteken, verzekerd zijn en kan schadevergoeding voor de slachtoffers van ongevallen die in het buitenland zijn veroorzaakt, niet meer gewaarborgd worden. Voorts moet ook worden gewaarborgd dat niet alleen de slachtoffers van door deze voertuigen in het buitenland veroorzaakte ongevallen, maar ook van ongevallen in de lidstaat waar het voertuig gewoonlijk is gestald, naar behoren schadeloos worden gesteld. Daarom moeten de lidstaten de slachtoffers van door deze voertuigen veroorzaakte ongevallen net zo behandelen als slachtoffers van door onverzekerde voertuigen veroorzaakte ongevallen. In Richtlijn 84/5/EEG is vastgelegd dat het met de vergoeding belaste orgaan van de lidstaat waar het ongeval is gebeurd, de slachtoffers van onverzekerde voertuigen moet vergoeden. In het geval van betaling aan slachtoffers van voertuigen waarvoor de afwijking geldt, moet het vergoedingsorgaan een vordering hebben tegen de instantie van de lidstaat waar het voertuig gewoonlijk is gestald. Vijf jaar na de datum van inwerkingtreding van deze richtlijn moet de Commissie, indien nodig, gelet op de ervaring met de uitvoering en toepassing van deze afwijking, voorstellen indienen tot vervanging of schrapping daarvan. De dienovereenkomstige bepaling in Richtlijn 2000/26/EG moet eveneens worden geschrapt. |
|
(9) |
Ter verduidelijking van de reikwijdte van de toepassing van de richtlijnen motorrijtuigenverzekering overeenkomstig artikel 299 van het Verdrag, moet de verwijzing naar het niet-Europese grondgebied van de lidstaten in de artikelen 6 en 7, lid 1, van Richtlijn 72/166/EEG worden geschrapt. |
|
(10) |
De verplichting van de lidstaten om de verzekeringsdekking voor tenminste een bepaald minimumbedrag te waarborgen, vormt een belangrijk element ter bescherming van de slachtoffers. De in Richtlijn 84/5/EEG vastgestelde minimumbedragen moeten niet alleen worden aangepast om rekening te houden met de inflatie, maar moeten ook reëel worden verhoogd om slachtoffers een betere bescherming te bieden. Teneinde de invoering van deze minimumbedragen te vergemakkelijken, dient er een overgangsperiode van vijf jaar te worden ingesteld die begint vanaf de datum van omzetting van deze richtlijn. De lidstaten moeten de bedragen binnen dertig maanden na de datum van omzetting verhogen tot ten minste de helft van de niveaus. |
|
(11) |
Om te voorkomen dat het minimum-dekkingsbedrag in de loop van de tijd wordt uitgehold, dient een periodieke herzieningsclausule te worden opgenomen waarbij het Europese indexcijfer van de consumptieprijzen (EICP) dat door Eurostat wordt gepubliceerd overeenkomstig Verordening (EG) nr. 2494/95 van de Raad van 23 oktober 1995 inzake geharmoniseerde indexcijfers van de consumptieprijzen (8), als referentie dient. De procedureregels inzake deze herziening moeten worden vastgelegd. |
|
(12) |
De bepaling in Richtlijn 84/5/EEG op grond waarvan de lidstaten ter voorkoming van fraude de tussenkomst van het vergoedingsorgaan in geval van door een niet-geïdentificeerd voertuig veroorzaakte materiële schade kunnen beperken of uitsluiten, kan de rechtmatige schadeloosstelling van slachtoffers in sommige gevallen verhinderen. Deze mogelijkheid tot beperking of uitsluiting van schadevergoeding op basis van het feit dat het voertuig niet is geïdentificeerd dient niet van toepassing te zijn wanneer de instantie een vergoeding heeft betaald voor aanzienlijk lichamelijk letsel aan een slachtoffer van hetzelfde ongeval waarbij materiële schade is veroorzaakt. De lidstaten mogen voorzien in een franchise tot de in genoemde richtlijn gestelde limiet, die aan het slachtoffer van dergelijke materiële schade kan worden opgelegd. De voorwaarden waaronder lichamelijk letsel als aanzienlijk wordt beschouwd dienen in de nationale wetgeving of in de bestuurlijke bepalingen van de lidstaat waar het ongeval gebeurt, te worden omschreven. Bij het bepalen van deze voorwaarden mogen de lidstaten onder meer rekening houden met de vraag of het letsel in het ziekenhuis moest worden behandeld. |
|
(13) |
Op grond van een thans in Richtlijn 84/5/EEG neergelegde keuzemogelijkheid kunnen de lidstaten, tot een bepaald maximumbedrag, een franchise toestaan, waarvoor de slachtoffers aansprakelijk zouden zijn in het geval van door niet-verzekerde voertuigen veroorzaakte materiële schade. Deze keuzemogelijkheid tast zonder enige rechtvaardiging de bescherming van de slachtoffers aan en leidt tot discriminatie ten opzichte van de slachtoffers van andere ongevallen. Zij dient daarom niet langer te worden toegestaan. |
|
(14) |
De Tweede Richtlijn 88/357/EEG van de Raad van 22 juni 1988 tot coördinatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen betreffende het directe verzekeringsbedrijf, met uitzondering van de levensverzekeringsbranche, tot vaststelling van bepalingen ter bevordering van de daadwerkelijke uitoefening van het vrij verrichten van diensten (9) moet aldus worden gewijzigd dat bijkantoren van verzekeringsondernemingen wordt toegestaan vertegenwoordiger te worden voor activiteiten op het gebied van motorrijtuigenverzekering, zoals reeds gebeurt ten aanzien van andere verzekeringsdiensten dan motorrijtuigenverzekering. |
|
(15) |
De opneming van inzittenden van een voertuig in de verzekeringsdekking is een belangrijke verworvenheid van de bestaande wetgeving. Deze doelstelling zou in gevaar komen indien de wetgeving van een lidstaat of een contractuele bepaling in een verzekeringsovereenkomst inzittenden van verzekeringsdekking zou uitsluiten, omdat deze wisten of hadden moeten weten dat de bestuurder van het voertuig ten tijde van het ongeval onder invloed van alcohol of van enige andere bedwelmende stof verkeerde. De inzittenden zijn gewoonlijk niet in staat het bedwelmingsniveau van de bestuurder naar behoren te beoordelen. De doelstelling het rijden onder invloed van bedwelmende stoffen tegen te gaan, wordt niet bereikt door de verzekeringsdekking voor inzittenden die slachtoffer zijn van ongevallen met motorrijtuigen te verminderen. De dekking van deze inzittenden uit hoofde van de verplichte motorrijtuigenverzekering van het voertuig staat evenwel los van hun aansprakelijkheid ingevolge de toepasselijke nationale wetgeving evenals van het niveau van de eventuele schadevergoeding in een specifiek ongeval. |
|
(16) |
Lichamelijk letstel en materiële schade die worden geleden door voetgangers, fietsers en andere niet-gemotoriseerde weggebruikers, die gewoonlijk de zwakste partij zijn bij een ongeval, moeten door de verplichte verzekering van het bij het ongeval betrokken voertuig worden gedekt wanneer zij krachtens het nationale burgerlijk recht gerechtigd zijn tot schadeloosstelling. Deze bepaling laat de wettelijke aansprakelijkheid of het niveau van schadevergoeding naar aanleiding van een specifiek ongeval op grond van de nationale wetgeving onverlet. |
|
(17) |
Sommige verzekeringsondernemingen nemen in hun verzekeringspolissen bepalingen op inhoudende dat de overeenkomst vervalt indien het voertuig zich langer dan een bepaalde periode buiten de lidstaat van registratie bevindt. Deze praktijk is in strijd met het in Richtlijn 90/232/EEG vervatte beginsel, volgens hetwelk de verplichte motorrijtuigenverzekering tegen betaling van een enkele premie dekking moet verschaffen voor het gehele grondgebied van de Gemeenschap. Er dient derhalve te worden bepaald dat de verzekeringsdekking gedurende de gehele looptijd van de overeenkomst geldt, ongeacht of het voertuig zich gedurende een bepaalde periode in een andere lidstaat bevindt, zulks onverminderd de verplichtingen uit hoofde van de nationale wetgeving van de lidstaten inzake de registratie van voertuigen. |
|
(18) |
Er moeten maatregelen worden genomen die het gemakkelijker maken verzekeringsdekking te verkrijgen voor voertuigen die uit een lidstaat in een andere lidstaat worden ingevoerd, zelfs als het voertuig nog niet is geregistreerd in de lidstaat van bestemming. Er dient een tijdelijke afwijking te worden ingevoerd van de algemene regel voor het bepalen van de lidstaat waar het risico is gelegen. Gedurende een periode van dertig dagen vanaf de datum waarop het voertuig is geleverd, beschikbaar gesteld of verzonden naar de koper, dient de lidstaat van bestemming te worden beschouwd als de lidstaat waar het risico is gelegen. |
|
(19) |
Iemand die een nieuwe verzekeringsovereenkomst wil sluiten met een andere verzekeraar moet zijn schadeverleden onder de oude overeenkomst kunnen staven. De polishouder moet het recht hebben om op ieder moment een verklaring te vragen over het schadeverloop ten aanzien van het/de door de verzekeringsovereenkomst gedekte voertuig(en) gedurende tenminste de voorafgaande vijf jaar van de looptijd van de overeenkomst. De verzekeringsonderneming of een orgaan dat door een lidstaat is aangewezen om een verplichte verzekering aan te bieden of om dergelijke verklaringen af te geven, moet deze verklaring binnen 15 dagen na het verzoek afgeven. |
|
(20) |
Om een behoorlijke bescherming van slachtoffers van ongevallen met motorrijtuigen te waarborgen mogen de lidstaten niet toestaan dat door verzekeringsondernemingen tegenover de slachtoffers van een ongeval een franchise wordt ingeroepen. |
|
(21) |
Het recht zich op de verzekeringsovereenkomst te beroepen en rechtstreeks een vordering bij de verzekeringsonderneming in te dienen is voor de bescherming van de slachtoffers van ongevallen met motorrijtuigen van groot belang. Richtlijn 2000/26/EG geeft slachtoffers van ongevallen die zich hebben voorgedaan in een andere lidstaat dan de lidstaat van de woonplaats van de benadeelde en veroorzaakt zijn door de deelneming aan het verkeer door voertuigen die gewoonlijk in een lidstaat zijn gestald en verzekerd, reeds het recht een rechtstreekse vordering in te stellen tegen de verzekeringsonderneming van de wettelijk aansprakelijke partij. Ter vergemakkelijking van een doelmatige en snelle afdoening van de vorderingen en om kostbare juridische procedures zo veel mogelijk te vermijden moet dit recht tot de slachtoffers van alle ongevallen met motorrijtuigen worden uitgebreid. |
|
(22) |
Ter verhoging van de bescherming van alle slachtoffers van ongevallen met motorrijtuigen moet de procedure inzake het met redenen omkleed voorstel van Richtlijn 2000/26/EG worden uitgebreid tot alle ongevallen met motorrijtuigen. Deze zelfde procedure moet ook mutatis mutandis gelden wanneer het ongeval wordt afgewikkeld door middel van het systeem van nationale bureaus van verzekeraars waarin in Richtlijn 72/166/EEG wordt voorzien. |
|
(23) |
Om ervoor te zorgen dat benadeelden gemakkelijker schadevergoeding kunnen krijgen, dienen de werkzaamheden van de overeenkomstig Richtlijn 2000/26/EG opgerichte informatiecentra niet beperkt te blijven tot het verschaffen van informatie met betrekking tot onder die richtlijn vallende ongevallen, maar moeten zij soortgelijke informatie inzake alle ongevallen met motorrijtuigen kunnen verstrekken. |
|
(24) |
Aangezien Richtlijn 2000/26/EG is aangenomen vóór Verordening (EG) nr. 44/2001 van de Raad van 22 december 2000 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (10) die voor een aantal lidstaten in de plaats kwam van het Verdrag van Brussel van 27 september 1968 over hetzelfde onderwerp, moet de verwijzing naar dit verdrag in de richtlijn waar nodig worden aangepast. |
|
(25) |
Richtlijnen 72/166/EEG, 84/5/EEG, 88/357/EEG en 90/232/EEG van de Raad en Richtlijn 2000/26/EG van het Europees Parlement en de Raad moeten dienovereenkomstig worden gewijzigd, |
HEBBEN DE VOLGENDE RICHTLIJN VASTGESTELD:
Artikel 1
Wijzigingen in Richtlijn 72/166/EEG
Richtlijn 72/166/EEG wordt als volgt gewijzigd:
|
1) |
artikel 1, punt 4, wordt als volgt gewijzigd:
|
|
2) |
artikel 2, lid 1, wordt vervangen door: „1. De lidstaten zien ervan af controle uit te oefenen op de verzekering tegen wettelijke aansprakelijkheid bij voertuigen die gewoonlijk op het grondgebied van een andere lidstaat zijn gestald en bij voertuigen die gewoonlijk op het grondgebied van een derde land zijn gestald wanneer deze hun grondgebied binnenkomen vanuit het grondgebied van een andere lidstaat. Zij kunnen evenwel niet-systematische controles op de verzekering uitvoeren mits deze niet-discriminerend zijn en als onderdeel van een controle worden uitgevoerd die niet uitsluitend op de controle van de verzekering is gericht.”; |
|
3) |
artikel 4 wordt als volgt gewijzigd:
|
|
4) |
in de artikelen 6 en 7, lid 1, worden de woorden „of op het niet-Europese grondgebied van een lidstaat” geschrapt. |
Artikel 2
Wijzigingen in Richtlijn 84/5/EEG
Artikel 1 van Richtlijn 84/5/EEG wordt vervangen door:
„Artikel 1
1. De verzekering bedoeld in artikel 3, lid 1, van Richtlijn 72/166/EEG dekt zowel materiële schade als lichamelijk letsel.
2. Onverminderd door de lidstaten voorgeschreven hogere dekkingen, eist iedere lidstaat dat deze verzekering verplicht is voor ten minste de volgende bedragen:
|
a) |
voor lichamelijk letsel, EUR 1 000 000 per slachtoffer; de lidstaten kunnen, in plaats van dit bedrag, voorzien in een minimumbedrag van EUR 5 000 000 per ongeval, ongeacht het aantal slachtoffers; |
|
b) |
voor materiële schade, EUR 1 000 000 per ongeval, ongeacht het aantal slachtoffers. |
De lidstaten beschikken over een overgangsperiode van vijf jaar na het tijdstip van omzetting van Richtlijn 2004/.../EG van het Europees Parlement en de Raad houdende wijziging van de Richtlijnen 72/166/EEG, 84/5/EEG, 88/357/EEG en 90/232/EEG van de Raad en Richtlijn 2000/26/EG van het Europees Parlement en de Raad betreffende de verzekering tegen de wettelijke aansprakelijkheid waartoe deelneming aan het verkeer van motorrijtuigen aanleiding kan geven (13) om de dekkingen te verhogen tot de in dit lid voorgeschreven bedragen.
Binnen 30 maanden na de datum van omzetting van Richtlijn 2004/.../EG dienen de lidstaten de dekkingen te verhogen tot ten minste de helft van de in dit lid voorgeschreven bedragen.
3. De in lid 2 genoemde bedragen worden elke vijf jaar herzien teneinde rekening te houden met de wijziging van het Europese indexcijfer van de consumentenprijzen (EICP) zoals bepaald in Verordening (EG) nr. 2494/95 van de Raad van 23 oktober 1995 inzake geharmoniseerde indexcijfers van de consumptieprijzen (14). De eerste herziening geschiedt vijf jaar na de inwerkingtreding van Richtlijn 2004/.../EG .
De bedragen worden automatisch aangepast. Zij worden verhoogd met de procentuele wijziging van de EICP gedurende de betrokken periode, dat wil zeggen de vijf jaar onmiddellijk voorafgaande aan de herziening, en worden afgerond op een veelvoud van EUR 10 000.
De Commissie deelt het Europees Parlement en de Raad de herziene bedragen mede en draagt zorg voor de bekendmaking van de bedragen in het Publicatieblad van de Europese Unie.
4. Elke lidstaat stelt een orgaan in of erkent een orgaan dat tot taak heeft materiële schade en lichamelijk letsel die zijn veroorzaakt door een niet-geïdentificeerd voertuig of een voertuig waarvoor niet aan de in lid 1 bedoelde verzekeringsplicht is voldaan, ten minste binnen de grenzen van de verplichte verzekering te vergoeden.
De eerste alinea doet geen afbreuk aan het recht van de lidstaten om aan de vergoeding door dit orgaan al dan niet een subsidiair karakter te geven, noch aan het recht van de lidstaten om het verhaal te regelen tussen dit orgaan en degene of degenen die aansprakelijk is of zijn voor het ongeval en andere verzekeraars of socialezekerheidsorganen die gehouden zijn het slachtoffer terzake van hetzelfde ongeval te vergoeden. De lidstaten mogen het orgaan evenwel niet toestaan aan de uitkering van de schadevergoeding de voorwaarde te verbinden dat het slachtoffer op enigerlei wijze aantoont dat de aansprakelijke persoon niet kan of niet wil betalen.
5. Het slachtoffer kan zich in ieder geval rechtstreeks tot dit orgaan wenden; het orgaan is verplicht aan de hand van de inlichtingen die het op zijn verzoek van het slachtoffer heeft gekregen, een met redenen omkleed antwoord met betrekking tot de betaling van een vergoeding te geven.
De lidstaten kunnen evenwel van vergoeding door dit orgaan uitsluiten degenen die geheel vrijwillig plaats hebben genomen in het voertuig dat de schade heeft veroorzaakt, wanneer het orgaan kan bewijzen dat zij wisten dat het voertuig niet verzekerd was.
6. De lidstaten kunnen in geval van materiële schade die door een niet-geïdentificeerd voertuig is veroorzaakt, de vergoeding door dit orgaan beperken of uitsluiten.
Wanneer het orgaan echter een vergoeding heeft betaald voor aanzienlijk lichamelijk letsel aan een slachtoffer van hetzelfde ongeval waarbij materiële schade is veroorzaakt door een niet-geïdentificeerd voertuig, kunnen de lidstaten de vergoeding voor materiële schade niet uitsluiten vanwege het feit dat het voertuig niet is geïdentificeerd. De lidstaten kunnen niettemin voorzien in een franchise van ten hoogste EUR 500 die aan het slachtoffer van dergelijke materiële schade kan worden opgelegd.
De voorwaarden waaronder lichamelijk letsel als aanzienlijk wordt beschouwd, worden vastgesteld overeenkomstig de wetgeving of de bestuursrechtelijke bepalingen van de lidstaat waar het ongeval plaatsvindt. In dit verband kunnen de lidstaten rekening houden met, onder andere, de vraag of het letsel in het ziekenhuis moest worden behandeld.
7. Iedere lidstaat past op de vergoeding door het orgaan zijn wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen toe, onverminderd elke andere regeling die voor het slachtoffer voordeliger is.
Artikel 3
Wijzigingen in Richtlijn 88/357/EEG
In artikel 12 bis, lid 4, vierde alinea, van Richtlijn 88/357/EEG wordt de tweede zin geschrapt.
Artikel 4
Wijzigingen in Richtlijn 90/232/EEG
Richtlijn 90/232/EEG wordt als volgt gewijzigd:
|
1) |
in artikel 1 wordt tussen de eerste en de tweede alinea de volgende alinea ingevoegd: „De lidstaten nemen de nodige maatregelen opdat alle wettelijke bepalingen of contractuele clausules in een verzekeringspolis op grond waarvan een inzittende wordt uitgesloten van een dergelijke dekking omdat hij wist of had moeten weten dat de bestuurder ten tijde van het ongeval onder invloed van alcohol of van enige andere bedwelmende stof verkeerde, geacht worden niet te gelden inzake vorderingen van deze inzittende.”; |
|
2) |
het volgende artikel wordt ingevoegd: „Artikel 1 bis De in artikel 3, lid 1, van Richtlijn 72/166/EEG bedoelde verzekering dekt lichamelijk letsel en materiële schade, geleden door voetgangers, fietsers en andere niet-gemotoriseerde weggebruikers die, als gevolg van een ongeval waarbij een motorvoertuig is betrokken, recht hebben op een vergoeding uit hoofde van het nationale burgerlijk recht. Deze bepaling doet geen afbreuk aan de wettelijke aansprakelijkheid, noch aan het bedrag van de schade.”; |
|
3) |
in artikel 2 wordt het eerste streepje vervangen door:
|
|
4) |
de volgende artikelen worden ingevoegd: „Artikel 4 bis 1. In afwijking van artikel 2, punt d), tweede streepje, van Richtlijn 88/357/EEG (15) wordt, wanneer een voertuig vanuit een lidstaat in een andere lidstaat wordt ingevoerd, de lidstaat van bestemming, vanaf de datum waarop het voertuig is geleverd, beschikbaar gesteld of verzonden aan de koper, gedurende een periode van maximaal dertig dagen beschouwd als de lidstaat waar het risico is gelegen, zelfs indien het voertuig in de lidstaat van bestemming niet officieel is geregistreerd. 2. Wanneer het voertuig gedurende de in lid 1 van dit artikel genoemde periode bij een ongeval betrokken raakt zonder dat het verzekerd is, is het in artikel 1, lid 4, van Richtlijn 84/5/EEG bedoelde orgaan in de lidstaat van bestemming gehouden tot de in artikel 1 van genoemde richtlijn bepaalde schadevergoeding. Artikel 4 ter De lidstaten dragen er zorg voor dat de verzekeringnemer te allen tijde het recht heeft een verklaring te vragen betreffende de schadevorderingen die derden gedurende ten minste de laatste vijf jaar van de looptijd van de overeenkomst ten aanzien van het of de door de verzekeringsovereenkomst gedekte voertuig of voertuigen hebben ingediend, of een verklaring betreffende het ontbreken van dergelijke vorderingen. De verzekeringsonderneming dan wel een instantie die door een lidstaat is aangewezen om verplichte verzekeringen aan te bieden of dergelijke verklaringen te verstrekken, verstrekt de verzekeringnemer deze verklaring binnen vijftien dagen te rekenen vanaf de indiening van het verzoek. Artikel 4 quater Verzekeringsondernemingen mogen met betrekking tot de in artikel 3, lid 1, van Richtlijn 72/166/EEG bedoelde verzekering tegenover de benadeelde van een ongeval geen franchise inroepen. Artikel 4 quinquies De lidstaten dragen er zorg voor dat personen die materiële schade of lichamelijk letsel hebben geleden welke is veroorzaakt door een voertuig dat door een in artikel 3, lid 1, van Richtlijn 72/166/EEG bedoelde verzekering is gedekt, tegen de verzekeringsonderneming van de wettelijk aansprakelijke partij een rechtstreekse vordering kunnen instellen. Artikel 4 sexies De lidstaten stellen de in artikel 4, lid 6, van Richtlijn 2000/26/EG (16) omschreven procedure vast voor de afdoening van vorderingen als gevolg van een ongeval, veroorzaakt door een voertuig dat door de in artikel 3, lid 1, van Richtlijn 72/166/EEG bedoelde verzekering is gedekt. Ten aanzien van ongevallen die aan de hand van het in artikel 2, lid 2, van Richtlijn 72/166/EEG bedoelde systeem van nationale bureaus van verzekeraars kunnen worden afgewikkeld, stellen de lidstaten eveneens de in artikel 4, lid 6, van Richtlijn 2000/26/EG omschreven procedure vast. Voor de toepassing van die procedure worden onder verzekeringsondernemingen verstaan, de nationale bureaus van verzekeraars in de zin van artikel 1, punt 3, van Richtlijn 72/166/EEG. |
|
5) |
artikel 5, lid 1, wordt vervangen door: „1. De lidstaten dragen er zorg voor dat de overeenkomstig artikel 5 van Richtlijn 2000/26/EG opgerichte of erkende informatiecentra, onverminderd hun verplichtingen ingevolge genoemde richtlijn, de in dat artikel bedoelde informatie verstrekken aan alle personen die zijn betrokken bij een verkeersongeval veroorzaakt door een voertuig dat door een in artikel 3, lid 1, van Richtlijn 72/166/EEG bedoelde verzekering is gedekt.”. |
Artikel 5
Wijzigingen in Richtlijn 2000/26/EG
Richtlijn 2000/26/EG wordt als volgt gewijzigd:
|
1) |
artikel 4, lid 8, wordt vervangen door: „8. De aanwijzing van een schaderegelaar wordt op zich niet beschouwd als de opening van een bijkantoor in de zin van artikel 1, onder b), van Richtlijn 92/49/EEG van de Raad van 18 juni 1992 tot coördinatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen betreffende het directe verzekeringsbedrijf, met uitzondering van de levensverzekeringsbranche (17) en de schaderegelaar wordt niet beschouwd als een vestiging in de zin van artikel 2, onder c), van de Tweede Richtlijn 88/357/EEG van de Raad noch
|
|
2) |
in artikel 5, lid 1, onder a), wordt punt 2, (ii) geschrapt. |
Artikel 6
Omzetting
1. De lidstaten doen de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in werking treden om uiterlijk ... (19) aan deze richtlijn te voldoen. Zij stellen de Commissie daarvan onverwijld in kennis.
Wanneer de lidstaten die bepalingen aannemen, wordt in de bepalingen zelf of bij de officiële bekendmaking daarvan naar deze richtlijn verwezen.
De regels voor de verwijzing worden vastgesteld door de lidstaten.
2. De lidstaten kunnen in overeenstemming met het Verdrag bepalingen handhaven of invoeren die voor de benadeelde gunstiger zijn dan de bepalingen die nodig zijn om aan deze richtlijn te voldoen.
3. De lidstaten delen de Commissie de tekst van de belangrijke bepalingen van intern recht mede die zij op het onder deze richtlijn vallende gebied vaststellen.
Artikel 7
Inwerkingtreding
Deze richtlijn treedt in werking op de dag van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie.
Artikel 8
Adressaten
Deze richtlijn is gericht tot de lidstaten.
Gedaan te
Voor het Europees Parlement
De voorzitter
Voor de Raad
De voorzitter
(1) PB C 227 E van 24.9.2002, blz. 387.
(2) PB C 95 van 23.4.2003, blz. 45.
(3) Advies van het Europees Parlement van 22 oktober 2003 (nog niet bekendgemaakt in het Publicatieblad), gemeenschappelijk standpunt van de Raad van 26 april 2004 en standpunt van het Europees Parlement van ... (nog niet bekendgemaakt in het Publicatieblad).
(4) PB L 103 van 2.5.1972, blz. 1. Richt1ijn laatstelijk gewijzigd bij Richtlijn 84/5/EEG (PB L 8 van 11.1.1984, blz. 17).
(5) PB L 8 van 11.1.1984, blz.17. Richtlijn laatstelijk gewijzigd bij Richtlijn 90/232/EEG.
(6) PB L 129 van 19.5.1990, blz. 33.
(7) PB L 181 van 20.7.2000, blz. 65.
(8) PB L 257 van 27.10.1995, blz. 1. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1882/2003 van het Europees Parlement en van de Raad (PB L 284 van 31.10.2003, blz. 1).
(9) PB L 172 van 4.7.1988, blz.1. Richtlijn laatstelijk gewijzigd bij Richtlijn 2000/26/EG.
(10) PB L 12 van 16.1.2001, blz. 1. Verordening gewijzigd bij de Toetredingsakte van 2003.
(11) PB L 8 van 11.1.1984, blz. 17.”;
(12) PB L..., blz....”;
(13) PB L, blz.
(14) PB L 257 van 27.10.1995, blz. 1. Verordening gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1882/2003 van het Europees Parlement en de Raad (PB L 284 van 31.10.2003, blz. 1).”.
(15) Tweede Richtlijn 88/357/EEG van de Raad van 22 juni 1988 tot coördinatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen betreffende het directe verzekeringsbedrijf, met uitzondering van de levensverzekeringsbranche, tot vaststelling van bepalingen ter bevordering van de daadwerkelijke uitoefening van het vrij verrichten van diensten (PB L 172 van 4.7.1988, blz. 1). Richtlijn laatstelijk gewijzigd bij Richtlijn 2000/26/EG (PB L 181 van 20.7.2000, blz. 65).
(16) Richtlijn 2000/26/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 mei 2000 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen van de lidstaten betreffende de verzekering tegen de wettelijke aansprakelijkheid waartoe deelneming aan het verkeer van motorrijtuigen aanleiding kan geven (PB L 181 van 20.7.2000, blz. 65).”;
(17) PB L 228 van 11.8.1992, blz. 1. Richtlijn laatstelijk gewijzigd bij Richtlijn 2002/87/EG van het Europees Parlement en de Raad (PB L 35 van 11.2.2003, blz. 1).
(18) PB L 12 van 16.1.2001, blz. 1. Verordening laatstelijk gewijzigd bij de Toetredingsakte van 2003.”;
(19) 24 maanden na de inwerkingtreding van deze richtlijn.
MOTIVERING VAN DE RAAD
I. INLEIDING
De Commissie heeft op 7 juni 2002 haar voorstel ingediend voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad houdende wijziging van de Richtlijnen 72/166/EEG, 84/5/EEG, 88/357/EEG, 90/232/EEG van de Raad en Richtlijn 2000/26/EG betreffende de verzekering tegen de wettelijke aansprakelijkheid waartoe deelneming aan het verkeer van motorrijtuigen aanleiding kan geven (1). Het voorstel was gebaseerd op artikel 47, lid 2, artikel 55 en artikel 95, lid 1, van het Verdrag.
Het Europees Parlement heeft op 22 oktober 2003 advies uitgebracht in eerste lezing (2).
Het Economisch en Sociaal Comité heeft op 26 februari 2003 advies uitgebracht (3).
Op 27 november 2003 heeft de Raad een politiek akkoord bereikt met het oog op de vaststelling van een gemeenschappelijk standpunt in een latere fase, overeenkomstig artikel 251, lid 2, van het Verdrag.
Op 26 april 2004 heeft de Raad zijn gemeenschappelijk standpunt over het voorstel vastgesteld (zie doc. 16182/03).
II. DOEL
Het bovengenoemde voorstel beoogt de bestaande bepalingen ter zake van motorrijtuigenverzekering te actualiseren teneinde eventuele slachtoffers beter te beschermen, rekening te houden met de toename van het grensoverschrijdende verkeer, waarbij alleen nog in uitzonderlijke gevallen grenscontroles worden verricht, en de totstandbrenging van een doeltreffender interne markt voor motorrijtuigenverzekeringsproducten. Daarvoor moesten ook enkele manifeste leemten in de bestaande wetgeving worden opgevuld.
De voornaamste elementen zijn: de verbetering van de verzekeringsdekking in geval van een langdurig verblijf buiten het land waar het voertuig is geregistreerd, de verhoging van de minimumbedragen van de verzekeringsdekking voor lichamelijk letsel en voor materiële schade in de gehele Unie, en de afschaffing van de bestaande uitsluiting van de verzekeringsdekking omdat de bestuurder onder invloed van alcohol was of bij een ongeval waarbij een niet-geïdentificeerd voertuig is betrokken. Voor slachtoffers van niet-geïdentificeerde voertuigen moest een evenwicht worden gevonden tussen enerzijds het gevaar van bedrog en anderzijds de doelstelling te voorkomen dat slachtoffers al te makkelijk van schadevergoeding worden uitgesloten. Een ander probleem was dat van de uiteenlopende rechtsopvattingen in de lidstaten met betrekking tot bij voorbeeld eventuele franchises die in sommige gevallen door de verzekerde zelf moeten worden gedragen. Tevens zullen de aanneming van bepalingen ter vergemakkelijking van de verzekeringsdekking voor de korte termijn ingeval van de aankoop en registratie van een voertuig in een ander rechtsgebied en de aanneming van geharmoniseerde bepalingen betreffende de afwikkeling van rechtsvorderingen overeenkomstig de vierde richtlijn motorrijtuigenverzekering, bijdragen tot een verdere verduidelijking van het Europese rechtskader.
III. ANALYSE VAN HET GEMEENSCHAPPELIJK STANDPUNT IN DE VERSIE VAN DOCUMENT 16182/03 (4)
1. ALGEMEEN
De compromistekst waarover de Raad een politiek akkoord heeft bereikt, is in overeenstemming met de hoofddoelstellingen van het Commissievoorstel. Tegelijkertijd zijn enkele amendementen van het Europees Parlement erin verwerkt. De Raad heeft het Commissievoorstel aangepast aan de geest van de amendementen van het Europees Parlement, met name door de bestaande afwijking voor landbouwvoertuigen niet te schrappen en door de voorgestelde bepaling inzake verzekeringsdekking voor voetgangers en fietsers te vervangen door een bepaling die sterker rekening houdt met de bestaande nationale wetgeving (artikel 4, punt 2). Nieuw is voorts dat de Raad in artikel 1, punt 4, een nieuwe bepaling heeft ingevoegd om een foute uitlegging van de territoriale werkingssfeer van de richtlijnen betreffende motorrijtuigenverzekering te voorkomen. Ook heeft de Raad de voorgestelde bepaling inzake de toepassing van de procedures voor de afdoening van vorderingen van de vierde richtlijn motorrijtuigenverzekering op alle ongevallen met motorrijtuigen vereenvoudigd en uitgebreid tot de regeling betreffende de „groene kaart” (artikel 4, punt 4, dat een nieuw artikel 4 sexies invoegt in Richtlijn 90/232/EEG).
Deze wijzigingen zijn hoofdzakelijk aangebracht om technische redenen. Sommige bepalingen van het Commissievoorstel zijn evenwel aangepast om eventuele tegenstrijdigheden met de toepasselijke nationale wetgeving van de lidstaten te vermijden.
2. AMENDEMENTEN VAN HET EUROPEES PARLEMENT
Het Europees Parlement heeft in eerste lezing 26 amendementen op de tekst goedgekeurd (5). De bevoegde groep heeft de amendementen van het EP besproken en een aantal ervan verwerkt in de Raadstekst, in elk geval wat het beginsel ervan betreft. De overige amendementen kon de Raad echter niet aanvaarden.
2.1. De volgende amendementen van het EP zijn naar het beginsel of gedeeltelijk overgenomen, zij het met redactionele aanpassingen:
Amendementen 26 en 11 — Nieuwe overweging 7 bis (nu: 8) en artikel 1, punt 3, tot wijziging van artikel 4, punt b, van Richtlijn 72/166/EEG
(Verduidelijking van de afwijking ten behoeve van landbouwvoertuigen)
De Raad heeft deze amendementen inhoudelijk grotendeels overgenomen door de bestaande afwijking ten behoeve van landbouwvoertuigen te handhaven. Het onderliggende vraagstuk, namelijk de bescherming van alle categorieën slachtoffers in geval van grensoverschrijdend verkeer, is echter opgelost door de procedure van het garantiefonds toe te passen in plaats van geen speciale verzekering te vragen bij het verlaten van de staat van registratie. Tevens is in de tekst bij wijze van compromis een bepaling opgenomen inzake rapportagetermijnen.
Amendementen 25 en 27 — Nieuwe overweging 8 bis (nu: 10), en artikel 2 tot wijziging van artikel 1, lid 2, van Richtlijn 84/5/EEG
(Minimumbedragen van de verzekeringsdekking)
Ondanks de legitieme doelstelling van een betere bescherming van de slachtoffers, diende de Raad rekening te houden met de verschillen tussen de situatie in de lidstaten en die in de toetredende landen om te kunnen komen tot een beheersbare verhoging van de bedragen binnen een passend tijdsbestek. Hoewel de integrale overneming van de door het Parlement voorgestelde cijfers niet mogelijk bleek, zijn de in het gemeenschappelijk standpunt opgenomen bedragen en de overgangsperiode toch in lijn met de hoofddoelstelling van de amendementen.
Amendement 5 — Schrapping van overweging 20
(Procedure inzake het „met redenen omkleed voorstel”)
Er bestond geen steun voor de schrapping van de gehele overweging betreffende de procedure inzake „het met redenen omkleed voorstel”. De Raad heeft er daarom de voorkeur aan gegeven een extra toelichting op te nemen en alleen de tweede zin te schrappen. Daarmee zou dan tegemoet worden gekomen aan een deel van de bezwaren van het Parlement, in die zin dat een verwijzing naar de schaderegelaar wordt vermeden (zie ook amendement 20).
Amendement 20 — Artikel 4, punt 4, waarbij een artikel 4 sexies wordt ingevoegd in Richtlijn 90/232/EEG
(Verband tussen de bepalingen inzake de „schaderegelaar” en het „groenekaartbureau”)
De Raad heeft de amendementen van het EP grotendeels overgenomen. De verduidelijking van de rol van de schaderegelaar en de handhaving van de procedures van het groenekaartbureau, ook voor de hier beschreven gevallen, zijn bevorderlijk voor de kwaliteit van de administratieve praktijk en zijn niet in strijd met enige belangrijke doelstelling van het voorstel.
Amendementen 7 en 21 — Nieuwe overweging 21 ter (nu: 24) en artikel 5, punt 1, tot wijziging van Richtlijn 2000/26/EG
(Vervanging, waar zulks passend is, van het Verdrag van Brussel door Verordening (EG) nr. 44/2001 in het kader van een bepaling inzake vestigingen)
De Raad heeft deze amendementen inhoudelijk overgenomen. Door artikel 4 van Richtlijn 2000/26/EG te wijzigen, heeft de Raad evenwel duidelijk gemaakt dat in dit verband een overweging alleen niet voldoende is.
Amendement 14 — Artikel 2 tot wijziging van artikel 1, lid 6, tweede alinea, van Richtlijn 84/5/EEG
(Uitsluiting van de mogelijkheid om geen schadevergoeding uit te keren wanneer het slachtoffer in het ziekenhuis is opgenomen)
De Raad heeft het amendement van het EP inhoudelijk overgenomen. Om de lidstaten evenwel de nodige flexibiliteit te bieden en als consequentie van de in het voorafgaande lid van dit artikel aangebrachte wijzigingen, heeft de Raad de formulering van het voorgestelde amendement aangepast.
Amendement 15 — Schrapping van artikel 4, punt 2, waarbij een nieuw artikel 1 bis wordt ingevoegd in Richtlijn 90/232/EEG
(Verzekeringsdekking voor voetgangers en fietsers)
De Raad erkent dat de harmonisatie van de bepalingen inzake de verzekeringsdekking voor voetgangers, fietsers en andere niet-gemotoriseerde weggebruikers wellicht al te moeilijk te verwezenlijken is op grond van het voorstel. In plaats van de voorgestelde bepaling in haar geheel te schrappen — zoals het Europees Parlement voorstelde — heeft de Raad er echter de voorkeur aan gegeven de bepaling te verduidelijken door er het recht op een vergoeding uit hoofde van het nationale burgerlijk recht aan toe te voegen, bij wijze van garantie. Aldus wordt het beginsel van de opneming van deze niet-gemotoriseerde weggebruikers gehandhaafd zonder dat het gevaar bestaat dat deze richtlijn afbreuk zou doen aan nationale besluiten inzake het recht op een vergoeding.
Amendement 18 — Artikel 4, punt 4, waarbij een artikel 4 ter wordt ingevoegd in Richtlijn 90/232/EEG
(Informatie die moet worden verstrekt aan de verzekeringnemer)
De Raad heeft het amendement van het EP op hoofdpunten overgenomen. De ter zake doende informatie moet gedurende de gehele looptijd van de verzekeringsovereenkomst op verzoek van de verzekeringnemer beschikbaar worden gesteld. Aldus zou de consument beter worden beschermd en kan tegelijkertijd overbodige briefwisseling worden vermeden. De verschillen tussen de Raadstekst en het amendement van het EP zijn voornamelijk van redactionele aard.
2.2. De volgende amendementen zijn verworpen en niet in de Raadstekst overgenomen:
Amendementen 1, 6, 9 en 23 — Nieuwe overwegingen 3 bis en 21 bis; artikel 1, punt 1, (nieuw) en nieuw artikel 5 bis
(Definitie van het begrip „aanhangwagen” en invoeging van specifieke bepalingen betreffende aanhangwagens)
De Raad kon de amendementen betreffende aanhangwagens niet aanvaarden. Hoewel het vraagstuk van ongevallen waarbij aanhangwagens zijn betrokken, als zodanig nadere aandacht behoeft, is de Raad, anders dan het Parlement, niet van mening dat het ontbreken van een samenhangende registratie van trekkende voertuigen en aanhangwagens op dit moment een ernstig probleem vormt. Bovendien gaat de harmonisatie van de diverse nationale bepalingen inzake kentekenplaten voor trekkende voertuigen en aanhangwagens verder dan de doelstelling van de verzekeringsrichtlijnen.
Amendementen 2 en 12 — Nieuwe overweging 7 ter en artikel 2, punt 1
(Opneming van de proceskosten in de vergoedingsregeling)
De Raad kon deze amendementen van het EP niet aanvaarden. Hij was namelijk van mening dat de dekking van proceskosten valt onder de vrijwillige verzekering, die al is geregeld in een specifieke verzekeringsrichtlijn. Bovendien bestaan er tussen de lidstaten aanzienlijke verschillen voor wat betreft de proceskosten, en zou de opneming van een verplichte dekking kunnen leiden tot een afname van het aantal buitengerechtelijke akkoorden.
Amendementen 4 en 19 — Nieuwe overweging 19 bis en artikel 4, punt 4, waarbij een artikel 4 quinquies, punt 1 bis (nieuw) wordt ingevoegd in Richtlijn 90/232/EEG
(Termijn voor rechtstreekse vorderingen)
De Raad achtte het niet nuttig over te gaan tot harmonisatie van de termijnen waarbinnen een slachtoffer een vordering tot schadevergoeding kan instellen. Dit vanwege de uiteenlopende juridische tradities en de verschillende situatie in de lidstaten, alsook omdat niet alleen het beginpunt van de termijn, maar ook de bepalingen inzake onderbreking of opschorting van die termijn in de lidstaten onderling aanzienlijk verschillen. Bovendien zou een harmonisatie van die termijnen verder gaan dan de doelstelling van de richtlijnen inzake schadeverzekering.
Amendementen 8 en 24 — Nieuwe overweging 21 quater en artikel 5, punt 2 bis (nieuw)
(Oprichting van een centrale instantie voor het verzamelen van gegevens over ongevallen)
De Raad kon een strikte verplichting om een centrale instantie op te richten niet steunen. Hoewel de doelstelling om alle betrokken partijen, en vooral de slachtoffers van een schadegeval, beter en sneller voor te lichten wordt bijgetreden, is de voorgestelde bepaling niet duidelijk genoeg om te kunnen vaststellen hoe de lidstaten die verplichting dienen na te komen en of in het kader van deze richtlijn een afdwingbaar recht tegen een lidstaat kan worden afgeleid. De oprichting van een dergelijke instantie, die zich zou bezighouden met het verzamelen van politionele gegevens, gaat bovendien verder dan de doelstelling van de richtlijnen inzake schadeverzekering.
Amendement 10 — Artikel 1, punt 2, tot wijziging van artikel 2, lid 1, van Richtlijn 72/166/EEG
(Mogelijkheid om controles te verrichten)
Met het voorgestelde amendement wordt beoogd de mogelijkheid uit te sluiten dat systematische controles worden uitgevoerd met betrekking tot de verzekeringsstatus van voertuigen, zoals die door sommige lidstaten noodzakelijk worden geacht. De Raad heeft er evenwel de voorkeur aan gegeven dichter bij de Commissietekst te blijven en is van mening dat de laatste zin van deze bepaling een passend evenwicht schept tussen alle betrokken belangen en de autoriteiten van de lidstaten toch enige mogelijkheid tot flexibiliteit biedt.
Amendement 28 — Artikel 2 tot wijziging van artikel 1, lid 3, van Richtlijn 84/5/EEG
(Herziening van de bedragen)
De Raad achtte het niet wenselijk de bepaling in de Commissietekst te vervangen door de tekst van het amendement van het EP. Ten eerste wordt met de door de Commissie voorgestelde bepaling beoogd de bedragen periodiek te herzien om te voorkomen dat zij worden uitgehold door de inflatie (zoals ook in de desbetreffende overweging wordt uiteengezet). Het voorgestelde amendement kan niet in de plaats komen van deze „inflatiebepaling”. Ten tweede is het zo dat het amendement ertoe zou leiden dat wordt vooruitgelopen op het resultaat van de toekomstige evaluatie van de opgedane ervaring („... worden naar boven aangepast …”).
Amendement 16 — Artikel 4, punt 3, tot wijziging van artikel 2 van Richtlijn 90/232/EEG
(Werkingssfeer van de verzekeringsdekking)
De Raad heeft het niet dienstig geacht dit amendement over te nemen. Het zou namelijk de indruk kunnen wekken dat de toepassing van de desbetreffende bepaling in de tijd of territoriaal wordt beperkt, waardoor de verwezenlijking van de doelstelling van makkelijker verkeer van de verzekeringnemers in het gedrang zou komen.
Amendement 17 — Artikel 4, punt 4, waarbij een artikel 4 bis wordt ingevoegd in Richtlijn 90/232/EEG
(Definitie van de lidstaat waar het risico is gelegen)
De Raad kon dit amendement niet aanvaarden omdat een duidelijke omschrijving nodig is van de lidstaat die moet worden beschouwd als de lidstaat waar het risico is gelegen. De Raad heeft er derhalve de voorkeur aan gegeven het Commissievoorstel te volgen.
Amendement 22 — Artikel 5, nieuw punt
(Verplichting om een „met redenen omkleed voorstel” te doen)
De Raad heeft dit amendement verworpen om technisch-juridische redenen die verband houden met de verwerping van de amendementen 2 en 12.
3. BELANGRIJKE NIEUWE ELEMENTEN DIE DE RAAD IN DE TEKST HEEFT AANGEBRACHT
Artikel 1, punt 5 (nu: artikel 1, punt 4) — Verduidelijking van de werkingssfeer van Richtlijn 72/166/EEG
De verwijzing naar het niet-Europese grondgebied van de lidstaten in de artikelen 6 en 7, lid 1, van Richtlijn 72/166/EEG is geschrapt om het huidige toepassingsgebied van de richtlijnen te verduidelijken.
Artikel 4, punt 4, waarbij een artikel 4 sexies wordt ingevoegd in Richtlijn 90/232/EEG
(Groenekaartbureaus en technische verduidelijking)
De Raad heeft amendement 20 van het EP gedeeltelijk overgenomen door het Commissievoorstel zo te wijzigen dat de voorgestelde rol van de schaderegelaars wordt vervangen door een meer gestroomlijnde rol voor de groenekaartbureaus. De betrokken bepaling is aldus verduidelijkt en aanzienlijk ingekort. De Raad heeft bovendien de toepassing van de procedure inzake het met redenen omkleed voorstel uit de vierde richtlijn motorrijtuigenverzekering uitgebreid tot de groenekaartbureaus. In dit verband is een verwijzing toegevoegd naar artikel 1, lid 3, van Richtlijn 72/166/EEG, om duidelijk te maken dat verwijzingen naar „verzekeringsondernemingen” in de beschreven gevallen kunnen worden uitgelegd als verwijzingen naar de groenekaartbureaus.
4. CONCLUSIE
Het door de Raad vastgestelde gemeenschappelijk standpunt is volledig in overeenstemming met de hoofddoelstelling van het Commissievoorstel. Hoewel sommige bepalingen nu meer rekening houden met nationale opties, zal de richtlijn toch zorgen voor de verwezenlijking van de doelstelling van een vereenvoudiging van de administratieve bepalingen in een meer efficiënte interne markt voor motorrijtuigenverzekeringen, zulks met volledige inachtneming van het belang van een betere bescherming van de consumenten en van potentiële slachtoffers. De Raad heeft bovendien enkele van de belangrijkste amendementen van het EP ten minste gedeeltelijk of naar de inhoud ervan aanvaard, zulks in een poging om rekening te houden met de wensen van het EP en op een aantal belangrijke punten te zorgen voor goede wetgevingspraktijken.
(1) PB C 227 E van 24.9.2002, blz. 387.
(2) Nog niet bekendgemaakt in het Publicatieblad.
(3) PB C 95 van 23.4.2003, blz. 45.
(4) Noot: de nummering van de artikelen verwijst naar het resultaat van de eerste lezing van het Europees Parlement (doc. 13585/03) of, wanneer zulks specifiek is aangegeven („nu: ….”), naar het document waarin het gemeenschappelijk standpunt van de Raad is opgenomen (doc. 16182/03).
(5) Zie doc. 13585/03. De ontwerp-amendementen 3 en 13 zijn weggestemd omdat ze inhoudelijk al worden bestreken door de amendementen 25 en 27.