7.12.2004   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 302/12


Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over de „Mededeling van de Commissie aan de Raad en het Europees Parlement betreffende een nieuw rechtskader voor betalingen in de interne markt”

COM(2003) 718 def.

(2004/C 302/03)

Op 2 december 2003 besloot de Commissie het Europees Economisch en Sociaal Comité, overeenkomstig artikel 262 van het EG-Verdrag, te raadplegen over voornoemd voorstel.

De afdeling „Interne markt, productie en consumptie”, die met de voorbereidende werkzaamheden was belast, keurde haar advies op 9 juni 2004 goed. Rapporteur was de heer Ravoet.

Tijdens zijn 410e zitting van 30 juni en 1 juli 2004 (vergadering van 30 juni) heeft het Economisch en Sociaal Comité het volgende advies uitgebracht dat met 140 stemmen vóór, bij 5 onthoudingen, werd goedgekeurd.

1.   Inhoud en reikwijdte van het voorstel

1.1

Op 2 december 2003 publiceerde de Europese Commissie een raadplegingsdocument met de titel „Mededeling van Commissie aan de Raad en het Europees Parlement betreffende een nieuw rechtskader voor betalingen in de interne markt”.

1.1.1

De Europese Commissie stelt juridische en technische gebreken vast in verband met grensoverschrijdende retailbetalingen in euro. Eén van de oorzaken hiervan is volgens de Europese Commissie het tekortschietende rechtskader op Europees niveau. Een aantal wetsteksten inzake betalingen is goedgekeurd – bijvoorbeeld Verordening 2560/2001/EG (1), die het beginsel van gelijke kosten invoert voor nationale en grensoverschrijdende betalingen in euro's, Richtlijn 97/5/EG (2) inzake de bescherming van gebruikers van elektronische betalingsinstrumenten – maar een coherent rechtskader ontbreekt nog. Voor het goed functioneren van de interne markt voor goederen en diensten is het een conditio sine qua non om te beschikken over goedkope, efficiënte en veilige betalingsdiensten. De Commissie somt een aantal uitgangspunten op die zij van bijzonder belang acht in het kader van de EU-betalingswetgeving. Het gaat om: 1) efficiëntie als permanente doelstelling; 2) veiligheid als conditio sine qua non; 3) concurrentie: markttoegang en gelijke concurrentievoorwaarden; 4) hoog niveau van cliëntenbescherming (3); 5) wettelijke bepalingen moeten technisch neutraal zijn; 6) de herschikking van de betalingswetgeving moet een toegevoegde waarde bieden; 7) de aard van een toekomstig rechtsinstrument.

1.2

Het raadplegingsdocument van de Commissie is het resultaat van over een tamelijk lange periode verricht voorbereidend werk dat in 2004 dient te resulteren in een wetgevingsinitiatief.

1.3

Met de opheffing van technische en juridische belemmeringen streeft de Commissie naar efficiënte betalingsdiensten, eerlijke mededinging, adequate bescherming van de consument, veilige betalingen en rechtszekerheid voor alle bij betalingsprocedures betrokken partijen.

1.4

De Commissie heeft oog voor de inspanningen van de Europese banken (4). Zo is in juni 2002 de European Payment Council opgericht. Deze stelde een uitvoerig werkprogramma vast voor één betalingsgebied voor de euro en deed aanbevelingen voor ingrijpende veranderingen voor de organisatie van betalingsdiensten in de EU. Deze plannen omvatten met name het besluit om allereerst een nieuwe infrastructuur (5) in te voeren voor overschrijvingen in euro tegen zeer lage transactiekosten en binnen een uitvoeringstermijn van maximaal drie dagen.

1.5

Volgens de Commissie heeft de liberalisatie van het kapitaalverkeer het grensoverschrijdende betalingsverkeer bevorderd. Maar de interne markt werkt, vooral voor detailbetalingen, nog niet zo efficiënt als op nationaal niveau. Er bestaan ook verschillen tussen nationale wetgevingen en usances voor wat betreft betalingsdiensten in de interne markt. Met het nieuwe rechtskader zouden waar mogelijk deze belemmeringen voor één betalingsgebied moeten verdwijnen, met name indien zij indruisen tegen een soepele werking van betalingsinfrastructuren en –systemen in de gehele EU, bijvoorbeeld als de voorschriften betreffende de herroeping van een betalingsopdracht afhankelijk zijn van de plaats waar de opdracht gegeven is. Interoperabiliteit, het gebruik van gemeenschappelijke technische normen en harmonisatie van de belangrijkste wettelijke voorschriften blijft het devies.

1.6

Rechtsonzekerheid weerhoudt verleners van betalingsdiensten en cliënten ervan om zonder enige reserve of überhaupt transacties te verrichten. Dit is bijvoorbeeld het geval met automatische incassosystemen, die in EU-verband nog niet bestaan (zie bijlage 16). Dit is ook van belang in geval van regelmatig terugkerende betalingen (bijv. betalingsopdracht voor een buitenlandse krant of een nutsvoorziening voor een zomerhuis in een andere lidstaat), waarvoor geen doorlopende betalingsopdracht mogelijk is. Indien de gebruikers, d.w.z. cliënten en het MKB, de vruchten willen plukken van de interne markt dan dienen grensoverschrijdende en nationale betalingsdiensten even efficiënt te zijn. Het nieuwe rechtskader moet derhalve de lacunes dichten en het vertrouwen van consumenten in één betalingsgebied in de interne markt vergroten.

1.7

In de interne markt is het vertrouwen van de consument van groot belang gezien het grensoverschrijdende aspect en het gebruik van de mogelijkheden van e-handel binnen de EU-markt. In artikel 153 van het EG-Verdrag staat daarom een hoog niveau van consumentenbescherming, één van de hoekstenen van het nieuwe rechtskader, hoog in het vaandel. Er moet echter goed naar de kosten van deze bescherming worden gekeken, omdat zij uiteindelijk op de een of andere manier door de consument worden afgewenteld.

1.8

Voor de bescherming van de cliënt dienen er coherente en gebruiksvriendelijke informatievereisten te komen, voor en na de uitvoering van een betalingsopdracht. In de huidige EU-betalingswetgeving staan al veel desbetreffende bepalingen die aan herziening toe zijn. Het is één van de moeilijkste taken om de juiste balans te vinden tussen inhoud en omvang van de informatie zodat de gebruiker van een betalingsdienst die deze informatie leest, zijn rechten en verplichtingen begrijpt en beseft.

1.9

De Commissie acht tevens wettelijke waarborgen ter bescherming van de consument van groot belang in geval van niet-uitvoering, gebrekkige uitvoering of uitvoering van verrichtingen waarvoor geen toestemming is gegeven.

1.10

Het belangrijkste onderdeel van de mededeling zijn de 21 bijlagen, waarin wordt ingegaan op specifiek juridische en/of technische aspecten van de efficiënte werking van de interne markt voor betalingen.

2.   Algemene opmerkingen

2.1

Het Comité schaart zich achter het initiatief van de Commissie om een samenhangend en alomvattend rechtskader voor één Europees betalingsgebied te verwezenlijken. Er zijn zeker belemmeringen voor betalingen in de interne markt, maar deze vinden hun oorzaak in de uiteenlopende nationale wetgevingen. Betalingen in de interne markt zijn vandaag de dag nog grotendeels gebonden aan nationale voorschriften en/of usances. De vraag van de cliënt naar grensoverschrijdende betalingen is duidelijk beperkt: 98 % van alle retailbetalingen in Europa vindt in eigen land plaats (6).

2.2

Veel binnenlandse markten voor betalingen in Europa zijn zeer doeltreffend. Wetgeving moet derhalve beperkt zijn tot de opheffing van belemmeringen voor grensoverschrijdende betalingen, om binnen de EU een gemeenschappelijk efficiency-niveau tot stand te brengen. Daarom mag verbetering van grensoverschrijdende betalingssystemen niet nadelig uitpakken voor bestaande, efficiënt werkende nationale betalingssystemen.

2.3

De Commissie zou de wettelijke obstakels uit de weg moeten ruimen die de totstandbrenging van EU-brede marktafspraken en –usances verhinderen, maar moet geen voorschriften opleggen voor aspecten die onder genoemde afspraken en usances kunnen vallen. Er dient immers een evenwicht te worden gevonden tussen zelfregulering, co-regulering en EU-wetgeving.

2.4

Volgens het EESC (7) dient zowel zelfregulering als co-regulering te worden ondersteund. Maar er moeten strenge regels worden gehanteerd op alle terreinen waarvoor zelfregulering of co-regulering niet geschikt is, ontoereikend wordt geacht of niet correct wordt toegepast.

2.5

Het Comité onderschrijft dan ook het beginsel van een hoog niveau van consumentenbescherming in de EU, aangezien het hier een fundamentele doelstelling uit het Verdrag betreft.

2.6

De interne betalingsmarkt dient internationaal concurrerend te zijn. Als het nieuwe rechtskader van de EU tot een toename van de betalingskosten leidt, bestaat er een gerede kans dat het betalingsverkeer geleidelijk aan in handen komt van niet-EU-spelers buiten Europa en dat de wetgeving haar doelstellingen voorbijschiet.

2.7

Het Comité acht het niet wenselijk dat cheques buiten het nieuwe rechtskader vallen; aangezien zij in sommige lidstaten nog een gangbaar betaalmiddel zijn.

2.8

Voorts moet in het nieuwe rechtskader via zelfregulering worden bereikt dat krediet- of debetkaarten die door een erkende financiële instelling van een lidstaat zijn afgegeven of geautoriseerd, door alle geldautomaten in alle lidstaten worden geaccepteerd

3.   Bijzondere opmerkingen

3.1   Recht om het publiek betalingsdiensten aan te bieden (bijlage 1)

Hoe dit aspect in een nieuw rechtskader voor betalingen behandeld wordt, is van essentieel belang voor de veiligheid van het financiële systeem. Aangezien een betalingssysteem de hoeksteen vormt van de economie, moeten betalingsdiensten in alle lidstaten wettelijk worden geregeld. Het beginsel van wederzijdse erkenning mag niet worden toegepast zonder allereerst geharmoniseerde minimumeisen vast te stellen voor de afgifte van vergunningen voor betalingsdiensten. Dit beginsel zou consumenten anders geen toereikende beveiliging kunnen verschaffen, noch eerlijke concurrentievoorwaarden. Een bindend en rechtstreeks toepasbaar rechtsinstrument (verordening) om optie 2 van de Commissie (een speciale vergunning voor betalingsdiensten) ten uitvoer te leggen, zou een veilig rechtskader voor deze activiteit garanderen. Het is duidelijk dat indien de aanbieder van een betalingsdienst gelden in bewaring mag nemen, hij over een bankvergunning moet beschikken (vereisten inzake solvabiliteit, enz.). In het algemeen spreekt het vanzelf dat elke verordening op dit gebied ook zal gelden voor niet-Europese aanbieders van betalingsdiensten die in de Unie werkzaam zijn.

3.2   Informatieverplichtingen (bijlage 2)

Kredietinstellingen dienen te voldoen aan Richtlijn 97/5/EG betreffende grensoverschrijdende overmakingen, Verordening 2560/2001/EG betreffende grensoverschrijdende betalingen in euro en Aanbeveling 97/489/EG inzake elektronische betalingsinstrumenten. Sommige lidstaten hebben eigen nationale wetgeving en er zijn EU-voorschriften die specifiek gewijd zijn aan informatie voor consumenten, bijv. Richtlijn 2002/65/EG betreffende de verkoop op afstand van financiële diensten aan consumenten en Richtlijn 2000/31/EG („de richtlijn inzake E-handel”). Deze vereisten, die qua omvang en inhoud toereikend zijn, worden door de banken nageleefd. Het Comité staat geheel achter het initiatief van de Commissie om de huidige wettelijke bepalingen te consolideren om één heldere wetstekst voor alle informatieverplichtingen te formuleren. Deze verplichtingen dienen evenwel zo algemeen te zijn dat toepassing mogelijk is op betaalinstrumenten die nu nog niet bestaan.

3.3   Rekeningen van niet-ingezetenen (bijlage 3)

Deze zaak reikt veel verder dan het aspect betalingen en dient dus elders aan de orde te komen.

3.4   Valutadata (bijlage 4)

3.4.1

Valutadata hangen niet alleen samen met betalingen; valutadata zijn immers vaak niet specifiek gebonden aan een betalingstransactie: ze kunnen voortvloeien uit ongeacht welke verrichting.

3.4.2

Zoals de Commissie toegeeft, is valutering hoofdzakelijk een prijsinstrument (d.w.z. voor productbeheer of de relatie met de cliënt). Als onderdeel van productbeheer staat valutering los van boekingen, die gebruikt worden om transacties op de rekening te berekenen.

3.4.3

Valutadata kunnen verschillen per bank, per cliënt bij dezelfde bank, of zelfs per transactie van dezelfde cliënt bij dezelfde bank.

3.4.4

Het Comité stemt in met het voorstel voor transparantieverplichtingen omtrent valutadata voor aanbieders van betalingsdiensten. De kosten van het gebruik van valutadata voor de cliënt dienen te worden gereduceerd. Ook aan de convergentie van het valuteringssysteem in geheel Europa moet worden gedacht, maar omdat er aanzienlijke verschillen bestaan tussen de nationale instrumenten, moet dit als doel voor de middellange termijn voor ogen worden gehouden.

3.4.5

In dit convergentieproces zou de volgende gedragslijn moeten worden gevolgd: de valutadatum van de betalingstransactie laten samenvallen met de datum waarop de geldbeweging als gevolg van de betalingsopdracht bij de betrokken aanbieder van betalingsdiensten plaatsvindt.

3.5   Portabiliteit van bankrekeningnummers (bijlage 5)

3.5.1

In de huidige Verordening 2560 is sprake van IBAN (8) en BIC (9), die de Europese autoriteiten hebben bevorderd en gesponsord, inclusief het ESCB (Europees stelsel van centrale banken). Blijkens zijn succes is de in de gehele EU goed functionerende IBAN-nummeringstandaard aanvaard. Met dit codesysteem is portabiliteit niet mogelijk. Banken moeten de cliënt minstens garanderen dat hij zijn rekeningnummer kan behouden indien hij naar een ander filiaal van dezelfde bank overstapt.

3.6   Mobiliteit van cliënten (bijlage 6)

Een concurrerende markt zal van nature leiden tot een grotere mobiliteit van cliënten. Banken moeten de overdracht van rekeningen optimaliseren door de cliënten alle vereiste inlichtingen te verschaffen. Het Comité is uitgesproken voorstander van zelfregulering die grotere mobiliteit van cliënten nastreeft. Voorts wil het Comité dat er duidelijkheid komt aangaande de kosten voor het opheffen van een rekening. Deze kosten moeten redelijk zijn en in verhouding staan tot de werkelijke administratiekosten die met het opheffen en overdragen van rekeningen gepaard gaan. Voorts dienen zij de cliënt bij opening van een bankrekening te worden medegedeeld.

3.7   Beoordeling van de beveiliging van betaalinstrumenten en componenten (bijlage 7)

Daar wetsvoorstellen het risico lopen verouderde technische oplossingen vast te leggen (beveiligingscomponenten worden per definitie voortdurend aangepast), zou standaardisatie bij voorkeur via zelfregulering moeten worden overgelaten aan het bedrijfsleven, wat ook de eerste optie van de Commissie is. Volgens het Comité dient de door het bedrijfsleven uitgevoerde certificering voor de beveiliging te worden afgestemd op nog te formuleren, algemene EU-beginselen om verwarring te voorkomen.

3.8   Informatie over de opdrachtgever van een betaling (SR VII van FATF) (bijlage 8)

De FATF is een intergouvernementeel orgaan dat in internationaal verband normen vaststelt en beleid ontwikkelt ter bestrijding door witwaspraktijken en financiering van terroristen. De speciale aanbeveling VII op het gebied van financiering van terroristen betreft elektronische overmakingen en stelt: „Staten dienen maatregelen te nemen om financiële instellingen, inclusief degenen die geld verzenden, te verplichten om nauwkeurige en relevante informatie (naam, adres, rekeningnummer) te verstrekken over de opdrachtgever, overschrijvingen en bijbehorende verzonden mededelingen. Die informatie zou met de overmaking en bijbehorende mededeling in de betalingsketen behouden moeten blijven. Staten dienen maatregelen te nemen om te waarborgen dat financiële instellingen, inclusief degenen die geld verzenden, kritischer te werk gaan en op zoek gaan naar overmakingen die verband houden met verdachte activiteiten en die niet de volledige informatie over de opdrachtgever bevatten (naam, adres en rekeningnummer)”. Het Comité beveelt aan om de bijzondere aanbeveling VII op geheel geharmoniseerde wijze ten uitvoer te leggen in de vorm van een verordening in de gehele interne markt ten behoeve van een consistente en uniforme toepassing. De naleving van privacyvoorschriften is in dit verband essentieel. Bij voorkeur dienen de landen van de Europese Economische Ruimte hierbij ook te worden betrokken. Een speciale bijlage zou bij de informatie over de opdrachtgever ook de naam van de rekeninghouder moeten vermelden (in plaats van alleen de opdrachtgever), aangezien het om twee verschillende namen kan gaan; de informatie over de rekeninghouder wordt op die manier opgeslagen en is eenvoudig toegankelijk voor de aanbieder van de betalingsdienst.

3.9   Alternatieve geschillenbeslechting (ADR) (bijlage 9)

Het Comité steunt in zijn advies over het Groenboek van de Commissie betreffende „alternatieve wijzen van geschillenbeslechting op het gebied van het burgerlijk recht en het handelsrecht” (10) FIN-Net sinds de invoering ervan door de Commissie. Het toont aan dat grensoverschrijdende geschillenbeslechting doeltreffend kan zijn, zonder bureaucratie die gebruik maakt van bestaande mechanismen. De doeltreffendheid van FIN-Net is te danken aan het feit dat het gold voor het destijds nieuwe gebied van alternatieve geschillenbeslechting voor grensoverschrijdende betalingen, en daarbij voortbouwde op bestaande regelingen voor niet-grensoverschrijdende verrichtingen. Een snelle betalingsprocedure is van bijzonder belang voor de consument.

3.10   Herroepbaarheid van een betalingsopdracht (bijlage 10)

3.10.1

Om rechtszekerheid voor de cliënt te garanderen, verdient het aanbeveling om voor deze bijlage de definitie en mededeling van een „tijdstip van onherroepbaarheid” ter discussie te stellen, afhankelijk van het gebruikte betaalinstrument. Het Comité meent dat een cliënt geïnformeerd moet worden over de bepalingen omtrent onherroepbaarheid van de diverse betaalsystemen en -instrumenten.

3.10.2

Evenmin mag over het hoofd worden gezien dat cliënten betalingsopdrachten niet alleen verzenden, maar ook ontvangen. Een zeer lange herroepingstermijn zou dan zijn doel voorbijschieten en in het nadeel zijn van cliënten die op betaling wachten.

3.10.3

Verder is er een belangrijk verschil tussen cliënten- en systeemherroepbaarheid. Met het oog op duidelijkheid en rechtszekerheid zouden betalingsopdrachten in het algemeen niet herroepbaar mogen zijn nadat ze in het systeem zijn ingevoerd, zoals is vastgelegd in de finaliteitrichtlijn.

3.10.4

Volgens het Comité is de herroepbaarheid een complexe aangelegenheid die nadere discussie behoeft. Desalniettemin moet de aanbieder van de betalingsdienst de cliënt op verzoek op de hoogte stellen van het „tijdstip van onherroepbaarheid” van de betaling in kwestie.

3.11   De rol van de aanbieder van betalingsdiensten bij geschillen tussen cliënten en handelaren in het kader van handel op afstand (bijlage 11)

Het Comité meent dat er onderscheid moet worden gemaakt tussen de uitgangstransactie en de uitvoering van de betaling: de laatste is op zich geheel neutraal. Noch de bank van de opdrachtgever, noch die van de begunstigde oefenen enige invloed uit op de onderliggende transactie tussen de opdrachtgever (cliënt van de handelaar) en de begunstigde (handelaar). Het Comité beseft dat de in deze bijlage behandelde zaak zeer complex is en nadere discussie behoeft.

3.12   Niet-uitvoering of gebrekkige uitvoering (bijlage 12)

3.12.1

Het Comité is het met de Commissie eens dat de aanbieder van betalingsdiensten aansprakelijk is voor de nauwgezette uitvoering van een betalingsopdracht en voor het bewijs dat de transactie deugdelijk is geregistreerd en uitgevoerd en dat het bedrag op de rekening van de begunstigde is bijgeschreven. Hij is verantwoordelijk voor het gedeelte van het betalingssysteem (in technische zin) dat onder zijn controle valt. Tegelijkertijd spreekt het vanzelf dat de aanbieder van betalingsdiensten niet aansprakelijk kan worden gehouden buiten zijn wettelijke aansprakelijkheid en zeker niet als hij niet nalatig is, noch in geval van „overmacht”. De aanbieder van betalingsdiensten moet echter wèl aantonen dat de betaling deugdelijk en volgens opdracht werd geregistreerd, uitgevoerd en bijgeschreven; deze plicht kan niet contractueel worden beperkt noch worden omzeild.

3.12.2

Volgens het Comité zouden aanbieders van betalingsdiensten kunnen overwegen om zich aansprakelijk te stellen voor claims in verband met kwesties die buiten hun controlegebied liggen in de vorm van extra dienstverlening. Dit is in het voordeel van de cliënt en bevordert de concurrentie.

3.13   Verplichtingen en aansprakelijkheid van de contractpartijen bij transacties waarvoor geen toestemming is gegeven (bijlage 13)

3.13.1

Wat kaartbetalingen betreft, dienen kredietinstellingen reeds te voldoen aan de bepalingen van Aanbeveling 97/489/EG, met name voor het volgende:

beperking van de financiële verantwoordelijkheid van de kaarthouder (tenzij hij/zij een ernstige fout begaat) tot 150 euro voor transacties die verricht zijn met een verloren of gestolen kaart voordat de bank hiervan in kennis is gesteld; en

vergoeding van gedebiteerde bedragen die te goeder trouw worden betwist (en van alle bijkomende bankkosten voor gedebiteerde bedragen) die voortvloeien uit frauduleuze, op afstand uitgevoerde verrichtingen, zonder fysiek gebruik van de kaart, of uit transacties met een vervalste kaart.

3.13.2

Achter frauduleuze verrichtingen staat ook de georganiseerde misdaad. De drempel van 150 euro kan fraude in de hand werken. Daarom moet er naar het oordeel van het Comité een op risico gebaseerde limiet worden ingevoerd. De aansprakelijkheid van de kaarthouder wordt in dat geval een percentage van de kredietlimiet van zijn kaart, waarmee hij in zijn contract akkoord gaat. Een dergelijke eerlijke benadering weerspiegelt het daadwerkelijke risico en de kosten, ontmoedigt tevens op efficiëntere wijze fraude en dringt de algemene kosten terug.

3.13.3

Een beperkte aanpassing van Aanbeveling 97/489/EG overeenkomstig het nieuwe rechtskader is een goede stap voorwaarts. Het Comité meent dat deze bijlage gerelateerd dient te worden aan de mogelijkheden die het gebruik van elektronische handtekeningen biedt in de context van de Richtlijn inzake e-handtekeningen.

3.13.4

Men kan zich afvragen of een aanbieder van een betalingsdienst overtuigend kan bewijzen – als hij dat al überhaupt kan – of de cliënt al dan niet de opdrachtgever was van de transactie die is verricht met het technisch veilig geachte elektronische betaalinstrument. Met name in geval van online bankieren lijken aanbieders van betalingsdiensten dergelijk bewijs moeilijk te kunnen leveren aangezien de uitvoering van deze verrichtingen op particuliere pc's kan plaatsvinden, die zich aan het controlegebied van de aanbieder van betalingsdiensten onttrekken.

3.14   Gebruik van „our”, „ben” en „share” (11) (bijlage 14)

3.14.1

In deze bijlage gaat het om het beginsel om het volledige bedrag aan de begunstigde ten goede te laten komen. Dit principe is nu duidelijk vastgelegd in Verordening 2560/2001 voor betalingen die volledig via STP (Straight-Through-Processing) verwerkt kunnen worden, mits de bijbehorende binnenlandse betalingen worden verricht zonder aftrek van kosten aan de kant van de begunstigde.

3.14.2

Bovendien bestaat zelfregulering in de vorm van de ICP (Interbank Convention on Payments) (12), die momenteel de reikwijdte beperkt tot overmakingen in euro. Met de ICP wordt gestreefd naar afschaffing van kosten die in geval van als tussenpersoon optredende banken, worden afgetrokken van het overgemaakte bedrag.

3.14.3

Een rechtskader moet in alle gevallen de technische termen achterwege laten die gebruikt worden in specifieke mededelingen en systemen (zoals SHARE, BEN, OUR), die in de nationale context vaak niet op hun plaats zijn. Volgens het Comité dienen er derhalve geen aanvullende bepalingen te komen die Richtlijn 97/5/EG vervangen. De bestaande opties voor kostenverdeling bieden de cliënt een keus en maken deel uit van de tussen cliënt en bank overeengekomen voorwaarden. Het risico van een oververeenvoudiging en beperking van keuze moet worden vermeden. De kostenopties zijn immers een antwoord op de behoefte van de markt, die verder reiken dan het basisinstrument voor overmakingen binnen de EU en die nodig zijn ter ondersteuning van de diverse manieren van betalen alsook van handel op afstand. Het Comité zou graag zien dat de bancaire sector meer transparantie schept voor de gekozen optie voor kostentoerekening.

3.14.4

Het Comité spoort de Commissie aan om het verschil op te heffen tussen de standaard optie „OUR” van de richtlijn, een kostenmechanisme dat in de meeste lidstaten niet bestaat, en de in de verordening bepleite optie „SHA”.

3.15   Uitvoeringstermijnen voor overmakingen (bijlage 15)

3.15.1

Het Comité herinnert eraan dat Europese banken binnen de European Payments Council een standaard uitvoeringstermijn voor overmakingen van 3 bankwerkdagen overeengekomen zijn (na de dag van aanvaarding) via zelfregulering in de CREDEURO-overeenkomst. Sommige banken zouden de termijn van 3 dagen nog kunnen verkorten. Daar de uitvoeringstermijn tot de kern van de dienstverlening behoort, dient het aan de markt te worden overgelaten om de service nog te verbeteren.

3.15.2

Aanvullende wetgeving moet slechts overwogen worden, indien de initiatieven van de sector niets opleveren.

3.16   Automatische incassosystemen (bijlage 16)

3.16.1

Bij de officiële goedkeuring door de European Payments Council (EPC) van het pan-Europese automatische incassosysteem zal nauwkeurig worden vastgesteld welke wetgeving nodig is en/of er wettelijke belemmeringen moeten worden opgeheven; de Commissie zal hiervan op de hoogte worden gesteld. Het rechtskader ter ondersteuning van het pan-Europese automatische incassosysteem zal in hoge mate afhangen van het gekozen model. Daarom dringt het Comité aan op nauwe samenwerking tussen de bancaire sector en de wetgever (EG).

3.17   Verwijderen van belemmeringen voor beroepsmatige geldtransporten (bijlage 17)

3.17.1

Deze bijlage houdt geen verband met betalingen en valt dus buiten het bestek van het nieuwe rechtskader voor betalingen.

3.17.2

In de regelgeving zouden betalingen in contanten en girale betalingen gelijk gesteld moeten worden. Een aantal wettelijke en technische barrières belemmert de ontwikkeling van grensoverschrijdend vervoer van contant geld in de eurozone, met name tussen filialen van de nationale centrale banken in het ene land en filialen van financiële instellingen in een ander land.

3.17.3

Toegang tot de diensten van een nationale centrale bank (NCB) in een ander land is deel van de natuurlijke ontwikkeling van het gebruik van één munt in de eurozone.

3.17.4

Concurrentie in het vervoer van contant geld in de eurozone dient te worden aangemoedigd voor een optimale efficiëntie, maar volgens het Comité moet er een vergunning worden ingevoerd voor grensoverschrijdend vervoer van contant geld, alsook een toereikend aantal controles om toe te zien op de naleving ervan.

3.18   Gegevensbescherming (bijlage 18)

De optie van de Commissie om in een verordening een bepaling op te nemen naar analogie van de bepaling in artikel 13, sub d) van de huidige Richtlijn gegevensbescherming 95/46/EG (13), is de beste manier om op korte termijn de mogelijkheden te harmoniseren voor gegevensuitwisseling ten behoeve van fraudebestrijding in betaalsystemen (tussen operatoren en autoriteiten, en ook tussen operatoren onderling, door middel van een uitzondering op de Richtlijn gegevensbescherming: bijv. een database van frauduleuze handelaren in verband met kaarttransacties).

3.19   Digitale handtekeningen (bijlage 19)

Het Comité geeft de Commissie in overweging om allereerst haar verslag over de tenuitvoerlegging van Richtlijn 1999/93/EG (14) inzake elektronische handtekeningen af te wachten. Commissievoorstellen voor nieuwe maatregelen zijn welkom. In het algemeen wil het Comité benadrukken dat digitale certificatie een gebied is waar de beginselen van technische neutraliteit en mededinging van kracht zijn.

3.20   Beveiliging van netwerken (bijlage 20)

Acties en initiatieven die cybermisdaad een ernstiger misdrijf maken en die gericht zijn op harmonisatie op dit gebied in de gehele EU in samenwerking met andere gerechtelijke autoriteiten (bijv. de Verenigde Staten) juicht het Comité toe. Het staat tevens achter toepassing van afschrikkende sancties om ongeoorloofde toegang te straffen tot systemen voor automatische gegevensverwerking met het oogmerk om fraude te plegen, vernietiging of wijziging van gegevens en verandering van systeemfuncties. Er moeten ook sancties komen voor degenen die data, programma's, hardware of informatie beschikbaar maken die specifiek ontworpen of aangepast zijn om ongeoorloofd toegang te verschaffen tot systemen voor automatische gegevensverwerking om fraude te plegen. Er moet dus onderscheid worden gemaakt tussen de criminalisatie van frauduleuze activiteiten betreffende betaalnetwerken, waarvoor nadere EU-harmonisatie via wetgeving welkom zou zijn, en de preventieve maatregelen ter beveiliging van betaalnetwerken, i.v.m. de snelle technologische ontwikkelingen die beter aan het bedrijfsleven kunnen worden overgelaten.

3.21   Storingen in betalingsnetwerken (bijlage 21)

3.21.1

Naar het oordeel van het Comité is de in bijlage 21 aangestipte kwestie een aspect van het in bijlage 12 besproken onderwerp (niet-uitvoering of gebrekkige uitvoering). Het volgende moet worden erkend:

storingen in betalingsnetwerken zijn geen alledaags verschijnsel;

storingen in betalingsnetwerken kunnen systemen en apparatuur beïnvloeden die buiten de directe controle van de kredietinstellingen vallen (netwerkexterne storingen);

kredietinstellingen dienen te voldoen aan door de bevoegde regelgevende instanties opgelegde verplichtingen inzake bedrijfsbescherming en bedrijfscontinuïteit.

3.21.2

De aanbieders van betalingsdiensten dienen niet aansprakelijk te worden gesteld voor betalingen die niet in het systeem zijn ingevoerd op het tijdstip van de storing. De aanbieder van betalingsdiensten is ingevolge zijn wettelijke aansprakelijkheid beperkt aansprakelijk en dient aan te tonen dat hij al het nodige heeft gedaan om de storing te voorkomen.

3.21.3

Tijdens een recent geval van „phishing”-e-mailaanvallen tegen banken in het VK nam een online dienstverlener zijn online dienst uit gebruik in reactie op de aanval. Zulke aanvallen vallen buiten de directe controle van een dienstverlener, vanwege het rechtstreekse e-mailcontact tussen een aanvaller en een cliënt. Aanbieders van betalingsdiensten moet hun cliënten indien mogelijk op de hoogte brengen alvorens zij het systeem om veiligheidsredenen afsluiten. Het Comité acht het onjuist een dienstverlener te straffen die maatregelen neemt om zijn cliënten op deze manier te beschermen. Voorts moedigt het Comité dienstverleners aan om voortvarend op te treden om dit type fraude te voorkomen.

4.   Conclusie

4.1

Het nieuwe rechtskader dient te stroken met de Europese strategie voor consumentenbeleid, die in de eerste plaats de totstandbrenging van een hoog niveau van consumentenbescherming in de EU beoogt.

4.1.1

Het Comité schaart zich achter de pogingen van de Europese Commissie om het vertrouwen van de consument, de rechtszekerheid en de marktefficiency voor betalingen op de interne markt te vergroten. Het is tevens positief dat zelfregulering en co-regulering wordt beschouwd als een stap voorwaarts voor diverse van de in de 21 bijlagen genoemde terreinen.

4.2

Wettelijke maatregelen voor de bijlagen 1, 2, 8, 12, 13, 18 en 19 verdienen prioriteit. Met name aan de bijlagen over informatieverplichtingen (2), informatie over de opdrachtgever van een betaling (8) en gegevensbescherming (18) moet spoedig aandacht worden besteed.

4.3

Voor de oprichting van het Europees automatisch incassosysteem (bijlage 16), de bepaling van degenen die het recht hebben om betalingsdiensten te verlenen (bijlage 1), alsmede de certificering voor de beveiliging van betaalinstrumenten en componenten (bijlage 7) kan gedacht worden aan nauwere samenwerking tussen de Commissie en de banksector.

4.4

Wat de overige bijlagen aangaat, meent het Comité dat zelfregulering of co-regulering de meest aangewezen weg is om de doelstelling van de Commissie, een efficiënte interne markt voor betalingen, gestalte te geven. Het is duidelijk dat een Europese verordening soelaas kan bieden, indien zelfregulerende maatregelen niet succesvol blijken te zijn.

4.5

In dezelfde geest beveelt het Comité aan dat het algehele kader transparant is voor de consument en zoveel mogelijk voortborduurt op bestaande praktijken en zelfreguleringsvoorschriften. Verdere regelgeving is bijvoorbeeld onnodig als de markt de doelstellingen van de wetgever reeds verwezenlijkt heeft (aanpassing van de richtlijn inzake overmakingen om de uitvoeringstermijnen te beperken, is niet direct nodig). Desondanks is op sommige gebieden een communautaire aanpak de aangewezen weg.

4.6

De mededeling omvat vaak veel meer dan uitsluitend betalingen; de Commissie wordt daarom opgeroepen uitdrukkelijker in te gaan op het verschil tussen commerciële diensten en betaalsystemen. Elk wetgevingsvoorstel voor betalingen dient aspecten uit te sluiten die te maken hebben met de uitvoering van andere verrichtingen dan betalingen.

Brussel, 30 juni 2004

De voorzitter

van het Europees Economisch en Sociaal Comité

Roger BRIESCH


(1)  PB L 344 van 28.12.2001.

(2)  PB L 43 van 14.2.1997.

(3)  Onder cliënt wordt verstaan consumenten en andere personen, zoals detailhandelaren en mkb's die van betalingsdiensten gebruik maken.

(4)  Bijv. het systeem EURO 1 en STEP 1 van de Euro Banking Association (EBA).

(5)  De EBA verrichtte haar eerste transactie op 28.4.2003.

(6)  Samengevoegd percentage uit diverse bronnen (Swift, EBA, kredietkaartbetalingen), opgesteld door de Europese Federatie van Banken (2003).

(7)  EESC 500/2004, rapporteur de heer Retureau.

(8)  International Bank Account Number.

(9)  Bank Identifier Code.

(10)  PB C 85 van 8.4.2003.

(11)  „our”, „beneficiary” en „share” zijn drie opties voor kostentoerekening bij overmakingen.

(12)  Interbancaire betalingsovereenkomst voor overmakingen die onder Verordening 2560/2001 vallen.

(13)  PB L 281 van 23.11.1995.

(14)  PB L 13 van 19.1.2000.