Mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement overeenkomstig artikel 251, lid 2, tweede alinea, van het EG-Verdrag over het gemeenschappelijk standpunt van de Raad met het oog op de aanneming van een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad houdende coördinatie van de procedures voor het plaatsen van opdrachten in de sectoren water en energievoorziening, vervoer en postdiensten /* SEC/2003/0365 def. - COD 2000/0117 */
MEDEDELING VAN DE COMMISSIE AAN HET EUROPEES PARLEMENT overeenkomstig artikel 251, lid 2, tweede alinea, van het EG-Verdrag over het gemeenschappelijk standpunt van de Raad met het oog op de aanneming van een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad houdende coördinatie van de procedures voor het plaatsen van opdrachten in de sectoren water- en energievoorziening, vervoer en postdiensten 2000/0117 (COD) MEDEDELING VAN DE COMMISSIE AAN HET EUROPEES PARLEMENT overeenkomstig artikel 251, lid 2, tweede alinea, van het EG-Verdrag over het gemeenschappelijk standpunt van de Raad met het oog op de aanneming van een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad houdende coördinatie van de procedures voor het plaatsen van opdrachten in de sectoren water- en energievoorziening, vervoer en postdiensten 1. CHRONOLOGISCH OVERZICHT Indiening voorstel bij het EP en de Raad (document COM(2000) 276 definitief - 2000/0117 (COD)): // 11 juli 2000 Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité: // 26 april 2001 Advies van het Comité van de Regio's: // 13 december 2000 Advies van het Europees Parlement in eerste lezing: // 17 januari 2002 Indiening gewijzigd voorstel: // 6 mei 2002 Vaststelling van het gemeenschappelijk standpunt: // 20 maart 2003 2. DOEL VAN HET VOORSTEL VAN DE COMMISSIE Het voorstel voor een richtlijn houdende coördinatie van de procedures voor het plaatsen van opdrachten in de sectoren water- en energievoorziening, vervoer en postdiensten is niet bedoeld ter vervanging van de nationale wetgeving, maar om te waarborgen dat in alle lidstaten de beginselen van gelijke behandeling, non-discriminatie en doorzichtigheid worden nageleefd bij het plaatsen van opdrachten in deze sectoren. Het voorstel, dat aansluit bij het debat naar aanleiding van het Groenboek over overheidsopdrachten, heeft een drieledig doel: modernisering, vereenvoudiging en flexibilisering van het bestaande rechtskader op dit gebied: - modernisering om rekening te houden met nieuwe technologieën en veranderingen in de economische omgeving, met inbegrip van de momenteel aan de gang zijnde of toekomstige liberalisering van sommige van de bedoelde activiteiten, - vereenvoudiging om de bestaande teksten voor de gebruikers beter begrijpelijk te maken zodat het plaatsen van de opdrachten geheel volgens de normen en beginselen op dit gebied kan verlopen en de betrokken entiteiten (zowel kopers als leveranciers) beter op de hoogte kunnen zijn van hun rechten, - en flexibilisering van de procedures om aan de behoeften van de kopers en ondernemers te voldoen. 3. OPMERKINGEN OVER HET GEMEENSCHAPPELIJK STANDPUNT 3.1 Algemene opmerkingen De essentie van het oorspronkelijke voorstel van de Commissie, zoals geamendeerd bij het gewijzigde voorstel, is in het gemeenschappelijk standpunt van de Raad behouden gebleven. Bovendien versterkt het gemeenschappelijk standpunt bepaalde middelen om de doelstellingen te bereiken die met de voorstellen van de Commissie werden beoogd. Toch kon de Commissie het met eenparigheid van stemmen bereikte akkoord van de Raad niet steunen vanwege de erin opgenomen bepalingen betreffende de financiële diensten. Het politieke akkoord dat de Raad op 30 september 2002 met eenparigheid van stemmen heeft bereikt, is overgenomen in het gemeenschappelijk standpunt dat op 20 maart 2003 is vastgesteld. De bij het gemeenschappelijk standpunt aangebrachte wijzigingen betreffen met name de volgende aspecten: - er wordt beter rekening gehouden met het gebruik van nieuwe informatietechnologie voor het plaatsen van opdrachten, wat overeenkomt met de moderniseringsdoelstelling van de voorstellen van de Commissie. In dit verband moet met name worden gewezen op de invoering van dynamische aankoopsystemen voor leveringen of diensten voor courant gebruik, die bedoeld zijn om enerzijds de aanbesteders de beschikking te geven over geheel elektronische systemen waarmee de aankoopprocedures kunnen worden vereenvoudigd en geautomatiseerd, en anderzijds de deelname van elke geïnteresseerde ondernemer mogelijk te maken, in voorkomend geval door gebruik te maken van hun elektronische catalogus. Om dezelfde redenen zijn bepalingen toegevoegd betreffende de mogelijkheid gebruik te maken van elektronische veilingen onder voorwaarden die de transparantie en de gelijke behandeling waarborgen. Met deze toevoeging wordt tegemoetgekomen aan de wens van modernisering, die aan de amendementen 25, 54 en 65 voor de richtlijn betreffende overheidsopdrachten voor werken, leveringen en diensten (hierna: "de klassieke richtlijn") ten grondslag lag, en wordt tevens voorkomen dat ongemotiveerde verschillen tussen de twee voorstellen worden gecreëerd en dat problemen bij de interpretatie en de toepassing ontstaan. Bovendien zijn ten aanzien van het algemene kader van aankopen met elektronische middelen in het gemeenschappelijk standpunt de verplichtingen inzake vertrouwelijkheid versterkt door in het dispositief te verwijzen naar bijlage XXIII; - de Raad heeft de gewijzigde voorstellen van de Commissie naar aanleiding van de amendementen van het Parlement betreffende het in aanmerking nemen van milieuaspecten en sociale aspecten overgenomen, en heeft bovendien in een overweging (nr. 54) verduidelijkt op welke wijze bij de beoordeling van inschrijvingen in de gunningsfase rekening kan worden gehouden met milieuoverwegingen en sociale overwegingen; - enkele bepalingen van de richtlijn zijn in overeenstemming gebracht met die van de klassieke richtlijn, waarmee tegemoet wordt gekomen aan de doelstelling van vereenvoudiging en verduidelijking van de regels, waarbij tegelijkertijd de flexibiliteit is behouden die nodig is voor een richtlijn waarvan het toepassingsgebied niet alleen aanbestedende diensten omvat, maar ook overheidsbedrijven en particuliere ondernemingen die op grond van uitsluitende of bijzondere rechten handelen. Ongemotiveerde verschillen tussen de regels op hetzelfde gebied kunnen namelijk leiden tot problemen bij de toepassing en de interpretatie - niet alleen voor de aanbestedende diensten, zoals territoriale lichamen, waarvan sommige opdrachten onder deze richtlijn kunnen vallen en andere onder de klassieke richtlijn - maar ook voor ondernemers, wier rechten, zelfs voor opdrachten voor eenzelfde type leveringen van eenzelfde aanbestedende dienst, zouden kunnen variëren. Daarom zijn een aantal amendementen van het Parlement, die uitsluitend voor de klassieke richtlijn waren voorgesteld of goedgekeurd, in beide richtlijnen op dezelfde wijze overgenomen; - de discussies na de goedkeuring van het gewijzigde voorstel hebben uitgewezen dat bepaalde aanbesteders dienst doen als aankoopcentrale of aankopen doen bij aankoopcentrales, en dat specifieke regels op dit gebied noodzakelijk zijn. Daarom zijn bepalingen opgenomen die de aanbesteders in staat stellen gebruik te maken van aankoopcentrales, ongeacht of deze voldoen aan de bepalingen van deze richtlijn of aan die van de klassieke richtlijn. Door de desbetreffende bepalingen (overweging 23, artikel 1, lid 8, en artikel 29) toe te voegen kan op juridisch juiste wijze worden tegemoetgekomen aan de zorg die ten grondslag ligt aan amendement 106; - voor de tenuitvoerlegging van de bepalingen betreffende de postsector is een aanvullende periode ingevoerd, omdat voor de ondernemers in die sector - ongeacht hun rechtsvorm - niet de regels van de huidige richtlijn "bijzondere sectoren" gelden. Daarom hebben de aanbesteders in die sector meer tijd nodig om hun procedures voor het plaatsen van opdrachten aan de regels van de richtlijn aan te passen dan die in andere sectoren, die al bekend zijn met de procedures van de huidige richtlijn. Binnen deze periode, die loopt tot uiterlijk 1 januari 2009, beslissen de lidstaten over de precieze datum waarop de richtlijn voor die sector ten uitvoer wordt gelegd. Opgemerkt zij dat voor exploitanten van postdiensten die aanbestedende diensten zijn de klassieke richtlijn van toepassing blijft tot het moment van overgang naar de richtlijn "bijzondere sectoren". Bovendien bevat het gemeenschappelijk standpunt wijzigingen betreffende financiële diensten, betreffende de reikwijdte van de uitzondering voor ondernemingen binnen dezelfde groep [1] en betreffende de weging van de gunningscriteria. [1] De uitzondering betreft de mogelijkheid opdrachten zonder oproep tot mededinging te gunnen aan een verbonden onderneming, een gemeenschappelijke onderneming of een aanbesteder die deel uitmaakt van een gemeenschappelijke onderneming. Zie artikel 23 (ex 26). De Commissie is van mening dat de wijziging betreffende financiële diensten die de Raad met eenparigheid van stemmen heeft goedgekeurd, en die aansluit bij amendement 37 van het Europees Parlement voor de klassieke richtlijn, en gedeeltelijk bij amendement 84 voor deze richtlijn, kan leiden tot verwarring over de vraag of deze diensten onder het toepassingsgebied van de richtlijn vallen. Daarom heeft zij in een verklaring in de notulen van de Raad van 30 september 2002, die als bijlage bij deze mededeling is gevoegd, het standpunt herhaald dat zij reeds in haar gewijzigde voorstel heeft uiteengezet in verband met de afwijzing van amendement 37 van het Parlement voor de klassieke richtlijn. De Raad heeft de benodigde eenparigheid van stemmen bereikt om, tegen het advies van de Commissie, de uitzondering van artikel 23 voor het gunnen van opdrachten aan een verbonden onderneming, een gemeenschappelijke onderneming, of een aanbesteder die deel uitmaakt van een gemeenschappelijke onderneming zonder tot mededinging op te roepen, uit te breiden tot opdrachten voor werken en leveringen. Door deze uitbreiding worden de amendementen 6 en 26 in essentie overgenomen, wordt een groter deel van amendement 27 overgenomen, en wordt amendement 28 van het Parlement geheel overgenomen; deze amendementen waren in het gewijzigde voorstel van de Commissie niet of zeer ten dele overgenomen. Hoewel zij dit betreurt, kan de Commissie de nieuwe bepaling toch aanvaarden omdat de wijzigingen van het gemeenschappelijk standpunt al met al een positieve bijdrage leveren. De verplichting om de weging van de gunningscriteria aan te geven is bevestigd; de Commissie heeft echter erkend dat ook rekening moet worden gehouden met gevallen waarin de aanbesteder kan aantonen dat hij onmogelijk een weging kan aangeven en dat in deze gevallen moet worden toegestaan dat de aanbesteder uitsluitend een afnemende volgorde van belang van de criteria aangeeft. 3.2. Amendementen van het Parlement waarmee rekening is gehouden in het gemeenschappelijk standpunt 3.2.1. Amendementen die in het gewijzigde voorstel en in het gemeenschappelijk standpunt zijn overgenomen Titel, overwegingen 9, 10 en 28, artikel 6, bijlagen VI en XI - amendementen 13 en 16: de titel, de overwegingen 9 en 10 en de bijlagen VI en XI, die zijn gewijzigd in verband met de overgang van de postsector, zijn ongewijzigd overgenomen van het gewijzigde voorstel (overwegingen 2 en 8, bijlagen V bis en X). Aan overweging 28 (2 bis van het gewijzigde voorstel), die verder ongewijzigd is overgenomen, is een motivatie van de invoering van een aanvullende periode voor de tenuitvoerlegging van de bepalingen betreffende de postsector toegevoegd (zie ook het vijfde streepje van punt 3.1). Artikel 6 (ex 5 bis) is, wat de definitie van de bedoelde diensten betreft, als volgt gewijzigd: 1) om problemen bij de interpretatie van de postrichtlijn [2] te vermijden, zijn bepaalde terminologische wijzigingen aangebracht; 2) de reikwijdte van "nevendiensten van postdiensten" (lid 2, onder d)) is gepreciseerd; 3) verduidelijkt is dat nevendiensten alleen onder de richtlijn vallen indien deze worden verleend door een aanbesteder die de bepalingen van de richtlijn voor het verlenen van een (voorbehouden of overige) postdienst moet toepassen. [2] Richtlijn 97/67/EG van het Europees Parlement en de Raad van 15 december 1997 betreffende gemeenschappelijke regels voor de ontwikkeling van de interne markt voor postdiensten in de Gemeenschap en de verbetering van de kwaliteit van de dienst, gewijzigd bij Richtlijn 2002/39/EG van het Europees Parlement en de Raad van 10 juni 2002 tot wijziging van Richtlijn 97/67/EG met betrekking tot de verdere openstelling van de postmarkt in de Gemeenschap voor mededinging. Overweging 12 - amendement 89/96: de tekst van het gewijzigde voorstel, betreffende de integratie van milieueisen, als bedoeld in artikel 6 van het Verdrag, is ongewijzigd overgenomen. Overweging 13 - amendement 111: dit amendement, betreffende de uitzonderingen krachtens artikel 30 van het Verdrag, is overgenomen, waarbij het enigszins is gewijzigd om de bewoordingen van dat artikel precies over te nemen wat de bescherming van planten betreft. Bovendien is "niet discriminerend zijn en niet in strijd zijn met het streven naar openstelling van de markten op het gebied van overheidsopdrachten, noch met het Verdrag" vervangen door "in overeenstemming zijn met het Verdrag": de reden hiervoor ligt in de voorrang van het Verdrag, zoals uitgelegd door het Hof, boven het afgeleide recht, wat inhoudt dat de door de richtlijn beoogde doelstelling van openstelling van markten geen afbreuk mag doen aan rechten die krachtens het Verdrag aan de lidstaten zijn toegekend. Overweging 40 - amendement 76: deze overweging (ex 13) is in essentie ongewijzigd overgenomen, maar het laatste deel, dat tegemoetkomt aan amendement 76, is geëxpliciteerd zonder dat de betekenis is gewijzigd. Overweging 41, artikel 34 en bijlage XXI - amendementen 7, 35, 36, 38, 40, 95 en 99/118: de bepalingen van het gewijzigde voorstel (overweging 34, artikel 34 en bijlage XX), betreffende de technische specificaties, zijn ongewijzigd overgenomen, behoudens twee taalkundige wijzigingen in bijlage XXI (punt 1, onder a) en b): "productieprocessen en -methoden" in plaats van "productieprocedures en -methoden". Overweging 43 en artikel 38 - amendementen 4 en 33: de tekst van het gewijzigde voorstel, betreffende de voorwaarden voor de uitvoering van de opdracht (overweging 32 en artikel 37 bis) en met name het gebruik van deze voorwaarden voor sociale doeleinden of voor milieudoeleinden, is ongewijzigd overgenomen, behoudens een kleine wijziging van strikt taalkundige aard in de overweging. Overweging 44 - amendement 56: de tekst van het gewijzigde voorstel (overweging 32 bis), betreffende de naleving van sociale regelgeving, is overgenomen, waarbij de bewoording zodanig is aangepast dat expliciet wordt bepaald dat op grond van artikel 45, lid 2, onder c) en d), van de klassieke richtlijn, waarnaar de artikelen 53 en 54 van deze richtlijn verwijzen, ondernemers die schuldig zijn bevonden aan het niet-naleven van deze regels, van opdrachten kunnen worden uitgesloten. Overweging 52 en artikel 52, leden 2 en 3 - amendement 64: de overweging (32 bis) en de bepalingen (artikel 51, leden 2 en 3) van het gewijzigde voorstel, betreffende kwaliteitsbewakingsregelingen en milieubeheersystemen, zijn ongewijzigd overgenomen. Overweging 54 - amendement 66: afgezien van de in punt 3.1 genoemde toevoeging van de verduidelijking van de wijze waarop aanbesteders bij de beoordeling van inschrijvingen in de gunningsfase rekening kunnen houden met milieuoverwegingen en sociale overwegingen, is deze overweging (ex 40) in essentie niet gewijzigd. Overweging 55 - amendement 8: dit amendement - toevoeging van "ingenieurs" aan de lijst van beroepen waarvoor geldt dat de gunningscriteria geen afbreuk mogen doen aan de op nationaal niveau gereglementeerde beloning - is ongewijzigd overgenomen. Artikel 17 - amendementen 21 en 22: in artikel 17 is de tekst overgenomen van artikel 16 van het gewijzigde voorstel, betreffende de methoden voor de berekening van de waarde van opdrachten, waarbij de titel en lid 3 zijn aangepast aan de invoering van dynamische aankoopsystemen. Bovendien wordt rekening gehouden met meer soorten verlengingen: "stilzwijgende verlengingen" wordt vervangen door "verlengingen", zodat bij de berekening van de waarde van de opdracht rekening wordt gehouden met elke vorm van verlenging. Bovendien zijn de leden 6, 7 en 11 in overeenstemming gebracht met de bepalingen van artikel 9, leden 5, 7 en 8, onder b), van de klassieke richtlijn, om te voorkomen dat ongemotiveerde verschillen tussen beide richtlijnen worden gecreëerd, wat met name het geval zou zijn als een striktere regeling voor percelen zou zijn behouden. Artikel 26 - amendementen 29 en 30: dit artikel (ex 27) is ongewijzigd overgenomen. Artikel 39 - amendement 43: de tekst van artikel 39 (ex 38), betreffende de verplichtingen ten aanzien van belastingen, milieubescherming, arbeidsbescherming en arbeidsvoorwaarden, die het gevolg is van de opname van amendement 43 in het gewijzigde voorstel, is gewijzigd om geen ongemotiveerde verschillen tussen beide richtlijnen te creëren. Ten aanzien van de rechtstreeks op de aanbesteders rustende verplichting om in het bestek aan te geven waar informatie over de toepasselijke wetgeving op dit terrein kan worden verkregen geeft de Raad de voorkeur aan een bewoording die lijkt op die van het oorspronkelijke voorstel van de Commissie, waarin het dispositief van de nu geldende richtlijnen werd weergegeven. Volgens het gemeenschappelijk standpunt kan deze verplichting dan ook alleen door de lidstaten worden opgelegd. Bij ontbreken van een dergelijke verplichting op nationaal niveau, kunnen de aanbesteders deze gegevens echter uit vrije wil opnemen. Bovendien is de tekst van het artikel in overeenstemming gebracht met de titel ervan (in het Frans: "...les informations pertinentes sur les obligations relatives à la fiscalité,..." in plaats van "les informations pertinentes sur la fiscalité,...") en is aangegeven dat deze wetgeving niet van toepassing is op verrichtingen die in een ander land dan dat van de aanbesteder worden verricht. Artikel 48 - amendement 51: dit artikel (ex 47) is ongewijzigd overgenomen. Artikelen 53 en 54 - amendementen 18, 57, 109 en 60: artikel 53 (ex 52) heeft twee wijzigingen ondergaan. In lid 3 (ex 2 bis) is gepreciseerd dat het opnemen van de in artikel 45 (ex 46) van de klassieke richtlijn bedoelde uitsluitingscriteria plaatsvindt volgens de in dat artikel vastgestelde voorwaarden voor de toepassing. Met deze precisering kan de uniformiteit van de bepalingen terzake worden gewaarborgd, wat de toepassing en de interpretatie voor de aanbesteders en de ondernemers vergemakkelijkt. Eveneens om de toepassing van de richtlijn zou eenvoudig mogelijk te maken, is een nieuw lid 8 toegevoegd waarin wordt gewezen op de belangrijkste bepalingen van de richtlijn die specifiek van toepassing zijn op erkenningsregelingen. Lid 4 van artikel 54 (ex 53) heeft dezelfde toevoeging gekregen als artikel 53, lid 3, betreffende het opnemen van de in artikel 45 van de klassieke richtlijn bedoelde uitsluitingscriteria. Artikel 49 - amendement 53: dit artikel (ex 48) is overgenomen, waarbij de bewoording van lid 5 is gepreciseerd zonder dit lid inhoudelijk te wijzigen. Bovendien heeft de Raad er - om de huidige flexibiliteit te behouden - de voorkeur aan gegeven de expliciete verwijzing naar de maximumtermijn van 15 dagen in lid 1 te schrappen; de verplichting om deze inlichtingen ten spoedigste te verstrekken is echter gehandhaafd. Bij deze wijziging hoort echter een nieuwe overweging 48, waarin wordt verduidelijkt dat de inlichtingen moeten worden verstrekt binnen een zodanig korte termijn dat eventueel nog beroep kan worden ingesteld; daarom moet deze informatie zo spoedig mogelijk, en in het algemeen binnen vijftien dagen na het besluit, worden verstrekt. Met deze preciseringen is de wijziging van lid 1 voor de Commissie aanvaardbaar. Opgemerkt zij dat lid 4, waarop amendement 53 van het Parlement rechtstreeks betrekking heeft, ongewijzigd is overgenomen. Artikel 55, lid 2 - amendementen 66, 67, 68 en 69: deze bepaling (ex 54, lid 2) is gewijzigd in verband met de noodzaak rekening te houden met gevallen waarin de aanbesteder kan aantonen dat hij onmogelijk een weging kan aangeven en hem in deze gevallen toe te staan uitsluitend een afnemende volgorde van belang van de criteria aan te geven. Opgemerkt zij dat de vereenvoudiging van de regels betreffende de wijze waarop de weging of, in voorkomend geval de afnemende volgorde van belang, van de criteria, moeten worden aangegeven, is behouden. Artikel 57 - amendementen 9 en 70: dit artikel (ex 55) is ongewijzigd overgenomen. Artikel 64 - amendement 75: dit artikel (ex 62) is ongewijzigd overgenomen. Bijlagen XIII, XIV, XV, XVI, XVIII en XIX (ex XII, XIII, XIV, XV, XVII en XVIII) - amendementen 78, 79, 80, 81, 82, 83, 85 en 86: de teksten betreffende de vermelding van de gegevens van de beroepsinstantie in aankondigingen van opdrachten en in aankondigingen van geplaatste opdrachten zijn overgenomen, waarbij echter de alternatieve mogelijkheid wordt geboden om de gegevens te vermelden van de dienst waar deze inlichtingen kunnen worden verkregen. Deze toevoeging houdt verband met bepaalde nationale situaties waarin deze vermelding buitensporig ingewikkeld zou zijn en tot desinformatie van ondernemers zou kunnen leiden. Deze wijziging houdt dus rekening met de essentie van de amendementen door te waarborgen dat de ondernemers zich tot een bevoegde dienst kunnen wenden en over alle nodige details kunnen beschikken. 3.2.2. Amendementen die in het gewijzigde voorstel zijn geïntegreerd, maar niet in het gemeenschappelijk standpunt zijn overgenomen Bijlage XIII - amendement 47: de verplichting om de naam, het adres, enz. van de diensten waar informatie kan worden verkregen over de belasting-, milieu- en arbeidswetgeving in aankondigingen van opdrachten te vermelden, is niet overgenomen. Overeenkomst artikel 39, lid 1, zijn aanbesteders die dergelijke informatie doorgeven namelijk verplicht de informatie in het bestek te vermelden (als gevolg van de overname van amendement 43). Hiermee wordt tevens voorkomen dat ongemotiveerde verschillen worden gecreëerd tussen beide richtlijnen doordat in de richtlijn "bijzondere sectoren" een striktere regeling wordt opgenomen. 3.2.3. Punten waarop het gewijzigde voorstel en het gemeenschappelijk standpunt van elkaar verschillen Overweging 35: aan overweging 26 wordt toegevoegd dat: "Conform de Overeenkomst" inzake overheidsopdrachten die in het kader van de WTO is gesloten omvatten de in deze richtlijn bedoelde financiële diensten niet de opdrachten voor de uitgifte, de aankoop, de verkoop en de overdracht van effecten of andere financiële instrumenten, "met name verrichtingen om de aanbesteders van geld of kapitaal te voorzien." Artikel 24, onder c): deze bepaling is in dezelfde zin gewijzigd als de bovengenoemde overweging, namelijk na "betreffende financiële diensten in verband met de uitgifte, de aankoop, de verkoop en de overdracht van effecten of andere financiële instrumenten" wordt de volgende precisering toegevoegd: "met name verrichtingen om de aanbesteders van geld of kapitaal te voorzien". Om te voorkomen dat deze bepalingen, die een wijziging inhouden die aansluit bij amendement 37 van het Europees Parlement voor de klassieke richtlijn en gedeeltelijk bij amendement 84 voor deze richtlijn, zodanig kunnen worden geïnterpreteerd dat zij de in het Gemeenschapsrecht bedoelde uitsluiting vergroten, heeft de Commissie een verklaring in de notulen van de Raad laten opnemen (zie bijlage). Artikel 2, lid 3: in de definitie van bijzondere en uitsluitende rechten van het oorspronkelijke voorstel is het gedeelte "in hetzelfde geografische gebied en onder in wezen gelijkwaardige omstandigheden" geschrapt. Deze wijziging is aangebracht om te voorkomen dat de definitie te veel samenvalt met het onderzoek van de concurrentiële situatie uit hoofde van artikel 30 in het kader van de procedure om te beoordelen of een sector volledig aan mededinging blootstaat. Artikel 30 (ex 29): dit artikel betreft de voorwaarden om na te gaan of een van de sectoren waarop de richtlijn betrekking heeft rechtstreeks aan mededinging blootstaat en de procedure die, indien dat het geval is, moet worden gevolgd om vast te stellen dat de richtlijn niet van toepassing is op opdrachten die voor de uitoefening van een dergelijke activiteit worden geplaatst. De voorwaarden die moeten worden vervuld om te kunnen vaststellen dat een activiteit volledig aan mededinging blootstaat, zijn niet gewijzigd, met uitzondering van de precisering in lid 2 dat bij het onderzoek van de concurrentiële situatie moet worden uitgegaan van criteria, "overeenkomstig de bepalingen van het Verdrag inzake mededinging", zoals die welke reeds in deze bepaling zijn vermeld. De bepalingen betreffende de te volgen procedure zijn op een aantal punten gewijzigd, waarbij echter de rechtszekerheid en de uniforme toepassing van het Gemeenschapsrecht als gevolg van beslissingen van de Commissie met rechtskracht niet zijn geschaad. De bepalingen betreffende de procedure zijn met name als volgt gewijzigd: - de specifieke bepalingen die van toepassing zijn indien het initiatief uitgaat van een lidstaat, zijn bijeengebracht in lid 4 en de specifieke bepalingen die van toepassing zijn indien de procedure op initiatief van een aanbesteder of van de Commissie zelf wordt ingeleid, zijn bijeengebracht in lid 5; - in lid 4 wordt onderscheid gemaakt tussen: 1) gevallen waarin de in bijlage XI genoemde Gemeenschapswetgeving niet ten uitvoer is gelegd en van toepassing is en/of waarin geen positief standpunt is ingenomen door een onafhankelijke nationale autoriteit die bevoegd is voor de betrokken activiteit, en 2) gevallen waarin op grond van de tenuitvoerlegging en de toepassing van Gemeenschapswetgeving kan worden verondersteld dat er sprake is van vrije toegang tot de activiteit overeenkomstig de eerste alinea van lid 3 en waarin de onafhankelijke nationale autoriteit heeft vastgesteld dat lid 1 van toepassing is. In het eerste geval is lid 1 uitsluitend van toepassing indien de Commissie een "positief" besluit neemt of wanneer zij na het verstrijken van de voorgeschreven termijn geen besluit heeft genomen; in het tweede geval is lid 1 van toepassing, behalve indien de Commissie binnen de voorgeschreven termijn een "negatief" besluit neemt; - de Raad heeft om evidente redenen van subsidiariteit gepreciseerd dat de nationale wetgeving bepaalt of aanbesteders zelf het initiatief kunnen nemen om een procedure in te leiden (overeenkomstig amendement 117); - de regels betreffende de termijnen en de wijze van toepassing van de procedure zijn samengebracht in lid 6. Bevestigd is dat de normale termijn drie maanden bedraagt en dat deze termijn eenmalig met maximaal drie maanden kan worden verlengd. In geval van kennisgeving door de lidstaten mag de eventuele verlenging echter slechts één maand bedragen. Andere wijzigingen in het gemeenschappelijk standpunt betreffen de toevoeging van preciseringen betreffende de inhoud van de goed te keuren regels voor de uitvoering, waarbij met name precieze regels zijn vastgesteld om de transparantie en de rechtszekerheid te waarborgen door publicatie van de begindata van de procedure, en de gevallen waarin lid 1 "automatisch" van toepassing is. 3.3. Nieuwe bepalingen 3.3.1. Bepalingen waarvoor geen amendement is voorgesteld en die in het gemeenschappelijk standpunt zijn herschreven of die in het verlengde liggen van de bepalingen van het oorspronkelijke voorstel Algemene opmerking: de onderstaande wijzigingen kunnen goeddeels worden verklaard als logisch uitvloeisel van bepaalde wijzigingen elders in de tekst; dit geldt bijvoorbeeld voor de overwegingen die horen bij de nieuwe bepalingen betreffende de uitsluitingscriteria en voor de aanpassing van de bepalingen voor prijsvragen in verband met wijzigingen van de bepalingen voor opdrachten. Overweging 5: overweging 4 van het oorspronkelijke voorstel is geactualiseerd door een verwijzing op te nemen naar het zevende verslag over de tenuitvoerlegging van het pakket telecommunicatieregelgeving. Overweging 16, derde alinea: deze alinea is ingevoegd ter verduidelijking van de bepalingen van artikel 17, lid 4, betreffende de wijze van berekening van de geraamde waarde van opdrachten voor werken. Overweging 25: overeenkomstig de jurisprudentie [3] en in navolging van de definitie van "uitsluitende en bijzondere rechten" in andere Gemeenschapswetgeving (in het bijzonder bepaalde telecommunicatierichtlijnen en de richtlijn "doorzichtigheid" [4]) is gepreciseerd dat rechten die door een lidstaat aan een beperkt aantal ondernemingen worden verleend op grond van objectieve, proportionele en niet-discriminerende criteria, waarbij elke belangstellende die aan die criteria voldoet de mogelijkheid wordt geboden ervan te profiteren, niet als uitsluitende of bijzondere rechten moeten worden beschouwd. [3] The Queen tegen Secretary of State for Trade and Industry, ex parte British Telecommunications plc., zaak C-302/94, Jurispr. 1996, blz. I-6417. Arrest van 12 december 1996. [4] Richtlijn 2000/52/EG van de Commissie van 26 juli 2000 tot wijziging van Richtlijn 80/723/EEG betreffende de doorzichtigheid in de financiële betrekkingen tussen lidstaten en openbare bedrijven. PB L 193 van 29.7.2000, blz. 75. Overweging 27 en artikel 5, lid 2: deze bepalingen zijn, zonder inhoudelijke wijzigingen, herschreven om te verduidelijken dat: 1) in de sector busvervoer werkzame aanbesteders die reeds van het toepassingsgebied van de huidige richtlijn "bijzondere sectoren" (93/38/EEG) zijn uitgesloten krachtens artikel 2, lid 4, van die richtlijn, eveneens zijn uitgesloten van het toepassingsgebied van deze richtlijn; en 2) aanbesteders in die sector die niet van het toepassingsgebied van de huidige richtlijn zijn uitgesloten, uitsluitend uit hoofde van en volgens de procedure van artikel 30 van het toepassingsgebied van de nieuwe richtlijn kunnen worden uitgesloten. Overweging 29 en artikel 9: deze bepalingen, betreffende de wettelijke regeling die van toepassing is op opdrachten bestemd voor het verrichten van verscheidene activiteiten, zijn gewijzigd door "en niet kan worden gesplitst" in lid 1 te schrappen. De wijze waarop wordt bepaald voor het verrichten van welke activiteit de opdracht in eerste instantie is bestemd, is bovendien verduidelijkt in de nieuwe overweging 29. Ten slotte is aan lid 1 een tweede alinea toegevoegd als waarborg tegen mogelijk misbruik van de keuzemogelijkheid tussen het plaatsen van één opdracht of verschillende afzonderlijke opdrachten. Overweging 32, artikel 23, leden 2, 3 en 4: als gevolg van de unanieme beslissing van de Raad om deze uitsluiting uit te breiden tot opdrachten voor werken en leveringen (zie punt 3.1) is dit artikel met name als volgt gewijzigd: - de voorwaarden voor het gunnen van opdrachten aan verbonden ondernemingen zonder blootstelling aan mededinging zijn samengebracht in lid 3, waarin voor opdrachten voor werken en leveringen hetzelfde percentage (80%) van de gemiddelde omzet is aangehouden als reeds was opgenomen voor opdrachten voor diensten. Ook is bepaald dat de omzet en het genoemde percentage voor de drie soorten opdrachten afzonderlijk worden berekend om te voorkomen dat bijvoorbeeld het verwerven van een grote opdracht voor werken kan worden gebruikt als argument om een groot aantal opdrachten voor diensten te gunnen zonder deze aan mededinging bloot te stellen; - de bepalingen betreffende het gunnen van opdrachten aan een gezamenlijke onderneming of aan een aanbesteder die deel uitmaakt van een gemeenschappelijke onderneming zijn samengebracht in lid 4, dat is uitgebreid met voorwaarden voor de samenstelling en de tijdelijke stabiliteit van gezamenlijke ondernemingen. Opgemerkt zij dat deze voorwaarden niet inhouden dat geen gezamenlijke ondernemingen met een andere samenstelling of een andere tijdelijke stabiliteit mogen worden gevormd: lid 4 bepaalt alleen dat het gunnen van bijvoorbeeld een gedeelte van opdrachten aan een gezamenlijke onderneming die zelf geen aanbesteder is, dan niet zonder blootstelling aan mededinging mag gebeuren. Deze wijzigingen van artikel 23 zijn, ten slotte, in de nieuwe overweging 32 geëxpliciteerd. Overweging 36: het laatste gedeelte van de overweging ("en bestrijkt dus niet het verlenen van diensten op andere grondslag, zoals wettelijke of bestuursrechtelijke bepalingen of arbeidsovereenkomsten") is geschrapt omwille van de duidelijkheid, omdat de ervaring met de toepassing van de huidige richtlijn heeft uitgewezen dat dit gedeelte verkeerd kan worden uitgelegd. Overweging 38 en artikel 27: deze bepalingen zijn, zonder verdere wijziging, geactualiseerd door Oostenrijk toe te voegen aan de lijst van lidstaten waarvoor een beschikking uit hoofde van artikel 3 van de huidige richtlijn is gegeven. Overweging 49: overweging 39 van het oorspronkelijke voorstel is aangevuld met de precisering dat aan de regels en criteria die in het kader van de selectie worden gebruikt niet per se een relatief gewicht (hoeft) te worden toegekend. Overweging 50: deze nieuwe overweging hoort bij de wijzigingen van de artikelen 53 en 54 (zie punt 3.2.1) betreffende de mogelijkheid de capaciteit van andere entiteiten in aanmerking te nemen en verduidelijkt voorts de werking van de erkenningsregelingen. Artikel 1: de volgorde van de leden is aangepast aan de volgorde waarin de gedefinieerde elementen in de richtlijn voorkomen. Artikel 1, lid 2: dit betreft een wijziging van artikel 1, leden 2 tot en met 5, van het oorspronkelijke voorstel. De wijzigingen hebben betrekking op de definitie van opdrachten, waaraan is toegevoegd dat de opdracht door "meer aanbesteders" kan worden gesloten, op de definitie van opdrachten voor leveringen ("andere dan de onder b) hierboven bedoelde opdrachten") en op de definitie van opdrachten voor diensten ("andere opdrachten dan opdrachten voor werken of leveringen"). De eerste wijziging is nodig in verband met de eisen van vereenvoudiging van de procedures, bijvoorbeeld in geval van samenwerking tussen aanbesteders om dezelfde doelstelling te bereiken. De andere wijzigingen onderstrepen de ontstaansgeschiedenis van de basisrichtlijnen. Artikel 5, lid 1: de definitie van de vervoersactiviteiten waarop de richtlijn betrekking heeft is in overeenstemming gebracht met die van andere activiteiten waarbij fysieke netten betrokken zijn (zie de artikelen 3 en 4) door de toevoeging van "ter beschikking stelling" teneinde de rechtszekerheid van de entiteiten die de richtlijn reeds toepassen op basis van een interpretatie van "exploitatie van netten" - met name in de spoorwegsector - te vergroten. Artikel 16: artikel 15 van het oorspronkelijke voorstel is geactualiseerd door de drempelbedragen aan te passen aan de voor de periode 2002-2004 geldende bedragen, die opnieuw zijn berekend volgens het tweejaarlijkse herzieningsmechanisme voor de drempels dat is ingesteld om deze aan te passen aan de wijzigingen in de verhouding Europese munten/BTR. De hogere drempels in het gemeenschappelijk standpunt ten opzichte van die in het oorspronkelijke voorstel vloeien voort uit de in BTR (bijzondere trekkingsrechten) uitgedrukte drempels in de overeenkomst inzake overheidsopdrachten. Artikel 36: dit artikel heeft strikt redactionele wijzigingen ondergaan, waardoor de bepaling is vereenvoudigd en verduidelijkt. Opgemerkt zij met name dat het schrappen van lid 2 van het oorspronkelijke voorstel ("Artikel 34 is op de varianten van toepassing") geen inhoudelijke wijziging inhoudt omdat de algemene economie van de richtlijn duidelijk maakt dat de regels betreffende de technische specificaties op alle technische specificaties van toepassing zijn, ongeacht of deze in het kader van varianten zijn gedefinieerd. Artikel 51: de formulering van deze algemene bepaling over het verloop van de procedures is verduidelijkt zonder de inhoud te wijzigen. Artikel 61: artikel 59 van het oorspronkelijke voorstel is gewijzigd om de drempels voor prijsvragen in overeenstemming te brengen met de drempels voor opdrachten voor diensten. De tweede alinea van de leden 1 en 2 bevat preciseringen betreffende de wijze van berekening van de waarde van prijsvragen. Deze nieuwe alinea's zijn in overeenstemming gebracht met artikel 67 van de klassieke richtlijn. Artikel 62: artikel 60 van het oorspronkelijke voorstel, betreffende uitsluitingen van het toepassingsgebied van de regels voor prijsvragen, is vereenvoudigd door te verwijzen naar de bepalingen die gelden voor opdrachten voor diensten. Ook is het artikel aangepast aan de nieuwe formulering van artikel 30. Artikel 63: artikel 63, lid 2, is aangepast door te verwijzen naar de overeenkomstige artikelen voor opdrachten die van toepassing zijn op prijsvragen op het gebied van diensten. Artikel 65: omwille van de duidelijkheid en in navolging van de overeenkomstige bepalingen van de klassieke richtlijn (de artikelen 73 en 74) zijn de bepalingen van artikel 63, lid 3, van het oorspronkelijke voorstel verdeeld over twee artikelen: artikel 65, lid 3, betreft de samenstelling van de jury en artikel 66 betreft beslissingen van de jury. Artikel 66: de bepalingen van artikel 63, lid 3, derde alinea, van het oorspronkelijke voorstel, zijn als volgt gewijzigd: de verplichtingen ten aanzien van anonimiteit zijn gepreciseerd, de transparantie van het verloop van de werkzaamheden van de jury is vergroot door het opstellen van notulen verplicht te stellen en de beoordeling door de jury is verbeterd doordat de jury in voorkomend geval de deelnemers kan vragen de projecten toe te lichten. Deze bepalingen zijn in overeenstemming gebracht met die van artikel 74 van de klassieke richtlijn. Artikel 68: lid 2 van artikel 65 van het oorspronkelijke voorstel, betreffende het Raadgevend Comité, is om strikt taalkundige redenen herschreven. Lid 3 is aangepast aan de comitologieregels. Artikel 69: in navolging van de bepalingen van artikel 78 van de klassieke richtlijn is artikel 66 van het oorspronkelijke voorstel, betreffende de herziening van de drempels, overgenomen, waarbij lid 1 op een punt is verduidelijkt (eerste alinea: automatische tweejaarlijkse controle en aanpassing uitsluitend indien nodig, dat wil zeggen indien gerechtvaardigd door de wijziging van de verhouding euro/BTR) en de afronding van de drempels bij de herziening is gewijzigd ("op het duizendtal" in plaats van "op het tienduizendtal"). Artikel 71: dit artikel, betreffende de tenuitvoerlegging van de richtlijn, is als volgt gewijzigd: - in navolging van de wijziging van het overeenkomstige artikel van de klassieke richtlijn (artikel 80) is de uiterste datum voor de tenuitvoerlegging van de richtlijn gewijzigd in 21 maanden na de inwerkingtreding ervan; - om de in het vijfde streepje van punt 3.1 uitgelegde redenen is voor de tenuitvoerlegging van de bepalingen betreffende de postsector een aanvullende periode ingevoerd, die uiterlijk op 1 januari 2009 afloopt; - gepreciseerd is dat de procedure voor de vaststelling van de eventuele blootstelling aan mededinging van een bepaalde sector van artikel 30 vanaf de datum van inwerkingtreding van de richtlijn van toepassing is. Bijlagen I tot en met X: deze bijlagen zijn aangepast aan de ontwikkelingen op nationaal niveau. 3.3.2. Nieuwe bepalingen als gevolg van de afstemming met de bepalingen van de klassieke richtlijn Algemene opmerking: de onderstaande wijzigingen vloeien voort uit de door de Commissie gedeelde wens van de Raad om te voorkomen dat ongemotiveerde verschillen tussen de twee richtlijnen worden gecreëerd, wat zou kunnen leiden tot de onwenselijke gevolgen die in punt 3.1, derde streepje, zijn genoemd. Daarom zijn een aantal bepalingen overgenomen, die onder meer elektronische veilingen, dynamische aankoopsystemen en de definitie van concessieovereenkomsten voor diensten betreffen. Deze wijzigingen zijn overgenomen uit het gemeenschappelijk standpunt over de klassieke richtlijn, waarbij de nodige aanpassingen aan deze richtlijn zijn aangebracht (bijvoorbeeld: de verwijzingen naar aanbestedende diensten zijn vervangen door verwijzingen naar aanbesteders en de verwijzingen naar de concurrentiële dialoog, die niet in deze richtlijn is overgenomen, zijn geschrapt). Een aantal wijzigingen zijn het gevolg van amendementen voor de klassieke richtlijn. Overweging 11: overweging 4 van de klassieke richtlijn, betreffende de bepaling dat de lidstaten moeten voorkomen dat de deelname van publiekrechtelijk lichamen aan overheidsopdrachten concurrentieverstorende gevolgen heeft, is overgenomen zoals deze is opgenomen in het desbetreffende gemeenschappelijk standpunt. Hierdoor is amendement 1 voor de klassieke richtlijn in beide teksten op dezelfde wijze overgenomen. Overweging 16, eerste en tweede alinea: overweging 9 van de klassieke richtlijn, betreffende het plaatsen van opdrachten voor diensten en werken, is overgenomen, zoals gewijzigd op basis van de amendementen 142, 7 en 171-145 voor die richtlijn. Overweging 20: in deze nieuwe overweging, waarin overweging 11 van de klassieke richtlijn is overgenomen, wordt benadrukt dat de nieuwe elektronische aankooptechnieken aan de bepalingen van de richtlijn en de eraan ten grondslag liggende beginselen moeten voldoen; tevens wordt verduidelijkt op welke wijze inschrijvingen de vorm van elektronische catalogus kunnen aannemen. Overweging 21, artikel 1, lid 5, artikel 15, bijlage XIII D "Vereenvoudigde aankondiging van een opdracht in het kader van een dynamisch aankoopsysteem": in deze bepalingen zijn de nieuwe inhoudelijke bepalingen van de klassieke richtlijn overgenomen (overweging 12, artikel 1, lid 6, artikel 33 en bijlage VII A "Vereenvoudigde aankondiging van een opdracht in het kader van een dynamisch aankoopsysteem" van die richtlijn). Deze bepalingen introduceren een nieuw aankoopinstrument voor courant gebruik, het dynamische aankoopsysteem. Zie voor uitgebreide opmerkingen over de nieuwe bepalingen de mededeling van de Commissie over het gemeenschappelijk standpunt betreffende de klassieke richtlijn, punt 3.3.2. De mogelijkheid gebruik te maken van een dynamisch aankoopsysteem doet niets af aan de mogelijkheid van aanbesteders om een erkenningsregeling te gebruiken, in voorkomend geval in combinatie met het gebruik van elektronische middelen. Overweging 22, artikel 1, lid 6, artikel 56: in deze bepalingen, waarin elektronische veilingen worden geïntroduceerd, worden de desbetreffende bepalingen van de klassieke richtlijn overgenomen (overweging 13, artikel 1, lid 7 en artikel 54 - amendementen 23, 54 en 65 voor de klassieke richtlijn). Zoals in overweging 20 is verduidelijkt, doet de invoering van deze bepalingen over elektronische veilingen geen afbreuk aan de mogelijkheden om andere vormen van elektronische aankopen te gebruiken of bijvoorbeeld elektronische middelen te gebruiken om een procedure van gunning door onderhandelingen toe te passen met blootstelling aan concurrentie. Overweging 24: in deze overweging - waarin verduidelijkt wordt dat de lidstaten kunnen kiezen of zij gebruikmaken van de nieuwe aankoopmethoden waarin de richtlijn voorziet: aankoopcentrales, dynamische aankoopsystemen en elektronische veilingen - is overweging 15 van de klassieke richtlijn mutatis mutandis overgenomen. Overweging 31: om problemen bij de uitlegging te voorkomen is deze overweging in overeenstemming gebracht met overweging 21 van de klassieke richtlijn. Overweging 33: door de toevoeging van "dan wel betreffende de rechten op deze goederen" is deze overweging in overeenstemming gebracht met overweging 23 van de klassieke richtlijn, waardoor zij tevens overeenkomt met de bewoording van artikel 24, onder a), waarbij de overweging hoort. Overweging 47: in navolging van overweging 35 van de klassieke richtlijn, waarmee zij in overeenstemming is gebracht, vormt deze overweging een aanvulling op de tekst van overweging 37 van het oorspronkelijke voorstel, betreffende de doorgifte van informatie langs elektronische weg; het belang van specifieke veiligheids- en vertrouwelijkheidseisen voor opdrachten en prijsvragen is benadrukt en gewezen is op het nut van vrijwillige accreditatieregelingen voor dit doeleinde. Overweging 53: deze nieuwe overweging hoort bij de wijzigingen van de artikelen 53 en 54 (zie punt 3.2.1) betreffende uitsluitingscriteria. Zij komt mutatis mutandis overeen met overweging 41 van de klassieke richtlijn, waardoor rekening is gehouden met amendement 170 voor die richtlijn. Artikel 1, lid 3: in dit lid wordt een definitie gegeven van "concessieovereenkomsten voor werken" en van "concessieovereenkomsten voor diensten" in verband met de expliciete uitsluiting in het nieuwe artikel 18. Deze definities zijn overgenomen van artikel 1, lid 3, respectievelijk lid 4, van de klassieke richtlijn. De definities zijn, net als de definitie van concessieovereenkomsten voor diensten in de klassieke richtlijn, nieuw. Artikel 1, lid 4: de bewoording van deze definitie is in overeenstemming gebracht met die van de klassieke richtlijn (artikel 1, lid 5) om te voorkomen dat één begrip op verschillende wijze wordt gedefinieerd. De definitie in de klassieke richtlijn is rechtstreeks gebaseerd op die in de huidige richtlijn "bijzondere sectoren". De wijziging houdt een verduidelijking in dat meer dan een aanbesteder partij kan zijn bij een raamovereenkomst. Opgemerkt zij dat de aanpassing van de definitie de verschillen tussen de wettelijke regelingen die van toepassing zijn op raamovereenkomsten en op opdrachten die op dergelijke overeenkomsten zijn gebaseerd, onverlet laat. Artikel 1, lid 9, onder b) en d): de definities van niet-openbare procedures en van prijsvragen zijn in overeenstemming gebracht met die van de klassieke richtlijn (artikel 1, lid 11, tweede en vijfde alinea) door respectievelijk "waaraan alle ondernemers mogen verzoeken deel te nemen, maar" en "ruimtelijke ordening, stadsplanning," toe te voegen. Artikel 1, lid 12, bijlage XII (eerste voetnoot toegevoegd) en bijlage XVII (eerste voetnoot toegevoegd): deze bepalingen zijn in overeenstemming gebracht met die van de klassieke richtlijn (artikel 1, lid 14, bijlage I, eerste voetnoot, en bijlage II, eerste voetnoot) om te verduidelijken dat het toepassingsgebied van de richtlijn niet kan worden gewijzigd vanwege het gebruik van de "Gemeenschappelijke woordenlijst overheidsopdrachten" (CPV). Artikel 2, lid 1: er is een strikt terminologische wijziging aangebracht zonder enige rechtsgevolgen, door de term "overheidsdiensten" te veranderen in "aanbestedende diensten" om te voorkomen dat één begrip, dat op gelijke wijze wordt gedefinieerd, in de twee teksten anders wordt genoemd. Artikel 10: dit artikel is in overeenstemming gebracht met artikel 2 van de klassieke richtlijn, waarmee de toepassing van de in artikel 9 van het oorspronkelijke voorstel bedoelde beginselen van gelijke behandeling, transparantie en niet-discriminatie zijn versterkt doordat de aanbesteders rechtstreeks worden verplicht deze na te leven. Artikel 11: dit artikel is in overeenstemming gebracht met artikel 4 van de klassieke richtlijn, waarmee artikel 10 van het oorspronkelijke voorstel, betreffende combinaties van ondernemers, is geherformuleerd en gewijzigd. De mogelijkheid om te verlangen dat wordt aangegeven welke personen met de uitvoering van de verrichtingen worden belast, is uitgebreid tot opdrachten voor werken en tot opdrachten voor leveringen waarvoor werkzaamheden voor aanbrengen en installeren nodig zijn. Dit wordt gerechtvaardigd door het voor dit type prestaties vereiste vertrouwen in de kennis, doelmatigheid, ervaring en betrouwbaarheid. Artikel 13, lid 2: dit lid is in overeenstemming gebracht met de bepaling van artikel 6 van de klassieke richtlijn (dat gebaseerd is op de bepalingen van artikel 4, lid 4, van de huidige richtlijn "bijzondere sectoren"). Deze wijziging houdt verband met amendement 31 voor de klassieke richtlijn. Artikel 18: dit nieuwe artikel, dat ten aanzien van concessieovereenkomsten voor diensten in overeenstemming is gebracht met artikel 17 van de klassieke richtlijn, sluit expliciet concessieovereenkomsten voor werken en diensten uit van het toepassingsgebied van de richtlijn teneinde de juridische situatie te verduidelijken. In het geval van concessieovereenkomsten voor diensten, betreft dit bovendien een overname van de jurisprudentie van het Hof van Justitie [5]. [5] Arrest van 7 december 2000 in zaak C-324/98, "Telaustria", Jurispr. 2000, blz. I-10745. Artikel 25: dit artikel, betreffende de gunning van opdrachten voor diensten aan een aanbestedende dienst op basis van een alleenrecht, is in overeenstemming gebracht met artikel 18 van de klassieke richtlijn, waardoor amendement 38 voor de klassieke richtlijn gedeeltelijk kon worden overgenomen. Artikel 28: dit nieuwe artikel, betreffende het voorbehouden van opdrachten aan werkplaatsen voor gehandicapten, komt overeen met artikel 19 van de klassieke richtlijn, waardoor amendement 36 voor de klassieke richtlijn gedeeltelijk in deze richtlijn kon worden overgenomen. Artikel 37: dit artikel is in overeenstemming gebracht met artikel 25 van de klassieke richtlijn om te verduidelijken dat de lidstaten de aanbesteders kunnen verplichten te vragen naar onderaanneming. Bovendien is "welke onderaannemers hij heeft aangewezen" vervangen door "welke onderaannemers hij voorstelt", waardoor de ondernemers een zekere flexibiliteit wordt geboden om rekening te houden met situaties waarin het met zekerheid aanwijzen van onderaannemers een belemmering voor het indienen van een inschrijving zou kunnen vormen. Artikel 41, lid 1: in deze bepaling, betreffende de bekendmaking van periodieke indicatieve aankondigingen die niet als oproep tot mededinging dienen, zijn de bepalingen van artikel 40 van het oorspronkelijke voorstel overgenomen. Dit lid is mutatis mutandis in overeenstemming gebracht met de bepalingen van artikel 35, lid 1, van de klassieke richtlijn. Hierbij zijn twee inhoudelijke wijzigingen aangebracht. De eerste betreft de mogelijkheid een periodieke indicatieve aankondiging te publiceren via het kopersprofiel van de aanbesteder. Deze mogelijkheid is aangevuld met de verplichting "een kennisgeving toe (te zenden) waarin de bekendmaking van de periodieke indicatieve aankondiging in het kopersprofiel wordt meegedeeld"; de informatie die deze aankondiging moet bevatten is vermeld in bijlage XV B. Deze wijziging versterkt de rol van elektronische middelen bij overheidsopdrachten en waarborgt tegelijkertijd de gelijke toegang voor alle potentiële inschrijvers door publicatie. De tweede wijziging betreft de beperking van de verplichting een dergelijke aankondiging bekend te maken tot de gevallen waarin de aanbesteder gebruikmaakt van de mogelijkheid om de termijnen voor de ontvangst van inschrijvingen overeenkomstig artikel 45, lid 4, te bekorten. Hoewel deze oplossing een stap terug betekent ten opzichte van het oorspronkelijke voorstel, dat voorzag in verplichte periodieke indicatieve aankondigingen, heeft de Commissie haar toch aanvaard omdat de lidstaten op basis hiervan overeenstemming hebben bereikt. Artikel 42: afgezien van de invoeging van het nieuwe lid 2 in verband met de invoering van dynamische aankoopsystemen, is dit artikel niet gewijzigd. In dit artikel zijn de bepalingen van artikel 35, lid 3, van de klassieke richtlijn mutatis mutandis overgenomen. Artikel 43, lid 1: deze bepaling, betreffende aankondigingen van geplaatste opdrachten, is in overeenstemming gebracht met de bepalingen van artikel 35, lid 4, eerste, tweede en derde alinea, van de klassieke richtlijn, waarbij de langere termijn (twee maanden in plaats van 48 dagen) echter is behouden. Hiermee is het recht dat van toepassing is op raamovereenkomsten en op opdrachten die op deze overeenkomsten zijn gebaseerd, verduidelijkt. Bovendien is de in de klassieke richtlijn opgenomen flexibiliteit (de mogelijkheid om de aankondigingen van op basis van een dynamisch aankoopsysteem geplaatste opdrachten per kwartaal te bundelen) overgenomen. Artikel 44: dit artikel, betreffende de opmaak en de wijze van bekendmaking van aankondigingen, is in overeenstemming gebracht met de bepalingen van de artikelen 36 en 37 van de klassieke richtlijn. Deze wijziging leidt met name tot een betere precisering van de toepasselijke talenregeling, terwijl tegelijkertijd de bestaande flexibiliteit behouden blijft (zoals het ontbreken van een nauwkeurige grens voor het aantal woorden per aankondiging). Artikel 45: de bepalingen van de leden 1, 6 en 9 zijn mutatis mutandis in overeenstemming gebracht met de overeenkomstige bepalingen van artikel 38 van de klassieke richtlijn. Artikel 47: de leden 1 tot en met 4 zijn mutatis mutandis in overeenstemming gebracht met de soortgelijke bepalingen van artikel 40, leden 1 tot en met 5, van de klassieke richtlijn, waarbij met name de nieuwe leden 2 en 3 zijn toegevoegd, waarin de regels zijn vastgesteld die van toepassing zijn wanneer het bestek of de aanvullende stukken niet bij de aanbesteder, maar bij een andere instantie moeten worden aangevraagd. Bovendien zijn de bepalingen van lid 4, onder e) en f), en die van lid 5, onder i), aangepast aan de wijzigingen in artikel 55, lid 2, betreffende de wijze waarop de weging of, in voorkomend geval de volgorde van belang, moeten worden aangegeven. Artikel 50, lid 1: in navolging van de overeenkomstige bepaling van de klassieke richtlijn (artikel 43) is in de laatste alinea van dit lid de verplichting opgenomen dat de aanbesteders het verloop van de langs elektronische weg gevoerde gunningsprocedures moeten documenteren, om de transparantie van dergelijke procedures te vergroten. Artikel 70: in dit artikel, betreffende de wijzigingen die volgens de comitologieprocedure kunnen worden aangebracht, is artikel 67 van het oorspronkelijke voorstel gedeeltelijk herschreven. Bovendien is dit artikel mutatis mutandis in overeenstemming gebracht met de bepalingen van artikel 79 van de klassieke richtlijn. Opgemerkt zij dat alleen de letters e) tot en met h) nieuw zijn ten opzichte van de bestaande wetgeving; verder betreft het slechts aanpassingen of wijzigingen van deze wetgeving. De nieuwe letters 3 f), g) en h) houden verband met de noodzaak de nieuwe bijlagen te kunnen aanpassen, terwijl de letter e) verband houdt met het gebruik van de CPV. 4. CONCLUSIE De Commissie is van mening dat de essentiële elementen van haar oorspronkelijke voorstel en van de amendementen van het Europees Parlement die zij in haar gewijzigde voorstel heeft overgenomen, in de tekst van het gemeenschappelijk standpunt behouden zijn gebleven. Zij heeft het gemeenschappelijk standpunt dat de Raad met eenparigheid van stemmen heeft vastgesteld, vanwege de situatie van de financiële diensten echter niet gesteund. Ten aanzien van de overige aspecten voldoet het gemeenschappelijk standpunt aan de met het oorspronkelijke voorstel van de Commissie beoogde doelstellingen van verduidelijking, vereenvoudiging en modernisering. BIJLAGEN Verklaringen in de notulen van de Raad van 30 september 2002 Verklaring van de Commissie betreffende financiële diensten: De Commissie is van oordeel dat richtlijnen betreffende overheidsopdrachten onderworpen zijn aan de verplichtingen die voor de Gemeenschap voortvloeien uit de Overeenkomst inzake overheidsopdrachten, en zij zal derhalve deze richtlijnen uitleggen op een wijze die verenigbaar is met deze Overeenkomst. Om die reden is de Commissie van oordeel dat overweging 26 (in het Gemeenschappelijk standpunt overweging 35 geworden) en artikel 24, onder c) niet zo kunnen worden uitgelegd dat, onder andere, overheidsopdrachten betreffende leningen van aanbesteders, in het bijzonder lokale overheden, uitgesloten zouden zijn, met uitzondering van leningen voor "de uitgifte, de verkoop en de overdracht van effecten of andere financiële instrumenten." Daarenboven herhaalt de Commissie dat ingeval de richtlijnen niet van toepassing zijn, bijvoorbeeld wanneer de waarde onder de drempels ligt, in elk geval de bepalingen en beginselen van het Verdrag nageleefd dienen te worden. Overeenkomstig de rechtspraak van het Hof impliceert dit met name een verplichting tot doorzichtigheid die erin bestaat dat voldoende openbaarheid gewaarborgd wordt, opdat opdrachten voor de concurrentie kunnen worden opengesteld.