52003PC0799

Gewijzigd voorstel voor een verordening van de Raad tot wijziging van Verordening (EG) nr 384/96 van de Raad betreffende beschermende maatregelen tegen invoer met dumping uit landen die geen lid zijn van de Europese Gemeenschap en Verordening (EG) nr 2026/97 van de Raad betreffende bescherming tegen invoer met subsidiëring uit landen die geen lid van de Europese Gemeenschap zijn /* COM/2003/0799 def. - ACC 2003/0141 */


Gewijzigd voorstel voor een VERORDENING VAN DE RAAD tot wijziging van Verordening (EG) nr 384/96 van de Raad betreffende beschermende maatregelen tegen invoer met dumping uit landen die geen lid zijn van de Europese Gemeenschap en Verordening (EG) nr 2026/97 van de Raad betreffende bescherming tegen invoer met subsidiëring uit landen die geen lid van de Europese Gemeenschap zijn

(door de Commissie ingediend)

TOELICHTING

Er is duidelijk behoefte aan een verduidelijking van de regels over de besluitvorming door de lidstaten bij het vaststellen van definitieve antidumpingmaatregelen en antisubsidiemaatregelen (compenserende maatregelen) in het kader van de handelsbeschermingsinstrumenten.

Momenteel kan de Raad het voorstel van de Commissie afwijzen zonder een duidelijk standpunt in te nemen, dat wil zeggen een lidstaat hoeft niet tegen te stemmen als zij het niet eens is met het voorstel van de Commissie. Omdat dit de doelmatigheid van het handelsbeschermingsinstrument in de weg kan staan, is het wenselijk dat de besluitvormingsprocedure wordt gewijzigd.

Daartoe moeten de basis-antidumping- en antisubsidieverordening (Verordening (EG) nr. 384/96 van de Raad en Verordening (EG) nr. 2026/97 van de Raad) zodanig worden gewijzigd dat in de Raad een voorstel van de Commissie voor het nemen van definitieve maatregelen verworpen kan worden met een gewone meerderheid van lidstaten. Het voorstel met betrekking tot een dergelijke wijziging is aangepast naar aanleiding van discussies met de lidstaten (oorspronkelijk voorstel COM (2003) 380).

Volgens deze procedure zullen de lidstaten nog steeds in het Raadgevend Comité worden geraadpleegd over een voorstel voor het instellen van definitieve maatregelen. Het voorstel wordt vervolgens ingediend bij de Raad, en wordt goedgekeurd tenzij de Raad met een gewone meerderheid van stemmen besluit het voorstel te verwerpen, wat binnen één maand na indiening door de Commissie moet gebeuren.

Deze nieuwe werkwijze tast de evenwichtige verdeling van verantwoordelijkheden binnen het huidige systeem niet aan. Het probleem dat zich voordoet wordt gericht aangepakt terwijl het principe van de gewone meerderheid gehandhaafd blijft: de lidstaten moeten zich actief opstellen om een voorstel van de Commissie te verwerpen, niet meer en niet minder.

Daar het besluitvormingsproces op consequente wijze moet worden toegepast in de verschillende stadia van de toepassing van het antidumping- en antisubsidie-instrument, moet deze wijziging ook worden toegepast op besluiten die dezelfde procedure volgen als het instellen van definitieve maatregelen, dat wil zeggen de herziening en de schorsing van maatregelen en de instelling van maatregelen om de absorptie en ontduiking van antidumpingmaatregelen en compenserende maatregelen tegen te gaan.

Daarnaast bestaat er een uitgesproken behoefte om de transparantie en doelmatigheid van de handelsbeschermingsinstrumenten te garanderen of zelfs te doen toenemen. De hieronder beschreven wijzigingen vormen een aanvulling op de wijzigingen met betrekking tot de besluitvorming op dit gebied.

1. Invoering van verplichte termijnen voor de voltooiing van herzieningsprocedures

Volgens de huidige basis-antidumpingverordening moeten nieuwe onderzoeken binnen vijftien maanden zijn voltooid (dertien maanden in de basis-antisubsidieverordening). De thans geldende termijn van twaalf maanden voor herzieningsprocedures is daarentegen slechts indicatief en niet bindend. De sinds de inwerkingtreding van de basisverordeningen opgedane ervaring heeft geleerd dat het zonder verplichte termijnen en voldoende personele middelen bijzonder moeilijk is de eerdergenoemde normale termijn van twaalf maanden in acht te nemen. Zonder vaste termijnen kunnen de betrokkenen er immers moeilijk toe verplicht worden de procedurevoorschriften na te komen. Hierdoor overschreden de herzieningsprocedures in het verleden dikwijls de normale termijn.

Zolang een herzieningsonderzoek in verband met het verstrijken van maatregelen niet voltooid is, blijven de maatregelen waarop dat onderzoek betrekking heeft van kracht. Bijzonder lange herzieningsprocedures kunnen derhalve de rechtszekerheid aantasten en nadelige gevolgen hebben voor de belanghebbenden.

Dit probleem kan enkel worden opgelost door de invoering van verplichte termijnen voor de voltooiing van herzieningsonderzoeken. Daarom wordt voorgesteld een verplichte termijn van vijftien maanden vast te stellen voor de voltooiing van tussentijdse herzieningen en herzieningen in verband met het verstrijken van maatregelen, en de huidige indicatieve termijn van twaalf maanden te handhaven. Voor herzieningsprocedures betreffende nieuwe exporteurs en heronderzoeken in verband met de absorptie van antidumpingrechten wordt een verplichte termijn van negen maanden voorgesteld. Deze termijnen worden geacht toereikend te zijn voor het voltooien van de diverse procedures, rekening houdend met de relatieve complexiteit van elke procedure.

Tevens wordt voorgesteld nader te bepalen welke gevolgen de niet-naleving van deze verplichte termijnen zal hebben.

De voorgestelde wijziging is duidelijk een belangrijke stap op de weg naar een beter beheer van de maatregelen. Bovendien zullen de herzieningsprocedures transparanter worden omdat veel duidelijker is wanneer ze voltooid zijn. Hiervoor is het echter noodzakelijk dat de diensten van de Commissie de beschikking krijgen over extra personele middelen om de toegenomen werkdruk te kunnen opvangen. Daarom zullen de voorgestelde termijnen geleidelijk worden ingevoerd, te beginnen met de termijnen voor herzieningsonderzoeken in verband met het verstrijken van maatregelen, over twee jaar gevolgd door de termijnen voor de andere procedures.

2. Minimale termijn voor het toezenden van relevante informatie aan het Raadgevend Comité

Het Raadgevend Comité is de belangrijkste schakel tussen de Commissie en de lidstaten in verband met antidumping- en antisubsidieonderzoeken. Gezien de aard van de dossiers is de door de lidstaten verstrekte informatie vaak zeer technisch van aard en omvat uitgebreide economische en juridische analyses. Om de lidstaten deze informatie zorgvuldig te kunnen laten beoordelen, wordt het noodzakelijk geacht dat de informatie uiterlijk tien dagen voorafgaand aan een vergadering van het Raadgevend Comité aan de lidstaten wordt toegezonden.

3. Opzegging van een verbintenis

De ervaring tot nu toe leert dat de huidige praktijk van intrekking van de aanvaarding van verbintenissen onnodig veel tijd in beslag neemt. In het huidige systeem moet hiervoor zowel een besluit van de Commissie tot opzegging van de verbintenis als een verordening van de Raad tot het instellen van rechten worden goedgekeurd.

Aangezien artikel 8, lid 9, van de basis-antidumpingverordening en artikel 13, lid 9, van de basis-antisubsidieverordening de Raad geen enkele vrijheid laten ten aanzien van de hoogte van het vast te stellen recht in geval van schending of opzegging van een verbintenis, is het niet noodzakelijk dat de Raad het oorspronkelijke recht opnieuw instelt, omdat hetzelfde resultaat kan worden verkregen door de vrijstelling van betaling op te heffen door middel van een besluit van de Commissie.

Deze wijziging leidt derhalve tot een stroomlijning van de juridische procedure. Hierin wordt duidelijk bepaald dat de Commissie verantwoordelijk is voor het aanvaarden en opzeggen van verbintenissen en dat de in de verordening van de Raad ingestelde rechten voor alle ondernemingen gelden die niet worden genoemd in het besluit van de Commissie tot aanvaarding van verbintenissen.

Om dit nieuwe systeem uit te voeren moet het dispositief van toekomstige verordeningen van de Raad tot instelling van maatregelen zodanig worden gewijzigd dat in plaats van een lijst op te nemen van ondernemingen die profiteren van een verbintenis verwezen wordt naar het parallelle besluit van de Commissie tot aanvaarding van een verbintenis en eventuele wijzigingen van dat besluit.

4. Absorptie

Op grond van artikel 12, lid 1, van de basis-antidumpingverordening kan een antiabsorptieonderzoek worden geopend op basis van door de bedrijfstak van de Gemeenschap overgelegd bewijsmateriaal. Het kan echter voorkomen dat de bedrijfstak van de Gemeenschap geen dwingende redenen heeft om een verzoek te doen tot opening van een dergelijk onderzoek, of de aard of omvang van het probleem nog niet heeft vastgesteld, terwijl andere belanghebbenden nadeel ondervinden, met name doordat de maatregelen onvoldoende effect sorteren. Daarom moet de tekst van artikel 12, lid 1, van de basis-antidumpingverordening zodanig worden gewijzigd dat expliciet vermeld wordt dat de Commissie, de lidstaten en alle belanghebbenden een verzoek kunnen doen tot opening van een antiabsorptieonderzoek.

Volgens de huidige formulering van artikel 12 van de antidumpingverordening is sprake van absorptie wanneer aangetoond is dat "de maatregelen de wederverkoopprijzen of de latere verkoopprijzen in de Gemeenschap niet of onvoldoende hebben gewijzigd". In dit verband zou aangevoerd kunnen worden dat absorptie niet aangetoond kan worden wanneer er geen bewijsmateriaal is voor deze wijziging, zowel tijdens de inleiding van het onderzoek als bij de vaststelling van de schade. Uit recente gevallen bleek echter dat de wederverkoopprijzen of de latere verkoopprijzen soms niet beschikbaar zijn, bijvoorbeeld natuurlijk wanneer de importeur van het betreffende product eveneens de eindgebruiker is, of door onvoldoende medewerking van de importeurs. Daarom wordt voorgesteld de formulering van artikel 12 van de basis-antidumpingverordening zodanig te wijzigen dat bij de beoordeling of er sprake is van absorptie ook een daling van de exportprijs onder het begrip wijziging van het prijsniveau valt.

Het bovenstaande geldt mutatis mutandis ook voor de betreffende bepalingen in de basis-antisubsidieverordening.

Het is wenselijk om ook expliciet te vermelden dat een verhoging van het antidumpingrecht op grond van artikel 12, lid 2, van de basis-antidumpingverordening het geabsorbeerde recht niet mag overschrijden.

5. Ontduiking

Het probleem van de ontduiking van antidumpingrechten werd besproken tijdens de onderhandelingen ter voorbereiding op de WTO-overeenkomst inzake anti-dumping, maar de meningen van de WTO-leden waren verdeeld en uiteindelijk werd er geen enkele bepaling met betrekking tot dit onderwerp opgenomen in de overeenkomst. In plaats daarvan werd een ministerieel besluit inzake anti-dumping aan de WTO-overeenkomst gehecht, waarin de WTO-leden het probleem signaleerden en vastlegden dat het wenselijk is zo snel mogelijk uniforme regels op dit terrein in te stellen. Deze zaak werd verwezen naar het antidumpingcomité van de WTO.

De Gemeenschap nam een aantal bepalingen inzake anti-dumping op in haar verordening uit 1994 waarin antidumpingrechten worden uitgebreid tot de invoer van soortgelijke producten uit derde landen, of delen daarvan, wanneer er ontduiking plaatsvindt. Ontduiking wordt omschreven als een verandering in de structuur van het handelsverkeer tussen derde landen en de Gemeenschap als gevolg van praktijken, processen of werkzaamheden waarvoor, afgezien van de instelling van het recht, onvoldoende reden of economische rechtvaardiging bestaat; dit kan ook de assemblage van delen in de Gemeenschap of een derde land omvatten.

Op deze bepalingen is tot dusver in een aantal gevallen een beroep gedaan door de Gemeenschap; in één geval ging het hierbij om producten uit Brazilië die werden verzonden via Argentinië (de voor dit land geldende maatregelen werden tegelijkertijd geschorst omdat corrigerende maatregelen waren genomen); in één geval om producten uit de Volksrepubliek China die via Maleisië werden verzonden; en in vier gevallen om producten uit de Volksrepubliek China, die via Hongkong, Taiwan en Vietnam werden verzonden. Er zijn ook nog drie lopende zaken met betrekking tot producten uit de Volksrepubliek China, Oekraïne en Rusland, die via Moldavië verzonden worden.

Er is WTO-jurisprudentie op dit gebied tot stand gekomen, maar de zaak is nog niet opgelost door het antidumpingcomité van de WTO, en is ook niet behandeld door het orgaan voor geschillenbeslechting.

Voorgesteld wordt artikel 13 beter toepasbaar te maken door de bepalingen duidelijker te formuleren en de rechtszekerheid te garanderen met betrekking tot de definitie van praktijken zoals overlading, enigszins gewijzigde producten en het reorganiseren van de verkoop via producenten of exporteurs waarop de laagste rechten van toepassing zijn. Deze vraagstukken kwamen niet aan bod in de in december 1991 door de toenmalige voorzitter van de GATT voorgestelde onderhandelingstekst (het "plan-Dunkel"). Ongeacht het risico op juridische procedures gelden deze bepalingen in ieder geval en zij zullen met evenveel vuur en overtuiging door de Gemeenschap worden verdedigd als in het verleden.

Hoewel in artikel 13, lid 3, van de basis-antidumpingverordening niet expliciet vermeld wordt welke partijen het recht hebben een verzoek te doen tot opening van een onderzoek naar de ontduiking van rechten, zijn dergelijke verzoeken tot dusver alleen ingediend door de bedrijfstak van de Gemeenschap. Zoals hierboven beschreven voor absorptie, kan het echter voorkomen dat de bedrijfstak van de Gemeenschap geen dwingende redenen heeft om een verzoek te doen tot opening van een dergelijk onderzoek, of de aard of omvang van het probleem nog niet heeft vastgesteld, terwijl andere partijen belang kunnen hebben bij de tenuitvoerlegging van de maatregelen. Daarom moet de tekst van artikel 13, lid 3, van de basis-antidumpingverordening zodanig worden gewijzigd dat expliciet vermeld wordt dat de Commissie, de lidstaten en alle belanghebbenden een verzoek kunnen doen tot opening van een onderzoek naar de ontduiking van rechten.

Recentelijk is de vraag gerezen of bij een onderzoek naar de ontduiking van rechten situaties in aanmerking moeten worden genomen waarin een product waarop normaal gesproken antidumpingrechten van toepassing zijn enigszins gewijzigd wordt (doorgaans door het toevoegen van andere stoffen) om het "legaal" te kunnen aangeven onder douanecodes die niet leiden tot de toepassing van antidumpingmaatregelen. Deze illegale methode valt reeds impliciet onder het huidige artikel 13 van de basis-antidumpingverordening. Omwille van de duidelijkheid wordt het wenselijk geacht de tekst van artikel 13 van de basis-antidumpingverordening zodanig te wijzigen dat deze praktijk van het enigszins wijzigen van producten als methode om rechten te ontduiken expliciet genoemd wordt.

Er zijn gevallen bekend van exporteurs waarvoor een hoger individueel recht of een nationaal residueel recht gold, die hun goederen uitvoerden via ondernemingen waarvoor lagere individuele rechten golden. Dergelijke praktijken van "ontduiking via een onderneming" werden niet expliciet vermeld in artikel 13 van de basis-antidumpingverordening. Het is echter duidelijk dat dergelijke praktijken de corrigerende werking van de maatregelen ondermijnen en dat het daarom mogelijk zou moeten zijn hiertegen sancties in te stellen. Daarom wordt voorgesteld de individuele rechten van ondernemingen die zich hieraan schuldig maken in te trekken, en het nationale residuele recht toe te passen.

Volgens artikel 13, lid 4, van de basis-antidumpingverordening is de invoer van goederen die geen ontduiking inhoudt, vrijgesteld van (uitgebreide) rechten en moeten verzoeken vergezeld gaan van een aan de importeurs afgegeven douanecertificaat waarin wordt verklaard dat de betrokken invoer geen ontduiking inhoudt. Wanneer er sprake is van ontduiking buiten de Gemeenschap (bijvoorbeeld in geval van ontduiking door producenten/exporteurs in derde landen) is het alleen zinvol om vrijstelling van rechten te verlenen aan producenten/exporteurs in de betreffende landen die de maatregelen niet ontduiken. In de praktijk worden vrijstellingen aan producenten/exporteurs in derde landen verleend door middel van een verordening van de Raad. Voorgesteld wordt artikel 13, lid 4, van de basis-antidumpingverordening zodanig te wijzigen dat er een verschil wordt aangebracht tussen vrijstellingen in geval van ontduiking binnen of buiten de Gemeenschap en verzoeken tot vrijstelling die worden ingediend tijdens of na afloop van het onderzoek naar de ontduiking van rechten.

Het bovenstaande geldt mutatis mutandis ook voor de betreffende bepalingen in de basis-antisubsidieverordening.

6. Andere onderwerpen in verband met de handhaving

Artikel 19, lid 6, van de basis-antidumpingverordening ("De op grond van deze verordening verkregen informatie wordt uitsluitend gebruikt voor het doel waarvoor ze is gevraagd") is onduidelijk wat betreft de vraag of de in het kader van het ene onderzoek verkregen informatie bijvoorbeeld kan worden gebruikt voor het openen van een ander onderzoek naar een soortgelijk product. Daarom is het nuttig expliciet te vermelden dat dit mogelijk is binnen dezelfde procedure.

Artikel 6, lid 3, en artikel 6, lid 4, van de basis-antidumpingverordening bieden de Commissie de mogelijkheid de lidstaten eventueel te verzoeken informatie te verstrekken. Het zou zeer zinvol zijn als deze artikelen, die uitsluitend gelden voor lopende antidumpingonderzoeken, ook zouden gelden voor de periode na instelling van de maatregelen, zodat zij ook kunnen worden gebruikt om toezicht te houden op verbintenissen en te controleren of de maatregelen effect sorteren. Voor dergelijke informatie gelden uiteraard de in de verordening vastgestelde bepalingen met betrekking tot vertrouwelijkheid. Voorgesteld wordt in dit verband een nieuwe alinea toe te voegen aan artikel 14 van de basis-antidumpingverordening.

Het bovenstaande geldt mutatis mutandis ook voor de betreffende bepalingen in de basis-antisubsidieverordening.

Daarom wordt voorgesteld dat de Raad bijgevoegd voorstel voor een verordening van de Raad goedkeurt en bekendmaakt in het Publicatieblad van de Europese Unie.

2003/0141 (ACC)

Gewijzigd voorstel voor een VERORDENING VAN DE RAAD tot wijziging van Verordening (EG) nr. 384/96 van de Raad betreffende beschermende maatregelen tegen invoer met dumping uit landen die geen lid zijn van de Europese Gemeenschap en Verordening (EG) nr. 2026/97 van de Raad betreffende bescherming tegen invoer met subsidiëring uit landen die geen lid van de Europese Gemeenschap zijn

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, en met name op artikel 133,

Gezien het voorstel van de Commissie [1],

[1] PB C ... van ..., blz. ...

Overwegende hetgeen volgt:

(1) Met Verordening (EG) nr. 384/96 [2] (de basis-antidumpingverordening) en Verordening (EG) nr. 2026/97 [3] (de basis-antisubsidieverordening) heeft de Raad zijn goedkeuring gehecht aan gemeenschappelijke regels voor de bescherming tegen invoer met dumping respectievelijk invoer van gesubsidieerde producten uit landen die geen lid zijn van de Europese Gemeenschap (de basis-antidumpingverordening en de basis-antisubsidieverordening worden hierna gezamenlijk "de basisverordeningen" genoemd).

[2] PB L 56, 6.3.1996, blz. 1. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1972/2002 (PB L 305 van 7.11.2002, blz. 1).

[3] PB L 288, 21.10.1997, blz. 1. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1973/2002 (PB L 305 van 7.11.2002, blz. 4).

(2) De basisverordeningen voorzien in een procedure voor de vaststelling van definitieve antidumpingmaatregelen en compenserende maatregelen, volgens welke de Raad met een gewone meerderheid van stemmen, op voorstel van de Commissie, definitieve maatregelen neemt.

(3) In het licht van recente ervaringen bij de toepassing van de basisverordeningen en om de transparantie en doelmatigheid van de handelsbeschermingsinstrumenten te behouden, wordt het nodig geacht de wijze te herzien waarop de instellingen van de Gemeenschap samenwerken bij de instelling van definitieve antidumpingmaatregelen en compenserende maatregelen.

(4) Volgens de huidige werkwijze wordt een voorstel van de Commissie slechts goedgekeurd als een gewone meerderheid van lidstaten voor dit voorstel stemt. Dit heeft als gevolg dat onthoudingen als een afwijzing van het voorstel van de Commissie gelden. Dit kan tot een situatie leiden waarin een voorstel van de Commissie niet door de Raad wordt goedgekeurd vanwege het grote aantal onthoudingen.

(5) Om dit probleem te verhelpen, moeten de basisverordeningen zodanig worden gewijzigd dat in de Raad een voorstel van de Commissie voor het nemen van definitieve maatregelen verworpen kan worden met een gewone meerderheid van lidstaten. Maatregelen worden geacht te zijn goedgekeurd, tenzij de Raad met een gewone meerderheid van stemmen besluit het voorstel te verwerpen, wat binnen één maand na indiening door de Commissie moet gebeuren.

(6) Het verdient aanbeveling ook van deze procedure gebruik te maken om het besluitvormingsproces van de Gemeenschap te stroomlijnen zonder dat de verhouding tussen de Commissie en de Raad bij de toepassing van de basisverordeningen wordt gewijzigd.

(7) Ten behoeve van een coherente besluitvorming in het kader van de basisverordeningen, moeten de procedures voor andere besluiten van de Raad tot vaststelling van bepaalde maatregelen die sterk gelijken op de procedures voor het vaststellen van definitieve maatregelen met elkaar in overeenstemming worden gebracht. Daarom moet de hierboven omschreven procedure ook worden gevolgd in het kader van herzieningsprocedures, heronderzoeken, en bij ontduiking en schorsing van de maatregelen.

(8) In de basis-antidumpingverordening zijn verplichte termijnen voor de voltooiing van onderzoeken op grond van artikel 5, lid 9, van de basis-antidumpingverordening vastgesteld, terwijl voor herzieningsprocedures op grond van artikel 11, lid 2, 3 en 4 en heronderzoeken op grond van artikel 12 van de basis-antidumpingverordening slechts een indicatieve termijn geldt.

(9) Antidumpingmaatregelen blijven van kracht tot een herzieningsprocedure op grond van artikel 11, lid 2, van de basis-antidumpingverordening voltooid is. Bijzonder langdurige herzieningsprocedures op grond van dit artikel kunnen dientengevolge de rechtszekerheid aantasten en nadelige gevolgen hebben voor belanghebbenden. Buitensporig lange herzieningsprocedures op grond van artikel 11, lid 3 en 4, en heronderzoeken op grond van artikel 12 van de basis-antidumpingverordening kunnen soortgelijke ongewenste gevolgen hebben.

(10) Het is derhalve wenselijk vaste termijnen vast te stellen voor de voltooiing van herzieningsprocedures op grond van artikel 11, lid 2, 3 en 4 en heronderzoeken op grond van artikel 12 van de basis-antidumpingverordening.

(11) De diverse herzieningsprocedures hebben verschillende doeleinden en zijn van uiteenlopende complexiteit. Bij het vaststellen van termijnen voor de voltooiing van de genoemde procedures moet rekening worden gehouden met deze verschillen.

(12) Ten eerste kunnen herzieningsprocedures op grond van artikel 11, lid 2 en 3, van de basis-antidumpingverordening onder bepaalde omstandigheden even complex zijn als nieuwe procedures die op grond van artikel 5, lid 9, worden ingeleid, bijvoorbeeld wat de reikwijdte van het onderzoek en het aantal belanghebbenden betreft. Hoewel deze herzieningsprocedures normaal gesproken binnen de huidige indicatieve termijn van twaalf maanden voltooid zouden moeten zijn, zou de verplichte termijn voor de voltooiing gelijk moeten zijn aan, doch niet langer dan, de termijn van vijftien maanden die voor de voltooiing van nieuwe procedures is vastgesteld.

(13) Ten tweede zijn herzieningsprocedures op grond van artikel 11, lid 4, en heronderzoeken op grond van artikel 12 van de basis-antidumpingverordening minder complex dan herzieningsprocedures op grond van artikel 11, lid 2 en 3, van de basis-antidumpingverordening. De termijn voor de voltooiing daarvan dient derhalve korter te zijn. Er wordt van uitgegaan dat herzieningsprocedures op grond van artikel 11, lid 4, binnen negen maanden voltooid moeten zijn. Deze termijn stemt overeen met de uiterste toegestane termijn voor de registratie van invoertransacties overeenkomstig artikel 14, lid 5, van de basis-antidumpingverordening. Omdat invoertransacties geregistreerd worden in afwachting van de voltooiing van een herzieningsprocedure op grond van artikel 11, lid 4, mag de termijn voor de voltooiing van een dergelijke herziening niet langer zijn dan de periode tijdens welke de invoer waarop de herziening betrekking heeft aan registratie kan worden onderworpen.

(14) Ten derde, hoewel herzieningsonderzoeken krachtens artikel 12 normaal gesproken binnen de huidige indicatieve termijn van zes maanden voltooid moeten zijn, wordt het wenselijk geacht de verplichte termijn op negen maanden vast te stellen omdat een onderzoek meer tijd in beslag kan nemen wanneer rekening moet worden gehouden met herziene normale waarden. Daarnaast kan voor invoer waarvoor een heronderzoek wordt uitgevoerd op grond van artikel 12, evenals voor herzieningsprocedures op grond van artikel 11, lid 4, de registratieverplichting van artikel 14, lid 5, gelden. Daarom zou voor de voltooiing van heronderzoeken op grond van artikel 12 dezelfde uiterste termijn van negen maanden moeten gelden als voor registratie.

(15) Overweging 8 tot en met 14 gelden mutatis mutandis ook voor herzieningsprocedures op grond van artikel 18, 19 en 20 van de basis-antisubsidieverordening.

(16) Gezien de toename van de druk op de personele middelen wordt het verstandig geacht deze uiterste termijnen geleidelijk in te voeren. Door een dergelijke geleidelijke invoering wordt het gemakkelijker de middelen mettertijd in te zetten.

(17) De door de lidstaten aan het Raadgevend Comité verstrekte informatie is vaak zeer technisch van aard en omvat uitgebreide economische en juridische analyses. Om de lidstaten voldoende tijd te geven om deze informatie te beoordelen, zou deze uiterlijk tien dagen voorafgaand aan de door de voorzitter van het Raadgevend Comité vastgestelde datum van een vergadering moeten worden toegezonden.

(18) In artikel 8, lid 9, van de basis-antidumpingverordening wordt onder andere bepaald dat wanneer een verbintenis door een partij wordt opgezegd overeenkomstig artikel 9 een definitief recht wordt ingesteld, op basis van de bij het onderzoek dat tot de verbintenis heeft geleid, vastgestelde feiten. Deze bepaling leidde tot een tijdrovende dubbele procedure, bestaande uit zowel een besluit van de Commissie tot opzegging van de verbintenis en van een verordening van de Raad tot het opnieuw instellen van het recht. Rekening houdend met het feit dat deze bepaling de Raad geen enkele vrijheid laat wat betreft het instellen van een recht in geval van schending of opzegging van een verbintenis, of wat betreft de hoogte daarvan, wordt het wenselijk geacht artikel 8, lid 1, 5 en 9, zodanig te wijzigen dat de verantwoordelijkheid van de Commissie duidelijker omschreven is en voor de opzegging van een verbintenis en de toepassing van het recht slechts één juridisch instrument nodig is. Er moet ook voor gezorgd worden dat de opzeggingsprocedure normaal gesproken binnen zes maanden wordt afgerond, en in geen geval langer dan negen maanden in beslag neemt, zodat de geldende maatregelen correct kunnen worden toegepast.

(19) Overweging 18 geldt mutatis mutandis ook voor verbintenissen op grond van artikel 13 van de basis-antisubsidieverordening.

(20) Op grond van artikel 12, lid 1, van de basis-antidumpingverordening kunnen heronderzoeken worden geopend op basis van door de bedrijfstak van de Gemeenschap overgelegd bewijsmateriaal. Andere betrokkenen kunnen ook belang hebben bij een dergelijk heronderzoek, waarmee beoogd wordt de gevolgen van de absorptie door de exporteur te corrigeren. Daarom moet dit artikel zodanig worden gewijzigd dat elke belanghebbende voortaan de mogelijkheid heeft om een verzoek tot opening van een antiabsorptieonderzoek in te dienen. Om te kunnen beoordelen of er sprake is van absorptie, moet ook een daling van de exportprijs onder het begrip wijziging van het prijsniveau worden opgenomen, aangezien dit een van de mogelijkheden is om door het verlagen van de prijs op de markt van de Gemeenschap de corrigerende werking van de maatregel te ondermijnen.

(21) Overweging 20 geldt mutatis mutandis ook voor artikel 19, lid 3, van de basis-antisubsidieverordening.

(22) Daarnaast moet duidelijker bepaald worden dat een na een heronderzoek op grond van artikel 12, lid 2, van de basis-antidumpingverordening ingesteld antidumpingrecht niet hoger mag zijn dan het totale geabsorbeerde bedrag, dat wil zeggen de hoogte van het recht voorafgaand aan het heronderzoek.

(23) Aangezien in artikel 13, lid 3, van de basis-antidumpingverordening niet expliciet wordt vermeld welke partijen een verzoek tot opening van een onderzoek naar de ontduiking van rechten mogen indienen, is het wenselijk vast te leggen welke partijen dit recht hebben.

(24) De ervaring heeft geleerd dat het eveneens wenselijk is nader te omschrijven welke praktijken ontduiking van de geldende maatregelen inhouden. Ontduiking kan zowel binnen als buiten de Gemeenschap plaatsvinden. Daarom moet vastgelegd worden dat vrijstellingen van de in het kader van de huidige basis-antidumpingverordening eventueel reeds aan importeurs verleende uitgebreide rechten ook aan exporteurs kunnen worden verleend wanneer rechten worden uitgebreid om ontduiking buiten de Gemeenschap te bestrijden.

(25) Om de naleving van de maatregelen te waarborgen is het wenselijk artikel 19, lid 6, van de basis-antidumpingverordening te wijzigen wat betreft het gebruik van in het kader van het ene onderzoek verkregen informatie voor het openen van een ander onderzoek binnen dezelfde procedure.

(26) Overweging 23 tot en met 25 gelden mutatis mutandis ook voor artikel 23 en 29, lid 6, van de basis-antisubsidieverordening.

(27) Om een betere naleving van de maatregelen te waarborgen moet aan artikel 14 van de basis-antidumpingverordening een nieuw lid worden toegevoegd waarmee de Commissie de mogelijkheid krijgt om de lidstaten te verzoeken informatie te verstrekken, overeenkomstig de bepalingen met betrekking tot vertrouwelijkheid uit de basisverordeningen, om prijsverbintenissen en de doelmatigheid van de maatregelen te controleren. In een nieuw lid bij artikel 24 van de basis-antisubsidieverordening moeten vergelijkbare bepalingen worden opgenomen.

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Verordening (EG) nr. 384/96 wordt als volgt gewijzigd:

1. Artikel 8, lid 1, wordt vervangen door:

"1. Mits er voorlopig is vastgesteld dat dumping plaatsvindt en daaruit schade voortvloeit kan de Commissie overgaan tot aanvaarding van een door een exporteur op vrijwillige basis aangeboden bevredigende verbintenis om zijn prijzen te herzien of de uitvoer met dumping te staken, mits de Commissie na overleg ervan overtuigd is dat de schadelijke gevolgen van de dumping hierdoor worden weggenomen. In dergelijke gevallen en voor de duur van de verbintenis zijn de door de Commissie op grond van artikel 7, lid 1, ingestelde voorlopige rechten of de door de Raad op grond van artikel 9, lid 4, ingestelde definitieve rechten niet van toepassing op de invoer van de betreffende producten die geproduceerd worden door de ondernemingen die worden genoemd in het besluit van de Commissie tot aanvaarding van verbintenissen, en eventuele wijzigingen daarvan. De prijzen worden ingevolge deze verbintenissen niet sterker verhoogd dan nodig is om de dumpingmarge te doen verdwijnen. De prijsverhoging moet lager zijn dan de dumpingmarge als dat toereikend is om de schade aan de bedrijfstak van de Gemeenschap weg te nemen."

2. Artikel 8, lid 9, wordt vervangen door:

"9. Wanneer een verbintenis door een partij wordt geschonden of opgezegd, of wanneer de aanvaarding van de verbintenis door de Commissie wordt opgezegd, wordt de aanvaarding van de verbintenis na overleg ingetrokken door middel van hetzij een besluit hetzij een verordening van de Commissie, en zijn automatisch de door de Commissie op grond van artikel 7 ingestelde voorlopige rechten of de door de Raad op grond van artikel 9, lid 4, ingestelde definitieve rechten van toepassing, op voorwaarde dat de betrokken importeur de gelegenheid heeft gehad opmerkingen te maken, tenzij hij zelf de verbintenis heeft opgezegd.

Elke belanghebbende en elke lidstaat kan informatie indienen waaruit blijkt dat er aanwijzingen zijn voor de schending van een verbintenis. Daarna moet doorgaans binnen zes maanden, maar in elk geval binnen negen maanden na een naar behoren ingediend verzoek, onderzocht worden of er inderdaad sprake is van een schending. De Commissie kan in verband met het toezicht op verbintenissen een beroep doen op de bevoegde autoriteiten van de lidstaten."

3. Artikel 9, lid 4, wordt vervangen door:

"4. Wanneer uit de definitief vastgestelde feiten blijkt dat er dumping plaatsvindt en daardoor schade wordt veroorzaakt, en het in het belang van de Gemeenschap is om maatregelen in de zin van artikel 21 te nemen, stelt de Raad, op voorstel van de Commissie en na raadpleging van het Raadgevend Comité, een definitief antidumpingrecht in. Het voorstel wordt goedgekeurd tenzij de Raad met een gewone meerderheid van stemmen besluit het voorstel te verwerpen, wat binnen één maand na indiening door de Commissie moet gebeuren. Wanneer voorlopige rechten van toepassing zijn, wordt ten minste één maand voor het vervallen van deze rechten een voorstel voor definitieve maatregelen ingediend. Het antidumpingrecht mag niet hoger zijn dan de vastgestelde dumpingmarge en moet lager zijn dan deze marge als dat toereikend is om een einde te maken aan de schade voor de bedrijfstak van de Gemeenschap."

4. Artikel 12, lid 1, wordt vervangen door:

"1. Als de bedrijfstak van de Gemeenschap of een andere belanghebbende binnen twee jaar na de inwerkingtreding van de maatregelen voldoende inlichtingen verstrekt waaruit blijkt dat na de instelling van de maatregelen de exportprijzen zijn gedaald of dat de wederverkoopprijs of de latere verkoopprijs van het ingevoerde product in de Gemeenschap niet of nauwelijks is veranderd, kan het onderzoek na overleg worden heropend om te beoordelen of de maatregel effect heeft gehad op deze prijzen.

Het onderzoek kan ook op initiatief van de Commissie of op verzoek van een lidstaat worden heropend, onder de hierboven beschreven voorwaarden."

5. Artikel 12, lid 2, laatste zin, wordt vervangen door:

"Als wordt geoordeeld dat aan de in artikel 12, lid 1, genoemde voorwaarden wordt voldaan door een daling van de exportprijzen, die voor of na de instelling van de maatregelen heeft plaatsgevonden, dan kunnen die dumpingmarges met inachtneming van deze lagere exportprijzen opnieuw worden berekend."

6. Artikel 12, lid 3, wordt vervangen door:

"3. Wanneer bij een heronderzoek op grond van dit artikel de dumping blijkt te zijn toegenomen, dan kunnen na overleg de geldende maatregelen door de Raad, op voorstel van de Commissie, overeenkomstig de nieuwe bevindingen inzake de uitvoerprijzen worden gewijzigd. Het voorstel wordt goedgekeurd tenzij de Raad met een gewone meerderheid van stemmen besluit het voorstel te verwerpen, wat binnen één maand na indiening door de Commissie moet gebeuren. Het op grond van dit artikel ingestelde anti-dumpingrecht mag niet hoger zijn dan twee maal het oorspronkelijk door de Raad ingestelde recht."

7. Artikel 13, lid 1, wordt vervangen door:

"1. De overeenkomstig deze verordening ingestelde anti-dumpingrechten kunnen worden uitgebreid tot de invoer van al dan niet enigszins gewijzigde soortgelijke producten uit derde landen of van enigszins gewijzigde soortgelijke producten uit landen waarop maatregelen van toepassing zijn, of delen daarvan, wanneer er ontduiking van de geldende maatregelen plaatsvindt. Antidumpingrechten die het op grond van artikel 9, lid 5, van deze verordening ingestelde residuele antidumpingrecht niet overschrijden kunnen worden uitgebreid tot de invoer via ondernemingen waarvoor individuele rechten gelden in landen waarop maatregelen van toepassing zijn, wanneer er ontduiking van de geldende maatregelen plaatsvindt. Ontduiking wordt omschreven als een verandering in de structuur van het handelsverkeer tussen derde landen en de Gemeenschap of tussen individuele ondernemingen in een land waarop maatregelen van toepassing zijn en de Gemeenschap als gevolg van praktijken, processen of werkzaamheden waarvoor, afgezien van de instelling van het recht, onvoldoende reden of economische rechtvaardiging bestaat en waarbij wordt bewezen dat er sprake is van schade of dat de corrigerende werking van het recht, gezien de prijzen en/of de hoeveelheden van het soortgelijke product, wordt ondermijnd, en dat dumping plaatsvindt ten aanzien van de voor de soortgelijke producten eerder vastgestelde normale waarden, eventueel overeenkomstig artikel 2.

De in lid 1 bedoelde praktijken, processen of werkzaamheden omvatten onder andere het enigszins wijzigen van het betreffende product om het te laten vallen onder douanecodes waarop geen maatregelen van toepassing zijn, mits de wijziging de wezenlijke kenmerken van het product niet aantast; het verzenden van het product waarop maatregelen van toepassing zijn via derde landen; het reorganiseren door exporteurs of producenten van hun verkoopkanalen en afzetmethoden in het land waarop maatregelen van toepassing zijn om hun producten uiteindelijk naar de Gemeenschap te laten exporteren via producenten waarop lagere individuele rechten van toepassing zijn dan op de producten van de producenten; en, in de in artikel 13, lid 2, beschreven situatie, de assemblage van delen in de Gemeenschap of een derde land."

8. Artikel 13, lid 3, wordt vervangen door:

"3. Onderzoeken op grond van dit artikel worden geopend op initiatief van de Commissie of op verzoek van een lidstaat of een belanghebbende, op basis van voldoende bewijsmateriaal met betrekking tot de in lid 1 omschreven factoren. Het onderzoek wordt, na raadpleging van het Raadgevend Comité, geopend door middel van een verordening van de Commissie die de douaneautoriteiten tevens de instructie kan geven de invoer overeenkomstig artikel 14, lid 5, te registreren of zekerheidstelling te eisen. Het onderzoek wordt uitgevoerd door de Commissie, die door de douaneautoriteiten kan worden bijgestaan, en wordt binnen negen maanden voltooid. Wanneer de definitief vastgestelde feiten de uitbreiding van de maatregelen rechtvaardigen, neemt de Raad op voorstel van de Commissie en na raadpleging van het Raadgevend Comité het daartoe strekkende besluit. Het voorstel wordt goedgekeurd tenzij de Raad met een gewone meerderheid van stemmen besluit het voorstel te verwerpen, wat binnen één maand na indiening door de Commissie moet gebeuren. De uitbreiding geldt vanaf de datum waarop overeenkomstig artikel 14, lid 5, registratie of zekerheidstelling werd geëist. De procedurele bepalingen van deze verordening betreffende de opening en de uitvoering van een onderzoek zijn op dit artikel van toepassing."

9. Artikel 13, lid 4, wordt vervangen door:

"4. De invoer door ondernemingen waarop een vrijstelling van toepassing is, hoeft niet overeenkomstig artikel 14, lid 5, te worden geregistreerd en hierop zijn geen rechten van toepassing. Een voldoende door bewijsmateriaal gestaafd verzoek tot vrijstelling moet worden ingediend binnen de in de verordening van de Commissie tot opening van het onderzoek gestelde termijn. Wanneer de praktijken, processen of werkzaamheden ter ontduiking buiten de Gemeenschap geschieden, kunnen vrijstellingen worden verleend aan producenten van het betreffende product die kunnen aantonen dat er geen enkele relatie bestaat tussen hen en de producent waarop maatregelen van toepassing zijn en dat zij niet betrokken zijn bij enige ontduiking zoals beschreven in artikel 13, lid 1 en 2. Wanneer de praktijken, processen of werkzaamheden ter ontduiking binnen de Gemeenschap geschieden, kunnen vrijstellingen worden verleend aan importeurs die kunnen aantonen dat er geen enkele relatie bestaat tussen hen en de producent waarop maatregelen van toepassing zijn.

Deze vrijstellingen worden verleend door middel van een besluit van de Commissie, na raadpleging van het Raadgevend Comité, en zijn van toepassing gedurende de periode en onder de voorwaarden zoals vastgesteld in dat besluit.

Mits voldaan is aan de in artikel 11, lid 4, vastgestelde voorwaarden, kunnen vrijstellingen ook worden verleend na afloop van het onderzoek dat leidt tot uitbreiding van de maatregelen.

Als een groot aantal partijen een verzoek tot vrijstelling indient of kan indienen en er minimaal een jaar verstreken is sinds de uitbreiding van de maatregelen, kan de Commissie besluiten een herzieningsprocedure in te leiden voor de uitbreiding van de maatregelen. Een dergelijke herzieningsprocedure moet worden uitgevoerd overeenkomstig artikel 11, lid 5, dat van toepassing is op herzieningsprocedures op grond van artikel 11, lid 3."

10. Artikel 14, lid 4, wordt vervangen door:

"4. Als dit in het belang is van de Gemeenschap, mogen maatregelen die op grond van deze verordening zijn vastgesteld, na raadpleging van het Raadgevend Comité, bij besluit van de Commissie voor een periode van negen maanden worden geschorst. De Raad kan op voorstel van de Commissie besluiten die schorsing met ten hoogste één jaar te verlengen. Het voorstel wordt goedgekeurd tenzij de Raad met een gewone meerderheid van stemmen besluit het voorstel te verwerpen, wat binnen één maand na indiening door de Commissie moet gebeuren. Maatregelen mogen uitsluitend worden geschorst als de marktverhoudingen tijdelijk zodanig zijn gewijzigd dat het onwaarschijnlijk is dat door de schorsing opnieuw schade ontstaat, en mits de bedrijfstak van de Gemeenschap in de gelegenheid is gesteld opmerkingen te maken en met die opmerkingen rekening is gehouden. Maatregelen kunnen na raadpleging te allen tijde weer worden ingesteld, wanneer de reden van de schorsing niet meer bestaat."

11. Aan artikel 14 wordt een nieuw lid, lid 7, toegevoegd:

"7. Onverminderd lid 6, kan de Commissie lidstaten verzoeken informatie te verstrekken in verband met het toezicht op de toepassing van de maatregelen. In dit verband zijn artikel 6, lid 3 en 4 van toepassing. Op alle door de lidstaten op grond van dit artikel verstrekte informatie is artikel 19, lid 6, van toepassing."

12. Artikel 15, lid 2, wordt vervangen door:

"2. Het Comité komt op uitnodiging van de voorzitter bijeen. Deze zal de lidstaten zo snel mogelijk, maar uiterlijk tien werkdagen voorafgaand aan een vergadering alle relevante gegevens doen toekomen."

13. Artikel 19, lid 6, wordt vervangen door:

"6. De op grond van deze verordening verkregen informatie wordt uitsluitend gebruikt voor het doel waarvoor zij werd gevraagd. Dit sluit niet uit dat in het kader van het ene onderzoek verkregen informatie kan worden gebruikt voor het openen van een ander onderzoek binnen dezelfde procedure naar een soortgelijk product."

Artikel 2

Verordening (EG) nr. 2026/97 wordt als volgt gewijzigd:

1. Artikel 13, lid 1, wordt vervangen door:

"1. Mits er voorlopig is vastgesteld dat subsidiëring plaatsvindt en daaruit schade voortvloeit kan de Commissie overgaan tot aanvaarding van een op vrijwillige basis aangeboden bevredigende verbintenis, die inhoudt dat

(a) het land van oorsprong en/of van uitvoer ermee instemt de subsidie in te trekken of te beperken of andere maatregelen te nemen met betrekking tot de gevolgen ervan; of

(b) een exporteur zich ertoe verbindt zijn prijzen te herzien of zijn uitvoer naar het betrokken gebied te staken zolang voor deze uitvoer tot compenserende maatregelen aanleiding gevende subsidies worden verleend, mits de Commissie na overleg ervan overtuigd is dat daarmee de schadelijke gevolgen van de subsidiëring worden weggenomen.

In dergelijke gevallen en voor de duur van de verbintenis gelden de door de Commissie op grond van artikel 12, lid 3, ingestelde voorlopige rechten of de door de Raad op grond van artikel 15, lid 1, ingestelde definitieve rechten niet voor de invoer van de betreffende producten die worden geproduceerd door de ondernemingen die worden genoemd in het besluit van de Commissie tot aanvaarding van verbintenissen, en eventuele wijzigingen daarvan.

De prijzen worden ingevolge deze verbintenissen niet meer verhoogd dan nodig om de hoogte van de tot compenserende maatregelen aanleiding gevende subsidie te compenseren. De prijsverhogingen zouden lager moeten zijn dan de tot compenserende maatregelen aanleiding gevende subsidies als dat toereikend is om de door de bedrijfstak van de Gemeenschap geleden schade weg te nemen."

2. Artikel 13, lid 9, wordt vervangen door:

"9. Wanneer een verbintenis door een partij wordt geschonden of opgezegd, of wanneer de aanvaarding van de verbintenis door de Commissie wordt opgezegd, wordt de aanvaarding van de verbintenis na overleg ingetrokken door middel van hetzij een besluit hetzij een verordening van de Commissie, en zijn de door de Commissie op grond van artikel 12 ingestelde voorlopige rechten of de door de Raad op grond van artikel 15, lid 1, ingestelde definitieve rechten van toepassing, op voorwaarde dat de betrokken importeur of het land van oorsprong en/of uitvoer, de gelegenheid heeft gehad opmerkingen te maken, tenzij deze importeur of dit land zelf de verbintenis heeft opgezegd.

Elke belanghebbende en elke lidstaat kan informatie indienen waaruit blijkt dat er aanwijzingen zijn voor de schending van een verbintenis. Daarna moet normaal gesproken binnen zes maanden, maar uiterlijk binnen negen maanden na een naar behoren ingediend verzoek, worden onderzocht of er inderdaad sprake is van een schending. De Commissie kan in verband met het toezicht op verbintenissen een beroep doen op de bevoegde autoriteiten van de lidstaten."

3. Artikel 15, lid 1, wordt vervangen door:

"1. Wanneer uit de definitief vastgestelde feiten blijkt dat er sprake is van tot compenserende maatregelen aanleiding gevende subsidies en daardoor schade wordt veroorzaakt, en het in het belang van de Gemeenschap is om maatregelen te nemen in de zin van artikel 31, stelt de Raad, op voorstel van de Commissie en na raadpleging van het Raadgevend Comité, een definitief compenserend recht in. Het voorstel wordt goedgekeurd tenzij de Raad met een gewone meerderheid van stemmen besluit het voorstel te verwerpen, wat binnen één maand na indiening door de Commissie moet gebeuren. Wanneer voorlopige rechten van toepassing zijn, wordt uiterlijk één maand voor het vervallen van deze rechten bij de Raad een voorstel voor definitieve maatregelen ingediend. Er worden geen maatregelen genomen als de subsidies zijn ingetrokken of als de exporteurs hierdoor niet langer een voordeel verkrijgen. Het compenserende recht mag niet hoger zijn dan de vastgestelde, tot compenserende maatregelen aanleiding gevende subsidies en moet lager zijn dan de tot compenserende maatregelen aanleiding gevende subsidies, als dat toereikend is om een einde te maken aan de schade die de bedrijfstak van de Gemeenschap lijdt."

4. Artikel 19, lid 3, wordt vervangen door:

"3. Als de ingestelde compenserende rechten lager zijn dan de tot compenserende maatregelen aanleiding gevende subsidies, kan een tussentijds onderzoek worden geopend als de producenten in de Gemeenschap of een andere belanghebbende binnen twee jaar na de inwerkingtreding van de maatregelen afdoende kan aantonen dat de exportprijzen zijn gedaald of dat de wederverkoopprijzen van het in de Gemeenschap ingevoerde product niet of nauwelijks zijn veranderd. Als uit het onderzoek blijkt dat deze beweringen juist zijn, kunnen de compenserende rechten worden verhoogd om een prijsverhoging te bewerkstelligen waarmee de schade wordt weggenomen, maar het verhoogde recht mag niet hoger zijn dan de tot compenserende maatregelen aanleiding gevende subsidies.

Het tussentijdse onderzoek kan ook op initiatief van de Commissie of op verzoek van een lidstaat worden geopend, onder de hierboven beschreven voorwaarden."

5. Artikel 23, lid 1, wordt vervangen door:

"1. Op grond van deze verordening ingestelde compenserende maatregelen kunnen worden uitgebreid tot de invoer van al dan niet enigszins gewijzigde soortgelijke producten uit derde landen, of tot de invoer van enigszins gewijzigde soortgelijke producten uit landen waarop maatregelen van toepassing zijn, of delen daarvan, wanneer er ontduiking van de geldende maatregelen plaatsvindt. Compenserende rechten die het op grond van artikel 15, lid 2, van deze verordening ingestelde residuele compenserende recht niet overschrijden kunnen worden uitgebreid tot de invoer via ondernemingen waarvoor individuele rechten gelden in de landen waarop maatregelen van toepassing zijn, wanneer er ontduiking van de geldende maatregelen plaatsvindt. Ontduiking wordt omschreven als een verandering in de structuur van het handelsverkeer tussen derde landen en de Gemeenschap of tussen individuele ondernemingen in een land waarop maatregelen van toepassing zijn en de Gemeenschap ten gevolge van praktijken, processen of werkzaamheden waarvoor, afgezien van de instelling van het recht, onvoldoende reden of economische rechtvaardiging bestaat en waarbij wordt bewezen dat er sprake is van schade of dat de corrigerende werking van het recht, gezien de prijzen en/of hoeveelheden van het soortgelijke product, wordt ondermijnd en dat de soortgelijke ingevoerde producten en/of delen daarvan nog steeds gesubsidieerd worden.

De in lid 1 bedoelde praktijken, processen of werkzaamheden omvatten onder andere het enigszins wijzigen van het betreffende product om het te laten vallen onder douanecodes waarop geen maatregelen van toepassing zijn, mits de wijziging de wezenlijke kenmerken van het product niet aantast; het verzenden van het product waarop maatregelen van toepassing zijn via derde landen; en het reorganiseren door exporteurs of producenten van hun verkoopkanalen en afzetmethoden in het land waarop maatregelen van toepassing zijn om hun producten uiteindelijk naar de Gemeenschap te laten exporteren via producenten waarop lagere individuele rechten van toepassing zijn dan op de producten van de producenten."

6. Artikel 23, lid 2, wordt vervangen door:

"2. Onderzoeken op grond van dit artikel worden geopend op initiatief van de Commissie of op verzoek van een lidstaat of een belanghebbende, op basis van voldoende bewijsmateriaal met betrekking tot de in lid 1 omschreven factoren. Het onderzoek wordt, na raadpleging van het Raadgevend Comité, geopend door middel van een verordening van de Commissie die de douaneautoriteiten tevens de instructie kan geven de invoer overeenkomstig artikel 24, lid 5, te registreren of zekerheidstelling te eisen. Het onderzoek wordt uitgevoerd door de Commissie, die door de douaneautoriteiten kan worden bijgestaan, en wordt binnen negen maanden voltooid. Wanneer de definitief vastgestelde feiten uitbreiding van de maatregelen rechtvaardigen, neemt de Raad op voorstel van de Commissie en na raadpleging van het Raadgevend Comité het daartoe strekkende besluit. Het voorstel wordt goedgekeurd tenzij de Raad met een gewone meerderheid van stemmen besluit het voorstel te verwerpen, wat binnen één maand na indiening door de Commissie moet gebeuren. De uitbreiding geldt vanaf de datum waarop overeenkomstig artikel 24, lid 5, registratie of zekerheidstelling werd geëist. De desbetreffende procedurele bepalingen van deze verordening betreffende de opening en de uitvoering van een onderzoek zijn op dit artikel van toepassing.

De invoer door ondernemingen waarop een vrijstelling van toepassing is, hoeft niet overeenkomstig artikel 24, lid 5 te worden geregistreerd en hierop zijn geen rechten van toepassing. Een voldoende door bewijsmateriaal gestaafd verzoek tot vrijstelling moet worden ingediend binnen de in de verordening van de Commissie tot opening van het onderzoek gestelde termijn. Wanneer de praktijken, processen of werkzaamheden ter ontduiking buiten de Gemeenschap geschieden, kunnen vrijstellingen worden verleend aan producenten van het betreffende product als zij kunnen aantonen dat er geen enkele relatie bestaat tussen hen en de producent waarop maatregelen van toepassing zijn en dat zij niet betrokken zijn bij enige ontduiking zoals beschreven in artikel 23, lid 1. Wanneer de praktijken, processen of werkzaamheden ter ontduiking binnen de Gemeenschap geschieden, kunnen vrijstellingen worden verleend aan importeurs die kunnen aantonen dat er geen enkele relatie bestaat tussen hen en de producent waarop maatregelen van toepassing zijn.

Deze vrijstellingen worden verleend door middel van een besluit van de Commissie, na raadpleging van het Raadgevend Comité, en zijn van toepassing gedurende de periode en onder de voorwaarden zoals vastgesteld in dat besluit.

Mits voldaan is aan voorwaarden uit artikel 20, lid 4, kunnen vrijstellingen ook worden verleend na afloop van het onderzoek dat leidt tot uitbreiding van de maatregelen.

Als een groot aantal partijen een verzoek tot vrijstelling indient of kan indienen en er minimaal een jaar verstreken is sinds de uitbreiding van de maatregelen, kan de Commissie besluiten een herzieningsprocedure in te leiden voor de uitbreiding van de maatregelen. Een dergelijke herzieningsprocedure moet worden uitgevoerd overeenkomstig artikel 22, lid 1, dat van toepassing is op herzieningsprocedures op grond van artikel 19."

7. Artikel 24, lid 4, wordt vervangen door:

"4. Als dit in het belang is van de Gemeenschap, mogen maatregelen die op grond van deze verordening zijn vastgesteld, na raadpleging van het Raadgevend Comité, bij besluit van de Commissie voor een periode van negen maanden worden geschorst. De Raad kan op voorstel van de Commissie besluiten die schorsing met ten hoogste één jaar te verlengen. Het voorstel wordt goedgekeurd tenzij de Raad met een gewone meerderheid van stemmen besluit het voorstel te verwerpen, wat binnen één maand na indiening door de Commissie moet gebeuren. Maatregelen mogen uitsluitend worden geschorst als de marktverhoudingen tijdelijk zodanig zijn gewijzigd dat het onwaarschijnlijk is dat door de schorsing opnieuw schade ontstaat, en mits de bedrijfstak van de Gemeenschap in de gelegenheid is gesteld opmerkingen te maken en met die opmerkingen rekening is gehouden. Maatregelen kunnen na raadpleging te allen tijde weer worden ingesteld, wanneer de reden van de schorsing niet meer bestaat."

8. Aan artikel 24 wordt een nieuw lid, lid 7, toegevoegd:

"7. Onverminderd lid 6, kan de Commissie lidstaten verzoeken informatie te verstrekken in verband met het toezicht op de toepassing van de maatregelen. In dit verband zijn artikel 11, lid 3 en 4 van toepassing. Op alle door de lidstaten op grond van dit artikel verstrekte informatie is artikel 29, lid 6, van toepassing."

9. Artikel 25, lid 2, wordt vervangen door:

"2. Het Comité komt op uitnodiging van de voorzitter bijeen. Deze zal de lidstaten zo snel mogelijk, maar uiterlijk tien werkdagen voorafgaand aan een vergadering alle relevante gegevens doen toekomen."

10. Artikel 29, lid 6, wordt vervangen door:

"6. De op grond van deze verordening verkregen informatie wordt uitsluitend gebruikt voor het doel waarvoor zij werd gevraagd. Dit sluit niet uit dat in het kader van het ene onderzoek verkregen informatie kan worden gebruikt voor het openen van een ander onderzoek binnen dezelfde procedure naar een soortgelijk product."

Artikel 3

Verordening (EG) nr. 384/96 wordt als volgt gewijzigd:

1. Artikel 11, lid 5, wordt vervangen door:

"5. De bepalingen van deze verordening betreffende procedures en onderzoeken, met uitzondering van die welke betrekking hebben op termijnen, zijn van toepassing op alle herzieningsprocedures op grond van lid 2, 3 en 4 van dit artikel. Herzieningen op grond van lid 2 en 3 worden versneld ten uitvoer gelegd en moeten normaal gesproken voltooid zijn binnen twaalf maanden na de datum waarop de herzieningsprocedure werd ingeleid. Herzieningsprocedures op grond van lid 2 en 3 moeten in ieder geval voltooid zijn binnen vijftien maanden na de datum waarop zij werden ingeleid. Herzieningen op grond van lid 4 moeten in alle gevallen binnen negen maanden na de datum van inleiding van de procedure voltooid zijn. Als een herzieningsprocedure op grond van lid wordt ingeleid terwijl een herzieningsprocedure op grond van lid 3 binnen dezelfde procedure nog gaande is, moet de herzieningsprocedure op grond van lid 3 binnen dezelfde termijn worden voltooid als hierboven bepaald voor een herzieningsprocedure op grond van lid 2.

De Commissie dient bij de Raad uiterlijk één maand voor het verstrijken van de eerder genoemde termijnen een voorstel tot het nemen van maatregelen in.

Als het onderzoek niet binnen de genoemde termijnen is voltooid, verstrijken de maatregelen op grond van lid 2 van dit artikel of blijven zij ongewijzigd van kracht op grond van lid 3 en 4 van dit artikel. Een bericht van het feitelijk verstrijken of de feitelijke handhaving van de maatregelen krachtens het bepaalde in dit lid zal worden gepubliceerd in het Publicatieblad van de Europese Unie."

2. Artikel 12, lid 4, wordt vervangen door:

"4. De relevante bepalingen van artikel 5 en 6 zijn van toepassing op alle heronderzoeken die op grond van dit artikel worden verricht, met dien verstande dat dergelijke herzieningen versneld ten uitvoer worden gelegd en normaal gesproken moeten worden voltooid binnen zes maanden na de datum waarop het heronderzoek werd geopend. Dergelijke heronderzoeken moeten in ieder geval binnen negen maanden na opening van het onderzoek voltooid zijn.

De Commissie dient bij de Raad uiterlijk één maand voor het verstrijken van de vorengenoemde termijn een voorstel tot het nemen van maatregelen in.

Als het heronderzoek niet binnen de eerder genoemde termijnen voltooid is, worden de maatregelen ongewijzigd gehandhaafd. Een bericht van de feitelijke handhaving van de maatregelen krachtens het bepaalde in dit lid zal worden gepubliceerd in het Publicatieblad van de Europese Unie."

Artikel 4

Verordening (EG) nr. 2026/97 wordt als volgt gewijzigd:

Artikel 22, lid 1, wordt vervangen door:

"1. De bepalingen van deze verordening betreffende procedures en onderzoeken, met uitzondering van die welke betrekking hebben op termijnen, zijn van toepassing op alle nieuwe onderzoeken op grond van artikel 18, 19 en 20. Herzieningen op grond van artikel 18 en 19 worden versneld ten uitvoer gelegd en moeten normaal gesproken voltooid zijn binnen twaalf maanden na de datum waarop de herzieningsprocedure werd ingeleid. Herzieningsprocedures op grond van artikel 18 en 19 moeten in ieder geval voltooid zijn binnen vijftien maanden na de datum waarop zij werden ingeleid. Herzieningen op grond van artikel 20 moeten in alle gevallen binnen negen maanden na de datum van inleiding van de procedure voltooid zijn. Als een herzieningsprocedure op grond van artikel 18 wordt ingeleid terwijl een herzieningsprocedure op grond van artikel 19 binnen dezelfde procedure nog gaande is, moet de herzieningsprocedure op grond van artikel 19 binnen dezelfde termijn worden voltooid als hierboven bepaald voor een herzieningsprocedure op grond van artikel 18.

De Commissie dient bij de Raad uiterlijk één maand voor het verstrijken van de vorengenoemde termijnen een voorstel tot het nemen van maatregelen in.

Als het onderzoek niet binnen de genoemde termijnen voltooid is, verstrijken de maatregelen krachtens artikel 18 of blijven zij ongewijzigd van kracht overeenkomstig artikel 19 en 20. Een bericht van het feitelijk verstrijken of de feitelijke handhaving van de maatregelen krachtens het bepaalde in dit lid zal worden gepubliceerd in het Publicatieblad van de Europese Unie."

Artikel 5

Deze verordening is van toepassing op alle onderzoeken die op grond van Verordening (EG) nr. 384/96 en Verordening (EG) nr. 2026/97 zijn geopend na de datum waarop deze verordening in werking is getreden, met uitzondering van:

- artikel 1, lid 3, 6, 8, 10 en 12, en artikel 2, lid 3, 6, 7 en 9, van deze verordening, die ook van toepassing zullen zijn op lopende onderzoeken

alsmede

- artikel 3 en 4 van deze verordening, die pas twee jaar na de inwerkingtreding van deze verordening van toepassing zullen zijn op onderzoeken op grond van artikel 11, lid 3 en 4, en artikel 12 van Verordening (EG) nr. 384/96 en artikel 19 en 20 van Verordening (EG) nr. 2026/97.

Artikel 6

Deze verordening treedt in werking op de zevende dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel,

Voor de Raad

De voorzitter

WETGEVEND FINANCIEEL MEMORANDUM

Beleidsgebied(en): Externe handelsbetrekkingen, met inbegrip van de toegang tot de markt van landen die geen lid zijn van de Europese Gemeenschap

Activiteit(en): antidumping- en antisubsidieonderzoeken

Titel van de actie: Wijziging van Verordening (EG) nr. 384/96 van de Raad betreffende beschermende maatregelen tegen invoer met dumping uit landen die geen lid zijn van de Europese Gemeenschap en Verordening (EG) nr. 2026/97 van de Raad ter bescherming tegen invoer van gesubsidieerde producten uit landen die geen lid zijn van de Europese Gemeenschap

1. BEGROTINGSLIJN(EN) + OMSCHRIJVING(EN)

20.01.01.01 Uitgaven voor personeel in actieve dienst voor het beleidsterrein handel

20.01.02.11 Andere beheersuitgaven van DG Handel

2. ALGEMENE CIJFERS

2.1. Totale toewijzing voor de actie (Deel B): EUR miljoen aan VK

Niet van toepassing

2.2. Duur:

De voorgestelde uitgave is gepland voor onbeperkte duur.

2.3. Meerjarenraming van de uitgaven:

(a) Tijdschema vastleggingskredieten/betalingskredieten (financiële steunverlening) (zie punt 6.1.1)

Niet van toepassing

EUR miljoen (drie cijfers achter de komma)

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

(b) Technische en administratieve bijstand en ondersteuningsuitgaven (cf. punt 6.1.2)

Niet van toepassing

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

Niet van toepassing

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

(c) Financiële gevolgen in verband met de personele middelen en andere huishoudelijke uitgaven

(zie de punten 7.2 en 7.3)

EUR miljoen (drie cijfers achter de komma)

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

2.4. Verenigbaarheid met de financiële programmering en de financiële vooruitzichten

[X] Voorstel verenigbaar met bestaande financiële programmering

[] Dit voorstel vereist een herprogrammering van de betrokken rubriek van de financiële vooruitzichten

Inclusief, in voorkomend geval, een beroep op de bepalingen van het Interinstitutioneel Akkoord.

2.5. Financiële gevolgen voor de ontvangsten: [4]

[4] Voor meer meer bijzonderheden, zie toelichting.

[X] Geen enkele financiële implicatie (betreft technische aspecten in verband met de tenuitvoerlegging van een maatregel)

De omvang van de financiële inkomsten zijn afhankelijk van de hoogte van de antidumping- of antisubsidiemaatregelen, die weer afhankelijk is van het in de eerdergenoemde verordeningen vervatte materieel recht. Het voorstel leidt niet tot wijziging van de materiële bepalingen, maar heeft alleen betrekking op de procedurele bepalingen.

OF

Financiële gevolgen - het effect op de ontvangsten is als volgt:

(NB Alle opmerkingen en toelichtingen met betrekking tot de methode waarmee de gevolgen voor de ontvangsten worden berekend, moeten op een afzonderlijk blad worden toegevoegd aan dit financieel memorandum)

EUR miljoen (één cijfer achter de komma)

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

(Elke betrokken begrotingslijn beschrijven en het passende aantal regels aan de tabel toevoegen indien het effect betrekking heeft op meerdere begrotingslijnen)

3. BEGROTINGSKENMERKEN

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

4. RECHTSGROND

Artikel 133 van het Verdrag

Verordening (EG) nr. 384/96 van de Raad

Verordening (EG) nr. 2026/97 van de Raad

Voorstel voor een wijziging van Verordening (EG) nr. 384/96 van de Raad betreffende beschermende maatregelen tegen de invoer met dumping uit landen die geen lid zijn van de Europese Gemeenschap en Verordening (EG) nr. 2026/97 van de Raad betreffende bescherming tegen invoer met subsidiëring uit landen die geen lid van de Europese Gemeenschap zijn.

5. BESCHRIJVING EN MOTIVERING

5.1. Noodzaak van communautaire steunverlening [5]

[5] Voor meer bijzonderheden, zie toelichting.

5.1.1. Beoogde doelstellingen

Invoering van verplichte termijnen voor de voltooiing van herzieningsprocedures.

Het invoeren van verplichte termijnen voor de voltooiing van herzieningsprocedures is een wezenlijk onderdeel van een pakket wijzigingen dat een aanvulling vormt op het oorspronkelijke voorstel van de Commissie met betrekking tot de besluitvorming door de lidstaten op het gebied van anti-dumping en anti-subsidie. Een groot aantal lidstaten heeft hier al lang geleden om verzocht. De invoering van termijnen kan daarom beschouwd worden als een wezenlijk onderdeel van het "totaalpakket", dat het evenwicht tussen de verschillende aspecten van de wijzigingen garandeert.

Volgens de huidige antidumpingbasisverordening dienen nieuwe onderzoeken binnen 15 maanden te zijn voltooid (volgens de antisubsidiebasisverordening 13 maanden). De thans geldende termijn van 12 maanden voor herzieningsprocedures is evenwel slechts indicatief en niet bindend. De sedert de inwerkingtreding van de basisverordeningen opgedane ervaring heeft echter geleerd dat, zonder verplichte termijnen en de benodigde personele middelen, het bijzonder moeilijk is de hiervoor genoemde normale termijn van 12 maanden na te komen. Zonder vaste termijnen kunnen de betrokkenen er immers moeilijk toe verplicht worden de procedurevoorschriften na te komen. Hierdoor overschreden de herzieningsonderzoeken in het verleden dikwijls de normale termijn.

Zolang een herzieningsonderzoek in verband met het verstrijken van maatregelen niet voltooid is, blijven de maatregelen waarop dit onderzoek betrekking heeft van kracht. Bijzonder lange herzieningsonderzoeken kunnen derhalve de rechtszekerheid aantasten en nadelige gevolgen hebben voor de belanghebbenden.

Dit probleem kan enkel worden opgelost door de invoering van verplichte termijnen voor de voltooiing van herzieningsonderzoeken. Voorgesteld wordt derhalve een verplichte termijn van 15 maanden voor de voltooiing van tussentijdse herzieningen en herzieningen in verband met het verstrijken van maatregelen vast te stellen, doch de huidige indicatieve termijn van 12 maanden te handhaven. Voor herzieningsonderzoeken betreffende nieuwe exporteurs en in verband met de absorptie van de maatregelen wordt een verplichte termijn van 9 maanden voorgesteld. Deze termijnen worden geacht toereikend te zijn voor het voltooien van de diverse procedures, rekening houdend met de relatieve complexiteit van elke procedure.

5.1.2. Genomen maatregelen die onder de evaluatie ex ante vallen

(Hier:

(a) moet worden uitgelegd hoe en wanneer de evaluatie ex ante is uitgevoerd (uitvoerende instantie, tijdschema, eventuele beschikbaarheid van verslag(en) of wijze waarop de desbetreffende informatie is ingewonnen, [6]

[6] Voor de minimumeisen voor de te verstrekken informatie betreffende de nieuwe initiatieven, zie document SEC (2000) 1051.

(b) moeten de vaststellingen van de evaluatie ex ante en de hieruit getrokken lessen kort worden beschreven.)

Na de presentatie van het "19e jaarverslag van de Commissie aan het Europees Parlement over de antidumping- en antisubsidieactiviteiten van de Gemeenschap" heeft het Europees Parlement op eigen initiatief in oktober 2002 een verslag goedgekeurd dat door het geachte Parlementslid Michel Hansenne was opgesteld (Ref. A5-0323/2002, PE 316-244). In dit verslag heeft het EP verschillende verbeteringen voorgesteld voor de huidige procedures zoals, onder meer, de invoering van termijnen voor onderzoeken. Het EP is wat dit aangaat van oordeel dat de Commissie ook de nodige middelen moet worden toegekend om te kunnen inspelen op de hieruit voortvloeiende behoeften (verwachte stijging van de werkdruk).

Bovendien hebben de lidstaten via het Raadgevend Comité voor antidumping-/antisubsidieprocedures en de Groep Handelsvraagstukken van de Raad bij verschillende gelegenheden aangedrongen op de verkorting van de periode voor de herzieningsonderzoeken.

De Commissie heeft dit voorstel onderzocht en legt nu een voorstel voor een verordening van de Raad voor waarin deze kwestie wordt behandeld. Bovendien benadrukt zij opnieuw hoe belangrijk het is te onderzoeken wat de gevolgen daarvan voor haar hulpbronnen zouden zijn.

5.1.3. Naar aanleiding van de evaluatie ex post genomen maatregelen

(Bij de verlenging van een programma moet hier ook kort worden beschreven welke lessen uit een tussentijdse evaluatie of een evaluatie ex post getrokken kunnen worden).

Niet van toepassing

5.2. Voorgenomen acties en wijze van financiering uit de begroting

(In dit punt moet de algemene opzet van het voorstel worden beschreven. Er moet worden aangegeven wat de belangrijkste acties zijn om de algemene doelstelling te bereiken. Iedere actie moet een of meer specifieke doelstellingen hebben. Hierbij moet worden vermeld welke vorderingen worden verwacht tijdens de voorgestelde periode. De doelstellingen moeten verder reiken dan de resultaten op de korte termijn, maar wel zo specifiek zijn dat duidelijk is welke concrete resultaten worden beoogd. Voor iedere belangrijke actie moet het volgende worden aangegeven:

- de doelgroep(en) (vermeld indien mogelijk het aantal begunstigden);

De producenten, de importeurs, eindgebruikers en de handelaren van de Gemeenschap, alsmede de producenten en de exporteurs van derde landen zullen de weldaden ondervinden van de gevolgen van de vaststelling van bindende termijnen voor de herzieningsonderzoeken. In het verleden hebben al deze partijen hun bezorgdheid uitgesproken over de lange duur van de onderzoeken en steeds onderstreept hoezeer de daarmee verbonden onzekerheid schadelijk was voor hun activiteiten.

- de specifieke doelstellingen voor de programmeringsperiode (in meetbare termen);

Op basis van de in punt 5.1.1. uiteengezette doelstellingen dient met de invoering van bindende termijnen voor de herzieningsonderzoeken het volgende te worden bereikt:

- meer transparantie met betrekking tot de handelsbeschermende maatregelen

- vergroting van de doeltreffendheid van de instrumenten

- vermijding van negatieve commerciële effecten voor de betrokken partijen.

- de concrete maatregelen die moeten worden genomen om de actie ten uitvoer te leggen;

Het is nodig om voor versterking van de personele middelen te zorgen om opgewassen te zijn tegen de extra werklast die ontstaat bij de invoering van bindende termijnen voor de afsluiting van de onderzoeken. Er zijn 14 extra dossierbehandelaars (7 A en 7 B) nodig alsook een C post voor secretariaatswerkzaamheden in verband met de extra werkbelasting die samenhangt met de vaststelling van een termijn van 15 maanden voor de afsluiting van tussentijdse en herzieningsonderzoeken in verband met het vervallen van de maatregelen.

Dit cijfer is berekend op grond van het aantal en het soort van de thans lopende nieuwe gevallen en onderzoeken, het aantal van de thans beschikbare beheerders en de gemiddelde duur van de onderzoeken in de afgelopen jaren.

Concreet betekent dit dat de tussentijdse herzieningsonderzoeken en de onderzoeken wegens het vervallen van de maatregelen 69% vertegenwoordigen van de maanden die aan de onderzoeken zijn besteed, zodat dus 53 beheerders zich uitsluitend met deze onderzoeken bezighouden. Om het hoofd te kunnen bieden aan de voorgestelde kortere termijnen (in plaats van de gemiddelde 19 maanden is nu slechts 15 maanden voorgesteld), zouden 14 extra beheerders toegevoegd moeten worden aan de 53 die reeds te werk gesteld zijn. Deze berekening geeft de situatie op 31 oktober 2003 weer. De uitkomst werd gecontroleerd door dezelfde berekening uit te voeren voor de situatie op 31 december 1998, 1999, 2000, 2001 en 2002. Uit al deze berekeningen blijkt dat het gevraagde extra personeel noodzakelijk is, want deze onderzoeken leggen relatief zwaar beslag op DG Handel.

De termijnen voor herzieningsprocedures zullen in twee fasen ingevoerd worden. Met de inwerkingtreding van de wijzigingen gelden voor alle nieuwe herzieningsonderzoeken in verband met het verstrijken van maatregelen verplichte termijnen. Twee jaar na de inwerkingtreding van de wijzigingen, gaan ook termijnen gelden voor tussentijdse onderzoeken. Met andere woorden: de werkdruk zal als gevolg van de invoering van termijnen geleidelijk toenemen. Vandaar ook het voorstel om extra personeelsleden aan te stellen in drie "tranches" van elk vijf nieuwe posten per jaar. In 2004 kunnen de werkzaamheden door het huidige personeel uitgevoerd worden, aangezien de extra werkdruk voor 2004 beperkt is doordat een aanzienlijk deel van de herzieningsprocedures die dat jaar uitgevoerd zullen worden ingeleid zal zijn voor de inwerkingtreding van de wijzigingen. Een onderzoek in verband met het verstrijken van maatregelen dat in oktober 2003 geopend is, moet normaal gesproken in april 2005 voltooid zijn. Naarmate de tijd vordert zullen voor steeds meer onderzoeken in verband met het verstrijken van maatregelen en vanaf 2006 ook voor tussentijdse onderzoeken strikte termijnen gelden, waardoor gedurende de eerdergenoemde periode van drie jaar geleidelijk extra personele middelen nodig zijn.

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

Ter informatie: het aantal zaken waarvoor een herzieningsonderzoek bij het vervallen van de maatregelen gevraagd zou kunnen worden uit hoofde van artikel 11, lid 2, en artikel 18 bedraagt 23 voor 2004 en 64 voor 2005.

Bovendien zal er een aanvullende begroting nodig zijn om te voorzien in de extra dienstreizen in een bepaalde periode (daar er tot dusverre geen vaste termijnen golden, konden dienstreizen zo geprogrammeerd worden dat zij onder de begroting van het volgende jaar vielen).

DG Handel heeft gekozen voor een aanpak in twee stappen (dat wil zeggen de geleidelijke invoering van verplichte termijnen) en de aanvraag van extra personeel om ervoor te zorgen dat deze vreplichte termijnen ook gegarandeerd in acht genomen worden. Als de Commissie de termijnen niet in acht neemt, kan dat ernstige gevolgen hebben, zowel voor de ondernemingen als voor de Commissie. Voor onderzoeken ivm het verstrijken van maatreken zouden bestaande antidumping- of antisubsidiemaatregelen automatisch komen te vervallen, waardoor de producenten in de Gemeenschap niet langer beschermd worden door antidumping- of antisubsidierechten, hoewel zij daar wel recht op hebben. De Commissie is dan juridisch aansprakelijk (betaling van schadevergoeding, vorderingen vanwege wanbeheer). In geval van tussentijdse onderzoeken blijven de maatregelen van kracht als de termijn niet gehaald wordt, waardoor exporteurs en importeurs de antidumping- of antisubsidierechten nog steeds moeten betalen terwijl deze verlaagd of ingetrokken hadden moeten worden op basis van de in het kader van het tussentijdse onderzoek verstrekte informatie. Dit zou uiteraard leiden tot negatieve financiële gevolgen voor de exporteurs en importeurs, waarvoor de Commissie aansprakelijke gesteld zal worden.

- De verwezenlijkingen op korte termijn; alsmede

De onderzoeken uit hoofde van artikel 11, lid 2, van de antidumpingbasisverordening of artikel 18 van de antisubsidiebasisverordening (met inbegrip van de lopende onderzoeken) vallen onmiddellijk onder de bepalingen van het voorstel. Concreet betekent dat, dat in het jaar 2004 theoretisch 23 antidumping- of antisubsidiegevallen het voorwerp van een dergelijk nieuw onderzoek zouden kunnen zijn.

- Bijdrage van deze outputs aan de verwachte resultaten wat de behoeftevoorziening of het oplossen van problemen betreft.

Door de hiervoor beschreven output zal het mogelijk zijn het door de verandering van de basisverordeningen beoogde doel direct te verwezenlijken.

Tevens moet informatie worden gegeven over de wijze van financiering uit de begroting (omvang en vorm van de vereiste financiële steun).

5.3. Wijze van tenuitvoerlegging

(Geef aan hoe de voorgenomen acties ten uitvoer worden gelegd: rechtstreeks beheer door de Commissie, ofwel uitsluitend met statutaire of externe personeelsleden, ofwel door uitbesteding. In dat geval aangeven hoe deze uitbesteding zal worden uitgevoerd (BTB, agentschappen, bureaus, gedecentraliseerde uitvoerende eenheden, gezamenlijk beheer met de lidstaten - nationale, regionale en lokale instanties).

Geef het effect van het gekozen uitbestedingsmodel aan op de middelen voor financiële steun, beheer en ondersteuning en op de personele middelen (gedetacheerde ambtenaren, enz.).

Op grond van artikel 133 van het Verdrag bezit de Gemeenschap de exclusieve bevoegdheid voor de handelspolitiek, in het bijzonder voor de handelsbeschermingsinstrumenten. Voor de tenuitvoerlegging en het beheer van de voorgestelde verordening zullen de instellingen van de Europese Gemeenschap verantwoordelijk zijn.

Daar de door de Commissie uitgevoerde onderzoeken "vertrouwelijk" zijn en quasi-gerechtelijk van aard moeten deze door statutair personeel (bijvoorbeeld ambtenaren of nationale deskundigen) uitgevoerd worden.

Ten aanzien van de vertrouwelijkheid moeten twee aspecten benadrukt worden. Ten eerste is de informatie met betrekking tot antidumping- en antisubsidiebesluiten marktgevoelig, dat wil zeggen dat door het uitlekken van de precieze datum van goedkeuring exporteurs in derde landen en importeurs in de Gemeenschap de kans zouden krijgen tot schadelijke transacties op korte termijn die de doelmatigheid van de maatregelen ondermijnen. Ten tweede, wat misschien nog wel belangrijker is: in alle antidumping- en antisubsidieonderzoeken wordt doorgaans uiterst gevoelige informatie verzameld, die betrekking heeft op belangrijke gegevens van de betrokken ondernemingen (uitgebreide verkoopoverzichten van alle transacties, de productiekosten per product, verkoopkanalen, bevoorrading, enz.). Voor het ongeoorloofd vrijgeven van deze informatie kan de Commissie juridisch aansprakelijk gesteld worden.

Wat betreft het quasi-gerechtelijke karakter, dient ook opgemerkt te worden dat bij deze onderzoeken doorgaans een tamelijk groot aantal partijen met tegengestelde belangen betrokken is. Al deze partijen genieten bepaalde procedurele rechten, waaraan de Commissie zowel Verdragsrechtelijk als op grond van haar WTO-verplichtingen gehouden is. Veel van deze procedurele rechten regelen tot in detail het complexe proces van informatieverzameling. Er gelden derhalve verschillende rechtsregels voor de eindconclusies van dergelijke onderzoeken en voor de vele stappen die daaraan voorafgaan.

6. FINANCIËLE GEVOLGEN

6.1. Totale financiële gevolgen voor deel B (voor de gehele programmeringsperiode)

(De berekeningsmethode voor de in de tabel hieronder vermelde bedragen moet aan de hand van de uitsplitsing in tabel 6.2 worden verklaard)

6.1.1. Financiering

Niet van toepassing

VK in miljoen euro (tot op 3 decimalen nauwkeurig)

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

6.1.2. Technische en administratieve bijstand, ondersteuningsuitgaven en IT-uitgaven( vastleggingskredieten)

Niet van toepassing

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

6.2. Berekening van de kosten per overwogen maatregel in deel B (voor de gehele programmeringsperiode) [7]

[7] Voor meer bijzonderheden, zie toelichting.

Niet van toepassing

(Bij meerdere acties dienen de concrete maatregelen die voor elke actie moeten worden genomen, te worden gepreciseerd om het volume en de kosten van de prestaties te berekenen)

VK in miljoen euro (tot op 3 decimalen nauwkeurig)

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

Zo nodig de wijze van berekening toelichten

7. GEVOLGEN VOOR HET PERSONEELSBESTAND EN DE ADMINISTRATIEVE UITGAVEN

7.1. Gevolgen voor de personele middelen

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

De behoeften aan personele en administratieve middelen zullen worden gedekt met de in het kader van de jaarlijkse toewijzingsprocedure aan het met het beheer belaste DG toegekende bedragen.

7.2. Algemene financiële gevolgen in verband met de personele middelen

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

De bedragen stemmen overeen met de totale uitgaven gedurende 12 maanden.

7.3. Andere huishoudelijke uitgaven die uit de actie voortvloeien

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

De bedragen stemmen overeen met de totale uitgaven gedurende 12 maanden.

1 De aard van het comité en de groep waar het deel van uitmaakt, vermelden

I. Jaartotaal (7.2 + 7.3) / ? 1.725.000 vanaf 2007 (575.000 en 1.150.000 in respectievelijk 2005 en 2006)

II. Duur van de actie / onbeperkt

III. Totale kosten van de actie (I x II) // Niet van toepassing

(Bij de raming van de voor de actie noodzakelijke personele en administratieve middelen moeten de DGs/diensten rekening houden met de besluiten die de Commissie heeft genomen in het kader van het oriënterend debat en het debat over de jaarlijkse beleidsstrategie en bij de vaststelling van het voorontwerp van begroting (VOB). Dat betekent dat de DGs moeten aangeven dat de personeelskosten kunnen worden gedekt binnen de voorlopige toewijzing waarin bij de goedkeuring van het VOB was voorzien.

In uitzonderlijke gevallen (gevallen waarin bij de opstelling van het VOB de acties niet konden worden voorzien) moet de Commissie worden verzocht te beslissen of en hoe (via een aanpassing van de voorlopige toewijzing, een herschikking ad hoc, een gewijzigde en aanvullende begroting of een nota van wijzigingen bij het ontwerp van begroting) in de tenuitvoerlegging van de voorgestelde actie kan worden voorzien.

De behoefte aan extra personeel was niet te voorzien. De voorstellen om de eerdergenoemde verordening te wijzigen vloeiden voort uit de behoefte om het besluitvormingsproces in de Raad te verbeteren, zoals bleek uit een aantal gebeurtenissen in maart 2003, en zo de doelmatigheid, geloofwaardigheid en transparantie van deze belangrijke activiteit van de Gemeenschap te waarborgen. De lidstaten grepen deze gelegenheid echter aan om ook een aantal andere wijzigingen te bedingen om de doelmatigheid, geloofwaardigheid en transparantie te vergroten. Daarmee gaven zij gehoor aan de al eerder door ondernemingen en het Europees Parlement gesignaleerde problemen.

8. CONTROLE EN EVALUATIE

8.1. Regeling voor de follow-up

(Bij iedere actie moeten vanaf het begin gegevens worden verzameld over de gebruikte financiële en andere middelen, de geleverde prestaties en de resultaten van de actie. In de praktijk houdt dit in: (i) de vaststelling van indicatoren voor financiële en andere middelen, geleverde prestaties en resultaten, en, (ii) de ontwikkeling van methodes voor het verzamelen van gegevens).

Niet van toepassing

8.2. Procedure en periodiciteit van de geplande evaluatie

(Beschrijf het geplande tijdschema en de modaliteiten voor tussentijdse evaluaties en evaluaties ex post, die moeten worden uitgevoerd om na te gaan of de doelstellingen zijn bereikt. Bij meerjarenprogramma's moet tenminste één grondige evaluatie plaatsvinden tijdens de duur van het programma. Voor de andere acties moet een evaluatie ex post dan wel een tussentijdse evaluatie worden uitgevoerd na ten hoogste zes jaren).

Niet van toepassing

9. FRAUDEBESTRIJDINGSMAATREGELEN

(Artikel 3, lid 4, van het Financieel Reglement: "de Commissie verstrekt, om het risico van fraude en onregelmatigheden te voorkomen, in het financieel memorandum inlichtingen over de voorgenomen of bestaande preventieve en beschermende maatregelen".)

Niet van toepassing