Voorstel voor een Verordening van de Raad inzake beheersmaatregelen voor de duurzame exploitatie van visbestanden in de Middellandse Zee en tot wijziging van de Verordeningen (EEG) nr. 2847/93 en (EG) nr. 973/2001 /* COM/2003/0589 def. - CNS 2003/0229 */
Voorstel voor een VERORDENING VAN DE RAAD inzake beheersmaatregelen voor de duurzame exploitatie van visbestanden in de Middellandse Zee en tot wijziging van de Verordeningen (EEG) nr. 2847/93 en (EG) nr. 973/2001 (door de Commissie ingediend) TOELICHTING I. Inleiding Wetenschappers hebben bij herhaling gewezen op de zorgelijke situatie van verscheidene visbestanden in de Middellandse Zee en op het feit dat met de huidige exploitatie duurzame visserij niet kan worden gewaarborgd. In vergelijking met de opbrengsten van 20 jaar of langer geleden zijn de totale productie en de totale vangsten, ondanks een toename van de visserij-inspanning, gestaag gedaald. In sommige van de meest visrijke gebieden, zoals de Adriatische Zee en de Straat van Sicilië, zijn de vangsten per inspanningseenheid met meer dan 60% gedaald. De vangsten voor Sint-Jacobsschelpen zijn met meer dan 90% gedaald. Voor andere gebieden en bestanden bestaan soortgelijke voorbeelden. Deze daling van de opbrengst heeft zich voorgedaan ondanks het feit dat de teruggooi is beperkt: de hoeveelheid teruggegooide vis is aanzienlijk afgenomen doordat de vroeger zo rijke visbestanden minder vis bevatten, waardoor het winstgevender is geworden bepaalde vissoorten en vis van bepaalde grootteklassen aan te voeren die in het verleden gewoonlijk werden teruggegooid. Voor verscheidene belangrijke bestanden is het lage peil van de paaibiomassa zorgwekkend. Om het productiepotentieel van de bestanden en het aantal volwassen vissen in de bestanden op een verantwoord niveau te houden is het van fundamenteel belang jonge vis te beschermen. Dit kan worden bereikt door de visserijmethoden selectiever te maken en de kraamgebieden te beschermen. In de Middellandse Zee worden door de gelijktijdige of achtereenvolgende toepassing van verschillende visserijmethoden alle beschikbare vis en visgronden tot op een diepte van meer dan 800 meter geëxploiteerd. Tot voor kort werd het groeipotentieel van de visserij in de Middellandse Zee gegarandeerd door de zeevisserijactiviteiten uit te breiden naar uit de kust gelegen visgronden, waarbij nieuwe bestanden of nieuwe gedeelten van reeds overbeviste bestanden worden geëxploiteerd. Voor de exploitatie van dieper gelegen visgronden is evenwel een voorzichtiger aanpak vereist, omdat deze biologische systemen worden gekenmerkt door een lage productiviteit, waardoor diepzeevis kwetsbaarder is voor de visserij en omdat het gaat om belangrijke, maar niet goed in kaart gebrachte habitats. II. Actieplan van de Commissie voor de instandhouding en de duurzame exploitatie van de visbestanden in de Middellandse Zee In het kader van de hervorming van het gemeenschappelijk visserijbeleid heeft de Commissie haar goedkeuring gehecht aan een mededeling aan de Raad en aan het Europees Parlement betreffende de vaststelling van een communautair actieplan voor de instandhouding en de duurzame exploitatie van visbestanden in de Middellandse Zee in het kader van het gemeenschappelijk visserijbeleid (COM(2002) 535 def van 9 oktober 2002). In dit actieplan heeft de Commissie de belangrijkste onderdelen van het toekomstige visserijbeleid in de Middellandse Zee aangegeven, en bijzondere aandacht geschonken aan het instandhoudingsbeleid. In het actieplan werd de mediterrane specificiteit benadrukt. Deze specificiteit houdt in dat de in Verordening (EG) nr. 2371/2002 van de Raad vastgestelde doelstellingen van het communautaire beheer van de visserij weliswaar dezelfde moeten zijn voor de Middellandse Zee als voor de andere wateren van de Gemeenschap, maar dat de instrumenten waarmee die doelstellingen worden bereikt, moeten worden aangepast aan de specificiteit van de visserij in de Middellandse Zee, rekening houdend met de verschillende biologische, geografische en juridische omstandigheden in deze regio en voortbouwend op de ervaring en de praktijken van de vissersorganisaties. In december 2002 heeft de Raad conclusies met betrekking tot dit actieplan goedgekeurd. Het Europees Economisch en Sociaal Comité heeft op 26 maart 2003 advies uitgebracht. Het Europees Parlement heeft op 19 juni 2003 een resolutie over dit actieplan aangenomen. De daarin vervatte conclusies onderschrijven grotendeels de aanpak van de Commissie, maar leggen op sommige punten andere accenten. Twee onderdelen van het actieplan zijn in het bijzonder van belang: (1) de actualisering van de verordening betreffende de voor de Middellandse Zee geldende technische maatregelen (Verordening (1626/94) en de invoering van een communautair beheer van de visserij-inspanning in het gebied en (2) de discussie over de mogelijke uitbreiding van de visserij-jurisdictie van de lidstaten van de Gemeenschap in de Middellandse Zee, indien mogelijk in het kader van een breder multilateraal initiatief waarbij ook de overige kuststaten van de regio zijn betrokken. Dit voorstel heeft betrekking op de eerste van deze doelstellingen. De tweede zal worden besproken tijdens een door de Gemeenschap in Venetië georganiseerde diplomatieke conferentie in november 2003. III. Structuur en inhoud van het voorstel voor een verordening Dit voorstel voorziet in de herziening en de vervanging van de in Verordening (EG) nr. 1626/94 vastgelegde maatregelen, maar tegelijkertijd blijven bepaalde onderdelen die algemeen door de belanghebbenden van de visserij in de Middellandse Zee en de publieke opinie worden aanvaard, gehandhaafd. In het voorstel wordt rekening gehouden met de aanbevelingen en/of adviezen van het Wetenschappelijk, Technisch en Economisch Comité voor de visserij (WTECV), van de Algemene Visserijcommissie voor de Middellandse Zee (GFCM) van de FAO en van de Internationale Commissie voor de instandhouding van de tonijnachtigen in de Atlantische Oceaan (ICCAT), alsmede van de lidstaten in hun voorstellen voor specifieke herstelplannen. Maar het voorstel voegt tevens belangrijke nieuwe elementen toe, waarop de belanghebbenden tijdens regionale workshops en per brief de aandacht van de Commissie hebben gevestigd. Het voorstel behelst met name: - de invoering van nieuwe technische maatregelen ter verbetering van de selectiviteit van de momenteel gebruikte sleepnetten met een maaswijdte van 40 mm, zonder onmiddellijk de maaswijdte te vergroten, alsmede een vergroting van de minimummaaswijdte tot 60 mm in twee fasen in de komende zes jaar. - een aanscherping van het huidige verbod op sleepnetten in kustgebieden; - beperking van de totale afmetingen van bepaalde vistuigen die van invloed zijn op de visserij-inspanning; - invoering van een procedure voor het tijdelijk of het permanent sluiten van gebieden voor specifieke visserijmethoden in de wateren van de Gemeenschap of in internationale wateren; - de goedkeuring van beheersplannen in de Middellandse Zee, waarbij het beheer van de visserij-inspanning wordt gecombineerd met technische maatregelen; - de invoering van bepalingen die ervoor zorgen dat de sportvisserij op zodanige wijze wordt beoefend dat zij de beroepsvisserij niet hindert en de duurzaamheid van bepaalde bestanden niet in gevaar brengt. - de overdracht van bevoegdheden aan de lidstaten om, in hun territoriale wateren en onder bepaalde voorwaarden, de visserijactiviteiten te reguleren die geen grote communautaire dimensie of geen invloed op het milieu hebben, waaronder bepaalde lokale takken van visserij die momenteel zijn toegestaan volgens de communautaire wetgeving. Het voorstel bevat tevens instandhoudingsmaatregelen voor de 25-mijlsbeheerszone rond Malta, overeenkomstig de richtsnoeren van het in 2003 opgestelde Toetredingsverdrag tot de Europese Unie. Structuur van het voorstel Het voorstel bevat de volgende hoofdstukken: Hoofdstuk I: Toepassingsgebied en begripsomschrijvingen In dit hoofdstuk wordt het geografische toepassingsgebied van de verordening beschreven en worden definities gegeven van bepaalde technische termen. Hoofdstuk II: Beschermde soorten en habitats In dit hoofdstuk wordt voorgesteld de in verschillende internationale verdragen geregelde bescherming van bepaalde mariene soorten te integreren in het gemeenschappelijk visserijbeleid en te voorzien in de bescherming van zeegrasbedden tegen bepaalde vistuigen. Hoofdstuk III: Beschermde gebieden Beschermde gebieden waarin bepaalde typen visserij worden verboden of ingeperkt, worden beschouwd als een effectief instrument voor de bescherming van jonge exemplaren van bepaalde soorten en van het mariene milieu. In dit hoofstuk wordt een procedure voorgesteld voor het instellen van dergelijke gebieden. Tevens wordt voorgesteld dat de lidstaten dergelijke gebieden mogen instellen binnen hun territoriale wateren, op voorwaarde dat dit wordt gemeld aan en beoordeeld door de Commissie. Hoofdstuk IV: Beperkingen ten aanzien van vistuigen In dit hoofdstuk worden voorwaarden voorgesteld voor het gebruik van bepaalde vistuigen, met de bedoeling het gebruik van vistuigen die schadelijk kunnen zijn voor het mariene milieu, te verbieden of te beperken en te zorgen voor minimumvoorwaarden voor de selectiviteit voor toegestaan vistuig, teneinde de jonge vis te beschermen en de teruggooi te beperken. Een essentieel doel van het voorstel is de maaswijdte van bodemtrawls geleidelijk te vergroten tot 60 mm (nu 40 mm). Zo wordt beter geselecteerd op grootte, wordt de opbrengst hoger en neemt de kans toe dat jonge vis de geslachtsrijpe leeftijd bereikt en bijdraagt tot het herstel van de bestanden. Voorgesteld wordt een en ander stapsgewijs te verwezenlijken, door middel van een vergroting van de maaswijdte tot 50 mm vóór eind 2005 en tot 60 mm vóór eind 2008. Andere maatregelen op de korte termijn, zoals sluiting van gebieden en beperking van de visserij-inspanning, kunnen ertoe bijdragen dat de omvang van de visbestanden en van de vissen zelf toeneemt, waardoor de effecten op de korte termijn van een toekomstige vergroting van de maaswijdte op de opbrengst beperkt blijven. De selectiviteit van gesleepte vistuigen wordt mede bepaald door de optuiging van het vistuig. Om rekening te houden met de ontwikkeling van de visserijtechnologie moeten de in Verordening (EEG) nr. 34400/84 vastgestelde bepalingen inzake de voorzieningen die aan trawlnetten mogen worden bevestigd, worden aangevuld met maatregelen inzake de optuiging van de trawlnetten. Om grenzen te stellen aan de visserij-inspanning bevat het voorstel voorschriften inzake de maximumafmetingen van bepaalde vistuigen. Het belangrijkste doel blijft de bescherming van de kustgebieden tegen de sleepvisserij, zowel wat betreft de bescherming van de kraamgebieden voor jonge vis als wat betreft de instandhouding van gevoelige habitats. Daarom worden communautaire voorschriften voorgesteld inzake de minimumafstand van de kust voor het gebruik van bepaalde vistuigen. Hoofdstuk V: Minimummaten van mariene organismen Bepaalde soorten exploiteert de visserij in de Middellandse Zee in alle levensfasen. Het vaststellen van minimummaten bij aanvoer blijft het belangrijkste middel om jonge vis de mogelijkheid te geven volwassen te worden en zich voort te planten. Met name hermafrodiete soorten zijn kwetsbaar voor overbevissing en niet-selectieve exploitatie. Sommige van deze soorten, die van belang zijn voor het voortbestaan van lokale vissersgemeenschappen, zijn uitgestorven of staan op het punt van uitsterven. Daarom is het van belang voor deze bestanden minimummaten bij aanvoer vast te stellen, ook al wordt het merendeel van deze soorten gevangen door de kustvisserij. Voor heek wordt een stapsgewijze aanpak voorgesteld. Voorgesteld wordt de maat bij aanvoer tijdelijk te verlagen tot 15 cm, aangezien dit beter overeenstemt met de selectiviteit van de huidige maaswijdte van 40 mm, na veranderingen in de optuiging van het vistuig, en met de voorgestelde maaswijdte van 50 mm. Wanneer de maaswijdte wordt vergroot tot 60 mm (met ingang van 2009), moet een minimummaat bij aanvoer van 20 cm worden ingevoerd, in overeenstemming met de selectiviteit van die maaswijdte. In Aanbeveling 2002/1 van de GFCM en in het advies van het WTECV wordt gesteld dat kleine pelagische soorten niet mogen worden gevangen voordat zij geslachtsrijp zijn. In het licht van dit advies is de minimummaat bij aanvoer voor ansjovis herzien en is voor sardines een nieuwe minimummaat gegeven. Hoofdstuk VI: Niet-beroepsmatige visserij In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de noodzaak de sportvisserij te beperken, om ervoor te zorgen dat deze activiteit de beroepsvisserij niet hindert en de duurzame exploitatie van de bestanden niet ondermijnt. De sportvisserij moet tevens gegevens verstrekken met betrekking tot over grote afstanden trekkende soorten, zoals blauwvintonijn, zwaardvis en grote pelagische haaien. Hoofdstuk VII: Beheersplannen Aangezien het bij de visserij in de Middellandse Zee vaak gaat om visserij op meerdere soorten en vanwege de technische wisselwerking tussen de verschillende vangmethoden, is het noodzakelijk om, in voorkomend geval, geïntegreerde beheerssystemen op te zetten op communautair niveau. Plannen hiervoor kunnen worden voorgesteld door de lidstaten of door een regionale adviesraad en worden op voorstel van de Commissie door de Raad goedgekeurd. Hoewel de Commissie voorstelt dat het beheer van de kustvisserij op niet-gedeelde bestanden grotendeels aan de lidstaten moet worden overgelaten, moeten deze vóór eind 2004 beheersplannen ten uitvoer leggen met betrekking tot de visserij zonder trawlnetten in hun territoriale wateren. Hoofdstuk VIII: Controlemaatregelen In dit hoofdstuk worden voorschriften voorgesteld die tot doel hebben de rechtshandhaving en de controle van de visserij in de Middellandse Zee te verbeteren, zoals bijvoorbeeld een aangewezen haven en een lagere minimumhoeveelheid voor het noteren van vangsten in een logboek. Hoofdstuk IX: Over grote afstanden trekkende soorten Voor zwaardvis is de minimummaat bij aanvoer van 120 cm afgeschaft bij Verordening (EG) nr. 973/2001 van de Raad, met het oog op de vaststelling van een nieuwe minimummaat bij aanvoer die verenigbaar is met de grootte van geslachtsrijpe vissen en met de huidige exploitatie. De ICCAT heeft met betrekking tot deze kwestie echter nog geen aanbeveling gedaan. Aangezien 75% van de vangsten van deze soort voor rekening van de Gemeenschap komt, moeten een nieuwe communautaire minimummaat en daarmee overeenstemmende specificaties voor de beug worden vastgesteld. Tevens moet een vangstverbod van vier maanden worden ingesteld, van begin oktober tot eind januari, voor vaartuigen met de beug die op bepaalde over grote afstanden trekkende soorten vissen, teneinde de vangsten van jonge zwaardvis sterk te verminderen. Ondanks Verordening (EG) nr. 1239/98 van de Raad is de laatste jaren veelvuldig illegaal met drijfnetten gevist op over grote afstanden trekkende soorten. Om deze praktijken tegen te gaan, wordt voorgesteld voor de visserij op bepaalde over grote afstanden trekkende soorten het gebruik van bodemnetten en geankerde drijfnetten te verbieden. Daarnaast wordt eveneens voorgesteld de grootte van de gecombineerde bodemnetten te beperken en de twijndikte vast te stellen. Beide voorschriften, die niet van invloed zijn op de opbrengst van soorten waarop gewoonlijk door de kleinschalige visserij wordt gevist, moeten bijdragen tot een betere naleving van Verordening (EG) nr. 1239/98 van de Raad en tot een verlaging van het sterftecijfer voor kleine walvisachtigen. Hoofdstuk X: Bepalingen voor de wateren rond Malta In dit hoofdstuk worden de maatregelen vastgesteld die zijn overeengekomen in het in 2003 opgestelde Toetredingsverdrag voor Malta, waarbij de visserij in de 25-mijlsbeheerszone wordt beperkt tot kustvisserij voor vaartuigen van minder dan 12 m lang, met uitzondering van een beperkt aantal grotere vaartuigen die specifieke vormen van visserij beoefenen. Deze maatregelen zijn in overeenstemming met de strategie voor de Middellandse Zee in het kader van het gemeenschappelijk visserijbeleid, die tot doel heeft zowel de visserij-inspanning strenger te beheren, in het bijzonder door deze te verspreiden over verschillende gebieden, afhankelijk van het soort vissersvaartuig en de vangstgebieden, als de exploitatie te verbeteren door middel van technische maatregelen, waaronder gebieden waar met bepaalde vistuigen niet mag worden gevist. Hoofdstuk XI: Slotbepalingen Dit hoofdstuk bevat bepalingen met betrekking tot de goedkeuring door de Commissie van uitvoeringsverordeningen en de intrekking van eerdere communautaire wetgeving inzake de visserij in de Middellandse Zee. IV. Aanvullende nationale maatregelen Dit voorstel voorziet in een kader voor een communautair beheer van de visbestanden in de Middellandse Zee. Het bevat een aanzienlijk aantal communautaire voorschriften voor visserijvormen van gemeenschappelijk belang, procedures voor de verdere ontwikkeling van de communautaire voorschriften, zoals visserijbeheersplannen, en verplichtingen voor de lidstaten nationale voorschriften te ontwikkelen voor vormen van visserij die uitsluitend in hun territoriale wateren plaatsvinden. Er zij op gewezen dat, in overeenstemming met de artikelen 9 en 10 van Verordening (EG) nr. 2371/2002 van de Raad, de kaderverordening van het GVB, lidstaten, met inachtneming van de kennisgevingsprocedures, niet-discriminerende maatregelen kunnen nemen voor de instandhouding en het beheer van visbestanden binnen de zone van 12 zeemijl gerekend vanaf zijn basislijnen en, wat betreft andere wateren onder hun jurisdictie, maatregelen kunnen nemen die uitsluitend van toepassing zijn op vissersvaartuigen die hun vlag voeren. De lidstaten rond de Middellandse Zee worden ertoe aangemoedigd de nodige aanvullende nationale maatregelen te treffen, om de instandhouding van de visbestanden of de bescherming van het mariene ecosysteem te garanderen. V. Overleg met belanghebbenden De Commissie heeft tijdens de voorbereiding van dit voorstel twee maal overleg gevoerd met de visserijsector in de Middellandse Zee. De bij dit overleg door de sector naar voren gebrachte punten zijn van invloed geweest op enkele van de belangrijkste onderdelen van dit voorstel. Als voorbeeld kunnen worden genoemd het idee om geïntegreerde beheersplannen op te stellen die het beheer van de visserij-inspanning koppelen aan technische maatregelen, de handhaving en de verscherping van het verbod op trawlnetten in kustgebieden, de noodzaak beperkingen op te leggen aan de sportvisserij, de noodzaak de exploitatie op de korte termijn te verbeteren door gesloten gebieden/seizoenen in plaats van algemene vergrotingen van de maaswijdtes en de overdracht aan de lidstaten van bepaalde beslissingsbevoegdheden inzake het lokale beheer. Al deze ideeën zijn nadrukkelijk aanbevolen door de vertegenwoordigers van de sector. 2003/0229 (CNS) Voorstel voor een VERORDENING VAN DE RAAD inzake beheersmaatregelen voor de duurzame exploitatie van visbestanden in de Middellandse Zee en tot wijziging van de Verordeningen (EEG) nr. 2847/93 en (EG) nr. 973/2001 DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE, Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, en met name op artikel 37, Gezien het voorstel van de Commissie [1], [1] PB C [...] van [...], blz. [...]. Gezien het advies van het Europees Parlement [2], [2] PB C [...] van [...], blz. [...]. Overwegende hetgeen volgt: (1) Verordening (EG) nr. 2371/2002 van de Raad van 20 december 2002 inzake de instandhouding en de duurzame exploitatie van de visbestanden in het kader van het gemeenschappelijk visserijbeleid [3] is van toepassing op de Middellandse Zee. [3] PB L 358 van 31.12.2002, blz. 59. (2) De Raad heeft bij Besluit 98/392/EG [4] het Verdrag van de Verenigde Naties inzake het recht van de zee goedgekeurd, waarin beginselen en voorschriften zijn opgenomen inzake de instandhouding en het beheer van de levende rijkdommen in volle zee. Overeenkomstig artikel 122 van dat verdrag kan de Middellandse Zee worden geklasseerd als een half-ingesloten zee en de Gemeenschap probeert het beheer en de instandhouding van levende rijkdommen te coördineren met andere kuststaten. [4] PB L 179 van 23.6.1998, blz. 1. (3) Op grond van Besluit 98/416/EG [5] is de Gemeenschap verdragsluitende partij bij de Overeenkomst van Algemene Visserijcommissie voor de Middellandse Zee (hierna "GFCM" te noemen). De GFCM-Overeenkomst voorziet in een kader voor regionale samenwerking op het gebied van de instandhouding en het beheer van mariene rijkdommen in de Middellandse Zee door aanbevelingen te doen voor het gebied waarop de GFCM-overeenkomst betrekking heeft, die bindend worden voor de verdragsluitende partijen. [5] PB L 190 van 4.7.1998, blz. 34. (4) Met het oog op de biologische, sociale en juridische kenmerken van de visserij in de Middellandse Zee moet de Gemeenschap een specifiek beheerskader vaststellen. (5) De Gemeenschap heeft zich ertoe verbonden de voorzorgsaanpak te volgen bij het treffen van maatregelen die erop zijn gericht levende aquatische hulpbronnen en mariene ecosystemen te beschermen en in stand te houden, en te zorgen voor een duurzame exploitatie van die hulpbronnen. (6) Het in deze verordening vastgestelde beheerssysteem geldt voor activiteiten in samenhang met de visserij op visbestanden in de Middellandse Zee door vaartuigen van de gemeenschap, in communautaire of internationale wateren, door vaartuigen van derde landen in visserijzones van de lidstaten, of door burgers van de Unie op volle zee. (7) Om het wetenschappelijk onderzoek niet te belemmeren, dient deze verordening echter niet van toepassing te zijn op activiteiten ten behoeve van dergelijk onderzoek. (8) Er moet een effectief beheerskader worden vastgesteld waarbij de verantwoordelijkheden adequaat worden verdeeld tussen de Gemeenschap en de lidstaten. (9) De in Richtlijn 92/43/EEG van de Raad van 21 mei 1992 inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna [6] vastgelegde stringente bescherming van bepaalde mariene soorten die geldt voor maritieme wateren onder de soevereiniteit van de lidstaten, moet worden uitgebreid naar de Middellandse Zee (volle zee). [6] PB L 206 van 22.07.1992, blz. 7. (10) Om rekening te houden met nieuw wetenschappelijk advies, moeten ter vervanging van de maatregelen van Verordening (EG) nr. 1626/94 van de Raad van 27 juni 1994 houdende technische maatregelen voor de instandhouding van de visbestanden in de Middellandse Zee [7] nieuwe technische maatregelen worden vastgesteld. Ook moet rekening worden gehouden met de belangrijkste elementen van het Actieplan voor de instandhouding en de duurzame exploitatie van visbestanden in de Middellandse Zee in het kader van het gemeenschappelijk visserijbeleid [8]. [7] PB L 171 van 6.7.1994, blz. 1. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 973/2001 (PB L 137 van 19.5.2001, blz. 1). [8] COM(2002) 535 def (11) Derhalve moet Verordening (EG) nr. 1626/94 worden ingetrokken. (12) Voorkomen moet worden dat te veel ondermaatse vis wordt gevangen. Daarom moeten, rekening houdend met de lokale biologische omstandigheden, bepaalde concentratiegebieden van jonge vis worden beschermd. (13) Vistuig dat te veel schade aanricht aan het mariene milieu of dat leidt tot de uitputting van bepaalde bestanden moet worden verboden of worden onderworpen aan stringentere voorschriften. (14) Om een verdere toename van de sterftecijfers voor jonge vis te voorkomen en om de hoeveelheid teruggooi van dode mariene organismen door vissersvaartuigen aanzienlijk te verminderen, moet worden bepaald dat de maaswijdtes en de maten van de haken voor trawlnetten, bodemnetten en beugen die worden gebruikt voor de visserij op bepaalde soorten mariene organismen, worden vergroot en dat het gebruik van netdelen met vierkante mazen verplicht moet worden gesteld. (15) Om een overgangsperiode mogelijk te maken voordat de maaswijdte van bodemtrawls wordt vergroot, moeten met betrekking tot de optuiging van de trawlnetten bepaalde kenmerken worden vastgesteld die de selectiviteit van de huidig gebruikte maaswijdte vergroten. (16) Het belangrijkste instrument voor een duurzame visserij in de Middellandse Zee is het beheer van de visserij-inspanning. Daarom moet van de belangrijkste typen passieve vistuigen de totale lengte worden vastgesteld, teneinde een van de factoren die van invloed is op de visserij-inspanning, te beperken. (17) Ter bescherming van kraamgebieden en gevoelige habitats en ter verbetering van de sociale duurzaamheid van de visserij in de Middellandse Zee moet een deel van het kustgebied worden gereserveerd voor kleine vissers die selectieve vistuigen gebruiken. (18) Voor bepaalde mariene organismen moet de minimummaat bij aanvoer worden vastgesteld om de exploitatie van die organismen te verbeteren en om normen vast te stellen waarop de lidstaten hun beheerssysteem voor de kustvisserij kunnen baseren. Daartoe moet de selectiviteit van een bepaald vistuig zoveel mogelijk overeenkomen met de minimummaat bij aanvoer zoals die is vastgesteld voor een bepaalde soort of soortengroep die met dat vistuig wordt gevangen. (19) Om het kunstmatig uitzetten of overbrengen van visbestanden niet te belemmeren moeten activiteiten die met het oog daarop nodig zijn, worden toegestaan, op voorwaarde dat zij verenigbaar zijn met de duurzaamheid van de betrokken soort. (20) Aangezien de sportvisserij een zeer belangrijke vorm van visserij is in de Middellandse Zee, moet ervoor worden gezorgd dat deze op een zodanige wijze wordt beoefend dat zij de beroepsvisserij niet wezenlijk hindert, verenigbaar is met de duurzame exploitatie van levende aquatische hulpbronnen en voldoet aan de communautaire verplichtingen wat betreft regionale visserijorganisaties. (21) Met het oog op het specifieke karakter van veel soorten visserij in de Middellandse Zee, die beperkt zijn tot bepaalde geografische subgebieden, en rekening houdend met de traditie volgens welke systemen voor het beheer van de visserij-inspanning op subregionaal niveau worden toegepast, moeten communautaire en nationale beheersplannen worden vastgesteld, waarbij met name het beheer van de visserij-inspanning wordt gecombineerd met specifieke technische maatregelen. (22) Om te zorgen voor een efficiënte controle op de visserijactiviteiten moeten specifieke maatregelen worden genomen, die een aanvulling vormen op of stringenter zijn dan die van Verordening (EG) nr. 2847/93 van 12 oktober 1993 tot invoering van een controleregeling voor het gemeenschappelijk visserijbeleid [9]. Met name moet voor andere soorten dan in de Middellandse Zee gevangen over grote afstanden trekkende soorten en kleine pelagische soorten die in het logboek moeten worden genoteerd, de huidige drempel van 50 kg, uitgedrukt in levend gewicht, worden verlaagd. [9] PB L 261 van 20.10.1993, blz. 1. (23) Aangezien 75% van de vangsten van zwaardvis in de Middellandse Zee voor rekening van de communautaire visserij komt, moet Verordening (EG) nr. 973/2001 van de Raad van 14 mei 2001 tot vaststelling van technische maatregelen voor de instandhouding van bepaalde over grote afstanden trekkende visbestanden [10] worden gewijzigd, om een communautaire minimummaat bij aanvoer en daarmee overeenstemmende specificaties voor de beug vast te stellen. Tevens moet een vangstverbod van vier maanden worden ingesteld voor vaartuigen met de beug om de jonge zwaardvis te beschermen. [10] PB L 137 van 19.5.2001, blz. 1. (24) Overeenkomstig de richtsnoeren van het Toetredingsverdrag, en met name artikel 21 en bijlage III daarvan, moeten communautaire bepalingen worden vastgesteld inzake de visserij in de wateren rond Malta. Voor toegang tot deze wateren moeten speciale visdocumenten verplicht worden gesteld. (25) De voor de tenuitvoerlegging van deze verordening noodzakelijke maatregelen moeten worden vastgesteld overeenkomstig Besluit 1999/468/EG van de Raad van 28 juni 1999 tot vaststelling van de voorwaarden voor de uitoefening van de aan de Commissie verleende uitvoeringsbevoegdheden [11]. [11] PB L 184 van 17.7.1999, blz. 23. (26) Wijzigingen van de bijlagen bij deze verordening moeten eveneens worden vastgesteld overeenkomstig Besluit 1999/468/EG, HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD: Hoofdstuk I Toepassingsgebied en begripsomschrijvingen Artikel 1 Toepassingsgebied 1. Deze verordening is van toepassing: a) op de instandhouding, het beheer en de exploitatie van de levende aquatische hulpbronnen daar waar deze activiteiten plaatsvinden: 1) in de maritieme wateren van de Middellandse Zee ten oosten van de lijn 5°36' WL (hierna "de Middellandse Zee" te noemen) die onder de soevereiniteit of de jurisdictie van een lidstaat vallen; 2) door vissersvaartuigen van de Gemeenschap in de Middellandse Zee buiten de in punt 1) bedoelde wateren; 3) door onderdanen van lidstaten, onverminderd de primaire verantwoordelijkheid van de vlaggenstaat, in de Middellandse Zee buiten de in punt 1) bedoelde wateren; en b) op de afzet van in de Middellandse Zee gevangen visserijproducten. 2. Deze verordening is niet van toepassing op visserijactiviteiten die uitsluitend worden uitgeoefend ten behoeve van wetenschappelijk onderzoek dat wordt verricht met toestemming en onder gezag van de betrokken lidstaat of lidstaten. Artikel 2 Begripsomschrijvingen Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder: (1) "gesleepte vistuigen": vistuigen die worden gesleept door het motorvermogen van het vissersvaartuig of die door middel van een lier worden opgehaald terwijl het vissersvaartuig geankerd ligt of langzaam vaart, met inbegrip van met name sleepnetten en dreggen; (2) "sleepnetten": trawlnetten, bootzegens en landzegens; (3) "trawlnetten": netten die actief worden gesleept door de hoofdmotor van het vaartuig en die bestaan uit een kegel- of piramidevormig gedeelte (de eigenlijke trawl) dat aan de achterkant is afgesloten door een kuil en aan de voorkant door de vleugels wordt opengetrokken of op een vast frame wordt geplaatst. Dit horizontaal openen vindt plaats door middel van visborden of met behulp van een boom of een frame van variabele vorm en afmetingen. Deze netten kunnen over de bodem (bodemtrawl) of op een bepaalde diepte tussen bodem en oppervlak (pelagische trawl) worden voortgesleept; (4) "bootzegens": ringnetten en gesleepte zegens die vanaf een varend of een geankerd vaartuig door middel van touwen en lieren worden bediend en opgehaald, niet door de hoofdmotor van het vaartuig worden gesleept, uit twee zijvleugels en een lepelvormige centrale zak of een zak in het achterste gedeelte bestaan en waarmee, afhankelijk van de doelsoort, op elke diepte kan worden gevist; (5) "landzegens": ringnetten en gesleepte zegens die worden uitgezet vanaf een vaartuig en worden bediend vanaf het vasteland; (6) "dreggen": vistuigen die actief door de hoofdmotor van het vaartuig worden gesleept voor de vangst van tweekleppigen, uit een zaknet of een metalen korf op een vast frame van variabele afmetingen en vorm met onderaan een rond, scherp of gekarteld blad bestaan en eventueel met steunblokken en duikplaten zijn uitgerust. Sommige dreggen worden ook mechanisch bediend met hydraulische apparatuur (hydraulische dreggen); (7) "beschermd gebied": een geografisch gedefinieerd gebied van maritieme wateren waarin alle of bepaalde visserijactiviteiten tijdelijk of permanent zijn verboden of beperkt, teneinde de exploitatie en de instandhouding van levende aquatische rijkdommen of de bescherming van mariene ecosystemen te verbeteren; (8) "kieuwnetten": netten die uit één stuk bestaan en in een verticale positie in het water worden gehouden door drijflichamen en zinkers. Levende aquatische organismen worden gevangen doordat zij verward of in het kieuwnet verstrikt raken. Afhankelijk van het zinkvermogen of het drijfvermogen kunnen deze netten onder het wateroppervlak in de waterkolom (geankerd drijvend kieuwnet en drijfnet) of dicht bij de bodem (geankerd kieuwnet) worden gebruikt; (9) "geankerde drijvende kieuwnetten": kieuwnetten die op enigerlei wijze op bodem van de zee worden gehouden of kunnen worden gehouden en die onder het wateroppervlak in de waterkolom drijven; (10) "drijfnetten": kieuwnetten die op het zee-oppervlak of op een bepaalde afstand daaronder worden gehouden door drijflichamen die vrijelijk met de stroom meedrijven of, wat vaker het geval is, met het vaartuig waaraan zij zijn bevestigd. Zij kunnen worden uitgerust met zeeankers of andere drijflichamen die erop zijn gericht het net te stabiliseren en/of het wegdrijven te beperken. (11) "geankerde kieuwnetten": kieuwnetten die op enigerlei wijze op de bodem van de zee worden gehouden of kunnen worden gehouden en dicht bij de bodem op zijn plaats worden gehouden. (12) "bodemnetten": schakelnetten, geankerde kieuwnetten of gecombineerde bodemnetten; (13) "schakels": netten die bestaan uit twee of meer wanden die parallel zijn opgehangen van één enkele hoofdlijn, en op enigerlei wijze op de zeebodem zijn verankerd, of kunnen worden verankerd; (14) "gecombineerde bodemnetten": geankerde kieuwnetten in combinatie met schakels die het onderste gedeelte vormen; (15) "ringnetten": netten waarmee vis wordt gevangen door deze van opzij en van onderen te omsluiten; (16) "ringzegens": ringnetten waarvan de bodem aan de onderkant wordt samengetrokken door een sluitlijn die door een reeks ringen langs de onderpees loopt, waardoor het net kan worden samengetrokken en gesloten; (17) "sportvisserij": visserijactiviteiten die levende aquatische rijkdommen exploiteren als vrijetijdsbesteding of als sport. (18) "vis aantrekkende voorzieningen (FADs)": op zee drijvende uitrustingen die onder het zeeoppervlak jonge of volwassen exemplaren van over grote afstanden trekkende soorten aantrekken. Hoofdstuk II Beschermde soorten en habitats Artikel 3 Beschermde soorten 1. Het opzettelijk vangen, aan boord houden, overladen of aanvoeren van de in bijlage IV bij Richtlijn 92/43/EEG van de Raad [12] vermelde mariene soorten is verboden. [12] PB L 206, van 22.7.1992, blz. 7. 2. Onverminderd lid 1 is het aan boord houden, het overladen of het aanvoeren van de in lid 1 bedoelde mariene soorten die bij toeval zijn gevangen, toegestaan voorzover deze activiteit noodzakelijk is ter ondersteuning van het herstel van de dieren en op voorwaarde dat de betrokken bevoegde nationale autoriteiten daarvan vooraf naar behoren in kennis zijn gesteld. Artikel 4 Beschermde habitats Het is verboden met trawlnetten, dreggen, vallen, ringzegens, bootzegens, landzegens of soortgelijke netten te vissen boven zeegrasvelden (Posidonia oceanica) of andere mariene fanerogamen. Hoofdstuk III Beschermde gebieden Artikel 5 Communautaire beschermde gebieden 1. De lidstaten verstrekken de Commissie vóór 30 juni 2004 informatie met betrekking tot de vaststelling van beschermde gebieden binnen en buiten hun territoriale wateren. 2. Op grond van deze en andere relevante informatie wijst de Raad vóór 31 december 2004 beschermde gebieden aan, en met name die gebieden die geheel of gedeeltelijk buiten de territoriale wateren van de lidstaten vallen, en geeft hij aan welke visserijactiviteiten in die gebieden zijn verboden of toegestaan. 3. De Raad kan nadien op grond van nieuwe relevante wetenschappelijke informatie andere beschermde gebieden aanwijzen. Artikel 6 Nationale beschermde gebieden 1. De lidstaten wijzen vóór 31 december 2004 binnen hun territoriale wateren verdere beschermde gebieden aan waarin visserijactiviteiten kunnen worden verboden of beperkt, teneinde de levende aquatische rijkdommen in stand te houden en te beheren of de staat van de instandhouding van mariene ecosystemen te verbeteren. De bevoegde autoriteiten van de betrokken lidstaten nemen een besluit inzake de vistuigen die in die beschermde gebieden mogen worden gebruikt alsmede inzake de passende technische voorschriften, die niet minder stringent mogen zijn dan de communautaire wetgeving. 2. De lidstaten kunnen nadien op grond van nieuwe relevante wetenschappelijke informatie andere beschermde gebieden aanwijzen. 3. De in lid 1 en lid 2 bedoelde maatregelen worden aan de Commissie gemeld. 4. Wanneer een voorgesteld beschermd gebied binnen de territoriale wateren van een lidstaat mogelijk gevolgen heeft voor de vaartuigen van een andere lidstaat, wordt het niet aangewezen totdat de Commissie, de betrokken lidstaat en de regionale adviesraad zijn geraadpleegd overeenkomstig de procedure van artikel 8, de leden 3 tot en met 6, van Verordening (EG) nr. 2371/2002. 5. Als de Commissie van mening is dat de op grond van lid 3 aangemelde maatregelen niet voldoende zijn om een hoog niveau van bescherming van de bestanden en het milieu te garanderen kan zij na overleg met de lidstaat deze verzoeken de maatregel te wijzigen of voorstellen dat de Raad een beschermd gebied aanwijst of technische maatregelen vaststelt met betrekking tot de betrokken wateren. Hoofdstuk IV Beperkingen ten aanzien van vistuigen Artikel 7 Verboden vistuig en visserijpraktijken De volgende stoffen en apparaten mogen niet worden gebruikt voor de visserij of aan boord worden gehouden: a) giftige, verdovende of bijtende stoffen, b) elektriserende apparaten, c) explosieven, d) stoffen die kunnen exploderen als zij worden gemengd, e) gesleepte voorzieningen voor de visserij op rode koraal, f) pneumatische hamers of andere klopwerktuigen voor het verzamelen van op rotsen levende soorten. Artikel 8 Minimummaaswijdtes 1. Het is verboden sleepnetten, ringnetten of kieuwnetten voor de visserij op zeebrasem te gebruiken of aan boord te houden en te gebruiken voor visserijdoeleinden, tenzij de maaswijdte in dat deel van het net waar de mazen het kleinst zijn, in overeenstemming is met de leden 3 tot en met 6. 2. De maaswijdte wordt vastgesteld volgens de procedures van Verordening (EG) nr. 129/2003 [13]. [13] PB L 22 van 25.1.2003, blz. 5. 3. Voor andere sleepnetten dan die bedoeld in lid 4, is de minimummaaswijdte: 1) tot en met 31 december 2005: 40 mm; 2) met ingang van 1 januari 2006: 50 mm; 3) met ingang van 1 januari 2009: 60 mm. 4. Voor pelagische trawls voor de visserij op sardine en ansjovis is, wanneer deze soorten na sortering ten minste 85% van de vangst in levend gewicht uitmaken, de minimummaaswijdte 20 mm. 5. Voor ringnetten is de minimummaaswijdte 14 mm. 6. Voor kieuwnetten voor de visserij op zeebrasem is, wanneer deze soort na sortering ten minste 20% van de vangst in levend gewicht uitmaakt, de minimummaaswijdte 100 mm. 7. Op verzoek van een lidstaat kan de Commissie voor bootzegens en landzegens waarvoor een beheersplan als bedoeld in artikel 17 is opgesteld, toestaan af te wijken van hetgeen is bepaald in de leden 3, 4 en 5, op voorwaarde dat de betrokken takken van visserij in hoge mate selectief zijn en een te verwaarlozen effect hebben op het mariene milieu. De lidstaten motiveren die afwijking met actuele wetenschappelijke en technische informatie. Artikel 9 Minimumgrootte van de haken 1. Voor vissersvaartuigen die beuglijnen gebruiken en een hoeveelheid zeebrasem (Pagellus bogaraveo) aanvoeren of aan boord hebben die na sortering meer dan 20% van de vangst in levend gewicht uitmaakt, is het verboden beuglijnen met haken van minder dan 5 cm lang en minder dan 2,5 cm breed te gebruiken of aan boord te houden. 2. Met het oog op de toepassing van lid 1 geldt het volgende: a) de totale lengte van de haak is de maximale totale lengte van de schacht vanaf het uiteinde van de haak dat dient voor het vastmaken van de lijn en gewoonlijk de vorm heeft van een oog, tot en met de punt van de kromming; (b) de breedte van de haak is de grootste horizontale afstand vanaf het buitenste gedeelte van de schacht tot en met het buitenste gedeelte van de weerhaak. Artikel 10 Toebehoren bij en optuiging van trawlnetten 1. De mazen mogen in geen enkel gedeelte van het net worden geblokkeerd of anderszins verkleind door andere voorzieningen dan die zijn toegestaan bij Verordening (EEG) nr. 3440/84 [14] van de Commissie of die zijn vermeld in bijlage I a) bij deze verordening. [14] PB L 318 van 7.12.1984, blz. 23. 2. De optuiging van trawlnetten dient in overeenstemming te zijn met de technische specificaties van bijlage I (b) bij deze verordening. Artikel 11 Afmetingen van vistuigen Het is verboden vistuig aan boord te houden of op zee te gebruiken dat niet in overeenstemming is met de in bijlage II aangegeven afmetingen. Artikel 12 Minimumafstanden en -diepten voor het gebruik van vistuigen 1. Het is verboden binnen 3 zeemijl uit de kust of, waar deze diepte op kortere afstand van de kust wordt bereikt, binnen het gebied bepaald door de dieptelijn van 50 m, gesleept vistuig te gebruiken. In afwijking van de eerste alinea is het gebruik van hydraulische dreggen toegestaan tussen 1,5 en 3 zeemijl uit de kust, ongeacht de diepte van het water, op voorwaarde dat andere soorten dan schelpdieren niet meer dan 10 % van het totale gewicht van de vangst uitmaken. 2. Het is verboden binnen 1,5 zeemijl uit de kust trawlnetten en hydraulische dreggen te gebruiken. 3. Het is verboden binnen 0,5 zeemijl uit de kust of, waar deze diepte op kortere afstand van de kust wordt bereikt, binnen het gebied bepaald door de dieptelijn van 50 meter, ringzegens te gebruiken. 4. Het is verboden binnen 1 zeemijl van de grenzen van een overeenkomstig de artikelen 5 en 6 vastgesteld beschermd gebied gesleepte vistuigen, ringzegens en andere ringnetten te gebruiken. 5. Op verzoek van een lidstaat kan de Commissie voor een bepaald gebied toestaan af te wijken van hetgeen is bepaald in lid 1 en lid 3, wanneer een dergelijke afwijking gerechtvaardigd is door bijzondere geografische beperkingen of wanneer de betrokken vormen van visserij zeer selectief zijn en een verwaarloosbaar effect hebben op het mariene milieu, op voorwaarde dat voor deze vormen van visserij een beheersplan als bedoeld in artikel 17 is opgesteld. De lidstaten motiveren die afwijking met actuele wetenschappelijke en technische informatie. Hoofdstuk V Minimummaten van mariene organismen Artikel 13 Minimummaten van mariene organismen 1. Het vangen, aan boord houden, overladen, aanvoeren, overdragen, opslaan, verkopen, uitstallen of te koop aanbieden van mariene organismen die kleiner zijn dan de in bijlage III aangegeven minimummaat (hierna "ondermaatse mariene organismen" te noemen) is niet toegestaan. 2. De grootte van mariene organismen wordt gemeten overeenkomstig bijlage IV. Wanneer voor het bepalen van de vereiste maat meer dan één methode is toegestaan, worden mariene organismen geacht de vereiste maat te hebben wanneer zij ten minste volgens een van die methodes gemeten gelijk zijn aan of groter dan de minimummaat. 3. Lid 1 geldt niet voor jonge sardine die is aangevoerd voor de menselijke consumptie als deze wordt gevangen met boot- of landzegens en als daarvoor toestemming is verleend overeenkomstig nationale voorschriften die zijn vastgesteld in een beheersplan als bedoeld in artikel 17, op voorwaarde dat het betrokken sardinebestand zich binnen de biologisch veilige marges bevindt. Artikel 14 Kunstmatige uitzetting en overbrenging 1. In afwijking van artikel 13 is het met toestemming en onder gezag van de lidstaat waar deze activiteiten plaatsvinden, toegestaan ondermaatse mariene organismen ten behoeve van het kunstmatig uitzetten en overbrengen van deze organismen te vangen, aan boord te houden, over te laden, aan te voeren, over te dragen, op te slaan, te verkopen, uit te stallen of te koop aan te bieden. 2. De lidstaten zorgen ervoor dat het vangen van ondermaatse mariene organismen voor de in lid 1 genoemde doeleinden plaatsvindt op een wijze die verenigbaar is met de voor de betrokken soort geldende communautaire beheersmaatregelen. 3. Mariene organismen die worden gevangen voor de in lid 1 genoemde doeleinden, worden weer uitgezet in zee of gebruikt voor de extensieve aquacultuur. Als zij nadien opnieuw worden gevangen, is het toegestaan ze te verkopen, uit te stallen of te koop aan te bieden, op voorwaarde dat zij voldoen aan de voorschriften van artikel 13. Hoofdstuk VI Niet-beroepsmatige visserij Artikel 15 Sportvisserij 1. Voor de sportvisserij is het gebruik van sleepnetten, ringnetten, ringzegens, dreggen, kieuwnetten, schakels en beuglijnen voor de visserij op over grote afstanden trekkende soorten verboden. 2. De lidstaten zorgen ervoor dat de sportvisserij plaatsvindt op een wijze die verenigbaar is met de doelstellingen en de voorschriften van deze verordening. 3. De lidstaten zorgen ervoor dat door sportvissers gevangen mariene organismen niet op de markt worden gebracht. 4. De lidstaten treffen maatregelen om ervoor te zorgen dat de vangstgegevens van de sportvisserij met betrekking tot de in bijlage I bij Verordening (EG) nr. 973/2001 vermelde en in de Middellandse Zee voorkomende over grote afstanden trekkende soorten afzonderlijk worden vastgelegd en verzameld. 5. De lidstaten stelt de Commissie in kennis van alle op grond van dit artikel vastgestelde maatregelen. Hoofdstuk VII Beheersplannen Artikel 16 Beheersplannen op communautair niveau 1. De Raad kan beheersplannen vaststellen voor specifieke vormen van visserij in de Middellandse Zee, met name in gebieden die geheel of gedeeltelijk buiten de territoriale wateren van de lidstaten vallen. Deze plannen kunnen het volgende omvatten: a) maatregelen inzake het beheer van de visserij-inspanning; b) specifieke technische maatregelen, waaronder in voorkomend geval tijdelijke afwijkingen van de voorschriften van deze verordening, wanneer deze nodig zijn voor de beoefening van de visserij en op voorwaarde dat de duurzame exploitatie van de betrokken bestanden door het beheersplan wordt gegarandeerd; c) de uitbreiding van het verplichte gebruik van satellietvolgsystemen of soortgelijke systemen voor vissersvaartuigen tot vissersvaartuigen met een lengte over alles van 10 tot 15 meter; d) tijdelijke of permanente beperkingen voor gebieden, voor bepaalde vistuigen of voor vissersvaartuigen die verplichtingen zijn aangegaan in het kader van het beheersplan. 2. De lidstaten en/of een regionale adviesraad voor de Middellandse Zee kunnen de Commissie aanbevelingen doen over kwesties inzake het opstellen van beheersplannen. De Commissie geeft binnen drie maanden na ontvangst antwoord op dergelijke verzoeken. Artikel 17 Beheersplannen voor bepaalde takken van visserij in territoriale wateren 1. De lidstaten stellen vóór 31 december 2004 beheersplannen vast voor de visserij met bootzegens, landzegens, ringnetten en dreggen binnen hun territoriale wateren. Artikel 6, lid 2, lid 3 en lid 4, eerste alinea, van Verordening (EG) nr. 2371/2002 zijn van toepassing voor deze beheersplannen. 2. De lidstaten kunnen nadien op grond van nieuwe relevante wetenschappelijke informatie andere beheersplannen vaststellen. 3. De lidstaten zorgen voor een adequaat wetenschappelijk toezicht op de beheersplannen. Het beheersplan voor de visserij op kortlevende soorten wordt jaarlijks herzien om rekening te houden met veranderingen die kunnen optreden in de aanwas. 4. Beheersplannen kunnen maatregelen bevatten die verder gaan dan de bepalingen van deze verordening, teneinde: a) de selectiviteit van het vistuig te vergroten; b) de teruggooi te verminderen; c) de visserij-inspanning te beperken. 5. De maatregelen die deel uitmaken van de beheersplannen moeten evenredig zijn met de doelstellingen, de streefniveaus en het verwachte tijdsbestek en zullen betrekking hebben op: a) de staat van instandhouding van het bestand of de bestanden; b) de biologische kenmerken van het bestand of de bestanden; c) de kenmerken van de visserij op de betrokken bestanden; d) de economische gevolgen van de maatregelen voor de betrokken takken van visserij. 6. In de beheersplannen wordt voorzien in de afgifte van speciale visdocumenten in overeenstemming met Verordening (EG) nr. 1627/94 [15]. Onverminderd de bepalingen van artikel 1, lid 2, van Verordening (EG) nr. 1627/94 kan een speciaal visdocument verplicht worden gesteld voor vaartuigen met een lengte over alles van minder dan 10 meter. [15] PB L 171 van 6.7.1994, blz. 7. 7. De Commissie wordt tijdig genoeg van de beheersplannen in kennis gesteld om haar opmerkingen te kunnen maken. De Commissie deelt de plannen mee aan de andere lidstaten. 8. Wanneer een beheersplan mogelijk gevolgen heeft voor de vaartuigen van een andere lidstaat, wordt het niet vastgesteld totdat overeenkomstig de procedure van artikel 8, de leden 3 tot en met 6, van Verordening (EG) nr. 2371/2002 [16] de Commissie, de betrokken lidstaat en de regionale adviesraad zijn geraadpleegd. [16] PB L 358 van 31.12.2002, blz. 59. 9. Als de Commissie op basis van de in lid 7 bedoelde kennisgeving of op grond van nieuw wetenschappelijk advies van mening is dat een op grond van lid 1 vastgesteld beheersplan niet voldoende is om een hoog niveau van bescherming van de bestanden en het milieu te garanderen, kan zij, na overleg met de lidstaat, deze verzoeken het plan te wijzigen of de Raad een voorstel doen voor passende maatregelen ter bescherming van de bestanden en het milieu. Hoofdstuk VIII Controlemaatregelen Artikel 18 Vangst van doelsoorten 1. De in artikel 8, de leden 4 en 6, artikel 9, lid 1, artikel 12, lid 1 en artikel 22 bedoelde percentages worden berekend ten opzichte van het levend gewicht van de totale hoeveelheid levende aquatische organismen die na sortering of bij aanvoer aan boord is. Deze percentages mogen worden berekend aan de hand van een of meer representatieve monsters. 2. Voor vissersvaartuigen waarvan bepaalde hoeveelheden levende aquatische organismen zijn overgeladen, wordt voor de berekening van de in lid 1 bedoelde percentages met die hoeveelheden rekening gehouden. Artikel 19 Overlading Alleen kapiteins van vissersvaartuigen die een logboek bijhouden overeenkomstig artikel 6 van Verordening (EEG) nr. 2847/93 [17] mogen levende aquatische organismen op andere vaartuigen overladen of een lading van deze organismen van andere vaartuigen aan boord nemen. [17] PB L 261 van 20.10.1993, blz. 1. Artikel 20 Aangewezen havens 1. De vangsten van bodemtrawlers, pelagische trawlers, ringzegens, vaartuigen voor de pelagische visserij met de beug en hydraulische dreggen mogen uitsluitend in door de lidstaat aangewezen havens worden aangevoerd en voor het eerst worden afgezet. 2. De lidstaten verstrekken vóór 31 december 2004 een lijst met aangewezen havens aan de Commissie. De Commissie doet de lijst aan de andere lidstaten toekomen. Artikel 21 Toezicht op de visvangst In artikel 6, lid 2, van Verordening (EEG) nr. 2847/93 wordt de tweede zin vervangen door: "Voor de visserij in de Middellandse Zee moet van iedere soort die voorkomt op de in overeenstemming met lid 8 vastgestelde lijst, elke aan boord gehouden hoeveelheid van meer dan 10 kg, uitgedrukt in levend gewicht, in het logboek worden genoteerd. Voor over grote afstanden trekkende soorten en kleine pelagische soorten moet elke hoeveelheid van meer dan 50 kg, uitgedrukt in levend gewicht, in het logboek worden genoteerd.". Hoofdstuk IX Maatregelen voor over grote afstanden trekkende soorten Artikel 22 Beperking van het gebruik van bepaalde typen vaartuigen en vistuigen In Verordening (EG) nr. 973/2001 wordt het volgende artikel 4 bis ingevoegd: "Artikel 4 bis 1. Het gebruik van bodemnetten en geankerde drijfnetten is in de Middellandse Zee verboden voor de visserij op de volgende soorten: witte tonijn (Thunnus alalunga), blauwvintonijn (Thunnus thynnus), zwaardvis (Xiphias gladius), braam (Brama brama), haaien (Hexanchus griseus; Cetorhinus maximus; Alopiidae; Carcharhinidae; Sphyrnidae; Isuridae; Lamnidae). 2. Voor elk vissersvaartuig in de Middellandse Zee dat beuglijnen gebruikt en een hoeveelheid zwaardvis (Xiphias gladius) aanvoert of aan boord heeft die na sortering meer dan 20% van de vangst in levend gewicht uitmaakt, is het verboden beuglijnen met haken van minder dan 10 cm lang en minder dan 4,5 cm breed te gebruiken of aan boord te houden. 3. In de Middellandse Zee is de visserij met pelagische beuglijnen elk jaar van 1 oktober tot en met 31 januari verboden voor de volgende soorten: witte tonijn (Thunnus alalunga), blauwvintonijn (Thunnus thynnus), Zwaardvis (Xiphias gladius) en haaien (Hexanchus griseus; Cetorhinus maximus; Alopiidae; Carcharhinidae; Sphyrnidae; Isuridae; Lamnidae). 4. Met het oog op de toepassing van lid 2 geldt het volgende: a) de totale lengte van de haak is de maximale totale lengte van de schacht vanaf het uiteinde van de haak dat dient voor het vastmaken van de lijn en gewoonlijk de vorm heeft van een oog, tot en met de punt van de kromming; b) de breedte van de haak is de grootste horizontale afstand vanaf het buitenste gedeelte van de schacht tot en met het buitenste gedeelte van de weerhaak.". Artikel 23 Minimummaat In bijlage IV bij Verordening (EG) nr. 973/2001 wordt het gedeelte betreffende zwaardvis vervangen door: "zwaardvis (Xiphias gladius) in de Atlantische Oceaan: 25 kg of 125 cm (onderkaak); zwaardvis (Xiphias gladius) in de Middellandse Zee: 110 cm (onderkaak) of 16 kg levend gewicht (gewicht van de gehele vis vóórdat deze wordt verwerkt of delen ervan worden verwijderd) of 14 kg ontkieuwd en gegromd gewicht (het gewicht nadat de kieuwen en de ingewanden zijn verwijderd) (1). (1) De in artikel 7, lid 1, tweede alinea, bedoelde tolerantiewaarde van 15% geldt niet voor zwaardvis in de Middellandse Zee". Hoofdstuk X Maatregelen betreffende de wateren rond Malta Artikel 24 De 25-mijlsbeheerszone rond Malta 1. De toegang voor vaartuigen van de Gemeenschap tot de wateren en de bestanden in het gebied tot 25 zeemijl gerekend vanaf de basislijnen rond de Maltese eilanden (hierna "de beheerszone" te noemen) wordt als volgt gereguleerd: a) de visserij binnen de beheerszone wordt beperkt tot vissersvaartuigen met een lengte over alles van minder dan 12 meter, die andere dan gesleepte vistuigen gebruiken; b) de totale visserij-inspanning van die vaartuigen, uitgedrukt in termen van totale vangstcapaciteit, mag het gemiddelde van 2000-2001, dat overeenkomt met 1950 vaartuigen met een totaal motorvermogen van 83 000 kW en een totale tonnage van 4035 GT, niet overschrijden. 2. In afwijking van lid 1, onder a), wordt trawlers met een lengte over alles van maximaal 24 meter toegestaan te vissen in bepaalde gebieden binnen de beheerszone, als aangegeven in bijlage V (a) bij deze verordening, mits is aan de volgende voorwaarden is voldaan: a) de totale vangstcapaciteit van de trawlers die in de beheerszone mogen vissen, mag het maximum van 4800 kW niet overschrijden; b) de vangstcapaciteit van trawlers die op een diepte van minder dan 200 meter mogen vissen, mag niet meer zijn dan 185 kW; de 200 meter-dieptelijn is een die de in bijlage V(b) aangegeven referentiepunten met elkaar verbindt; c) trawlers die in de beheerszone vissen, hebben een overeenkomstig artikel 7 van Verordening (EG) nr. 1627/94 afgegeven speciaal visdocument aan boord en worden met hun naam, hun internationaal registratienummer en vaartuigkenmerken opgenomen in een lijst die elk jaar door de betrokken lidstaat aan de Commissie wordt verstrekt; d) de in lid 2, onder a) en onder b), vastgestelde beperkingen van de capaciteit worden periodiek herzien na advies van de bevoegde wetenschappelijke instanties inzake de effecten van deze beperkingen op de instandhouding van de bestanden. 3. Als de totale in lid 2, onder a), bedoelde vangstcapaciteit groter is dan de totale vangstcapaciteit van trawlers met een lengte over alles van 24 meter of minder die in de referentieperiode 2000-2001 in de beheerszone hebben gevist (hierna "referentie-vangstcapaciteit" te noemen), verdeelt de Commissie deze extra beschikbare vangstcapaciteit onder de lidstaten, rekening houdend met het belang van de aanvragende lidstaat. De referentie-vangstcapaciteit bedraagt 3 600 kW. 4. Voor de in lid 3 bedoelde extra beschikbare capaciteit worden alleen speciale visdocumenten afgegeven voor vaartuigen die op de datum van toepassing van dit artikel zijn opgenomen in het communautaire vlootregister. 5. Als de totale vangstcapaciteit van de trawlers die overeenkomstig lid 2, onder c), in de beheerszone mogen vissen, groter is dan het in lid 2, onder a), vastgestelde maximum omdat dit maximum na de in lid 2, onder d, bedoelde herziening is verlaagd, verdeelt de Commissie de vangstcapaciteit als volgt onder de lidstaten: a) de vangstcapaciteit in kW van vaartuigen die in de periode 2000-2001 in de zone hebben gevist, krijgt prioriteit; b) de vangstcapaciteit in kW van vaartuigen op een ander tijdstip in de zone hebben gevist, krijgt daarna prioriteit; c) de overblijvende vangstcapaciteit van andere vaartuigen wordt verdeeld onder de lidstaten, rekening houdend met de belangen van de aanvragende lidstaten. 6. In afwijking van lid 1, onder a), wordt vaartuigen die met ringzegens of beuglijnen vissen en vaartuigen die op grond van artikel 25 op goudmakreel vissen, toegestaan te vissen in de beheerszone. Voor deze vaartuigen wordt overeenkomstig artikel 7 van Verordening (EG) nr. 1627/94 een speciaal visdocument verstrekt en deze vaartuigen worden met hun naam, hun internationaal registratienummer en vaartuigkenmerken opgenomen in een lijst die elk jaar door de betrokken lidstaat aan de Commissie wordt verstrekt; 7. Kapiteins van trawlers die op grond van lid 2 in de beheerszone mogen vissen en die niet zijn uitgerust met VMS, seinen elk binnenvaren of verlaten van de beheerszone door aan hun autoriteiten en aan de autoriteiten van de kuststaat. Artikel 25 Visserij op goudmakreel 1. In de beheerszone is de visserij op goudmakreel (Coriphaena spp.) met behulp van vis aantrekkende voorzieningen (FADs) elk jaar van 1 januari tot en met 31 juli verboden. 2. Het aantal vaartuigen dat binnen de zone op goudmakreel vist, mag niet meer bedragen dan 130. 3. De Maltese autoriteiten stellen elk jaar uiterlijk op 30 juni FAD-koerslijnen vast en wijzen elke FAD-koerslijn toe aan communautaire vissersvaartuigen. Communautaire vissersvaartuigen die een andere vlag dan die van Malta voeren, mogen binnen de 12-mijlszone geen gebruik maken van een FAD-koerslijn. 4. De Maltese autoriteiten doen de Commissie ieder jaar vóór 1 juli de lijst toekomen van vissersvaartuigen die op goudmakreel mogen vissen. 5. Voor vissersvaartuigen die op goudmakreel mogen vissen, wordt overeenkomstig artikel 7 van Verordening (EG) nr. 1627/94 een speciaal visdocument verstrekt en deze vaartuigen worden met hun naam, hun internationaal registratienummer en vaartuigkenmerken opgenomen in een lijst die elk jaar door de betrokken lidstaat aan de Commissie wordt verstrekt. Onverminderd de bepalingen van artikel 1, lid 2, van Verordening (EG) nr. 1627/94 wordt een speciaal visdocument verplicht gesteld voor vaartuigen met een lengte over alles van minder dan 10 meter. Hoofdstuk XI Slotbepalingen Artikel 26 Besluitvormingsprocedure Tenzij in deze verordening anders is bepaald, neemt de Raad besluiten volgens de procedure van artikel 37 van het Verdrag. Artikel 27 Uitvoeringsbepalingen Volgens de procedure van artikel 30, lid 2, van Verordening (EG) nr. 2371/2002 kunnen bepalingen ter uitvoering van de artikelen 8, 21, 24 en 25 van deze verordening worden vastgesteld. Artikel 28 Wijzigingen Wijzigingen van de bijlagen worden vastgesteld volgens de procedure van artikel 30, lid 3, van Verordening (EG) nr. 2371/2002. Artikel 29 Intrekking Verordening (EG) nr. 1626/94 wordt hierbij ingetrokken. Verwijzingen naar de genoemde verordening gelden als verwijzingen naar de onderhavige verordening, volgens de concordantietabel in bijlage VI. Artikel 30 Inwerkingtreding Deze verordening treedt in werking op de dertigste dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie. De artikelen 24 en 25 zijn van toepassing vanaf de datum van toetreding van Malta. Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat. Gedaan te Brussel, Voor de Raad De voorzitter [...] BIJLAGE I Technische voorwaarden voor de toebehoren bij en de optuiging van trawlnetten Begripsomschrijvingen In deze bijlage wordt verstaan onder: a) "meervoudig getwijnde netten": netten die vervaardigd zijn uit netmateriaal met twee of meer twijnen die tussen de knopen gescheiden kunnen worden zonder dat de twijnstructuur wordt aangetast; b) "knooploze netten": netten die bestaan uit mazen met vier zijden van ongeveer gelijke lengte waarbij de hoeken van de mazen worden gevormd door elkaar snijdende zijden van de maas die door elkaar heen zijn geweven; c) "netgedeelte met vierkante mazen": een netconstructie die zo is aangebracht dat van de twee stellen parallelle lijnen die door de benen van de mazen worden gevormd, het ene stel evenwijdig loopt met de lengteas van het net en het andere stel daar loodrecht op staat; d) "eigenlijke trawl": het trechtervormige deel in het voorste gedeelte van een trawlnet; e) "tunnel": het cilindervormige deel, bestaande uit een of meer panelen, tussen de eigenlijke trawl en de kuil; f) "kuil": het achterste gedeelte van een trawlnet, met dezelfde maaswijdte, cilinder- of trechtervormig; g) "ballonkuil": een kuil bestaande uit een paneel of meerdere panelen naast elkaar met dezelfde maaswijdte, waarvan de horizontale gestrekte lengte langer wordt naar het achterste gedeelte van het vistuig toe, waardoor de horizontale lengte en de omtrek van de kuil toenemen; h) "tweelingkuil": een kuil bestaande uit een paneel of meer netpanelen naast elkaar, met dezelfde maaswijdte en afmetingen, die langs de zijkanten in de as van de trawl aan elkaar zijn genaaid; i) "zakvormige kuil": een tweelingkuil waarvan de achterste boven- en onderpanelen horizontaal aan elkaar zijn genaaid, of een kuil waarvan het achterste gedeelte bestaat uit een enkelvoudig getwijnd paneel; j) "horizontale naadlijn": een externe reep die langs de lengteas van het net, horizontaal loopt langs de samenvoegingsnaad tussen het bovenpaneel en het onderpaneel of om de plooi van het enkelvoudige achterste paneel van de kuil heen. Het kan een verlengstuk van de laterale naadlijn of een aparte lijn zijn; a) Toegestane toebehoren voor trawlnetten 1. Onverminderd artikel 8 van Verordening (EEG) nr. 3440/84, mag een horizontale of in de lengterichting aangebrachte mechanische ritssluiting worden gebruikt om de opening voor het legen van de zakvormige kuil, af te sluiten. 2. De horizontale ritssluiting wordt op niet meer dan 1 meter van de achterste mazen van de kuil bevestigd. b) Vereisten met betrekking tot de optuiging 1. Bij trawlnetten zijn ballonkuilen verboden. In enkelvoudige kuilen mag het aantal mazen met dezelfde maaswijdte in de omtrek van de kuil van voor naar achteren niet toenemen. 2. De omtrek van het achterste gedeelte van de eigenlijke trawl (het trechtervormige deel) of van de tunnel (het cilindervormige deel) moet ten minste 10% groter zijn dan de omtrek van de voorkant van de kuil in enge zin. Deze bepaling is van toepassing op alle trawlnetten met een maaswijdte van 60 mm of minder. 3. In sleepnetten mogen panelen met vierkante mazen worden aangebracht in de bovenste helft of de bovenkant van een net vóór de tunnel, dan wel op enig punt tussen de voorkant van de tunnel en het achtereinde van de kuil; zij mogen op geen enkele wijze worden geblokkeerd door aan de binnen- of buitenzijde aangebrachte toebehoren. Zij moeten vervaardigd zijn uit knooploos netmateriaal of netmateriaal met niet-slippende knopen en moeten zo zijn aangebracht dat de mazen bij het vissen steeds volledig open blijven. De nadere regels voor de verdere technische specificaties van panelen met vierkante mazen worden vastgesteld overeenkomstig de procedure van artikel 27 van deze verordening. 4. Het is verboden sleepnetten aan boord te hebben of te gebruiken waarvan de kuil geheel of gedeeltelijk bestaat uit netmateriaal met andere dan vierkante of ruitvormige mazen. 5. Lid 4 is niet van toepassing op bootzegens waarvan de kuil een maaswijdte van 10 mm of minder heeft. 6. In afwijking van artikel 6, lid 4, van Verordening (EEG) nr. 3440/84 mag voor bodemtrawlers de overkuil niet minder zijn dan 120 mm, als de maaswijdte van de kuil kleiner is dan 60 mm. Deze bepaling geldt alleen voor de Middellandse Zee en heeft geen betrekking op andere wateren van de Gemeenschap. Als de maaswijdte van de kuil gelijk aan of groter dan 60 mm is, is artikel 6, lid 4, van Verordening (EEG) nr. 3440/84 van toepassing. 7. De zakvormige kuil mag slechts één opening hebben voor het legen. 8. De lengte van de horizontale naadlijn mag niet korter zijn dan 20% van de omtrek van de kuil. 9. De omtrek van de overkuil, als omschreven in artikel 6 van Verordening (EEG) nr. 3440/84 van de Commissie, mag niet minder zijn dan 1,3 maal die van de kuil. 10. Het is verboden sleepnetten aan boord te hebben of te gebruiken die, in de kuil, geheel of gedeeltelijk vervaardigd zijn uit enkelvoudig getwijnd netmateriaal met een dikte van meer dan 3,5 mm. 11. Het is verboden sleepnetten aan boord te hebben of te gebruiken die, in de kuil, geheel of gedeeltelijk vervaardigd zijn uit meervoudig getwijnd netmateriaal. 12 Nergens in het bodemtrawlnet mag netmateriaal worden gebruikt met een twijndikte van meer dan 6 mm. BIJLAGE II Vereisten met betrekking tot de kenmerken van vistuig Begripsomschrijvingen Voor deze bijlage geldt: 1) dat de lengte van de netten gelijk is aan die van de drijflijn. De lengte van bodemnetten en drijfnetten kan tevens worden bepaald aan de hand van het gewicht of het volume van hun massa. 2) dat de hoogte van de netten gelijk is aan het totaal van de hoogten van de natte mazen, knopen inbegrepen, wanneer deze loodrecht zijn gestrekt ten opzichte van de drijflijn. 1. Dreggen Dreggen mogen maximaal 4 m breed zijn, behalve dreggen voor de sponsvisserij (gagava). 2. Ringnetten (ringzegens en zegens zonder sluitlijn) De netten mogen maximaal 800 m lang en 120 m diep zijn, met uitzondering van zegennetten voor de tonijnvisserij. 3. Schakels en kieuwnetten De hoogte van schakels mag niet meer bedragen dan 4 m. De hoogte van geankerde kieuwnetten en geankerde drijvende kieuwnetten mag niet meer bedragen dan 10 m. Het is verboden meer dan 4 000 m schakel, geankerd kieuwnet of geankerd drijvend kieuwnet per vaartuig aan boord te hebben of uit te zetten. De diameter van het garen van geankerde kieuwnetten en geankerde drijvende kieuwnetten mag niet meer bedragen dan 0,5 mm. 4. Gecombineerde bodemnetten (schakels + kieuwnetten) De hoogte van gecombineerde bodemnetten mag niet meer bedragen dan 10 m. Het is verboden meer dan 2 500 m gecombineerd bodemnet per vaartuig aan boord te hebben of uit te zetten. De diameter van het garen van het kieuwnet mag niet meer bedragen dan 0,5 mm. 5. Drijfnetten Het is verboden drijfnetten aan boord te hebben of uit te zetten die langer zijn dan de bij Verordening (EG) nr. 894/97 houdende technische maatregelen voor de instandhouding van de visbestanden [18] vastgestelde maximumlengte, gewijzigd door Verordening (EG) nr. 1239/98 [19] van 8 juni 1998. [18] PB L 132 van 23.5.1997, blz. 1. [19] PB L 171 van 17.6.1998, blz. 1. 6. Grondbeug Het is verboden meer dan 7 000 m grondbeug per vaartuig aan boord te hebben of uit te zetten. 7. Korflijnen voor de visserij op diepzee-schaaldieren Het is verboden meer dan 5 km korflijn per vaartuig aan boord te hebben of uit te zetten. 8. Drijvende beug Het is verboden meer dan 60 km drijvende beug per vaartuig aan boord te hebben of uit te zetten. Bijlage III Minimummaten van mariene organismen WETENSCHAPPELIJKE NAAM // Minimummaat 1. Vissen // Dicentrarchus labrax // 25 cm Diplodus annularis // 12 cm Diplodus puntazzo // 18 cm Diplodus sargus // 23 cm Diplodus vulgaris // 18 cm Engraulis encrasicolus * // 11 cm Epinephelus spp. // 45 cm Lithognathus mormyrus // 20 cm Merluccius merluccius // 15 cm (t/m 31 december 2008) 20 cm (t/m 1 januari 2009) Mullus spp. // 11 cm Pagellus acarne // 17 cm Pagellus bogaraveo // 33 cm Pagellus erythrinus // 15 cm Pagrus pagrus // 18 cm Polyprion americanus // 45 cm Sardina pilchardus** // 13 cm Scomber japonicus // 18 cm Scomber scombrus // 18 cm Solea vulgaris // 25 cm Sparus aurata // 20 cm Trachurus spp. // 15 cm 2. Schaaldieren // Homarus gammarus // 30 cm TL Nephrops norvegicus // 20 mm SL 70 mm TL // Palinuridae // 105 mm SL Parapenaeus longirostris // 20 mm SL 3. Tweekleppige weekdieren // Pecten jacobeus // 11 cm TL = totale lengte; SL = schaallengte. (*) Ansjovis: lidstaten mogen de minimummaat omzetten in 110 exemplaren per kg; (**) Sardine: lidstaten mogen de minimummaat omzetten in 55 exemplaren per kg. Bijlage IV Bepaling van de afmeting van mariene organismen 1. Vissen worden, zoals figuur 1 laat zien, gemeten van de punt van de bek tot het uiteinde van de staartvin. 2. Langoestines (Nephrops norvegicus) worden, zoals figuur 2 laat zien, gemeten: - in de lengte van de schaal, evenwijdig aan de middellijn, vanaf de achterkant van een oogkas tot aan de verste rand van het kopborststuk, en/of - in de totale lengte, vanaf de punt van het rostrum tot aan het achterste uiteinde van het telson, met uitsluiting van de setae (borstelharen). 3. Kreeften (Homarus gammarus) worden, zoals figuur 3 laat zien, gemeten in de totale lengte, vanaf de punt van het rostrum tot aan het achterste uiteinde van het telson, met uitsluiting van de setae (borstelharen). 4. Langoesten (Palinuridae) worden, zoals figuur 4 laat zien, gemeten in de lengte van de schaal vanaf de punt van het rostrum tot aan het midden van de verste rand van het kopborststuk. 6. Tweekleppige weekdieren worden, zoals figuur 5 laat zien, gemeten over de grootste afmeting van de schelp. Figuur 1 >REFERENTIE NAAR EEN GRAFIEK> Figuur 2 >REFERENTIE NAAR EEN GRAFIEK> (Nephrops) Langoestine (a) Lengte van de schaal (b) Totale lengte Figuur 3 >REFERENTIE NAAR EEN GRAFIEK> (Homarus) Zeekreeft (a) Lengte van de schaal (b) Totale lengte Figuur 4 >REFERENTIE NAAR EEN GRAFIEK> >REFERENTIE NAAR EEN GRAFIEK> >REFERENTIE NAAR EEN GRAFIEK> Figuur 5 >REFERENTIE NAAR EEN GRAFIEK> Bijlage V 25-mijlsbeheerszone rond de Maltese eilanden a) gebieden in de wateren rond de Maltese eilanden waar met trawlnetten mag worden gevist: geografische coördinaten Zone A // Zone H A1 - 36.0172°NB, 14.1442°OL A2 - 36.0289°NB, 14.1792°OL A3 - 35.9822°NB, 14.2742°OL A4 - 35.8489°NB, 14.3242°OL A5 - 35.8106°NB, 14.2542°OL A6 - 35.9706°NB, 14.2459°OL // H1 - 35.6739°NB, 14.6742°OL H2 - 35.4656°NB, 14.8459°OL H3 - 35.4272°NB, 14.7609°OL H4 - 35.5106°NB, 14.6325°OL H5 - 35.6406°NB, 14.6025°OL Zone B // Zone I B1 - 35.7906°NB, 14.4409°OL B2 - 35.8039°NB, 14.4909°OL B3 - 35.7939°NB, 14.4959°OL B4 - 35.7522°NB, 14.4242°OL B5 - 35.7606°NB, 14.4159°OL B6 - 35.7706°NB, 14.4325°OL // I1 - 36.1489°NB, 14.3909°OL I2 - 36.2523°NB, 14.5092°OL I3 - 36.2373°NB, 14.5259°OL I4 - 36.1372°NB, 14.4225°OL Zone C // Zone J C1 - 35.8406°NB, 14.6192°OL C2 - 35.8556°NB, 14.6692°OL C3 - 35.8322°NB, 14.6542°OL C4 - 35.8022°NB, 14.5775°OL // J1 - 36.2189°NB, 13.9108°OL J2 - 36.2689°NB, 14.0708°OL J3 - 36.2472°NB, 14.0708°OL J4 - 36.1972°NB, 13.9225°OL Zone D // Zone K D1 - 36.0422°NB, 14.3459°OL D2 - 36.0289°NB, 14.4625°OL D3 - 35.9989°NB, 14.4559°OL D4 - 36.0289°NB, 14.3409°OL // K1 - 35.9739°NB, 14.0242°OL K2 - 36.0022°NB, 14.0408°OL K3 - 36.0656°NB, 13.9692°OL K4 - 36.1356°NB, 13.8575°OL K5 - 36.0456°NB, 13.9242°OL Zone E // Zone L E1 - 35.9789°NB, 14.7159°OL E2 - 36.0072°NB, 14.8159°OL E3 - 35.9389°NB, 14.7575°OL E4 - 35.8939°NB, 14.6075°OL E5 - 35.9056°NB, 14.5992°OL // L1 - 35.9856°NB, 14.1075°OL L2 - 35.9956°NB, 14.1158°OL L3 - 35.9572°NB, 14.0325°OL L4 - 35.9622°NB, 13.9408°OL Zone F // Zone M F1 - 36.1423°NB, 14.6725°OL F2 - 36.1439°NB, 14.7892°OL F3 - 36.0139°NB, 14.7892°OL F4 - 36.0039°NB, 14.6142°OL // M1 - 36.4856°NB, 14.3292°OL M2 - 36.4639°NB, 14.4342°OL M3 - 36.3606°NB, 14.4875°OL M4 - 36.3423°NB, 14.4242°OL M5 - 36.4156°NB, 14.4208°OL Zone G // Zone N G1 - 36.0706°NB, 14.9375°OL G2 - 35.9372°NB, 15.0000°OL G3 - 35.7956°NB, 14.9825°OL G4 - 35.7156°NB, 14.8792°OL G5 - 35.8489°NB, 14.6825°OL // N1 - 36.1155°NB, 14.1217°OL N2 - 36.1079°NB, 14.0779°OL N3 - 36.0717°NB, 14.0264°OL N4 - 36.0458°NB, 14.0376°OL N5 - 36.0516°NB, 14.0896°OL N6 - 36.0989°NB, 14.1355°OL b) Geografische coördinaten van enkele referentiepunten langs de dieptelijn van 200 m binnen de 25-mijlsbeheerszone ID Breedtegraad Lengtegraad 1 36.3673°NB 14.5540°OL 2 36.3159°NB 14.5567°OL 3 36.2735°NB 14.5379°OL 4 36.2357°NB 14.4785°OL 5 36.1699°NB 14.4316°OL 6 36.1307°NB 14.3534°OL 7 36.1117°NB 14.2127°OL 8 36.1003°NB 14.1658°OL 9 36.0859°NB 14.152°OL 10 36.0547°NB 14.143°OL 11 35.9921°NB 14.1584°OL 12 35.9744°NB 14.1815°OL 13 35.9608°NB 14.2235°OL 14 35.9296°NB 14.2164°OL 15 35.8983°NB 14.2328°OL 16 35.867°NB 14.4929°OL 17 35.8358°NB 14.2845°OL 18 35.8191°NB 14.2753°OL 19 35.7863°NB 14.3534°OL 20 35.7542°NB 14.4316°OL 21 35.7355°NB 14.4473°OL 22 35.7225°NB 14.5098°OL 23 35.6951°NB 14.5365°OL 24 35.6325°NB 14.536°OL 25 35.57°NB 14.5221°OL 26 35.5348°NB 14.588°OL 27 35.5037°NB 14.6192°OL 28 35.5128°NB 14.6349°OL 29 35.57°NB 14.6717°OL 30 35.5975°NB 14.647°OL 31 35.5903°NB 14.6036°OL 32 35.6034°NB 14.574°OL 33 35.6532°NB 14.5535°OL 34 35.6726°NB 14.5723°OL 35 35.6668°NB 14.5937°OL 36 35.6618°NB 14.6424°OL 37 35.653°NB 14.6661°OL 38 35.57°NB 14.6853°OL 39 35.5294°NB 14.713°OL 40 35.5071°NB 14.7443°OL 41 35.4878°NB 14.7834°OL 42 35.4929°NB 14.8247°OL 43 35.4762°NB 14.8246°OL 44 36.2077°NB 13.947°OL 45 36.1954°NB 13.96°OL 46 36.1773°NB 13.947°OL 47 36.1848°NB 13.9313°OL 48 36.1954°NB 13.925°OL 49 35.4592°NB 14.1815°OL 50 35.4762°NB 14.1895°OL 51 35.4755°NB 14.2127°OL 52 35.4605°NB 14.2199°OL 53 35.4453°NB 14.1971°OL Bijlage VI Concordantietabel Verordening (EG) nr. 1626/94 // Onderhavige verordening Artikel 1, lid 1 // Artikel 1, lid 1 Artikel 1, lid 2, eerste alinea // Artikel 6, artikel 15 en artikel 17 Artikel 1, lid 2, tweede alinea // Artikel 3 Artikel 2, lid 1 en lid 2 // Artikel 7 Artikel 2, lid 3 // Artikel 15 en artikel 17 Artikel 3, lid 1, eerste alinea // Artikel 12, lid 1, eerste alinea, en lid 5 Artikel 3, lid 1, tweede en derde (1 bis) alinea // Artikel 12, lid 2, en artikel 17 Artikel 3, lid 2 // Artikel 12, lid 1, tweede alinea, artikel 17 Artikel 3, lid 3 // Artikel 4 Artikel 3, lid 4 // Artikel 12, lid 3 Artikel 4 // Artikel 6 Artikel 5 // Artikel 11 en bijlage II Artikel 6, lid 1, lid 1 bis, en lid 2 // Artikel 8 en artikel 17 Artikel 6, lid 3 // Bijlage II Artikel 7 // Artikel 20 Artikel 8, lid 1 en lid 3 // Artikel 13, bijlage III en bijlage IV Artikel 9 // Artikel 1, lid 2 Artikel 10 // ---- Artikel 11 // Artikel 30 Bijlage I // Artikel 3 en artikel 4 Bijlage II // Artikel 10, bijlage I en bijlage II Bijlage III // Artikel 8, lid 3, lid 4 en lid 5 Bijlage IV // Bijlage III