Voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Richtlijn 77/799/EEG van de Raad betreffende de wederzijdse bijstand van de bevoegde autoriteiten van de lidstaten op het gebied van de directe en indirecte belastingen /* COM/2003/0446 def. - COD 2003/0170 */
Voorstel voor een RICHTLIJN VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD tot wijziging van Richtlijn 77/799/EEG van de Raad betreffende de wederzijdse bijstand van de bevoegde autoriteiten van de lidstaten op het gebied van de directe en indirecte belastingen (door de Commissie ingediend) TOELICHTING 1. INLEIDING De richtlijn inzake wederzijdse bijstand dateert van 1977. Hierin zijn de regels vastgelegd voor wederzijdse bijstand en uitwisseling van informatie door de bevoegde autoriteiten van de lidstaten zodat zij hun belastingwetgeving adequaat kunnen toepassen. Een dergelijk instrument was nodig omdat het gevaar steeds groter werd dat internationale belastingontduiking en -ontwijking zouden leiden tot verlies van overheidsinkomsten en inbreuk zouden maken op het beginsel van fiscale rechtvaardigheid. Dit zou dan weer verstoringen kunnen veroorzaken in het kapitaalverkeer en in de concurrentievoorwaarden, wat negatieve gevolgen zou hebben op de werking van de gemeenschappelijke markt (nu de interne markt genoemd). Hoewel de lidstaten in de meeste gevallen bilaterale verdragen hebben gesloten met andere lidstaten, worden deze als onvoldoende beschouwd in de strijd tegen nieuwe vormen van belastingontduiking en -ontwijking, die een multinationaal karakter leken te krijgen. Daarom bestond er behoefte aan meer samenwerking tussen de belastingadministraties van de lidstaten overeenkomstig gemeenschappelijke beginselen en regels. In de richtlijn worden drie typen van informatie-uitwisseling gedefinieerd: op verzoek, automatisch en spontaan. De richtlijn kent ook garanties in verband met geheimhouding, zodat bij het omgaan met dergelijke informatie de rechten van belastingbetalers gerespecteerd worden. Daarnaast werden er beperkingen gesteld aan de uitwisseling van informatie zodat deze op gelijkwaardige basis geschiedt. Een lidstaat kan geen informatie opvragen bij een andere lidstaat als de verzoekende staat op grond van zijn eigen wetgeving of bestuurlijke praktijk dergelijke informatie niet kan verkrijgen. De richtlijn voorziet ook in samenwerking tussen de lidstaten en de Commissie om de werking van de samenwerkingsprocedures in de praktijk permanent te bestuderen, zodat de Commissie kan besluiten of deze verbeterd moeten worden door passende communautaire regels uit te werken. Toen de richtlijn voor het eerst werd goedgekeurd, gold deze alleen voor de directe belastingen. Later werd de richtlijn gewijzigd en werden ook de BTW en later accijnzen erin opgenomen. Vrij recent heeft de Commissie een voorgestel gepresenteerd (COM (2001) 294 def.) voor een volledig gescheiden richtlijn voor de BTW en er zal een ander voorstel gedaan worden voor een nieuwe richtlijn die uitsluitend betrekking heeft op accijnzen. De oorspronkelijke richtlijn bestaat een kwarteeuw en werd opgesteld in omstandigheden die wezenlijk anders waren dan vandaag de dag. Daarom is dit een geschikt moment om de richtlijn te herzien en te moderniseren, waarbij rekening gehouden wordt met de verschillen tussen de diverse soorten belasting, en de bepalingen beter te laten aansluiten op de afspraken met betrekking tot administratieve samenwerking en wederzijdse bijstand op het gebied van indirecte belastingen. 2. De ad hoc werkgroep belastingfraude In september 1999 werd door het comité van permanente vertegenwoordigers (Coreper) een werkgroep op hoog niveau opgezet, bestaande uit door de lidstaten aangewezen ambtenaren die verantwoordelijk zijn voor belastingcontroles, en een vertegenwoordiger van de Commissie. De lidstaat die het voorzitterschap van de Raad vervulde, fungeerde als voorzitter. De groep moest voor 30 mei 2000 een rapport presenteren aan het Coreper, zodat dit voorgelegd kon worden aan de Raad Economische en financiële zaken (Ecofin). De ad hoc werkgroep had onder meer de volgende taken: * evaluatie van de stand van zaken met betrekking tot belastingfraude; * opsporing van eventuele zwakke punten in de bestaande communautaire regels en controlesystemen; * onderzoek naar de doelmatigheid van de bestaande afspraken op het gebied van administratieve samenwerking in de strijd tegen belastingontduiking en -fraude, zowel op het gebied van de directe als de indirecte belastingen; en * onderzoek naar de mogelijkheid om de administratieve samenwerking op deze terreinen te verbeteren, en voorstellen doen voor nieuwe regelingen of maatregelen die de werkgroep geschikt acht. Hierbij moest rekening gehouden worden met de resultaten van alle eerdere of lopende werkzaamheden van vergelijkbare organen. De werkgroep heeft zijn rapport op tijd ingeleverd (Raadsdocument 8668/00 FISC 67 CRIMORG 83). Het rapport omvatte veel aanbevelingen: sommige hadden betrekking op de bestaande regels voor administratieve samenwerking en wederzijdse bijstand, waarin lidstaten al veranderingen van organisatorische aard konden aanbrengen zonder dat hier aanvullende wetgeving voor nodig is. Volgens het rapport zijn er echter ook veranderingen nodig in de nationale en communautaire wetgeving. Volgens de auteurs moeten bepaalde zwakke punten uit de bestaande richtlijn gehaald worden, zodat deze verbetert. Nadat de Raad Ecofin kennis had genomen van de inhoud van het rapport, bekeek de Commissie hoe gevolg kan worden gegeven aan de aanbevelingen van de ad hoc werkgroep, voor zover deze betrekking hadden op directe belastingen. In dit verband begon de Commissie overleg in het kader van een door de Commissie voorgezeten werkgroep bestaande uit deskundigen uit de lidstaten. Binnen dit forum werd tijdens drie vergaderingen getracht tot overeenstemming te komen. 3. Overzicht van de voorgestelde wijzigingen op de bestaande artikelen en de nieuwe bepalingen op basis van de Spaanse voorstellen 1. Artikel 1. In dit artikel worden de voorgestelde veranderingen tegenover de bestaande artikelen van de richtlijn vermeld. 2. De eerste verandering heeft betrekking op artikel 2 van de richtlijn, waarin de uitwisseling van informatie op verzoek is geregeld. In artikel 2, lid 2, staat dat de bevoegde autoriteit in de ene lidstaat vaak een onderzoek zal moeten instellen om de informatie te verkrijgen die nodig is om te kunnen voldoen aan een verzoek van de bevoegde autoriteit van een andere lidstaat. 3. Een aantal lidstaten zijn volgens hun binnenlandse wetgeving procedureel verplicht een belastingbetaler ervan op de hoogte te stellen dat een verzoek om bijstand is ontvangen van de bevoegde autoriteit van een andere lidstaat. Volgens de ad hoc werkgroep is dit een zwak punt in de bestaande procedure omdat hierdoor de waarde van de door de verzoekende staat ontvangen informatie beperkt wordt en het proces van informatieverzameling vertraagd wordt. Dergelijke vertragingen kunnen het onderzoeksproces ondermijnen en zijn alleen in het belang van de belastingontduiker. 4. Er is geen sprake van een dergelijke verplichting wanneer deze lidstaten zelf een onderzoek instellen. Als gevolg van het feit dat deze procedures verschillen, duurt het aanzienlijk langer om informatie te verzamelen ten behoeve van een andere lidstaat dan voor een binnenlands onderzoek. Dergelijke vertraging is nadelig voor zowel de belangen van de lidstaat die probeert toe te zien op de naleving van zijn belastingwetgeving als voor de algemene belangen van de Europese Unie, omdat de interne markt hierdoor niet optimaal kan functioneren. 5. Voorgesteld wordt de richtlijn zodanig te wijzigen dat ieder verzoek om informatie op dezelfde wijze behandeld wordt als binnenlandse verzoeken, overeenkomstig de praktijk in de staat waarin de autoriteit die de informatie verzamelt is gevestigd. De formulering van de voorgestelde wijziging is dezelfde als in het voorstel met betrekking tot BTW in artikel 5, lid 3 [1]. [1] COM (2001) 294 def. 6. Een ander zwak punt in de bestaande richtlijn is volgens de ad hoc werkgroep artikel 7, lid 1. Momenteel kan informatie alleen bekendgemaakt worden wanneer de bevoegde autoriteit van de lidstaat die de informatie verstrekt heeft daar geen bezwaar tegen maakt. Volgens de ad hoc groep was de bestaande tekst dubbelzinnig. Sommige lidstaten waren van mening dat de bevoegde autoriteit die de informatie verstrekt expliciet toestemming moest geven voordat de informatie in een gerechtelijke procedure gebruikt mocht worden. Andere lidstaten meenden daarentegen dat ervan uit kon worden gegaan dat stilzwijgende toestemming was verleend als geen bezwaar was gemaakt. De nieuwe formulering beoogt alle mogelijke vertraging uit te sluiten doordat gerechtelijke procedures niet opgeschort hoeven te worden in afwachting van goedkeuring, in de lidstaten waar expliciete goedkeuring noodzakelijk wordt geacht. Dit zou nu van meet af aan duidelijk zijn. 7. De bestaande tekst van artikel 8, lid 1, was volgens sommigen voor meerdere interpretaties vatbaar. De Commissie wil van de gelegenheid gebruik maken om de tekst zodanig te herzien dat eventuele dubbelzinnigheid uitgesloten is. Tijdens de discussies in de werkgroep van deskundigen waren de lidstaten het eens met de interpretatie van de Commissie dat een lidstaat volgens de huidige formulering niet kan weigeren informatie te verkrijgen of te verstrekken omdat de betreffende informatie niet nodig is voor binnenlandse belastingdoeleinden. Het artikel had alleen betrekking op informatie die de lidstaten ook niet voor eigen doeleinden mochten verzamelen of gebruiken. De tekst is zodanig herzien dat dit nu expliciet geformuleerd is. 8. Ook de formulering van artikel 8, lid 3, was dubbelzinnig omdat niet duidelijk was waarnaar "de betreffende staat" verwijst: de staat die om de informatie verzoekt of de staat waaraan dat verzoek gericht is? Volgens de Commissie kan dit alleen betrekking hebben op de staat die om de informatie verzoekt. De lidstaten waren het eens met deze interpretatie en de gewijzigde tekst is zodanig geformuleerd dat dubbelzinnigheid voorkomen wordt. 9. In de voorgestelde nieuwe richtlijn worden ook nieuwe elementen geïntroduceerd, waarin voorstellen verwerkt zijn die gedaan werden tijdens de vergaderingen van de werkgroep van deskundigen. Hierdoor sluiten de bepalingen met betrekking tot directe belastingen beter aan op de bepalingen met betrekking tot indirecte belastingen. 10. In het voorgestelde nieuwe artikel 8, lid a, wordt de procedure beschreven die gevolgd moet worden wanneer een belastingbetaler op de hoogte gesteld moet worden van akten of besluiten van de administratieve overheden van de lidstaat waar hij belastingplichtig is. 11. Niet in elke lidstaat bestaat een dergelijke notificatieplicht, maar voor de lidstaten waar dat wel het geval is, zou het erg handig zijn als deze procedures namens hen uitgevoerd worden door de bevoegde autoriteit van een andere lidstaat. Wanneer in deze lidstaat dergelijke procedures niet verplicht zijn voor de inning en de invordering van belastingschulden overeenkomstig de nationale wetten, is het waarschijnlijk dat de betreffende belastingambtenaren zich niet bewust zijn van het belang daarvan voor de verzoekende staat. In de voorgestelde wijziging van de richtlijn wordt de nadruk gelegd op het belang van dergelijke procedures en wordt het gemakkelijker in een later stadium actie te ondernemen in het kader van de richtlijn inzake wederzijdse bijstand inzake de invordering van schuldvorderingen. 12. Het nieuwe artikel 8, lid b, heeft betrekking op gelijktijdige controle van de dossiers van een belastingbetaler die in twee of meer lidstaten actief is. Gelijktijdige controles worden beschouwd als een van de efficiëntste manieren waarop bevoegde autoriteiten informatie kunnen uitwisselen. De ad hoc werkgroep heeft erop aangedrongen aandacht te besteden aan de aanpak van misbruik in de vorm van over- en onderfacturering bij grensoverschrijdende transacties tussen verwante entiteiten (verrekenprijzen), door meer informatie uit te wisselen. Voorgesteld wordt de samenwerking tussen de verschillende belastingdiensten onder andere te intensiveren door middel van gesynchroniseerde inspecties. De wijziging van de richtlijn maakt dergelijke controles mogelijk, maar alleen als de bevoegde autoriteiten het eens zijn over deelname. 2003/0170 (CNS) Voorstel voor een RICHTLIJN VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD tot wijziging van Richtlijn 77/799/EEG van de Raad betreffende de wederzijdse bijstand van de bevoegde autoriteiten van de lidstaten op het gebied van de directe en indirecte belastingen HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE , Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, inzonderheid op artikel 95, Gezien het voorstel van de Commissie [2], [2] PB C [...], [...], blz. [...]. Gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité [3], [3] PB C [...], [...], blz. [...]. Overwegende hetgeen volgt: (1) In Richtlijn 77/799/EEG van de Raad van 19 december 1977 betreffende de wederzijdse bijstand van de bevoegde autoriteiten van de lidstaten op het gebied van de directe en indirecte belastingen [4] zijn de basisregels gedefinieerd voor administratieve samenwerking en de uitwisseling van informatie tussen de lidstaten om belastingontduiking en -fraude op te sporen en te voorkomen. Deze regels moeten verbeterd, uitgebreid en aan de moderne tijd aangepast worden. [4] PB.L 336,27.12.1977.blz.15 (2) Indien een lidstaat een onderzoek instelt om te voldoen aan een verzoek om informatie, moet dit beschouwd worden als handelen uit eigen beweging; op die manier geldt er slechts één pakket regels voor het proces van informatieverzameling, ongeacht de locatie van de belastingbetaler, en wordt het onderzoek niet ondermijnd door vertragingen. (3) Om belastingfraude doeltreffend te kunnen bestrijden, is het niet wenselijk dat een lidstaat die informatie heeft ontvangen van een andere lidstaat een verzoek moet indienen om die informatie te mogen gebruiken in een rechtszaak of een andere procedure. (4) Er moet duidelijk gesteld worden dat een lidstaat niet verplicht is een onderzoek in te stellen om informatie te verkrijgen om te voldoen aan een verzoek om bijstand wanneer de wetgeving of de bestuurlijke praktijk de bevoegde autoriteit niet toestaat een dergelijk onderzoek in te stellen of zodanige inlichtingen in te winnen. (5) De bevoegde autoriteit van een lidstaat moet een verzoek om informatie of bijstand mogen weigeren wanneer de verzoekende lidstaat op rechts- of feitelijke gronden dergelijke informatie zelf niet kan verstrekken. (6) In bepaalde lidstaten is het wettelijk verplicht een belastingbetaler in kennis te stellen van besluiten of akten met betrekking tot zijn belastingplicht en de daarmee samenhangende problemen voor belastingdiensten indien de belastingbetaler naar een andere lidstaat verhuisd is. In dergelijke gevallen is het wenselijk dat deze autoriteiten indien nodig een beroep kunnen doen op de hulp van de bevoegde autoriteiten in de lidstaat waar de belastingbetaler naartoe verhuisd is. (7) Aangezien ondernemingen vaak zodanig georganiseerd zijn dat filialen en verwante entiteiten in verschillende lidstaten gevestigd zijn en onderling zakelijke transacties aangaan, is het vaak noodzakelijk na te gaan of hierbij wel op arm's length gebaseerde prijzen zijn gehanteerd en of in een of meer lidstaten eventueel belastingderving ontstaat. Daarom moet de mogelijkheid gecreëerd worden om gelijktijdige controles door twee of meer lidstaten uit te voeren bij dergelijke ondernemingen, zodat informatie uitgewisseld kan worden waardoor de belastingplicht van iedere betrokken entiteit correct vastgesteld kan worden. (8) Richtlijn 77/799/EEG dient derhalve dienovereenkomstig te worden gewijzigd. HEBBEN DE VOLGENDE RICHTLIJN VASTGESTELD: Artikel 1 Richtlijn 77/799/EEG wordt als volgt gewijzigd: (1) Na artikel 2, lid 2, wordt een nieuw lid 3 toegevoegd, dat als volgt luidt: "Om de gevraagde informatie te verkrijgen, zal de betreffende autoriteit of de administratieve autoriteit waarop zij een beroep doet op dezelfde wijze te werk gaan als wanneer zij uit eigen beweging of op verzoek van een andere autoriteit in de eigen lidstaat een onderzoek instelt." (2) Onder het tweede streepje van artikel 7, lid 1, wordt het tweede deel van de zin als volgt vervangen: "deze inlichtingen mogen echter tijdens openbare rechtszittingen of bij rechterlijke uitspraken worden vermeld, indien de bevoegde autoriteit van de lidstaat die de inlichtingen verstrekt, daar geen bezwaar tegen maakt op het moment dat de informatie in eerste instantie verstrekt wordt." (3) Artikel 8 wordt als volgt gewijzigd: (a) Lid 1 wordt vervangen door de volgende tekst: "De bepalingen van deze richtlijn verplichten een lidstaat niet tot het instellen van een onderzoek of het verstrekken van informatie wanneer de wetgeving of de bestuurlijke praktijk van de lidstaat waaraan het verzoek gericht is, de bevoegde autoriteit van die lidstaat niet toestaat een onderzoek in te stellen of de gevraagde informatie in te winnen." (b) Lid 3 wordt vervangen door de volgende tekst: "De bevoegde autoriteit van een lidstaat kan weigeren informatie over te dragen wanneer de verzoekende lidstaat op rechts- of feitelijke gronden dergelijke informatie zelf niet kan verstrekken." (4) De volgende aanvullende artikelen 8a en 8b worden toegevoegd: "Artikel 8a Notificatieprocedure 1. Op verzoek van de bevoegde autoriteit in een lidstaat stelt de bevoegde autoriteit van een andere lidstaat, overeenkomstig de rechtsvoorschriften met betrekking tot de notificatie van soortgelijke akten die van toepassing zijn in de lidstaat waar de aangezochte autoriteit gevestigd is, de geadresseerde in kennis van alle akten en besluiten die zijn uitgevaardigd door de administratieve autoriteiten in de lidstaat waar de verzoekende autoriteit gevestigd is en die betrekking hebben op de toepassing van de wetgeving op het gebied van directe belastingen. 2. In een verzoek tot notificatie dienen de naam en het adres van de geadresseerde vermeld te worden, evenals enige andere informatie op basis waarvan de geadresseerde gemakkelijker achterhaald kan worden, en de akte of het besluit waarvan de geadresseerde op de hoogte gesteld moet worden. 3. De aangezochte autoriteit brengt de verzoekende autoriteit onverwijld op de hoogte van het gevolg dat aan het verzoek tot notificatie is gegeven en, meer in het bijzonder, van de datum waarop de akte of het besluit de geadresseerde ter kennis is gebracht. Artikel 8b Gelijktijdige controles 1. Wanneer belastingsituatie van een of meer belastingplichtige personen van gezamenlijk of complementair belang is, voeren de lidstaten binnen hun grondgebied gelijktijdige controles uit, met het doel om de aldus verkregen informatie uit te wisselen. Zij gaan over tot dergelijke gelijktijdige controles wanneer deze doeltreffender worden geacht dan controles door slechts één lidstaat. 2. De bevoegde autoriteit van elke lidstaat stelt op onafhankelijke wijze vast welke belastingplichtigen zij aan een gelijktijdige controle wil onderwerpen. Zij stelt de betrokken bevoegde autoriteiten van de andere lidstaten op de hoogte van de keuze van de dossiers die naar haar mening in aanmerking komen voor een gelijktijdige controle. Zij motiveert haar keuze zoveel mogelijk door de informatie te verstrekken die tot deze keuze heeft geleid. Zij geeft aan binnen welke termijn dergelijke controles uitgevoerd moeten worden. 3. De bevoegde autoriteit van iedere betrokken lidstaat neemt een besluit over deelname aan deze gelijktijdige controles. De bevoegde autoriteit aan wie een gelijktijdige controle wordt voorgesteld, bevestigt de bevoegde autoriteit van wie het voorstel uitging schriftelijk of zij de uitvoering van deze controle aanvaardt, dan wel afwijst. 4. De bevoegde autoriteiten wijzen een vertegenwoordiger aan die verantwoordelijk is voor de leiding en de coördinatie van de controle." Artikel 2 De lidstaten zullen uiterlijk op [...] de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen goedkeuren en publiceren om aan deze richtlijn te voldoen. Zij stellen de Commissie onverwijld in kennis van de tekst van deze bepalingen, voorzien van een concordantietabel waaruit de overeenstemming tussen deze bepalingen en deze Richtlijn blijkt. Wanneer de lidstaten die bepalingen aannemen, wordt in de bepalingen zelf of bij de officiële bekendmaking daarvan naar deze richtlijn verwezen. De regels voor deze verwijzing worden vastgesteld door de lidstaten. Artikel 3 Deze richtlijn treedt in werking op de twintigste dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie. Artikel 4 Deze richtlijn is gericht tot de lidstaten. Gedaan te Brussel, [...] Voor het Europees Parlement Voor de Raad De Voorzitster De Voorzitter [...] [...] BIJLAGE EFFECTBEOORDELING EFFECTEN VAN HET VOORSTEL OP ONDERNEMINGEN, MET BIJZONDERE AANDACHT VOOR KLEINE EN MIDDELGROTE ONDERNEMINGEN (KMO's) Titel van het voorstel: Richtlijn van de Raad tot wijziging van Richtlijn 77/799/EEG van de Raad betreffende de wederzijdse bijstand van de bevoegde autoriteiten van de lidstaten op het gebied van de directe belastingen Documentnummer: [...] Het voorstel Belastingontduiking en -ontwijking over de landsgrenzen der lidstaten leiden tot verlies van overheidsinkomsten en maken inbreuk op het beginsel van fiscale rechtvaardigheid. Dit leidt tot verstoringen in het kapitaalverkeer en in de concurrentievoorwaarden, wat negatieve gevolgen heeft voor de werking van de interne markt. De lidstaten hebben er dus gezamenlijk belang bij dat ze hun belastingwetgeving adequaat kunnen toepassen. Het grensoverschrijdende karakter van deze agressieve praktijken maakt dat nationale maatregelen alleen niet voldoende zijn. Daarom is regelgeving nodig op basis waarvan lidstaten kunnen samenwerken en wederzijdse bijstand kunnen verlenen. Doel van het voorstel is verschillende bepalingen van de huidige richtlijn te wijzigen zodat de tekst voortaan duidelijker geformuleerd is, en bepaalde procedures die bij een verzoek om bijstand gevolgd moeten worden, te bekorten. Er worden ook enkele nieuwe elementen geïntroduceerd. Een daarvan betreft de notificatie aan een belastingbetaler die verhuisd is naar een andere lidstaat, van akten of besluiten in verband met een belastingschuld in een eerdere lidstaat. Daarnaast wordt bepaald dat lidstaten gelijktijdige controles kunnen uitvoeren bij een onderneming die in verschillende landen actief is. De richtlijn geldt alleen voor directe belastingen omdat een aparte akte is goedgekeurd voor de BTW en spoedig ook voor accijnzen. Het is belangrijk dat deze verschillende akten op elkaar aansluiten, ook al zijn de lidstaten exclusief bevoegd wat betreft directe belastingen. De gevolgen voor het bedrijfsleven Wie zullen de gevolgen van dit voorstel ondervinden? Het voorstel beoogt de verbetering van een bestaande richtlijn op basis waarvan de bevoegde belastingautoriteiten van de lidstaten samen proberen belastingontduiking en -ontwijking te bestrijden. Uit het verslag van de ad hoc werkgroep belastingfraude van mei 2000 [5] bleek dat het nodig was de richtlijn te moderniseren. De enige organen die hiervan de gevolgen zullen ondervinden, zijn de belastingdiensten van de lidstaten. [5] Raadsdocument 8668/00 FISC 67 CRIMORG 83. Wat moeten bedrijven doen om aan het voorstel te voldoen? Bedrijven zullen geen gevolgen ondervinden omdat er geen nieuwe verplichtingen uit voortvloeien; zij hoeven dus niets te doen om aan het voorstel te voldoen. Welke economische gevolgen zal het voorstel waarschijnlijk hebben? Het doel is ervoor te zorgen dat beter voldaan wordt aan de belastingverplichtingen en dat er fiscale rechtvaardigheid bestaat, waardoor de werking van de interne markt niet langer verstoord wordt. Er zullen waarschijnlijk geen rechtstreekse gevolgen zijn voor de werkgelegenheid, de oprichting van nieuwe bedrijven of het concurrentievermogen van bedrijven in het algemeen. Bevat het voorstel maatregelen om rekening te houden met de bijzondere situatie van kleine en middelgrote ondernemingen (minder zware of andere eisen, enz.)? Dientengevolge wordt in het voorstel geen rekening gehouden met de specifieke omstandigheden van kleine of middelgrote ondernemingen. Overleg Geef een overzicht van de organisaties die over het voorstel zijn geraadpleegd en vat hun belangrijkste standpunten samen. Er is alleen overleg gepleegd met de nationale belastingdiensten van de lidstaten. De inhoud van het voorstel werd besproken binnen een door de Commissie voorgezeten werkgroep bestaande uit deskundigen uit de lidstaten. Binnen dit forum werd tijdens drie vergaderingen getracht tot overeenstemming te komen. In het voorstel zijn de punten opgenomen waarover overeenstemming werd bereikt.