Verslag van de Commissie aan de Raad, het Europees Parlement, het Europees Economisch EN Sociaal Comité en het Comité van de Regio's - Verslag over de tenuitvoerlegging en de resultaten van het MEDIA II-programma (1996-2000) /* COM/2003/0802 def. */
VERSLAG VAN DE COMMISSIE AAN DE RAAD, HET EUROPEES PARLEMENT, HET EUROPEES ECONOMISCH EN SOCIAAL COMITÉ EN HET COMITÉ VAN DE REGIO'S - Verslag over de tenuitvoerlegging en de resultaten van het MEDIA II-programma (1996-2000) Inleiding Het MEDIA II-programma is begonnen op 1 januari 1996 en is voltooid op 31 december 2000. Het is gebaseerd op twee besluiten van de Raad: - Besluit 95/563/EG van 10 juli 1995 betreffende een programma ter bevordering van de ontwikkeling en de distributie van Europese audiovisuele werken, met een indicatieve begroting van 265 miljoen EUR, - Besluit 95/564/EG van 22 december 1995 betreffende de tenuitvoerlegging van een opleidingsprogramma voor de vakmensen van de Europese audiovisuele-programma-industrie, met een indicatieve begroting van 45 miljoen EUR. Het MEDIA II-programma is voorafgegaan door MEDIA I (1991-1995) en gevolgd door MEDIA Plus (2001-2005). Deze drie generaties van het MEDIA-programma hebben een gemeenschappelijk doel : verbetering van het concurrentievermogen van de Europese industrie van audiovisuele programma's. Met een begroting van 200 miljoen EUR heeft MEDIA I de professionals uit de lidstaten in staat gesteld hun positie op hun nationale markt te versterken en tegelijkertijd toegang te krijgen tot nieuwe vormen van transnationale samenwerking (coproducties, grensoverschrijdende samenwerking, partnerschappen, groepering van bedrijven, enz.). MEDIA II heeft kunnen beschikken over een grotere begroting (310 miljoen EUR) en de activiteiten daarvan zijn gericht op drie prioritaire sectoren : beroepsopleiding, ontwikkeling van projecten en bedrijven, transnationale distributie van films en audiovisuele programma's. De begroting van MEDIA Plus bedraagt 400 miljoen EUR en de concentratie op prioritaire sectoren - opleiding, ontwikkeling, distributie en een vierde sector, namelijk de bevordering van audiovisuele werken in Europa en in de wereld - is gehandhaafd. Het doel van dit verslag is de specifieke evaluatie van de resultaten van het MEDIA II-programma overeenkomstig artikel 7, lid 5, en artikel 6, lid 5, van de Besluiten 95/563/EG en 95/564/EG tot instelling van de programma's MEDIA - ontwikkeling en distributie respectievelijk MEDIA - opleiding. Deze artikelen bepalen dat de Commissie « aan het eind van het programma aan het Europees Parlement, de Raad en het Europees Economisch en Sociaal Comité een verslag doet toekomen omtrent de tenuitvoerlegging en de resultaten van het programma ». Deze mededeling is gebaseerd op de conclusies van de evaluatie ex post van MEDIA II, die overeenkomstig artikel 7, lid 1, en artikel 6, lid 1, van de Besluiten 95/563/EG en 95/564/EG is uitgevoerd en door de Commissie na een openbare aanbesteding aan een onafhankelijke consultant [1] is opgedragen. [1] DE ONDERNEMING BIPE 1. MEDIA II : EEN GERECHTVAARDIGDE COMMUNAUTAIRE ACTIE, AANGEPAST AAN DE BEHOEFTEN VAN DE EUROPESE INDUSTRIE VAN AUDIOVISUELE PROGRAMMA'S 1.1. Economische context De Europese audiovisuele industrie heeft in de handel met de Verenigde Staten in de periode 1996-2000 een belangrijk tekort gekend (meer dan 6 miljard dollar, oftewel circa 250.000 arbeidsplaatsen in 1997 [2]). Deze onevenwichtigheid is niet alleen eigen aan deze periode. Zij is een kenmerk van de laatste decennia en bestaat nog steeds. [2] Bron : document van de diensten van de Commissie SEC(1998) 837 van 14.5.1998. Uit het onderzoek van de Europese markt van audiovisuele programma's blijkt dat de voornaamste reden daarvan de ontoereikende circulatie van niet-nationale Europese werken is. Wat bijvoorbeeld de films betreft, constateert men dat de Amerikaanse werken het grootste marktaandeel hebben (66% in 2000) [3], gevolgd door de nationale werken. De niet-nationale Europese films komen ver achteraan op de derde plaats. Zij circuleren weinig en buiten hun land van herkomst trekken zij zelden meer dan 50.000 bezoekers. [3] Bron : IMCA-studie De geringe circulatie van niet-nationale werken in Europa heeft een negatief effect op de rentabiliteit van de Europese programma-industrie en verzwakt de ontwikkeling daarvan. Zij leidt bovendien tot een concentratie van de ontwikkeling en de productie in een beperkt aantal landen. In 1998 hebben Frankrijk, het Verenigd Koninkrijk en Duitsland aldus 70% van de in alle aan het MEDIA-programma deelnemende landen geproduceerde films gerealiseerd. Dit verschijnsel is complex en kan op verschillende wijzen worden verklaard. In de ontwikkelingsfase besteedt de Europese industrie te weinig middelen aan de ontwikkeling van projecten (schrijven van scenario's, verzameling van financiële middelen en opstelling van commercialisatieplan) in vergelijking met de investeringen die op dit gebied door de Amerikaanse industrie worden gedaan. De ontwikkelingsuitgaven belopen 2 of 3% van de productiebudgetten tegenover 10 à 12% van de productiebudgetten van de Amerikaanse "majors". Ook in de ontwikkelingsfase leidt het gebrek aan goede opleiding van de Europese professionals in de audiovisuele sector ertoe dat een bedrijfsstrategie ontbreekt, vooral op Europese schaal. De distributiesector is van haar kant onvoldoende gestructureerd om het hoofd te bieden aan de Amerikaanse concurrentie. Het marktaandeel van de Amerikaanse filmdistributeurs bedraagt gemiddeld 50% in Europa en loopt op tot 80% in het Verenigd Koninkrijk en 70% in Duitsland. Deze sterk concurrerende distributienetwerken maken het mogelijk dat Amerikaanse films gemakkelijk toegang krijgen tot Europese bioscoopzalen. De « niet-commerciële » nationale films, laat staan de niet-nationale Europese films worden daarentegen geconfronteerd met het probleem dat zij moeilijk toegang krijgen tot de bioscopen. 1.2. Een gerechtvaardigde en aan de behoeften van de Europese industrie aangepaste communautaire steun De evaluatie ex post van het MEDIA II-programma heeft bevestigd dat het bestaan van een communautair programma ter ondersteuning van de Europese audiovisuele industrie volledig gerechtvaardigd was door de economische situatie van de sector. De concentratie van de middelen op de drie prioriteiten "ontwikkeling, distributie en opleiding" is aangepast aan de zwakheden van de Europese industrie, de kwetsbaarheid en het gebrek aan concurrentievermogen van de Europese audiovisuele producten, die grotendeels te wijten zijn aan een chronische onderinvestering in de opleidings- en ontwikkelingsfase en de distributiefase van het productieproces. * Op het gebied van de opleiding had MEDIA II tot doel steun te verlenen aan initiatieven om de professionals in staat te stellen de nodige kennis en vaardigheden te verwerven om rekening te houden met de Europese en internationale markt (economisch en commercieel beheer, integratie van nieuwe technologieën en technieken voor het schrijven van scenario's) en het creatief en commercieel potentieel van hun projecten te versterken. * Op het gebied van de ontwikkeling heeft MEDIA II getracht om door middel van financiële en technische bijstand de ontwikkeling van voor de Europese en de internationale markt bestemde productieprojecten te bevorderen en bij te dragen aan de ontwikkeling en de versterking van de bedrijven. Het doel is geweest programma's op de Europese markt te brengen die beter aangepast zijn aan de normen van de internationale markt en de bedrijven structureel te versterken. * Op het gebied van de distributie heeft MEDIA II getracht de circulatie van niet-nationale Europese films en programma's te verbeteren. De nadruk is daarbij vooral gelegd op de distributie/vertoning in bioscoopzalen van cinematografische werken buiten het grondgebied van oorsprong. Er zijn andere mechanismen opgezet om de zo breed mogelijke circulatie van Europese programma's via televisie en andere dragers (video, multimedia) te stimuleren. Tenslotte heeft het programma een reeks initiatieven gesteund ter vergemakkelijking van de bevordering en de toegang tot de internationale markt van Europese onafhankelijke producties. De evaluatie ex post heeft ook de complementariteit tussen de nationale steunverlening en het MEDIA-programma onderstreept. In de periode 1996-2000 is de nationale steun voor het grootste gedeelte (84%) gericht op de ondersteuning van de productie, terwijl MEDIA II zich richtte op de opleiding, de ontwikkeling en de distributie. De beperkte nationale steun voor de distributie betrof vooral de ondersteuning van nationale films, terwijl MEDIA II alleen de distributie van niet-nationale Europese films heeft aangemoedigd. Op het gebied van de exploitatie in zalen heeft de nationale steun hoofdzakelijk de structuren gefinancierd, terwijl de steun van MEDIA II bestond uit het stimuleren van de programmering van Europese films. Wat de ontwikkeling betreft, vertegenwoordigde de nationale overheidssteun slechts een significant bedrag in Duitsland, Finland en Frankrijk. Tenslotte bleek de steun van MEDIA II goed aangepast te zijn aan de specifieke karakteristieken van de Europese audiovisuele sector die in hoofdzaak bestaat uit kleine en middelgrote bedrijven en die wordt gekenmerkt door een gebrek aan economisch evenwicht tussen landen met een sterk productiepotentieel en landen met een geringe productiecapaciteit en/of een beperkt taalkundig en geografisch gebied [4]. [4] De landen met een geringe productiecapaciteit en/of een beperkt taalkundig en geografisch gebied waren tijdens het MEDIA II-programma : België, Denemarken, Finland, Griekenland, Ierland, IJsland, Liechtenstein, Luxemburg, Nederland, Noorwegen, Oostenrijk, Portugal en Zweden. Enerzijds zijn tijdens MEDIA II nieuwe mechanismen opgezet om tegemoet te komen aan de specifieke behoeften van de middelgrote bedrijven (automatische steun voor de distributie en Slate Funding) [5], terwijl de reeds bestaande mechanismen (selectieve steun voor de distributie en steun voor de ontwikkeling van individuele projecten) open bleven staan voor bedrijven van kleinere omvang. [5] Zie de punten 2.2.1, 2.3.1. en 3.1. Anderzijds heeft de toepassing van een soepele positieve discriminatie ten gunste van de landen met een geringe productiecapaciteit en/of een beperkt taalkundig en geografisch gebied het mogelijk gemaakt de aanzet te geven voor het opnieuw in evenwicht brengen van de Europese markt [6]. [6] ZIE PUNT 2.1. 2. EVALUATIE VAN HET EFFECT VAN HET MEDIA II-PROGRAMMA 2.1. Algemeen effect van het MEDIA II-programma op de Europese audiovisuele sector De begroting voor het MEDIA II-programma bedroeg in totaal 358 miljoen EUR (inclusief de oorspronkelijk toegekende begrotingsmiddelen, de terugbetalingen en de wederopvoering van kredieten), waarvan 89% (oftewel 320 miljoen EUR) was bestemd voor de ondersteuning van projecten en 11% voor horizontale operaties. De evaluatie ex post heeft de goede administratieve afwikkeling van het programma bevestigd, aangezien het beheer van de Commissie het mogelijk heeft gemaakt om de exploitatiekosten van het programma ten opzichte van MEDIA I met de helft te verminderen. De door MEDIA II verleende steun vertegenwoordigde slechts 0,51% van het totale economische gewicht van de Europese audiovisuele sector, maar zij heeft een significantere rol gespeeld op het niveau van de landen met een geringe productiecapaciteit, waar zij gemiddeld 0,80% bedroeg. De steun beliep meer dan 1% in Griekenland, IJsland, België en Luxemburg. De steunverlening in het kader van MEDIA II heeft een niet te verwaarlozen multiplicatoreffect gehad, hoewel het moeilijk is om dit precies te kwantificeren. Een schatting van dit multiplicatoreffect is gegeven bij de tussentijdse evaluatie van MEDIA II [7]. Daarin werd geconcludeerd dat elke geïnvesteerde communautaire euro een investering van 5,75 euro in de industrie had gegenereerd. Dit multiplicatoreffect was natuurlijk lager in de sector van de opleiding (2,38), maar belangrijker in de sector van de distributie (7,2) en in mindere mate in die van de ontwikkeling (4,19). [7] Verslag van de Commissie over de resultaten die in de periode 1.1.1996-30.6.1998 zijn bereikt in het kader van het programma MEDIA II, COM(1999) 91 def. Deze schatting van het hefboomeffect van de communautaire fondsen moet wellicht naar boven worden herzien om het effect van het MEDIA II-programma in zijn geheel te meten, aangezien zij geen rekening houdt met de invoering van de mechanismen voor de automatische steun voor de distributie en Slate Funding. Deze mechanismen hebben echter door hun opzet en de verplichting tot herinvestering een sterk multiplicatorpotentieel. MEDIA II heeft het ook mogelijk gemaakt de aanzet te geven voor het opnieuw in evenwicht brengen van de Europese industriële markt. Deze wordt immers gekenmerkt door een kloof tussen de landen met een geringe productiecapaciteit en/of een beperkt taalkundig en geografisch gebied [8], waarvan de productiecapaciteit natuurlijk beperkt is en de landen waarven de productiecapaciteit (productievolume in verhouding tot de bevolking) hoger is dan die van andere. [8] De landen met een geringe productiecapaciteit en/of een beperkt taalkundig en geografisch gebied waren tijdens het MEDIA II-programma : België, Denemarken, Finland, Griekenland, Ierland, IJsland, Liechtenstein, Luxemburg, Nederland, Noorwegen, Oostenrijk, Portugal en Zweden.. Om de structurele handicaps van de landen en regio's met een geringe productiecapaciteit en beperkte taalkundige gebieden te compenseren is in het kader van het programma een soepel beleid van positieve discriminatie zonder vooraf gekwantificeerde doelstellingen opgezet. Dankzij dit systeem hebben deze landen circa 30% van de in het kader van MEDIA II toegekende steun ontvangen, hoewel zij slechts 19% van de Europese audiovisuele markt vertegenwoordigden. MEDIA II heeft aldus bijgedragen aan het scheppen van de voorwaarden voor een convergentie op de lange termijn van de productiestructuren op het niveau van de Unie. 2.2. Effect in de sector van de distributie 2.2.1. Steun voor de distributie in zalen * Selectieve steun voor de distributie van bioscoopfilms Het doel van deze steun was de verbetering van de transnationale circulatie van niet-nationale Europese films en de aanmoediging van de oprichting en de consolidatie van samenwerkingsnetwerken tussen de Europese distributeurs. Er is steun verleend voor de ontwikkeling en de productie van marketingmateriaal voor de lancering van distributiecampagnes in zalen en voor nasynchronisatie en ondertiteling. Ten minste drie distributeurs moesten een associatie vormen voor de distributie van een film. Vanaf 1999 is het mechanisme opengesteld voor internationale verkoopagenten. Tijdens de looptijd van het MEDIA II-programma zijn 2712 projecten ingediend. Er is steun verleend aan 1930 distributiecampagnes voor 305 films. Het totale bedrag van de MEDIA II-steun bedroeg 62 miljoen EUR, oftewel een gemiddelde steun per film van 32.000 EUR, wat overeenkomt met 25% van het totale gemiddelde distributiebudget. Er hebben gemiddeld 6 nationale distributiecampagnes per gesteunde film plaatsgevonden. De gemiddelde productiekosten van de gesteunde films bedroegen 4,3 miljoen EUR. Het aantal jaarlijks ingediende projecten is tussen 1996 en 2000 met 60% gestegen, wat de grote aantrekkelijkheid van de steun aantoont, zowel wat de opzet als de toegekende bedragen betreft. * Automatische steun voor de distributie van bioscoopfilms Dit mechanisme is tijdens de uitvoering van het programma (1997) gecreëerd en bestond uit een automatische procedure voor de verlening van steun aan Europese distributeurs voor het uitbrengen van een niet-nationale Europese film in één van de aan het programma deelnemende landen. De steun van MEDIA II is berekend op grond van het aantal betalende bezoekers per film, vermenigvuldigd met een wegingscoëfficient, afhankelijk van de nationaliteit van de film en het distributiegebied. De steun moest door de distributeur opnieuw worden geïnvesteerd in de distributie van een nieuwe niet-nationale Europese film. Tijdens de looptijd van het programma hebben 1462 films met een gemiddelde begroting van 6 miljoen EUR in totaal 145 miljoen betalende bezoekers getrokken - waarvan 106 miljoen voor steun in aanmerking kwamen. De aldus gegenereerde steun bedroeg 44,7 miljoen EUR. Bijna 80% van deze steun is opnieuw in 419 nieuwe Europese films geïnvesteerd. Het mechanisme heeft een hoge vlucht genomen, aangezien het aantal jaarlijks gesteunde projecten tussen 1997 en 2000 met 15 is vermenigvuldigd. Deze ontwikkeling wijst erop dat het mechanisme bij de professionals een groot succes heeft gehad en goed aan hun behoeften is aangepast. * Effect van MEDIA II op de circulatie van Europese films Het aantal buiten hun nationale grondgebied gedistribueerde Europese films is tijdens de looptijd van het programma verdubbeld van 246 in 1996 tot 499 in 2000. In 1999 had 62% van de in circulatie gebrachte films steun van MEDIA II ontvangen en 64% in 2000. Deze films waren goed voor 90% van de totale, door de niet-nationale Europese films in Europa gegenereerde inkomsten. Door de wijze van toekenning en de door de distributeurs bij de toewijzing van de steun voor de distributie gemaakte keuzes is de steun van MEDIA II in de praktijk ten goede gekomen aan films die reeds een sterk internationaal circulatiepotentieel hadden. Maar hij heeft ontegenzeggelijk bijgedragen aan de consolidatie van dit potentieel. Daarentegen zijn in het kader van MEDIA II geen stabiele netwerken tussen Europese distributeurs tot stand gebracht. Uit de opgedane ervaring is gebleken dat de oprichting van dergelijke netwerken slechts een structurele doelstelling op middellange/lange termijn kon zijn en niet in de periode 1996-2000 kon worden verwezenlijkt. Deze moeilijkheid is toe te schrijven aan het feit dat de onafhankelijke distributeurs zeer terughoudend zijn ten aanzien van de oprichting van groeperingen. Zij beginnen zich echter bewust te worden van de noodzaak daarvan en de voordelen die een dergelijke gedragswijziging zou kunnen opleveren. Tijdens de looptijd van MEDIA II heeft in dit verband een verbetering plaatsgevonden van de functionele samenwerking tussen de distributeurs bij de opstelling en de indiening van de dossiers. Deze ontwikkeling zet zich in het kader van MEDIA Plus door en geleidelijk komen meer groeperingen tot stand. 2.2.2. Steun voor bioscoopzalen Het doel daarvan was de ondersteuning, door de toekenning van subsidies, van netwerken van bioscoopzalen die een significante programmering van in hoofdzaak niet-nationale Europese films als eerste vertoning en voor een minimale exploitatieduur voorstellen. De netwerken zijn geselecteerd op grond van het aantal zalen dat zij groepeerden en het aantal vestigingslanden. In de periode 1996-2000 heeft MEDIA II steun voor een totaal bedrag van 17,2 miljoen EUR toegekend aan twee netwerken, Europa Cinémas en Média Salles. Deze netwerken groepeerden 413 schermen aan het begin van het programma en 754 eind 2000 (oftewel 3,4% van de Europese bioscopen). Het programma van deze zalen bestond voor 36% uit niet-nationale Europese films (tegenover een gemiddelde van 20% op de markt). De geografische spreiding van de zalen aan het einde van het programma was evenwichtig en omvatte met name landen met een geringe productiecapaciteit en/of een beperkt taalkundig gebied. * Effect van MEDIA II op de programmering van niet-nationale Europese films MEDIA II is vooral ten goede gekomen aan onafhankelijke kleine bioscopen. Van de 356 aan het programma deelnemende bioscopen waren er 130 met een enkel scherm, 91 met twee schermen en slechts 5 multiplexbioscopen. De steun heeft een positief effect gehad op de financiële situatie van deze onafhankelijke exploitaties. Het hefboomeffect heeft een toename van hun recettes met 5 à 10% mogelijk gemaakt. Het programmeringspercentage van niet-nationale Europese films in de ondersteunde netwerken is gestegen van 30% aan het begin van het programma tot 36% aan het einde van het programma. De steun van MEDIA II heeft de exploitanten in staat gesteld meer risico te nemen bij de programmering van dit soort films. 2.2.3. Steun voor TV-uitzending Het doel daarvan was de uitzending op televisie van niet-nationale Europese werken te stimuleren door de aanmoediging van Europese coproducties. Voor de tenuitvoerlegging van de steun is een onafhankelijkscriterium voor de producenten vastgesteld in termen van maximale duur van het behoud van de rechten door de uitzenders (7 jaar). De invoering van dit criterium had tot doel veranderingen tot stand te brengen in de gangbare praktijken op de TV-markten door het stimuleren van een vermindering van de duur van het behoud van de rechten door de televisiemaatschappijen. Een dergelijke ontwikkeling zou een gunstig effect hebben op de sector van de onafhankelijke productie doordat zij de bedrijven in staat zou stellen te beschikken over echt actieve catalogi van werken en bijgevolg over een zelffinancieringscapaciteit en/of voldoende garanties jegens de financiële partners. 362 projecten hebben tijdens de looptijd van MEDIA II een totale steun van 39 miljoen EUR ontvangen. 65% van de ondersteunde projecten bestond uit documentaires, 27% uit fictie en 8% uit animatiefilms. De totale investering in de productie bedroeg 572 miljoen EUR, oftewel 2,3% van de Europese TV-productie. De steun van MEDIA heeft bijgevolg een belangrijk hefboomeffect gehad en heeft de onafhankelijke producenten in staat gesteld de ontbrekende financiële middelen te verkrijgen voor de internationale coproducties waarvoor zij reeds 75% van de benodigde fondsen hadden verzameld. De steun aan televisie-uitzendingen is vooral ten goede gekomen aan de producenten van een beperkt aantal landen (Frankrijk, België, Duitsland, Italië, Spanje en het Verenigd Koninkrijk). Deze concentratie was het gevolg van het hanteren van een onafhankelijkscriterium voor de producenten, waarbij de praktijken in termen van het behoud van de rechten door de uitzenders van land tot land sterk bleken te verschillen. De in het kader van MEDIA II opgedane ervaring heeft bevestigd dat de verwachte verandering in de marktpraktijken ook maatregelen van wetgevende aard vereiste, zowel op communautair niveau (richtlijn « Televisie zonder grenzen) [9] als op het niveau van de lidstaten. [9] Richtlijn 97/36/EG van het Europees Parlement en de Raad van 30 juni 1997 tot wijziging van Richtlijn 89/552/EEG van de Raad betreffende de coördinatie van bepaalde wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in de lidstaten inzake de uitoefening van televisie-omroepactiviteiten, PB L 202 van 30.7.1997, blz. 60-70. 2.2.4. Steun voor de uitgave en de distributie van video's en multimediatitels Het doel van deze steun was het aanmoedigen van de uitgave en de distributie van catalogi van recente Europese films en audiovisuele programma's door Europese uitgevers en distributeurs op alle voor thuisconsumptie bestemde videodragers (VHS, DVD, CD-ROM). De steun voor de uitgave en de distributie van video's en multimediatitels had betrekking op 2476 titels (waaronder 188 multimediatitels), ingediend door 108 bedrijven. De steun van MEDIA II beliep in totaal 10,4 miljoen EUR. In de referentieperiode heeft het DVD-formaat een sterke ontwikkeling gekend (40% van de ondersteunde titels in 2000). Volgens de evaluatie ex post heeft de steun slechts een beperkt effect op de sector gehad. Hij is hoofdzakelijk ten goede gekomen aan de drie voornaamste markten van de videosector, Frankrijk, het Verenigd Koninkrijk en Duitsland en aan een klein aantal begunstigden. Veel middelgrote distributeurs hebben nooit steun uit MEDIA II aangevraagd. Het gewicht van de steun (10,4 miljoen EUR over 5 jaar) ten aanzien van de omvang van de eindmarkt (7 miljard EUR in 2000) is gering gebleken. Deze constateringen hebben geleid tot een herziening, in het kader van MEDIA Plus, van de voorwaarden voor de steunverlening in deze sector [10]. [10] Zie punt 3.2. 2.2.5. Steun voor promotie Het doel daarvan was de promotie van Europese films en programma's en de vergemakkelijking van de toegang van de Europese onafhankelijke producenten en distributeurs tot de professionele markten. MEDIA II heeft steun verleend aan twee soorten activiteiten : - de aanwezigheid op de belangrijkste markten van de industrie (filmmarkten van Berlijn en Cannes, MIPCOM, MIP-TV en MILIA), waar de onafhankelijke professionals zich hebben kunnen groeperen onder « koepels » die hun een grotere zichtbaarheid en een betere dienstverlening boden ; - de aanwezigheid op de thematische markten (Forum Cartoon, Sunny side of the doc enz.), waar echte « pitching »-sessies van projecten hebben kunnen plaatsvinden. Tijdens de looptijd van MEDIA II is steun verleend aan 64 festivals die 7500 Europese werken voor een publiek van meer dan twee miljoen personen hebben geprogrammeerd en tijdens de uitvoering van MEDIA II zijn 50 professionele evenementen en markten gesteund. Het totale bedrag van de in de periode 1996-2000 toegekende steun bedroeg 19,1 miljoen EUR. Wat de aanwezigheid op de belangrijkste markten van de industrie betreft, hebben 400 Europese onafhankelijke bedrijven tijdens de looptijd ven het programma gebruik kunnen maken van de MEDIA-koepels. De tevredenheidsgraad van deze gebruikers is hoog (bijvoorbeeld 85% voor MIP-TV). Wat de steun voor de thematische markten betreft, zijn alleen in het kader van het Forum Cartoon 1164 Europese projecten aan de uitzenders (voor vooraankopen) of producenten voor (coproducties) gepresenteerd. Dit soort acties heeft ontegenzeggelijk bijgedragen aan de professionalisering van de onafhankelijke producenten en aan de organisatie van belangrijke promotionele thematische evenementen. 2.2.6. Steun voor catalogi Het doel daarvan was de verlening van financiële steun aan bedrijven die zich bezighouden met de internationale distributie van TV-programma's met het oog op de productie van promotiemateriaal (uitgeven/drukken van papieren of on-line-catalogi), de nasynchronisatie en de ondertiteling, en de deelname aan internationale markten (huur van stands enz.). Tijdens de looptijd van MEDIA II hebben 62 bedrijven steun voor catalogi ontvangen voor een totaal bedrag van 3,6 miljoen EUR. 2.3. Effect in de sector van de ontwikkeling 2.3.1. Steun voor de ontwikkeling van projecten * Steun voor de ontwikkeling van individuele projecten Deze steun is toegekend voor de ontwikkeling van projecten in verband met fictie, documentaires, animatie of multimediawerken, bestemd om te worden vertoond in zalen of te worden uitgezonden op TV en ingediend door onafhankelijke Europese productiebedrijven. 1178 verschillende bedrijven hebben ontwikkelingssteun voor in totaal 1714 projecten ontvangen. Het totale bedrag van de steun van MEDIA II beliep 50,9 miljoen EUR. Het gemiddelde steunbedrag per project bedroeg 30.000 EUR. De meest vertegenwoordigde projecten betroffen fictie, gevolgd door documentaires. * Steun voor de ontwikkeling van projectpakketten (Slate Funding) Dit in zijn concept volledig nieuw mechanisme is in 1999 ingevoerd en heeft het mogelijk gemaakt financiële steun aan onafhankelijke Europese productiebedrijven toe te kennen voor de ontwikkeling van projectpakketten. Het was gericht op middelgrote productiebedrijven die reeds stappen op internationaal vlak hadden gezet. In de periode 1999-2000 zijn 99 catalogi geselecteerd voor een totaal bedrag van bijna 12 miljoen EUR en een gemiddeld bedrag van 125.000 EUR. In totaal zijn 400 projecten gesteund. Fictie vertegenwoordigde drie kwart van dit totaal, gevolgd door documentaires. Er is snel een verschuiving van de steunaanvragen vastgesteld van het mechanisme voor steun aan individuele projecten naar het Slate Funding-mechanisme, wat bewijst dat dit nieuwe instrument aan de behoeften van middelgrote bedrijven is aangepast. 2.3.2. Steun voor de ontwikkeling van de productiestructuren * Steun voor de ontwikkeling van de productiebedrijven Het doel van deze steun was de verbetering van het concurrentievermogen van de bedrijven. Hij heeft de vorm aangenomen van steun voor de opstelling van business plannen voor vijf jaar en steun voor de tenuitvoerlegging van business plannen. Tussen 1996 en 2000 is in het kader van dit mechanisme steun verleend aan 186 bedrijven voor een totaal bedrag van 8,4 miljoen EUR. Het gemiddelde bedrag van de toegekende leningen bedroeg circa 100.000 EUR. De invoering van de Slate Funding in 1999 heeft geleid tot een afname van het aantal aanvragen en de voor dit type steun toegekende middelen. Slate Funding is een instrument gebleken dat ook bestemd is voor de ondersteuning van de strategieën van de bedrijven op middellange termijn en dat soepeler te hanteren is. * Steun voor industriële platforms. Dit mechanisme was bestemd voor de aanmoediging van de oprichting van netwerken van Europese onafhankelijke productiebedrijven die animatieprojecten, op de nieuwe technologieën gebaseerde producties en producties met het oog op de valorisatie van het cinematografisch en audiovisueel erfgoed ontwikkelen. De steun is toegekend aan het platform dat verantwoordelijk is voor de verdeling van de middelen en de advisering van de producenten die lid zijn van het netwerk. Tijdens de uitvoering van het MEDIA II-programma zijn twee platforms geselecteerd: Multimedia Investissement en Cartoon. 2.3.3. Effect in de sector van de ontwikkeling De ontwikkelingssteun heeft tot gevolg gehad dat de professionals bewust zijn gemaakt van het belang van de industriële fase van de ontwikkeling, waarbij zij toegang hebben gekregen tot financiële middelen om hun producten te ontwikkelen. Hij heeft de producenten in staat gesteld hun concepten te beproeven en geen projecten met een onzeker haalbaarheids- of rentabiliteitspotentieel te produceren. Het economisch effect van deze steun op de investeringsniveaus is daarentegen moeilijk te kwantificeren. Men mag echter aannemen dat het mechanisme bijzonder interessant is geweest voor de middelgrote producenten doordat het hen in staat heeft gesteld hun investeringsvolume te vergroten en de financiële situatie van hun bedrijven te verbeteren. Voor de kleine producenten vormde het een alternatief voor de dure bankfinancieringen. Het gewicht van de steun ten aanzien van de totale investeringen in ontwikkeling is min of meer significant geweest naargelang de omvang van het begunstigde bedrijf (klein of middelgroot bedrijf) en het land van herkomst (met grote of geringe productiecapaciteit). De bedragen van de ontwikkelingssteun per project (23.000 à 35.000 EUR naargelang de categorieën van de werken) zijn voldoende hoog gebleken om aantrekkelijk te zijn en een reëel effect op de financiering van de ontwikkeling te hebben. 2.4. Effect in de sector van de opleiding MEDIA II heeft op het gebied van de opleiding de volgende doelstellingen nagestreefd : - de (initiële en voortgezette) opleiding van de professionals, met name in verband met de Europese dimensie van de markten en het gebruik van de nieuwe technologieën ; - de bevordering van de samenwerking en de uitwisseling van knowhow door de oprichting van netwerken van professionals en door de ontwikkeling van de opleiding van de opleiders en het afstandsonderwijs. De acties op het gebied van de opleiding zijn gestructureerd rond drie grote kennisgebieden : het economisch en commercieel beheer, het gebruik en de ontwikkeling van de nieuwe technologieën voor de productie van audiovisuele programma's en de technieken voor het schrijven van scenario's. In de periode 1996-2000 zijn 186 opleidingsacties medegefinancierd waaraan 8691 personen hebben deelgenomen. De bijdrage van MEDIA II bedroeg 39,7 miljoen EUR en de totale kosten beliepen 94,9 miljoen EUR. Het zijn de initiatieven in verband met de nieuwe technologieën die het grootste aantal deelnemers hebben getrokken, gevolgd door die met betrekking tot het management en de schrijftechnieken. Diverse actoren (van universiteiten tot verenigingen) hebben deelgenomen aan het gedeelte Opleiding van MEDIA II. Tijdens de uitvoering van het programma heeft het opleidingsaanbod van deze actoren zich geleidelijk aangepast aan de vastgestelde prioriteiten (de drie grote kennisgebieden) en de verwachtingen van de professionals. De pedagogische inhoud is aanzienlijk verbeterd. Er zijn ook inspanningen geleverd in termen van voorlichting en verduidelijking van de doelstellingen om de doelgroepen beter te bereiken. Er is ook een toename van het opleidingsaanbod in de landen met een geringe productiecapaciteit en een beperkt taalkundig gebied geconstateerd. Het effect van het gedeelte Opleiding kan alleen op de middellange of lange termijn worden gemeten. Thans reeds blijkt echter dat de in het kader van MEDIA II gefinancierde opleidingsacties hebben bijgedragen tot een diepgaande verandering in de mentaliteit en de praktijken van de Europese onafhankelijke professionals in die zin dat zij beter rekening zijn gaan houden met de Europese dimensie, de ontwikkelingsfase, de eindmarkten en de totstandbrenging van transnationale samenwerkingen en spontane netwerken. De workshops over de individuele projecten van de deelnemers hebben met name bijgedragen tot een betere oriëntatie, een betere afstemming, een betere ontwikkeling, een betere productie en een betere verkoop van deze projecten. Zij hebben het ook mogelijk gemaakt een netwerk van contacten tussen onafhankelijke producenten uit verschillende landen op te bouwen om gemakkelijker toegang te krijgen tot personen die beschikken over de nodige middelen voor de ontwikkeling, de financiering, de packaging, de marketing, de verkoop en de distributie van hun projecten. De naar aanleiding van deze opleidingen gesmede banden varieerden van de incidentele coproductie tot de verkoop van programma's en hebben tot duurzame partnerschappen geleid. De investering in initiële opleidingsinitiatieven is minder rendabel gebleken in termen van collectief effect doordat de deelnemers niet over eerdere ervaring beschikten en een verankeringspunt in de professionele praktijk ontbrak. 3. AANPASSINGEN VAN DE COMMUNAUTAIRE ACTIE ALS GEVOLG VAN DE TENUITVOERLEGGING VAN HET MEDIA II-PROGRAMMA 3.1. Aanpassingen tijdens de uitvoering van het programma Het MEDIA II-programma is verscheidene keren aangepast op grond van de analyse van de ontwikkeling van de markt van de audiovisuele programma's. Deze aanpassingen hadden tot doel het programma zo goed mogelijk aan te passen aan de behoeften van de Europese industrie en de structurerende effecten daarvan te maximaliseren. Op die manier zijn tijdens de looptijd van het programma twee mechanismen opgezet, bestemd voor middelgrote bedrijven die reeds een financiële capaciteit en een ervaring op internationaal niveau hadden : het systeem voor de automatische steun voor de distributie van bioscoopfilms en de steun voor de ontwikkeling van projectpakketten (Slate Funding). Het eerste mechanisme (automatische steun voor de distributie) is in 1997 eerst bij wijze van experiment opgezet en is daarna tot het einde van het programma met extra financiële middelen verlengd op grond van de positieve conclusies van de tussentijdse evaluatie [11] van MEDIA II. Het tweede mechanisme (Slate Funding) is in 1999 ingevoerd op grond van de aanbevelingen die in het kader van deze tussentijdse evaluatie zijn gedaan. [11] Verslag van de Commissie over de resultaten die in de periode 1.1.1996-30.6.1998 zijn bereikt in het kader van het programma MEDIA II, COM(1999) 91 def. De complementariteit tussen deze twee nieuwe mechanismen en de reeds bestaande mechanismen (selectieve steun voor de distributie en steun voor de ontwikkeling van individuele projecten) is versterkt. Wat bijvoorbeeld de steun voor de distributie betreft, constateert men dat de selectieve steun gericht was op films met een initieel gering commercieel potentieel met bijgevolg grotere risico's voor de distributeur. Deze steun heeft het mogelijk gemaakt dat deze films worden uitgebracht en met aanvullende middelen worden gevaloriseerd (nasynchronisatie, maken van kopieën, promotiecampagne). De automatische steun had daarentegen betrekking op meer commerciële films en hogere budgetten. Wat de steun voor de ontwikkeling betreft, heeft de Slate Funding de middelgrote bedrijven een flexibele steun en een grotere financiële zichtbaarheid geboden. Het behoud van het mechanisme voor steun aan individuele projecten heeft het mogelijk gemaakt dat kleinere bedrijven niet van steunverlening in het kader van MEDIA II werden uitgesloten. 3.2. Uitwerking van het concept van het MEDIA Plus-programma (2001-2005) Bij de lancering van de bezinning over MEDIA Plus is de noodzaak van de verlening van communautaire steun aan de audiovisuele sector niet ter discussie gesteld. Deze conclusie was gebaseerd op de economische situatie van de sector, waaruit de grote behoefte van de Europese industrie aan opleiding, ontwikkeling en distributie bleek (zie deel 1 van dit verslag). De economische situatie van de audiovisuele sector heeft een sterke toename van de begrotingsmiddelen voor het MEDIA-programma gerechtvaardigd. Terwijl de beschikbare middelen voor MEDIA II 310 miljoen EUR bedroegen, is voor MEDIA Plus 400 miljoen EUR uitgetrokken. De tijdens MEDIA II opgedane ervaring heeft het concept van MEDIA Plus als volgt beïnvloed. De concentratie van de middelen op de drie sectoren: opleiding, ontwikkeling en distributie is gehandhaafd. Maar de in het kader van MEDIA II ontwikkelde instrumenten zijn aangepast op grond van de in de periode 1996-2000 behaalde resultaten en de ontwikkeling van de behoeften van de sector. Op het gebied van de opleiding bestond de voornaamste aanpassing van het programma in de invoering van een stimulans voor de oprichting van Europese netwerken van kenniscentra voor de coördinatie van de activiteiten van de opleidingsinstellingen. Op het gebied van de ontwikkeling zijn de steunmechanismen voor de ontwikkeling van de productiestructuren afgeschaft ten voordele van de steunmechanismen voor de ontwikkeling van projecten. De Slate Funding is in staat gebleken de rol van financierings- en structureringsinstrument voor de bedrijven op korte/middellange termijn te spelen. Dit instrument is in het kader van MEDIA Plus bestendigd. Op het gebied van de distributie : - de steun voor catalogi is vervangen door een steun voor de digitalisering van de werken en het creëren van promotie- en reclamemateriaal op digitale drager ; - het automatische systeem voor de verlening van steun voor de distributie van bioscoopfilms is behouden en de financiële middelen daarvoor zijn uitgebreid ; - de steun aan verkoopagenten is in het kader van de selectieve steun bestendigd ; - de steun voor video's en multimediatitels, zoals die bestond in het kader van MEDIA II, is vervangen door een mechanisme voor de automatische verlening van steun aan uitgevers en distributeurs van Europese werken op drager voor privé-gebruik (video, dvd en cd-rom).