52003DC0735

Verslag van de Commissie uit hoofde van Beschikking 93/389/EEG van de Raad, als gewijzigd bij Beschikking 99/296/EG, inzake een bewakingssysteem voor de uitstoot van broeikasgassen in de Gemeenschap /* COM/2003/0735 def. */


VERSLAG VAN DE COMMISSIE uit hoofde van Beschikking 93/389/EEG van de Raad, als gewijzigd bij Beschikking 99/296/EG, inzake een bewakingssysteem voor de uitstoot van broeikasgassen in de Gemeenschap

Inhoudsopgave

1. Samenvatting

2. Naleving van de rapportage-eisen door de lidstaten

3. Beoordeling van de reële vorderingen

4. Beoordeling van de geraamde vorderingen

5. Broeikasgasemissiedoelstellingen en -verminderingen in de toetredingslanden

Woordenlijst en afkortingen

1. Samenvatting

Dit is het vierde voortgangsverslag uit hoofde van Beschikking 93/389/EEG van de Raad inzake een bewakingssysteem voor de uitstoot van kooldioxide (CO2) en andere broeikasgassen in de Gemeenschap, als gewijzigd bij Beschikking 99/296/EG. In dit verslag wordt een beoordeling gegeven van de feitelijke en geraamde vorderingen van de lidstaten en van de Gemeenschap bij de vervulling van hun verplichtingen met betrekking tot de emissies van broeikasgassen (BKG), zoals deze voortvloeien uit het Raamverdrag van de Verenigde Naties inzake klimaatverandering (UNFCCC) en het Protocol van Kyoto.

Dit verslag verwijst naar het verslag Greenhouse gas emission trends and projections in Europe van het Europees Milieuagentschap (EMA 2003). In dit verslag worden de effecten van nationale beleidsmaatregelen op de uitstootvermindering in beschouwing genomen. Indien de prognoses met betrekking tot de emissiereducties eventueel een manco te zien geven, dient men voor ogen te houden dat geen rekening is gehouden met de toekomstige effecten van de handel in emissierechten op EG- en/of wereldniveau, en evenmin met de uitstootvermindering die kan worden gerealiseerd door middel van de op projecten gebaseerde mechanismen uit hoofde van het Protocol van Kyoto (Kyoto-mechanismen), Joint Implementation (JI) en Clean Development Mechanism (CDM). Voorts wordt in dit verslag ook geen rekening gehouden met een mogelijke compensatie van emissies door de vastlegging van koolstof in 'putten', een beleidsoptie die in de akkoorden van Marrakech uitdrukkelijk wordt genoemd.

Voor de lidstaten die al gegevens hebben verstrekt over het verwachte gebruik van koolstofputten en de Kyoto-mechanismen, presenteert dit verslag echter een voorlopige beoordeling van de mate waarin deze instrumenten zouden kunnen bijdragen tot het bereiken van de individuele doelstelling van deze landen in het kader van de lastenverdeling. Helaas is de kwantitatieve informatie die de lidstaten hebben ingediend, zeer beperkt. De algemene beoordeling kan daarom alleen worden gebaseerd op de bijdrage van nationale activiteiten exclusief nationale koolstofputten.

Reële vorderingen van de EG: In 2001 zijn de broeikasgasemissies van de EU (Europese Unie) voor het tweede opeenvolgende jaar toegenomen. Volgens de ramingen waren ze in 2001 1,0% hoger dan een jaar eerder. De broeikasgasemissies liggen nu 2,1 procentpunt boven het Kyoto-streefpad [1], hetgeen duidelijk laat zien dat nog aanzienlijke extra inspanningen nodig zijn voor de tenuitvoerlegging van krachtigere beleidsmaatregelen. De lidstaten moeten hun beleidsmaatregelen effectief ten uitvoer leggen. De EG en de lidstaten dienen de nodige maatregelen te nemen zoals aangegeven in het Europees programma inzake klimaatverandering (EPK) om hun toezeggingen in het kader van het Protocol van Kyoto gestand te doen (zie Beschikking 2002/358/EG van de Raad, artikel 2; 3e alinea).

[1] Het Kyoto-streefpad dient als hulpmiddel om de verwezenlijkingen van de lidstaten en de EU in haar geheel te vergelijken (zie hoofdstuk 3).

De prestaties verschillen sterk van lidstaat tot lidstaat. De broeikasgasemissies van Luxemburg en Zweden zijn gedaald en deze landen behoren nu tot de groep lidstaten waarvan de emissies in 2001 onder het niveau van hun individuele streefpad liggen. De meeste lidstaten hebben het echter minder goed gedaan. De emissies van meer dan de helft van de lidstaten liggen nog boven het uitstootniveau dat de lidstaten volgens het Kyoto-streefpad hadden moeten halen. Al deze lidstaten behalve Spanje hebben zich tussen 2000 en 2001 nog verder van hun streefpad verwijderd.

Geraamde vorderingen van de EU: Als de prognoses van de lidstaten worden gecombineerd, wettigt het resultaat het vermoeden dat de bestaande beleidsmaatregelen niet zullen volstaan om de Kyoto-doelstelling van de EG te realiseren. De prognose 'met bestaande maatregelen' leidt tot de voorspelling dat de emissies van de Europese Gemeenschap (EG) in 2010 slechts met 0,5% zullen zijn afgenomen, waardoor men nog een volle 7,5% van de Kyoto-doelstelling verwijderd blijft. Het cijfer voor de geraamde vorderingen van de EG als geheel is aanmerkelijk slechter dan het cijfer dat in het verslag van vorig jaar werd gegeven (zie COM(2002)702). Duitsland heeft in juni 2003 bijgewerkte prognoses gepresenteerd. Volgens deze prognoses ligt Duitsland, de grootste producent van broeikasgassen binnen de EG, niet meer helemaal op de goede koers om zijn doelstelling te halen, terwijl Duitsland het volgens de prognoses van de voorgaande jaren juist beter leek te doen dan voor de realisering van het streefpad nodig was.

Elf lidstaten hebben aanvullende beleidsmaatregelen vastgesteld om hun individuele doelstelling in het kader van de lastenverdelingsovereenkomst te realiseren. Volgens een modelscenario dat rekening houdt met deze aanvullende maatregelen, zullen zes lidstaten hun doelstelling in het kader van de lastenverdeling overtreffen, sommige zelfs in aanzienlijke mate. Op EG-niveau zou het reductiesurplus van deze lidstaten resulteren in een vermindering van de broeikasgasemissies voor de EG als geheel met 7,2% ten opzichte van het niveau van het referentiejaar, waarna nog steeds een klein gat van 0,8% met de Kyoto-doelstelling voor de EG overblijft.

Deze prognoses moeten met de nodige omzichtigheid worden geïnterpreteerd vanwege de aanzienlijke onzekerheidsmarges en methodologische tekortkomingen, bijvoorbeeld in de aannamen op het gebied van de economische ontwikkeling en de effectiviteit van de beleidsmaatregelen die nog ten uitvoer moeten worden gelegd. Nu het begin van de eerste verbintenisperiode nog maar vijf jaar van ons verwijderd is, is het belangrijk dat de methodologieën voor het opstellen van de prognoses voor de beleidseffecten voor het komende verslag verder worden verbeterd.

Voorlopige beoordeling van de verrekening van 'flexibele mechanismen' uit hoofde van het Protocol van Kyoto alsmede grondgebruik, veranderingen in grondgebruik en bosbouw

Zeven lidstaten hebben aangegeven van plan te zijn gebruik te maken van de Kyoto-mechanismen om hun individuele reductieverplichtingen te halen. Deze plannen verkeren evenwel nog in een voorbereidend stadium en bieden meer kwalitatieve dan kwantitatieve informatie. In dit vroege stadium hebben deze lidstaten maatregelen vastgesteld die bijdragen tot de reductieverplichting van 21 miljoen ton CO2 equivalent [2], waarvan Nederland 20 miljoen ton voor zijn rekening neemt. Met name Nederland en Oostenrijk hebben aanmerkelijke bedragen beschikbaar gesteld voor de Kyoto-mechanismen. Er is echter gedetailleerdere informatie nodig om deze ramingen te kunnen beoordelen.

[2] De equivalente CO2-emissies zijn de emissies van de andere in het Protocol van Kyoto gereguleerde broeikasgassen die hetzelfde broeikasgaseffect hebben als CO2.

Diverse lidstaten hebben ook ramingen gerapporteerd van de netto veranderingen in de voorraad koolstof voor de eerste verbintenisperiode ingevolge artikel 3, lid 3, van het Protocol van Kyoto, en enkele lidstaten hebben aangegeven van plan te zijn activiteiten mee te wegen uit hoofde van artikel 3, lid 4, van het Protocol van Kyoto over grondgebruik, veranderingen in grondgebruik en bosbouw (LULUCF). De gerapporteerde gecombineerde ramingen van LULUCF van de lidstaten zouden een netto reductie van 13 miljoen ton CO2 betekenen. Deze gegevens zijn echter voorlopig, met name omdat de richtsnoeren voor goede praktijken van de Intergouvernementele Werkgroep inzake klimaatverandering (IPCC) voor de LULUCF-sector nog in voorbereiding zijn.

Naleving van de rapportage-eisen: De tijdige indiening van de inventarissen is nog een probleem voor Duitsland, Griekenland, Italië, Luxemburg, Portugal en Spanje. Voorts bevatten de inventarissen van Griekenland en Luxemburg aanmerkelijke hiaten. Er is echter sprake van verdere vooruitgang in de rapportages van de lidstaten over emissie-inventarissen en nationale beleidsmaatregelen uit hoofde van het bewakingsmechanisme van de EG.

Kandidaat-lidstaten: Alle kandidaat-lidstaten behalve Slovenië zijn op de goede weg om hun Kyoto-doelstelling te halen en voorspellen dat hun emissies in 2010 in een 'met bestaande maatregelen'-scenario op het niveau van hun Kyoto-streefcijfer zullen liggen of zelfs lager zullen uitvallen dan dit streefcijfer.

Gemeenschappelijke en gecoördineerde beleidsmaatregelen: De gemeenschappelijke en gecoördineerde beleidsmaatregelen van de Europese Gemeenschap maken een integraal deel uit van de inspanningen die de EG ontplooit om de Kyoto-doelstelling te realiseren. Er is vooruitgang geboekt bij de ontwikkeling en vaststelling van maatregelen op het gebied van energie, vervoer en industrie, zoals overeengekomen in de eerste fase van het EPK. De potentiële vermindering van de broeikasgasemissies door deze gemeenschappelijke en gecoördineerde beleidsmaatregelen is binnen de verschillende werkgroepen van het Europees Programma inzake klimaatverandering door deskundigen geëvalueerd zonder dat een specifiek model is gebruikt. De beleidsmaatregelen die thans door de EG zijn vastgesteld of zijn voorgesteld door de Europese Commissie, zouden - als ze worden aangenomen - in de vijftien huidige lidstaten tot emissiereducties leiden van ongeveer 300 miljoen ton CO2-equivalent, waarmee de kloof van 7,5% tussen de prognoses 'met bestaande maatregelen' en de Kyoto-doelstelling voor de EG in potentie zou kunnen worden gedicht. Of dit potentieel in de eerste verbintenisperiode kan worden gerealiseerd, zal evenwel afhangen van de snelheid waarmee de lidstaten de communautaire wetgeving ten uitvoer leggen. Voorts bestaat het gevaar dat bepaalde reducties dubbel worden geteld, doordat de lidstaten een deel van de potentiële reducties van deze beleidsmaatregelen mogelijk ook hebben gerapporteerd als onderdeel van hun nationale beleidsmaatregelen. De methodologieën die worden gebruikt voor de prognoses van de effecten voor de hele Gemeenschap van klimaatbeleidsmaatregelen, moeten verder worden geharmoniseerd.

2. Naleving van de rapportage-eisen door de lidstaten

De nakoming van de rapportageverplichtingen die de EG in het kader van het UNFCCC en het Protocol van Kyoto is aangegaan, en de beoordeling van de reële vorderingen hangen af van de tijdige beschikbaarheid van de desbetreffende nationale inventarissen, waaruit een volledige EG-inventaris voor de totaliteit van de vijftien lidstaten wordt samengesteld. De lidstaten zijn verplicht voor 31 december van elk jaar de inventarisgegevens in te dienen die betrekking hebben op het voorgaande kalenderjaar (d.w.z. vóór 31 december 2002 de gegevens over 2001). Zes lidstaten (Duitsland, Griekenland, Italië, Luxemburg, Spanje en Portugal) hebben hun inventarissen niet tijdig ingestuurd. Op 4 april 2003 hadden echter alle lidstaten hun gegevens met betrekking tot 2001 gerapporteerd.

De beschikbaarheid van gegevens is in het algemeen verbeterd ten opzichte van de voorgaande jaren. Er zijn nog steeds hiaten in de gegevens van Griekenland (SF6 voor 1990-2001) en Luxemburg (CO2, CH4 en N2O [3] voor 1991-1993, HFK's, PFK's en SF6 voor 1990-2000). Er is een procedure ter opvulling van de hiaten toegepast voor Luxemburg (CO2, CH4 en N2O voor 1991-1993 en gefluoreerde gassen voor 1990-2000) in overeenstemming met de richtsnoeren van het bewakingssysteem. Daarnaast zijn ook de hiaten in de gegevens opgevuld voor de landen die vóór 1995 geen HFK's, PFK's en SF6 hebben gerapporteerd, teneinde een consistente gegevensreeks te krijgen. In de voor dit verslag gebruikte gegevens over CO2-, CH4- en N2O-emissies zijn emissies en verwijderingen als gevolg van LULUCF buiten beschouwing gelaten. Op de zevende conferentie van de partijen bij het UNFCCC (COP7) in november 2001 in Marrakech ('akkoorden van Marrakech') is overeenstemming bereikt over de hangende methodologische kwesties in het kader van artikel 3, lid 3 en lid 4, van het Protocol van Kyoto voor LULUCF. De gedetailleerde methoden voor het ramen van veranderingen in koolstofputten zijn evenwel nog niet beschikbaar; ze worden momenteel ontwikkeld door het IPCC.

[3] CH4 = methaan, N2O = distikstofoxide (lachgas).

Voor de beoordeling van de geraamde vorderingen op weg naar vervulling van de verplichtingen uit hoofde van het Protocol van Kyoto wordt informatie gebruikt over de toekomstige effecten van zowel beleidsmaatregelen die al ten uitvoer zijn gelegd, als voorgestelde beleidsmaatregelen. Alle lidstaten hebben prognoses ingediend voor de totale broeikasgasemissies voor 2010. Duitsland en Spanje hebben echter geen prognoses verstrekt per gas. Voor de EU als geheel is een analyse van de effecten van beleidsmaatregelen slechts tot op zekere hoogte mogelijk, aangezien Duitsland, Griekenland, Luxemburg, Nederland, Portugal en Spanje niet voor alle sectoren prognoses hebben verstrekt.

3. Beoordeling van de reële vorderingen

Vorderingen in de Europese Unie als geheel

De EG heeft zich verplicht haar broeikasgasemissies in de eerste verbintenisperiode 2008-2012 van het Protocol van Kyoto met 8% te verlagen ten opzichte van het niveau in het referentiejaar (de emissies in 1990 voor CO2, CH4 en N2O, maar in 1995 voor gefluoreerde gassen). In Beschikking 2002/358/EG van de Raad is een 'lastenverdelingsovereenkomst' tussen de huidige vijftien lidstaten bereikt in overeenstemming met artikel 4 van het Protocol van Kyoto. Deze overeenkomst wijst elke lidstaat een bepaalde reductiedoelstelling toe (zie EMA 2003, hoofdstuk 2.1, tabel 1). Zij dient eveneens als grondslag voor het nakomen van de toezeggingen van iedere lidstaat afzonderlijk, mocht de EG in haar geheel haar verplichtingen in de periode 2008-2012 niet nakomen.

De reële en geraamde vorderingen worden gemeten aan de hand van de 'afstand-tot-streefpadindicator' ('distance-to-target-indicator') die ook al in eerdere jaren was gebruikt als hulpmiddel om het succes van de EG en van de lidstaten zichtbaar te maken. Deze laat het verschil zien tussen de reële broeikasgasemissies van de EU en een nominaal Kyoto-streefpad van de EU. Het Kyoto-streefpad stelt de theoretische lineaire afname van de broeikasgasemissies voor vanaf het referentiejaar tot 2010, het jaar halverwege de eerste verbintenisperiode (zie figuur 1). Bij gebruik van het streefpad moet voor ogen worden gehouden dat het Protocol van Kyoto in 1997 is gesloten en door de EG en de lidstaten in 2002 is geratificeerd. Voorts is het Europees Programma inzake klimaatverandering pas in 2000 van start gegaan en beginnen de uit dat programma voortvloeiende beleidsmaatregelen pas nu hun vruchten af te werpen. Toch is vergelijking met het streefpad een handig instrument om de ontwikkeling van de broeikasgasemissies van de EG en de lidstaten zichtbaar te maken.

Het EMA-verslag Greenhouse gas emission trends and projections (EMA 2003) bevat een gedetailleerde analyse van de emissietrends voor de EG als geheel en per lidstaat. Hier wordt een samenvatting van deze trends gepresenteerd.

De broeikasgasemissies van de EG zijn in 2001 met 2,3% gedaald ten opzichte van het referentiejaar (figuur 1) en hebben het niveau van 4108 miljoen ton CO2-equivalent bereikt. De reductie is niet veel meer dan een kwart van de doelstelling die het Protocol van Kyoto voor de EG heeft gesteld, te weten, een vermindering met 8% van het referentiejaar tot 2010. De afstand tot de Kyoto-doelstelling van de EG is groter dan in de boordeling van vorig jaar omdat de uitstoot van broeikasgassen voor het tweede opeenvolgende jaar is gestegen [4]. De totale uitstoot van broeikasgassen lag in 2001 2,1 indexpunten boven het Kyoto-streefpad (figuur 1). Dit maakt duidelijk dat er behoefte is aan een krachtigere en efficiëntere tenuitvoerlegging door de lidstaten van bestaande en aanvullende beleidsmaatregelen als aangegeven in de prognoses (zie hoofdstuk 4) en van de beleidsmaatregelen als aangegeven in het EPK (zie de tweede EPK-mededeling [5].

[4] In het verslag van de Commissie over de vorderingen uit 2002 is een afname van de emissies tussen het referentiejaar en 2000 van 3,5% gemeld, maar de afname komt in werkelijkheid uit op 3,3%, zoals in dit verslag wordt aangegeven, doordat de lidstaten bijgewerkte gegevens hebben verstrekt.

[5] http://europa.eu.int/comm/environment/ climat/second_eccp_report.pdf

Vorderingen per broeikasgas

Voor de verschillende sectoren en broeikasgassen liep de ontwikkeling nogal uiteen. Met 82% van de totale broeikasgasuitstoot was CO2 in 2001 het belangrijkste broeikasgas in de EU. Van 2000 tot 2001 namen de CO2-emissies in de EG met 1,6% toe tot het hoogste niveau van de CO2-emissies sinds 1990, hetgeen nog onrustwekkender is gezien het belangrijke aandeel van dit gas in de totale uitstoot van broeikasgassen. De meeste andere broeikasgassen daarentegen zijn sinds 1996 teruggedrongen. De sector vervoer draagt het meeste bij aan de stijging van CO2 (20% boven het niveau van 1990). De broeikasgasemissies van de op een na belangrijkste sector, 'Overige sectoren' (voornamelijk energieverbranding in huishoudens, maar ook in commerciële en institutionele gebouwen en in de landbouw), zijn met 3% gestegen ten opzichte van het niveau van 1990.

Figuur 1 Broeikasgasemissies in de EG vergeleken met streefcijfers voor 2010 (effecten van grondgebruik, veranderingen in grondgebruik en bosbouw niet inbegrepen)

>REFERENTIE NAAR EEN GRAFIEK>

Opmerking: Het lineaire streefpad van Kyoto is niet bedoeld als een benaderde weergave van toekomstige EG-emissietrends, maar wordt gebruikt ter beoordeling van de broeikasgasemissies van de EG in 2001 ten opzichte van de Kyoto-streefcijfers voor de EG.

Bron: EMA, 2003

De CH4-emissies (methaan) zijn verantwoordelijk voor 8% van de totale uitstoot van broeikasgassen in de EU en zijn tussen 1990 en 2001 met 21% afgenomen. De belangrijkste oorzaken van de lagere CH4-emissies zijn de teruggelopen steenkoolwinning, de verminderde afvalstorting, technische maatregelen om deze emissies te verlagen, en het afgenomen veebestand. De emissies van deze sectoren zijn sinds 1990 onafgebroken gedaald.

De N2O-emissies (distikstofoxide), verantwoordelijk voor 8% van de totale uitstoot van broeikasgassen, zijn tussen 1990 en 2001 met 16% teruggelopen. De belangrijkste verklaring voor de gestage daling van de N2O-uitstoot sinds 1990 vormen de chemische industrie, in het bijzonder de productie van adipinezuur, waar de uitstoot aanzienlijk is gedaald als gevolg van technische maatregelen, en landbouwgronden, waar de emissies zijn gedaald dankzij een daling in het gebruik van kunstmest.

Wat de emissies van gefluoreerde gassen betreft, zijn tegengestelde ontwikkelingen zichtbaar: terwijl de uitstoot van HFK's tussen 1995 en 2001 met 11% is gestegen, is de uitstoot van PFK's met 28% gedaald en lag die van SF6 in 2001 25% onder het niveau van 1995. Gefluoreerde gassen maakten in 2001 slechts 1% uit van de totale broeikasgasemissies. De recente ontwikkelingen van 2000 tot 2001 geven voor alle gefluoreerde gassen een afname van de uitstoot te zien.

Raadpleeg EMA 2003, hoofdstuk 3.1, voor meer informatie.

Vorderingen per sector

Teneinde vast te stellen welke bronnen de grootste bijdrage leveren aan de uitstoot van broeikasgassen door de EU, en de ontwikkelingen daarin tussen 1990 en 2001 te bepalen, is per sector een analyse uitgevoerd. De belangrijkste broncategorieën in 2001 waren:

- CO2-emissies in de energiesector, met een aandeel van 27% in 2001 in de totale uitstoot van broeikasgassen; deze emissies zijn sinds 1990 met 2% gedaald;

- CO2-emissies van het vervoer, met een aandeel van 20% in 2001 en een toename van 20% sinds 1990;

- CO2-emissies in de 'overige sectoren' (voornamelijk verbrandingsprocessen in huishoudens, openbare gebouwen en de landbouw), met een aandeel van 16% in 2001 en een toename van 3% sinds 1990;

- CO2-emissies van de be- en verwerkende industrie en de bouwsector (voornamelijk als gevolg van warmte- en elektriciteitsproductie), met een aandeel van 14% in 2001 en een afname van 9% sinds 1990.

Deze bronnen zijn verantwoordelijk voor meer dan driekwart van de totale uitstoot van broeikasgassen in de EG en zijn allemaal het gevolg van de verbranding van brandstoffen. Een gedetailleerd overzicht van de belangrijkste bronnen van broeikasgassen en hun ontwikkeling is te vinden in hoofdstuk 3.3.1 van EMA 2003.

De broeikasgasemissies in de EG stijgen het sterkst in de vervoersector. Tussen 1990 en 2001 zijn de CO2-emissies door het vervoer met 139 miljoen ton (20%) toegenomen. Daarnaast stijgen de N2O-emissies van het vervoer. In deze sector gaat het hoofdzakelijk om emissies door verbranding van fossiele brandstoffen in het wegvervoer, de binnenlandse burgerluchtvaart, de nationale scheepvaart en de nationale spoorwegen. De belangrijkste oorzaak van de sterke groei van de CO2-uitstoot in de vervoersector is de grotere omvang van het wegvervoer en het daarmee samenhangende gestegen brandstofverbruik (zie EMA 2003, hoofdstuk 3.3.3).

De be- en verwerkende industrie en de bouwsector waren daarentegen de sectoren met de grootste afname van de emissies. Zowel de CO2-emissies door de verbranding van fossiele brandstoffen in de be- en verwerkende industrie en de N2O-emissies uit de chemische industrie zijn met ongeveer 57 miljoen ton CO2-equivalent afgenomen, hetgeen neerkomt op een relatieve reductie van 9% in de nijverheidssector sinds 1990 en een relatieve reductie van 54% in de chemische sector. Het succes van de nijverheidssector kwam vooral tot stand door de economische herstructurering na de Duitse eenmaking en door verdere verbeteringen van de efficiëntie, ook hoofdzakelijk in Duitsland. De reducties in de chemische industrie zijn te danken aan specifieke technische maatregelen met betrekking tot de adipinezuurproductie, vooral in het Verenigd Koninkrijk, Duitsland en Frankrijk (zie EMA 2003, hoofdstuk 3.3.2).

Andere sectoren met grote veranderingen in de emissies sinds 1990:

De vluchtige emissies uit vaste brandstoffen (CH4, methaan) zijn met 33 miljoen ton CO2-equivalent afgenomen, hetgeen een vermindering van bijna 70% is. Deze emissies zijn echter verantwoordelijk voor slechts 0,4% van de totale uitstoot van broeikasgassen in de EG. De belangrijkste oorzaak voor deze grote daling is het teruglopen van de steenkoolwinning in het Verenigd Koninkrijk, Duitsland en Frankrijk (zie EMA 2003, hoofdstuk 3.3.1).

Een substantiële vermindering van de uitstoot van methaan (30 miljoen ton CO2-equivalent oftewel 28%) werd bereikt in de sector afvalstortplaatsen, die verantwoordelijk was voor 2% van de totale uitstoot in 2001. Dit succes was vooral te danken aan maatregelen in samenhang met de uitvoering van de Europese richtlijn inzake het storten van afvalstoffen (zie EMA 2003, hoofdstuk 3.3.6).

De uitstoot van kooldioxide (CO2) in de energiesector (elektriciteits-, warmte- en stoomproductie) is tussen 1990 en 2001 met 25 miljoen ton (2%) afgenomen. Dit resultaat was grotendeels het gevolg van de overschakeling van steenkool op gas in een aantal lidstaten (vooral het Verenigd Koninkrijk) en verbeterde efficiëntie (vooral in Duitsland). De toepassing van warmtekrachtkoppeling is toegenomen tot een aandeel van 10% in de EG (zie EMA 2003, hoofdstuk 5.4.1). Bovendien draagt het toenemende gebruik van duurzame energiebronnen (met in 2000 een aandeel van bijna 15% in het elektriciteitsverbruik), met name windenergie in Duitsland, Denemarken en Spanje, bij aan deze reductie van de CO2-uitstoot. Door een grote toename van de emissies in 2001 in de energiesector zijn de reducties die dit jaar worden gerapporteerd, echter een derde lager dan de reducties die vorig jaar zijn gerapporteerd voor de tijdsperiode 1990-2000. De belangrijkste oorzaken van de dit jaar gerapporteerde stijging zijn de overschakeling in 2001 op kolen met een hoog koolstofgehalte als brandstof in de elektriciteitsproductie, onder meer als gevolg van de gestegen olie- en gasprijzen, en de toegenomen vraag naar stadsverwarming, vooral door huishoudens (Eurostat, database NewCronos, 2003).

Hoofdstuk 3.3 van EMA 2003 bevat meer kwantitatieve gegevens per sector over de ontwikkelingen in de uitstoot van broeikasgassen voor diverse gassen en sectoren.

Vorderingen in de lidstaten: De meeste lidstaten hebben de afstand tot het streefpad in 2001 vergroot ten opzichte van 2000, terwijl alleen Spanje deze afstand heeft verkleind en Zweden zijn emissies verder beneden het niveau van het streefpad heeft weten te brengen. Het streefpad dient om de vorderingen te beoordelen die de lidstaten maken met het verlagen of beperken van de emissies ten opzichte van het theoretische lineaire Kyoto-streefpad van de lidstaten volgens de lastenverdelingsovereenkomst. In 2001 waren slechts vijf lidstaten (Frankrijk, Duitsland, Luxemburg, Zweden en het Verenigd Koninkrijk) 'op koers' om hun Kyoto-doelstelling te realiseren, d.w.z. dat zij zich met hun emissies beneden of dicht bij (Frankrijk) het niveau van hun Kyoto-streefpad bevonden (tabel 1). Tien lidstaten bevonden zich met hun emissies een heel eind boven het niveau van hun streefpad (Oostenrijk, Ierland, Spanje en Portugal met aanmerkelijk meer dan 10 procentpunten).

De emissiereducties die sinds 1990 zijn bereikt, zijn grotendeels te danken aan de uitstootvermindering die is opgetreden in Duitsland en het Verenigd Koninkrijk, die de grootste hoeveelheid broeikasgassen in de EG uitstoten (samen verantwoordelijk voor circa 40% van de totale emissies). In 2001 hebben deze twee lidstaten een reductie in broeikasgasemissies verwezenlijkt van 313 miljoen ton CO2-equivalent ten opzichte van het referentiejaar. De Duitse CO2-emissies uit de energiesector en nijverheid zijn zelfs gedaald met respectievelijk 16% en 33%. In 2001 is de uitstoot van broeikasgassen in allebei deze lidstaten echter weer toegenomen. De belangrijkste oorzaken waren de gestegen vraag naar elektriciteit en de lagere buitentemperaturen in het stookseizoen (winter) vergeleken met het jaar daarvoor.

Italië en Frankrijk komen qua uitstoot van broeikasgassen op de derde en vierde plaats, ieder met een aandeel van 13%. In 2001 zijn de Italiaanse broeikasgasemissies nauwelijks toegenomen (0,3% vanaf 2000, hetgeen bescheiden is vergeleken met de toename van 7% in 2001 ten opzichte van het niveau in het referentiejaar). De emissies zijn voornamelijk toegenomen in de sectoren vervoer en elektriciteitsproductie.

In Frankrijk is de uitstoot van broeikasgassen weer toegenomen met 0,5% ten opzichte van 2000, waarmee de eerdere neerwaartse trend is gekeerd. De emissies bevonden zich zeer dicht bij het niveau van het referentiejaar. Frankrijk heeft weliswaar grote reducties in de N2O-emissies uit de chemische industrie bereikt, maar de CO2-emissies door het vervoer zijn tussen 1990 en 2001 aanzienlijk gestegen.

Spanje, het EU-land dat qua broeikasgasemissies op de vijfde plaats komt, veroorzaakt ongeveer 9% van de totale EU-uitstoot van broeikasgassen. In 2001 lagen de emissies 32% hoger dan in het referentiejaar. In 2001 was Spanje echter de enige lidstaat die zijn broeikasgasemissies wist te verlagen ten opzichte van het jaar ervoor (met 1% ten opzichte van 2000). De emissiereducties binnen de energiesector in Spanje waren substantieel (de CO2-emissies zijn met 5% afgenomen) dankzij een grote toename van de productie van elektriciteit uit waterkracht. Deze sector is in 2001 met meer dan een derde gegroeid en is nu verantwoordelijk voor 18% van de totale elektriciteitsproductie van Spanje (Eurostat, database NewCronos, 2003).

Hoofdstuk 3.2 van EMA 2003 bevat meer kwantitatieve gegevens over de vorderingen per lidstaat.

Tabel 1: Broeikasgasemissies in CO2-equivalent (effecten van grondgebruik, veranderingen in grondgebruik en bosbouw niet inbegrepen) en streefcijfers krachtens het Protocol van Kyoto voor 2008-2012

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

Bron: EMA, 2003

Figuur 2: Afstand-tot-streefpadindicator (in indexpunten = %) ten opzichte van de streefcijfers voor de EU-lidstaten krachtens het Protocol van Kyoto en de lastenverdelingsovereenkomst

>REFERENTIE NAAR EEN GRAFIEK>

Opmerkingen:

1. De procentuele afstand-tot-streefpadindicator (distance to target, de staven) geeft weer hoe ver het feitelijke emissiecijfer voor 2001 is verwijderd van het hypothetische streefcijfer voor 2001, waarbij wordt aangenomen dat de procentuele reducties vanaf het niveau van 1990 lineair verlopen. Bij de berekening is uitgegaan van de aanname dat de lidstaten hun streefcijfer door middel van louter binnenlandse maatregelen realiseren. Er is derhalve geen rekening gehouden met het gebruik van Kyoto-mechanismen of putten die volgens het Protocol zijn toegestaan.

2. De afstand-tot-streefpadindicator voor Denemarken is +2,6 indexpunten als de Deense broeikasgasemissies worden gecorrigeerd voor elektriciteitstransacties in 1990.

Bron: EMA, 2003

4. Beoordeling van de geraamde vorderingen

In deze paragraaf worden de meest recente prognoses van de broeikasgasemissies van de lidstaten voor het jaar 2010 (het middelste jaar van de eerste verbintenisperiode van het Protocol van Kyoto) vergeleken met de verplichtingen in het kader van de lastenverdeling in de EG. Tevens worden in deze paragraaf de gecombineerde prognoses van de lidstaten vergeleken met de Kyoto-doelstelling van de EG. De prognoses 'met bestaande maatregelen' houden alleen rekening met de nationale beleidsmaatregelen (met inbegrip van gemeenschappelijke en gecoördineerde) die thans ten uitvoer zijn gelegd, terwijl de prognoses 'met aanvullende maatregelen' ook rekening houden met de beleidsmaatregelen die nog in behandeling zijn en een reële kans hebben om ten uitvoer te worden gelegd. De prognoses worden aangevuld door een voorlopige analyse van de bijdrage van de Kyoto-mechanismen en koolstofputten.

Vergelijking van de op bestaande maatregelen gebaseerde prognoses van de lidstaten met de Kyoto-doelstelling van de EG

Tabel 2 met de prognoses 'met bestaande maatregelen' laat zien in hoeverre het verwachte resultaat van de bestaande door de lidstaten ten uitvoer gelegde beleidsmaatregelen een bijdrage levert aan de verwezenlijking van de doelstellingen van de lidstaten en aan de omvang van de resterende kloof. Tussen de lidstaten verschilt de bijdrage aanzienlijk, wat een weergave is van het feit dat het beleid van de landen zich in verschillende fasen van ontwikkeling bevindt. Zweden en het Verenigd Koninkrijk zijn de enige lidstaten die stellen dat ze in 2010 lagere broeikasgasemissies zullen hebben dan hun streefcijfers met bestaande nationale beleidsmaatregelen. In deze beide lidstaten is de prognose gebaseerd op het effect van efficiënte maatregelen die zijn ingevoerd sedert het Protocol van Kyoto in 1997 is overeengekomen. Dit betekent echter niet dat andere lidstaten worden vrijgepleit van een eventuele niet-naleving van hun verplichtingen. Beschikking 2002/358/EG verplicht alle lidstaten de nodige maatregelen te treffen om hun streefcijfer te halen. Raadpleeg EMA 2003, hoofdstuk 2.1, voor meer informatie.

Tabel 2: Vergelijking van de totale-emissieprognoses van de lidstaten 'met bestaande maatregelen' (grondgebruik, veranderingen in grondgebruik en bosbouw niet inbegrepen) met de verbintenissen van Kyoto

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

De EG als geheel zou volgens de huidige gecombineerde prognoses 'met bestaande maatregelen' in 2010 slechts een kleine reductie van de broeikasgasemissies van 0,5% tot stand brengen ten opzichte van het niveau in het referentiejaar. Er blijft dan tegen 2010 nog steeds een verschil van 7,5 procentpunten te overbruggen voordat het streefcijfer van -8% is gehaald (ongeveer 329 miljoen ton CO2-equivalent).

Dit resultaat is aanmerkelijk slechter dan de vorig jaar bekendgemaakte prognoses, die voor 2010 een uitstootvermindering voor broeikasgassen in de EG met 4,7% te zien gaven. De onlangs bijgestelde emissieprognoses van Denemarken, Duitsland en Griekenland voor 2010 liggen een stuk hoger dan in de vorige jaarrapportage van deze landen. Daarentegen hebben Oostenrijk en Italië iets lagere prognoses voor de emissies in 2010 bekendgemaakt. De bijgestelde prognose van Duitsland (voorlopige gegevens die in juni 2003 zijn verstrekt) heeft grote invloed op de EG-prognoses. De nieuwe Duitse prognose laat zien dat Duitsland met zijn emissies 15 miljoen ton CO2-equivalent boven zijn streefcijfer zou kunnen uitkomen, terwijl de vorige prognose van Duitsland nog op een reductiesurplus van 155 miljoen ton voor 2010 leek te wijzen. In zijn bijgewerkte prognoses heeft Duitsland rekening gehouden met de effecten van zijn programma inzake klimaatverandering dat in 2000 is goedgekeurd, alsmede met de effecten van recente beleidsmaatregelen (met inbegrip van die van 2002).

De EG-prognoses 'met bestaande maatregelen' voor de afzonderlijke gassen laten zien dat de uitstoot van CO2 waarschijnlijk met 4% zal stijgen (hoofdzakelijk als gevolg van de verwachte forse toename van de emissies in de sector vervoer). De informatie voor andere broeikasgassen is minder uitgebreid, vooral doordat Duitsland en Spanje deze gegevens niet hebben gerapporteerd. Het is daarom moeilijk om harde conclusies te trekken. Voor de landen die gegevens over CH4 en N2O hebben gerapporteerd, worden dalingen voor deze gassen verwacht met respectievelijk 32% en 12% over de periode van 1990 tot 2010. Voor gefluoreerde gassen wordt evenwel een belangrijke toename met 39 miljoen ton CO2-equivalent (98%) verwacht in 2010 ten opzichte van het referentiejaar. Raadpleeg EMA 2003, hoofdstuk 4.1, voor meer informatie.

De prognoses voor de broeikasgasemissies uit de sector vervoer zijn bijzonder zorgwekkend. De prognoses wijzen bij het scenario 'met bestaande maatregelen' op een toename tegen 2010 met ongeveer 34% ten opzichte van 1990. Dit is echter minder dan de eerdere prognoses aangaven, hetgeen erop wijst dat de genomen maatregelen, zoals de overeenkomst met de autofabrikanten over de reductie van de CO2-emissies per kilometer uit nieuwe personenauto's, vrucht beginnen af te werpen.

Vergelijking van de prognoses 'met aanvullende maatregelen' van de lidstaten met de Kyoto-doelstelling van de EG

De prognoses 'met aanvullende maatregelen' laten zien dat de EG zelfs met deze aanvullende beleidsmaatregelen haar Kyoto-doelstelling niet zal halen. Met aanvullende maatregelen zal de EG haar broeikasgasemissies tot 2010 verminderen met 7,2% ten opzichte van het referentiejaar, waarna nog een verschil overblijft van 0,8 procentpunten ten opzichte van de Kyoto-doelstelling van -8% voor de EG. Dit resultaat kan alleen worden bereikt doordat Finland, Frankrijk, Griekenland, Ierland, Zweden en het Verenigd Koninkrijk verwachten hun streefcijfer volgens de lastenverdeling te halen of zelfs een reductiesurplus te realiseren. Raadpleeg EMA 2003, hoofdstuk 4.2, voor verdere informatie.

De kwaliteit van de verstrekte prognoses biedt nog veel ruimte voor verbetering. Vier lidstaten (Duitsland, Luxemburg, Portugal en Zweden) hebben geen kwantificering gegeven van hun aanvullende beleidsmaatregelen. Zweden stelt dat de bestaande beleidsmaatregelen zullen volstaan. In de landen die aanvullende reducties per broeikasgas hebben opgegeven, worden de meeste reducties verwacht van een verdere terugdringing van de CO2-uitstoot. De totale kwaliteit van de bovengenoemde prognoses wordt over het algemeen nadelig beïnvloed door onzekerheden met betrekking tot:

- het niveau van de tenuitvoerlegging van beleidsmaatregelen; en,

- de methodologieën die worden gebruikt voor de prognoses en hun rapportage.

Voorlopige beoordeling van de verrekening van het gebruik van 'flexibele mechanismen' en koolstofputten uit hoofde van het Protocol van Kyoto

Om de beoordeling van de vorderingen op grond van nationale maatregelen aan te vullen heeft de Europese Commissie de lidstaten een vragenlijst gezonden over hun plannen en voorbereidingen voor het gebruik van Kyoto-mechanismen (artikelen 6, 12 en 17 van het Protocol van Kyoto) en koolstofputten (artikel 3, lid 3 en lid 4, van het Protocol van Kyoto).

De stand van de voorbereidingen voor het gebruik van Kyoto-mechanismen verschilt sterk tussen de lidstaten. Zes lidstaten (Oostenrijk, België, Nederland, Portugal, Spanje en het Verenigd Koninkrijk) hebben al besloten deze Kyoto-mechanismen te gaan gebruiken in aanvulling op nationale beleidsmaatregelen om hun doelstellingen voor de eerste verbintenisperiode te halen. Twee van deze landen hebben inmiddels hun eerste kwantitatieve ramingen gepresenteerd. Nederland en Portugal zijn van plan om reducties van respectievelijk 20 en ongeveer 1 miljoen ton CO2-equivalent per jaar te realiseren door het gebruik van flexibele mechanismen. Oostenrijk is van plan tot 50% van zijn inspanning om aan zijn verplichtingen te voldoen te realiseren door middel van flexibele mechanismen. Oostenrijk en Nederland zijn het verst gevorderd met de voorbereidingen voor de tenuitvoerlegging van de op projecten gebaseerde mechanismen en hebben hier aanmerkelijke bedragen voor gereserveerd. Nederland zal er alleen in slagen om met het aangekondigde gebruik van de Kyoto-mechanismen voor een beoogde reductie van 20 miljoen ton CO2-equivalent de kloof tussen zijn prognoses 'met aanvullende maatregelen' en zijn streefcijfer ingevolge de lastenverdelingsovereenkomst te dichten als het meest optimistische scenario van de prognoses 'met aanvullende maatregelen' wordt gerealiseerd [6]. Portugal, dat van plan is een reductie tot 1,3 miljoen ton CO2-equivalent te genereren, zal daarmee slechts een geringe verkleining van de kloof bereiken. Portugal heeft voorts geen gedetailleerde gegevens verstrekt over de tenuitvoerlegging van een rechtskader of over specifieke projecten.

[6] Nederland heeft geen specifieke waarde voor de emissiereductie opgegeven, maar een bereik.

Voor de EU zijn deze gekwantificeerde ramingen over het gebruik van Kyoto-mechanismen per lidstaat verantwoordelijk voor circa 0,5% van de emissies in het referentiejaar. Dit cijfer moet echter voorzichtig worden geïnterpreteerd, aangezien tot nu toe nog maar heel weinig lidstaten hebben aangegeven van plan te zijn om JI en CDM te gaan gebruiken en de respectieve gegevens hebben verstrekt. Raadpleeg EMA 2003, hoofdstuk 6 voor meer informatie.

De lidstaten moeten uit hoofde van artikel 3, lid 3, van het Protocol van Kyoto ook rekening houden met de emissies als gevolg van bebossing, herbebossing en ontbossing. Slechts vijf lidstaten (Oostenrijk, Nederland, Portugal, Spanje en het Verenigd Koninkrijk) hebben echter jaarprognoses verstrekt voor de netto veranderingen in de voorraad koolstof ingevolge artikel 3, lid 3, van het Protocol van Kyoto. Terwijl Oostenrijk en Zweden niet nader gekwantificeerde extra emissies uit dergelijke activiteiten verwachten, gaan Nederland, Portugal, Spanje en het Verenigd Koninkrijk uit van een netto reductie. Met betrekking tot artikel 3, lid 4, van het Protocol van Kyoto hebben tot dusver slechts drie lidstaten besloten rekening te houden met veranderingen in de emissies ten gevolge van bosbeheer.

De gerapporteerde gecombineerde ramingen voor de activiteiten van de lidstaten genoemd in artikel 3, lid 3 en lid 4, zouden een netto reductie van 13 miljoen ton CO2 per jaar betekenen. Dit volume bestaat uit 10 miljoen ton voor bebossing, herbebossing en ontbossing en 3 miljoen ton voor het beheer van bossen, akkerlanden en graslanden en beplanting. Op het niveau van de EG zijn deze activiteiten verantwoordelijk voor ongeveer 0,3% van de emissies in het referentiejaar.

Voor enkele lidstaten kunnen deze activiteiten een belangrijke bijdrage leveren tot het vervullen van hun verplichtingen. Spanje en Portugal, de lidstaten die van plan zijn het meest gebruik te maken van putten of 'grondgebruik, verandering van grondgebruik en bosbouw'-activiteiten (LULUCF), verwachten dat zij hun kloof elk met ongeveer 3% kunnen verkleinen. Het Verenigd Koninkrijk verwacht zijn reductiesurplus door deze activiteiten verder te vergroten.

Deze gegevens hebben echter nog een voorlopig karakter, zodat nog geen betrouwbare prognose van de bijdrage op het niveau van de EG mogelijk is. Het is moeilijk gedetailleerdere prognoses te geven over de effecten van putten omdat de richtsnoeren voor goede praktijken van het IPCC voor de LULUCF-sector nog in voorbereiding zijn. Bovendien bevinden het beleid en de bijbehorende budgettering voor de verrekening van de effecten van landgebruik, veranderingen in landgebruik en bosbouw zich nog in het prille stadium van de voorbereidingen. Raadpleeg EMA 2003, hoofdstuk 7, voor meer gegevens.

Gemeenschappelijke en gecoördineerde beleidsmaatregelen op EG-niveau

Deze paragraaf biedt een beknopt overzicht van de op communautair niveau genomen beleidsmaatregelen, de zogenoemde gemeenschappelijke en gecoördineerde beleidsmaatregelen (GGBM). Teneinde de in ecologisch en economisch opzicht meest doeltreffende matregelen te helpen vaststellen om de EG-doelstelling te verwezenlijken, is het Europees Programma inzake klimaatverandering (EPK) opgezet. In de mededeling van de Commissie betreffende de tenuitvoerlegging van de eerste fase van het Europees Programma inzake klimaatverandering [7] wordt de aandacht gericht op een pakket maatregelen dat de Commissie voornemens is in 2002 en 2003 voor te stellen. In het tweede verslag in 2003 uit hoofde van het EPK [8] is dit pakket maatregelen bijgesteld en zijn meer maatregelen voorgesteld, met name op gebieden waarvoor niet eerder maatregelen waren voorgesteld.

[7] COM(2001)580 van 23.10.2001.

[8] http://europa.eu.int/comm/environment/ climat/second_eccp_report.pdf

Volgens voorlopige ramingen van het reductiepotentieel vertegenwoordigen alle in het EPK genoemde maatregelen, volgens het oordeel van deskundigen, een potentiële totale emissiereductie van twee keer de reductie die nodig is om de Kyoto-doelstelling te halen (578 tot 696 miljoen ton CO2-equivalent). De wetgevingsmaatregelen die thans van kracht zijn of al door de Commissie zijn voorgesteld, zouden - volgens deze cijfers - al leiden tot mogelijke emissiereducties van ongeveer 300 miljoen ton CO2-equivalent. Als deze maatregelen volledig en tijdig door de lidstaten worden aangenomen en ten uitvoer worden gelegd, zou dit reductiepotentieel worden verwezenlijkt en zou het de kloof tussen de prognose 'met bestaande maatregelen' en de EG-doelstelling kunnen dichten. Tabel 3 biedt een overzicht van de vooruitgang die is geboekt met de door het EPK voorgestelde beleidsmaatregelen (stand september 2003). Aangezien het niet zeker is of de gedane voorstellen zullen worden aangenomen en ten uitvoer zullen worden gelegd zoals ze zijn voorgesteld, moet de evaluatie van hun potentiële bijdrage met grote voorzichtigheid worden bekeken.

Tabel 3: Vooruitgang inzake gemeenschappelijke en gecoördineerde beleidsmaatregelen

Voorgestelde maatregel // Stand van de uitvoering

Horizontale kwesties //

Richtlijn tot vaststelling van een regeling voor de handel in broeikasgasemissierechten binnen de Gemeenschap // Vastgesteld door de Raad en het Europees Parlement [9]

[9] 2003/87/EG van 13.10.03, PB L275 van 25.10.2003, blz.32-46.

Effectieve tenuitvoerlegging van de IPPC-richtlijn (richtlijn inzake geïntegreerde preventie en bestrijding van verontreiniging) // In 2003 is een begin gemaakt met het opstellen van een IPPC-referentiedocument over generische technieken ter verbetering van de energie-efficiëntie.

De lopende werkzaamheden met betrekking tot diverse sectorspecifieke BBT-referentiedocumenten worden voortgezet (BBT: beste beschikbare technieken).

In 2003 wordt een begin gemaakt met de herziening van de reeds gepubliceerde BBT-referentiedocumenten.

Koppeling tussen op projecten gebaseerde mechanismen en handel in emissierechten // Voorstel door de Commissie aangenomen [10]

[10] COM(2003)403 van 23.07.03.

Herziening van het bewakingsmechanisme // Voorstel door de Commissie aangenomen [11]

[11] COM(2003)51 van 05.02.2003.

Energie //

Richtlijn inzake de belasting van energieproducten // Vastgesteld door de Raad [12]

[12] 2003/96/EG, PB L 283 van 31.10.2003.

Richtlijn betreffende de energieprestaties van gebouwen // Vastgesteld door de Raad en het Parlement aangenomen [13]

[13] 2002/91/EG, PB L 001 van 04.01.2003, blz. 65-71.

Richtlijn betreffende de bevordering van elektriciteitsopwekking uit hernieuwbare energiebronnen // Door de Raad en het Parlement aangenomen [14]

[14] 2001/77/EG, PB L 283 van 27.10.2001, blz. 33-40.

Voorstel voor een kaderrichtlijn betreffende minimumvereisten voor de ecologische efficiëntie van energie verbruikende producten // Voorstel door de Commissie aangenomen [15]

[15] COM(2003)453 van 23.07.03.

Voorstel voor een richtlijn betreffende het beheer van de vraag naar energie // In voorbereiding.

Voorstel voor een richtlijn ter bevordering van warmtekrachtkoppeling // Voorstel door de Commissie aangenomen [16] medebeslissingsprocedure loopt

[16] COM(2003)416, PB C 291 E van 26.11.2002, blz. 182-209.

Initiatieven inzake meer op energie-efficiëntie gerichte overheidsaankopen // In voorbereiding

Bewustmakingscampagne en aanloopcampagne // Opgenomen in het werkplan 'Intelligente energie voor Europa' voor 2003

Vervoer //

ACEA-/JAMA-/KAMA-convenanten die bepalen dat de gemiddelde CO2-uitstoot van het wagenpark tegen 2008/2009 tot 140 g/km wordt beperkt (pre EPK) // Bewaking door middel van jaarlijkse verslaglegging

Evaluatie in 2003/2004

Verschuiven van het evenwicht tussen de verschillende vervoerswijzen // Maatregelenpakket overeenkomstig het Witboek over het gemeenschappelijk vervoerbeleid [17]

[17] COM(2001)370, ISBN 92-894-0339-X.

Voorstel voor verbeteringen van het gebruik van de infrastructuur en het in rekening brengen daarvan // Voorstel door de Commissie aangenomen [18]

[18] COM(2003)448 van 23.07.2003.

Bevordering van het gebruik van biobrandstoffen voor vervoerdoeleinden // Voorstel door de Raad en het Europees Parlement aangenomen [19]

[19] 2003/30/EG, PB L 123 E van 17.05.2003, blz. 42-46.

Voorstel inzake een bijzondere belastingregeling voor gasolie die voor beroepsdoeleinden wordt gebruikt en tot geleidelijke onderlinge aanpassing van de accijns op benzine en gasolie // Voorstel door de Commissie aangenomen [20]

[20] COM(2003)410 van 24.07.2002.

Voorstel voor een verordening betreffende de toekenning van communautaire financiële bijstand om de milieuprestaties van het vrachtvervoersysteem te verbeteren // Voorstel door de Commissie aangenomen [21]

[21] Verordening (EG) nr. 1382.2003, PB L 196 van 02.08.2003, blz. 1-6.

Landbouw //

Gemeenschappelijke voorschriften voor regelingen inzake rechtstreekse steunverlening in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en tot vaststelling van bepaalde steunregelingen voor landbouwers // Vastgesteld [22]

[22] Verordening 1782/2003, PB L 270 van 21.10.2003, blz. 1.

Steun voor plattelandsontwikkeling uit het Europees Oriëntatie- en Garantiefonds voor de Landbouw (EOGFL) // Vastgesteld [23]

[23] Verordening 1783/2003, PB L 270 van 21.10.2003, blz. 70.

Industrie //

Voorstel voor een wetgevingsmaatregel betreffende gefluoreerde gassen // Voorstel door de Commissie aangenomen [24]

[24] COM (2003) 492 van 11.08.2003.

5. Broeikasgasemissiedoelstellingen en -verminderingen in de toetredingslanden

Tabel 4 bevat de broeikasgasemissies en prognoses van de toetredingslanden en kandidaat-lidstaten voor het referentiejaar, voor 2001 en voor 2010. De toetredingslanden maken geen deel uit van de lastenverdelingsovereenkomst van de EG. In plaats daarvan zijn de meeste van deze landen onderworpen aan een individuele Kyoto-doelstelling van -8%, behalve Hongarije en Polen, die beide een Kyoto-doelstelling van -6% hebben. Cyprus en Malta hebben geen Kyoto-doelstelling. Voorts vertonen deze gegevens aanzienlijke hiaten en kunnen ze derhalve niet rechtstreeks worden vergeleken met de gegevens van de huidige lidstaten. In deze paragraaf worden evenwel ter informatie de gecombineerde cijfers voor deze landen samen geanalyseerd teneinde een vergelijking van de algemene trends in de tien toetredingslanden en kandidaat-lidstaten met die in de vijftien huidige lidstaten mogelijk te maken.

Behalve Slovenië en Hongarije zullen de toetredingslanden in 2010 emissieniveaus bereiken die lager liggen dan het uitstootcijfer waartoe de landen zich krachtens het Protocol van Kyoto hebben verplicht (EMA 2003, hoofdstuk 4). De totale uitstoot van broeikasgassen voor deze toetredingslanden en kandidaat-lidstaten is tussen het referentiejaar en 2001 met 36% afgenomen. In 2001 lag de afstand-tot-streefpadindicator voor de hele regio ongeveer 32 indexpunten onder het hypothetische lineaire pad van 1990 naar het streefcijfer in 2010 (figuur 3). De prestaties van de toetredingslanden en kandidaat-lidstaten lopen echter sterk uiteen (tabel 4). De emissies van negen landen lagen onder het niveau van hun Kyoto streefpad, met afstand-tot-streefpadindicatoren variërend van -14 procentpunten in Hongarije tot -56 procentpunten in Letland. Alleen de emissies van Slovenië lagen met +6 procentpunten boven het niveau van het streefpad (zie EMA 2003, hoofdstuk 4).

De prognoses voor de broeikasgasemissies van de toetredingslanden en kandidaat-lidstaten die in figuur 4 worden gepresenteerd, zijn gebaseerd op de derde nationale kennisgeving van Bulgarije, de Tsjechische Republiek, Estland, Hongarije, Letland, Polen, Slowakije en Slovenië aan het secretariaat van het UNFCCC in juni 2003. Al deze landen op twee na hebben prognoses 'met aanvullende maatregelen' gepresenteerd. Op grond van deze prognoses denkt Slovenië zijn Kyoto-doelstelling niet te zullen halen, terwijl Letland en Estland verwachten hun Kyoto-doelstelling zelfs met meer dan 50% te overtreffen. De wetgeving die in de toetredingslanden ten uitvoer is gelegd ter vermindering van de broeikasgasemissies, komt voort uit de harmonisatie van de nationale wetgevingen met de wetgeving van de Europese Gemeenschap. Belangrijke terreinen zijn het energiegebruik en afvalbeheer (zie EMA 2003, hoofdstuk 4.3).

Figuur 3: Afstand-tot-streefpadindicator in 2001 (in procentpunten) ten opzichte van de streefcijfers voor de tien toetredingslanden krachtens het Protocol van Kyoto

>REFERENTIE NAAR EEN GRAFIEK>

Opmerking: Bulgarije 1999, Hongarije 2000, Litouwen 1998, Slovenië 1996 hebben geen volledige tijdreeks gerapporteerd. Voor de ontbrekende jaren zijn de waarden geïnterpoleerd (midden in een reeks) of zijn de laatste gerapporteerde jaargegevens gebruikt. Cyprus en Malta zijn niet in de figuur opgenomen aangezien zij geen Kyoto-doelstelling hebben.

Bron: EMA, 2003

Tabel 4: Reële en geraamde broeikasgasemissies in de toetredingslanden

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

Figuur 4: Relatieve verschil (surplus of deficit) tussen de prognoses en de streefcijfers voor 2010 voor de toetredingslanden

>REFERENTIE NAAR EEN GRAFIEK>

Woordenlijst en afkortingen

Reële vorderingen // De reële vorderingen worden bepaald door middel van een vergelijking van de inventarissen voor het referentiejaar met de meest recente inventarissen - ter vaststelling van de feitelijke ontwikkeling van de emissies - en een vergelijking met de emissiedoelstellingen op lidstaat- en Gemeenschapsniveau. Deze beoordeling is gebaseerd op de emissie-inventarissen van de lidstaten en de Gemeenschap.

BBT // Beste beschikbare technologie

GGBM // Gemeenschappelijke en gecoördineerde beleidsmaatregelen op het niveau van de Europese Gemeenschap of de Europese Unie

CDM // Clean Development Mechanism

CH4 // Methaan

CO2 // Kooldioxide

EPK // Europees Programma inzake klimaatverandering, bedoeld om alle noodzakelijke elementen te identificeren en te ontwikkelen van een EU-strategie om het Protocol van Kyoto te kunnen uitvoeren

EMA // Europees Milieuagentschap

EMA 2003 // Verslag Greenhouse gas emission trends and projections van het EMA in 2003, dat als achtergronddocument voor dit verslag dient

EG // Europese Gemeenschap

EG-lastenverdelingsovereenkomst // In het Protocol van Kyoto bij het UNFCCC worden verschillende bindende emissiedoelstellingen voor een aantal partijen, waaronder de Europese Gemeenschap (EG), vastgesteld. De EG heeft toegezegd haar broeikasgasemissies in de periode 2008-2012 met 8% te verminderen ten opzichte van het niveau van 1990. Deze algemene doelstelling is vervolgens verdeeld over de lidstaten in het kader van een EG-lastenverdelingsmechanisme conform Beschikking 2002/358/EG van de Raad.

BKG // Broeikasgassen die onder het Protocol van Kyoto vallen

HFK // Fluorkoolwaterstof

IPCC // Intergouvernementele Werkgroep inzake klimaatverandering

JI // Joint Implementation

LULUCF // Grondgebruik, veranderingen in grondgebruik en bosbouw

Bewakingssysteem // Het bewakingssysteem is een instrument waarmee nauwkeurig en regelmatig kan worden beoordeeld in hoeverre vooruitgang is geboekt bij de nakoming door de Gemeenschap van haar verplichtingen in het kader van het Raamverdrag van de Verenigde Naties inzake klimaatverandering (UNFCCC) en het Protocol van Kyoto

N2O // Distikstofoxide (lachgas)

PFK // Perfluorkoolwaterstof

Geraamde vorderingen // De geraamde vorderingen worden beoordeeld aan de hand van genomen (bestaande) en voorgenomen aanvullende (geplande of in behandeling zijnde) beleidsmaatregelen op nationaal en communautair niveau, waarbij de voorspelde emissies in 2010 worden vergeleken met de uitstootdoelstellingen op lidstaat- en Gemeenschapsniveau. Deze beoordeling is gebaseerd op de emissieprognoses van de lidstaten en de Gemeenschap.

SF6 // Zwavelhexafluoride

Put // Elk proces, elke activiteit of elk mechanisme waarbij een broeikasgas, een aërosol of een broeikasgasprecursor uit de atmosfeer wordt verwijderd

Bron // Elk proces of elke activiteit waarbij een broeikasgas, een aërosol of een broeikasgasprecursor in de atmosfeer vrijkomt

UNFCCC // Raamverdrag van de Verenigde Naties inzake klimaatverandering