18.2.2005   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 43/10


Advies van het Comité van de Regio's over de Mededeling van de Commissie aan de Raad en het Europees Parlement inzake „Criminaliteitspreventie in de Europese Unie”

(2005/C 43/04)

HET COMITÉ VAN DE REGIO'S

GEZIEN de mededeling van de Commissie aan de Raad en het Europees Parlement van 12 maart 2004 inzake „Criminaliteitspreventie in de Europese Unie” (COM(2004) 165 def.);

GEZIEN het besluit van de Commissie op 22 september 2003 om het Comité van de Regio's krachtens artikel 265, eerste paragraaf, van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap over dit vraagstuk te raadplegen;

GEZIEN het besluit van zijn bureau op 1 juli 2003 om zijn commissie „Constitutionele aangelegenheden en Europese governance” met de voorbereiding van het desbetreffende advies te belasten;

GEZIEN de resoluties van het Europees Parlement van resp. 16 december 1993 en 17 november 1998 over gewone grotestadscriminaliteit en de banden daarvan met de georganiseerde misdaad (1) en de strijd tegen de georganiseerde misdaad (2),

GEZIEN het actieplan ter bestrijding van de georganiseerde criminaliteit van 1997 (3),

GEZIEN het op 3 december 1998 goedgekeurde actieplan van Wenen over hoe de bepalingen van het Verdrag van Amsterdam inzake de totstandbrenging van een ruimte van vrijheid, veiligheid en rechtvaardigheid het best kunnen worden uitgevoerd (4),

GEZIEN de aanbeveling 1531 (2001) van de Parlementaire Assemblee van de Raad van Europa over veiligheid en misdaadpreventie in steden: oprichting van een Europese waarnemingspost, en de resolutie 180 (2004) van het Congres van lokale en regionale overheden van de Raad van Europa over lokale politie in Europa;

GEZIEN de mededeling van de Commissie aan de Raad en het Europees Parlement van 29 november 2000 over „Preventie van criminaliteit in de Europese Unie – Beraad over gemeenschappelijke richtsnoeren en voorstellen voor een communautaire financiële steunverlening (5),

GEZIEN zijn advies van 20 november 2003 over „De lokale en regionale dimensie van de ruimte van vrijheid, veiligheid en rechtvaardigheid” (CDR 61/2003 fin (6)),

GEZIEN het door de commissie „Constitutionele aangelegenheden en Europese governance” op 2 juli 2004 goedgekeurde ontwerpadvies (CDR 355/2003 rev.2) (rapporteurs: Mevrouw BRESSO, voorzitster van de raad van de provincie Turijn, IT/PSE, en de heer DELEBARRE, oud-minister en burgemeester van Duinkerken, FR/PSE);

OVERWEGENDE hetgeen volgt:

1)

Het Europees Parlement heeft op 16 december 1993 een resolutie aangenomen over gewone grotestadscriminaliteit en de banden daarvan met de georganiseerde misdaad en vervolgens op 17 november 1998 een resolutie over richtsnoeren en preventieve maatregelen in de strijd tegen de georganiseerde misdaad, teneinde te komen tot een globale strategie ter bestrijding van de georganiseerde misdaad;

2)

Het referentiekader voor misdaadpreventie wordt gevormd door de bepalingen van het Verdrag van Amsterdam inzake de totstandbrenging van een ruimte van vrijheid, veiligheid en rechtvaardigheid, waarmee het fundament voor een ware Europese openbare orde is gelegd en waarin de doelstellingen van vrijheid, veiligheid en rechtvaardigheid nauw met elkaar verweven zijn en in verband moeten worden gezien met het Handvest van de grondrechten;

3)

In artikel 29 van het EU-Verdrag is bepaald dat de doelstelling van de Europese Unie om een ruimte van vrijheid, veiligheid en rechtvaardigheid te creëren, moet worden verwezenlijkt „door het voorkomen en bestrijden van al dan niet georganiseerde criminaliteit”;

4)

In een overweging van het in 1997 goedgekeurde actieplan van Wenen wordt erop aangedrongen dat er in de vijf jaar na de inwerkingtreding van het Verdrag van Amsterdam maatregelen worden uitgewerkt om criminaliteit te voorkomen;

5)

In de conclusies van de te Tampere op 15 en 16 oktober 1999 bijeengekomen Europese Raad staat dat misdaadpreventie en de uitwisseling van voorbeelden van beste praktijken moeten worden bevorderd en dat het netwerk van bevoegde nationale autoriteiten voor criminaliteitspreventie, alsook de samenwerking tussen de nationale organisaties die zich daarmee in de praktijk bezighouden, moeten worden versterkt. Die samenwerking zou in de eerste plaats kunnen worden gericht op jeugdcriminaliteit, stedelijke en drugsgerelateerde criminaliteit. Daartoe dient te worden onderzocht of een door de EU gefinancierd programma tot de mogelijkheden behoort;

6)

Tijdens tal van seminars en conferenties over misdaadpreventie (Stockholm, Zaragoza en Brussel in 1996, Noordwijk in 1997, Londen in 1998 en Algarve in 2000) is erop aangedrongen dat er in de EU een netwerk wordt opgezet om de samenwerking op dit gebied te vergroten;

7)

De op 4 en 5 mei 2000 in Algarve gehouden conferentie op hoog niveau, waarop het Hippokrates-programma is opgestart en vooral de eerste steen is gelegd voor de Mededeling van de Commissie van 29 november 2000, was een belangrijke mijlpaal in de geschiedenis van de diverse conferenties die onder auspiciën van de EU zijn gehouden;

8)

In die Mededeling van de Commissie van 29 november 2000 zijn de hoofdlijnen van een Europese strategie voor misdaadpreventie aangegeven: erop toezien dat er minder factoren zijn die het plegen van strafbare feiten en recidive in de hand werken; slachtofferschap voorkomen; het gevoel van onveiligheid verminderen; een legaliteitscultuur en een beheerscultuur ter voorkóming van conflicten bevorderen; behoorlijk bestuur (good governance) bevorderen om corruptie te voorkomen;

9)

Bij beleid op dit gebied dient steeds een multidisciplinaire aanpak te worden gevolgd: een mix van preventieve maatregelen, veiligheidsbevorderende maatregelen met begeleidende maatregelen van sociale of educatieve aard, en partnerschappen ter plekke met een doorslaggevende rol voor de lokale overheden;

10)

Gezien die beginselen en doelstellingen kan met recht worden gesproken van een Europees model voor misdaadpreventie, waarbij het optreden van de EU niet in de plaats komt van dat van nationale, regionale of lokale overheden, maar daaraan wel een significante meerwaarde kan geven, omdat de rangorde van verantwoordelijkheden met dit EU-optreden wordt aangevuld;

11)

In de periode van 1996 tot 2002 is het gevoel van onveiligheid in Europa langzaam maar zeker groter geworden;

12)

Een partnerschap tussen nationale, regionale en lokale overheden, ngo's, particuliere ondernemingen en burgerbevolking vooronderstelt dat alle geledingen van de maatschappij daarbij worden betrokken, omdat de oorzaken van criminaliteit velerlei zijn en dus alleen uit de wereld kunnen worden geholpen met maatregelen die op diverse niveaus en door diverse maatschappelijke groeperingen worden genomen. Daarvoor moet worden samengewerkt met de actieve krachten in de samenleving, die over uiteenlopende ervaring en bekwaamheden beschikken, met inbegrip van het maatschappelijk middenveld;

13)

De meeste strafbare feiten tegen EU-burgers worden in steden gepleegd. Daarom moet voorrang worden gegeven aan een adequaat beleid om in steden de misdaad te bestrijden;

heeft tijdens zijn zitting op 29 en 30 september 2004 (vergadering van 29 september) het volgende advies uitgebracht, dat met meerderheid van stemmen is goedgekeurd:

1.   Standpunt van het Comité van de Regio's

1.1

Het Comité juicht toedat is begonnen met een onderzoek naar de activiteiten van het Europese netwerk voor misdaadpreventie om een nieuwe impuls te geven aan het Europese preventiebeleid dat op de niet-georganiseerde misdaad (of volumecriminaliteit) is gericht, en dat jeugdcriminaliteit, stedelijke en drugsgerelateerde criminaliteit, evenals criminaliteit die tegen vrouwen en andere kwetsbare groepen zoals kinderen, jongeren, bejaarden en immigranten is gericht, als prioriteiten zijn aangemerkt.

1.2

Misdaadpreventie is voor de lidstaten een terrein waarop de Europese Unie daadwerkelijk en op doeltreffend wijze een Europese meerwaarde kan geven aan de door de lidstaten zelf of door hun lokale of regionale overheden genomen maatregelen.

1.3

Maatregelen om criminaliteit te voorkomen, moeten worden opgevat als maatregelen die niet alléén op het verschijnsel van criminaliteit stricto sensu zijn gericht. De bedoeling is ook preventief op te treden tegen alle vormen van afwijkend (of: antisociaal) gedrag, de oorzaken van dat gedrag op te heffen en het gevoel van angst en onveiligheid bij de burgers te verminderen.

1.4

Helaas wordt in onderhavige mededeling van de Commissie alleen concreet ingegaan op technische aspecten (bv. een meer gespecificeerde omschrijving van de relevante misdaden) zonder referenties aan of suggesties voor de maatschappelijke facetten van misdaadpreventie.

1.5

Misdaadpreventie – volgens de betekenis die daaraan in par. 1.3 wordt gegeven – loopt dwars door tal van sectoren van het overheidsbeleid: sociaal beleid, onderwijs, stadsontwikkeling, inburgering van immigranten en burgerparticipatie.

1.6

De Commissie kan er niet onderuit dat crimineel en afwijkend gedrag enerzijds en - door de economische en technologische veranderingen van de huidige samenleving in de hand gewerkte - maatschappelijke uitsluiting anderzijds onderling afhankelijke verschijnselen zijn. Dat besef moet worden gevolgd door consequente toezeggingen voor beleidscoördinatie.

1.7

De lokale en regionale overheden hebben een spilfunctie bij de ondersteuning van de nationale maatregelen om misdaad te voorkomen. Belangrijk is ook dat de Commissie de betrokkenheid van zoveel mogelijk sociale actoren wenselijk noemt, maar dat die uitspraak in de werking van het Europese netwerk inzake criminaliteitspreventie (EUCPN) als concreet resultaat zou moeten hebben dat actoren die nu nog buiten spel staan, ook een rol krijgen toebedeeld, alsmede ruimte om daaraan invulling te geven.

1.8

Zorgwekkend is dat het Europese netwerk inzake criminaliteitspreventie criteria en concrete doelstellingen ontbeert, waardoor het uiteindelijk niet meer is dan een mogelijkheid om min of meer op goed geluk informatie en ervaringen uit te wisselen. Een verklaring daarvoor ligt o.m. in de structurele zwakte ervan.

2.   Aanbevelingen

2.1

Het Comité vestigt de aandacht op de specifieke aspecten van de wijze waarop onveiligheid wordt ervaren: het gevoel van onveiligheid kan worden teruggevoerd op daadwerkelijke criminaliteit (het reële risico om slachtoffer van een misdrijf te worden), maar hangt ook af van tal van andere sociale, psychologische en culturele factoren zoals leeftijd, geslacht, gebrek aan vertrouwen in het optreden van de instellingen, maatschappelijke kwetsbaarheid en marginaliteit, de indruk dat de samenleving in een crisis verkeert en dat haar normen en waarden op de tocht staan, de invloed van de media en de geringe kwaliteit van het stadsmilieu.

2.2

Het verzoekt de Commissie om in het kader van de bestaande programma's of zo nodig in nieuwe programma's maatregelen te nemen om steun te verlenen aan de ontwikkeling van een veiligheidsbeleid dat bestaat uit sociale maatregelen en maatregelen voor stadsontwikkeling en onderwijs, maar ook in acties ter vergroting van de participatie van de burgers en van hun gevoel om bij een gemeenschap te horen. De onderliggende gedachte van dat beleid moet zijn dat vergroting van het gevoel van veiligheid impliceert dat wordt geïnvesteerd in misdaadpreventie, maar ook in maatregelen om de burgers gerust te stellen en van hun angsten af te helpen en om invloed uit te oefenen op de wijze waarop zij onveiligheid ervaren.

2.3

Het wijst met nadruk op het belang van de rol van de Europese Unie als het erom gaat verschijnselen van criminaliteit in Europa op de voet te volgen, nationaal, regionaal en lokaal beleid en ervaringen te evalueren, en te bevorderen dat de lidstaten onderling kennis en voorbeelden van goede methoden op het gebied van misdaadpreventie en stadsveiligheid uitwisselen.

2.4

Het dringt er bij de Commissie op aan om bij de concrete toepassing van de instrumenten die haar ter beschikking staan, de horizontale en interdisciplinaire dimensie van maatregelen om daadwerkelijk preventief op te treden tegen stadscriminaliteit, goed te doen uitkomen: thema's als het beheer van openbare ruimtes, vervoer en achterstandswijken moeten in al het beleid een centrale rol spelen.

2.5

Het verzoekt de Commissie om in de begroting voor 2005 prioriteit te verlenen aan de tenuitvoerlegging van regionaal en lokaal beleid en om de rol van lokale en regionale overheden op institutioneel niveau te versterken..

2.6

Het wijst er in dat verband op dat het Europees Forum voor Stadsveiligheid (FESU) er in belangrijke mate toe bijdraagt dat er in Europa meer kennis wordt verworven over misdaadpreventie en stadsveiligheid, met name door openbaar beleid te evalueren en voorbeelden van goede praktijken te verspreiden.

2.7

Het pleit voor de oprichting van een Europese waarnemingspost voor staatsveiligheid – met een lichte structuur –, waarmee de Europese Unie en de lidstaten de beschikking krijgen over een gemeenschappelijk instrument om gegevens over slachtofferschap en het gevoel van onveiligheid, het bevorderen en coördineren van onderzoek, en het uitstippelen van veiligheidsbeleid in de andere sectoren waarvoor de EU bevoegd is, te vergaren en stelselmatig te verwerken. Ook moet steun worden gegeven aan het sluiten van lokale en regionale partnerschappen.

2.8

Ten slotte vraagt het de Commissie om bij het uitstippelen van preventief beleid steeds in het achterhoofd te houden dat dergelijke maatregelen er niet in de praktijk toe mogen leiden dat grondrechten met de voeten worden getreden, ook al wordt daarmee gestreefd naar meer veiligheid voor de burgers.

Brussel, 29 september 2004

De voorzitter

van het Comité van de Regio's

Peter STRAUB


(1)  PB C 20 van 24 januari 1994

(2)  PB C 379 van 7 december 1998

(3)  PB C 251 van 15 augustus 1997

(4)  PB C 19 van 23 januari 1999

(5)  COM(2000) 786 def.

(6)  PB C 73 van 23 maart 2004, blz. 41