52003AR0066(02)

Advies van het Comité van de Regio's over het " Voorstel voor een verordening van de Raad tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1257/1999 inzake steun voor plattelandsontwikkeling uit het Europees Oriëntatie- en Garantiefonds voor de Landbouw (EOGFL) en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 2826/2000"

Publicatieblad Nr. 256 van 24/10/2003 blz. 0018 - 0023


Advies van het Comité van de Regio's over:

- het "Voorstel voor een verordening van de Raad tot vaststelling van gemeenschappelijke voorschriften voor regelingen inzake rechtstreekse steunverlening in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en tot vaststelling van steunregelingen voor producenten van bepaalde gewassen",

- het "Voorstel voor een verordening van de Raad tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1257/1999 inzake steun voor plattelandsontwikkeling uit het Europees Oriëntatie- en Garantiefonds voor de Landbouw (EOGFL) en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 2826/2000",

- het "Voorstel voor een verordening van de Raad houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector granen",

- het "Voorstel voor een verordening van de Raad houdende een gemeenschappelijke ordening van de rijstmarkt",

- het "Voorstel voor een verordening van de Raad houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector gedroogde voedergewassen voor de verkoopseizoenen 2004/2005 tot en met 2007/2008",

- het "Voorstel voor een verordening van de Raad houdende wijziging van Verordening (EG) nr. 1255/1999 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector melk en zuivelproducten", en

- het "Voorstel voor een verordening van de Raad tot vaststelling van een heffing in de sector melk en zuivelproducten"

(2003/C 256/03)

HET COMITÉ VAN DE REGIO'S,

gezien het pakket Commissievoorstellen voor verordeningen betreffende een beleidsperspectief op lange termijn voor duurzame landbouw (COM(2003) 23 def. - 2003/0006 (CNS) - 2003/0007 (CNS) - 2003/0008 (CNS) - 2003/0009 (CNS) - 2003/0010 (CNS) - 2003/0011 (CNS) - 2003/0012 (CNS));

gezien het besluit van de Raad van 10 februari 2003 om het CvdR overeenkomstig de eerste alinea van artikel 265 van het EG-verdrag over dit onderwerp te raadplegen;

gezien het besluit van zijn voorzitter van 22 oktober 2002 om de commissie "Duurzame ontwikkeling" met de voorbereidende werkzaamheden te belasten;

gezien zijn advies over de Mededeling van de Commissie aan de Raad en het Europees Parlement "Tussenbalans van het gemeenschappelijk landbouwbeleid" (CDR 188/2002 fin)(1);

gezien zijn advies over de "Voorstellen voor verordeningen (EG) van de Raad betreffende de hervorming van het gemeenschappelijk landbouwbeleid" (CDR 273/98 fin)(2);

gezien het op 12 juni 2003 door de commissie "Duurzame ontwikkeling" goedgekeurde ontwerpadvies (CDR 66/2003 rev. 2) (rapporteur: de heer Savy, voorzitter van de regioraad van de Limousin (F/PSE)),

heeft tijdens zijn op 2 en 3 juli 2003 gehouden 50e zitting (vergadering van 2 juli) het volgende advies uitgebracht, dat met algemene stemmen is goedgekeurd.

STANDPUNTEN EN AANBEVELINGEN

1. Inleiding

1.1. Sinds het Comité van de Regio's op 20 november 2002 advies heeft uitgebracht over de "Mededeling van de Commissie aan de Raad en het Europees Parlement: Tussenbalans van het gemeenschappelijk landbouwbeleid", hebben zich diverse ontwikkelingen voorgedaan waardoor duidelijker is geworden wat de hervorming van het GLB inhoudt, tegen welke achtergrond zij plaatsvindt en hoe zij wordt gefinancierd:

- tijdens de Europese Raad van Brussel van 24 en 25 oktober 2002 is een maximum bepaald voor de uitgaven voor marktsteun in een uitgebreide EU en is nogmaals gewezen op het belang van de agrarische probleemgebieden en het multifunctionele karakter van de landbouw. Zo is voor de periode 2007-2013 een begrotingskader vastgelegd voor de uitgaven voor markt- en rechtstreekse steun. Hiermee is het behoud van het gemeenschappelijk landbouwbeleid gewaarborgd en wordt gezorgd voor duidelijkheid op middellange termijn, zodat de landbouwers de manier waarop zij hun bedrijf runnen geleidelijk kunnen aanpassen en de Commissie de nieuwe koers concrete invulling kan geven. De besluiten van de Raad van Brussel effenen de weg voor de uitbreiding van de Europese Unie;

- op 16 december 2002 heeft de Europese Unie voorstellen gepresenteerd voor de lanbouwonderhandelingen binnen de Wereldhandelsorganisatie (WTO). Daarin wordt uitgegaan van een verlaging van de invoertarieven met 36 %, een verlaging van de exportsubsidies met 45 % en een verlaging van de interne steun met 55 %. Ook zijn er voorstellen voor specifieke bepalingen om de situatie in de ontwikkelingslanden te verbeteren.

1.2. De verordeningsvoorstellen die de Commissie op 21 januari 2003 heeft ingediend betreffende de tussentijdse herziening van het GLB moeten tegen deze achtergrond worden gezien. Zo zijn sommige van de Commissievoorstellen ingegeven door de landbouwonderhandelingen in het kader van de WTO en de bredere discussie over de financiële vooruitzichten voor de periode 2007-2013.

Vergeleken met de in juli ingediende voorstellen zijn er twee belangrijke wijzigingen. Deze betreffen een hervorming van de gemeenschappelijke ordening der markten in de sector melk en zuivelproducten, en nieuwe toepassingsvoorschriften voor de trapsgewijze differentiëring van de steun. Uitgangspunt in de GLB-hervorming blijft echter de ontkoppeling.

Het Comité van de Regio's geeft in dit advies zijn mening over de voornaamste elementen uit de Commissievoorstellen (ontkoppeling, trapsgewijze differentiëring en plattelandsontwikkeling). Daarbij baseert het zich op de vragen en opmerkingen die het geformuleerd heeft in zijn advies over de van juli 2002 daterende Commissiemededeling inzake de GLB-tussenbalans.

2. Ontkoppeling

Het Comité van de Regio's heeft zich positief uitgesproken over het beginsel van ontkoppeling van steun en productie en invoering van inkomenssteun in de vorm van één enkele bedrijfstoeslag. Dankzij deze bedrijfstoeslag kan het administratieve beheer van het GLB worden vereenvoudigd en kan de marktwerking bij het sturen van de landbouwproductie worden versterkt.

Het heeft evenwel gewezen op de risico's die er aan de voorgestelde wijze van ontkoppeling kleven: instandhouding van de bestaande regionale verschillen, concurrentievervalsing tussen boeren en regio's, en destabilisering van bepaalde productmarkten.

Ook is het CvdR bezorgd over de kwetsbaarheid van volledig ontkoppelde steunbetalingen; het vreest dat er op termijn druk zal worden uitgeoefend om ze te verlagen of af te schaffen.

Daarom heeft het CvdR erop aangedrongen deze risico's vooraf goed te bestuderen.

De Commissie heeft impactstudies verspreid om de gevolgen van haar voorstellen te evalueren. Deze studies zijn in hoofdzaak macro-economisch van opzet. Er wordt in beoordeeld wat de vooruitzichten zijn voor de teelten en voor de prijzen van de diverse producten. De studies geven echter geen antwoord op de vragen die het Comité van de Regio's had gesteld:

2.1. De territoriale impact van de maatregelen is niet geëvalueerd. Volledige loskoppeling van steun en productie houdt het gevaar in zich dat de productie in kansarme of perifere regio's afneemt en dat de woestijnvorming in kwetsbare landbouwgebieden versnelt. De verbondenheid met de grond is een belangrijke factor, juist ook in gebieden waar het bedrijven van landbouw moeilijk en waar de opbrengst laag is. Om tot een duurzame ontwikkeling van het grondgebied te komen, dient er duidelijkheid te worden geschapen ten aanzien van de hoofdlijnen van het beleid en de middelen die daarbij worden ingezet.

De herziening van het gemeenschappelijk landbouwbeleid moet dan ook worden aangegrepen om niet alleen nieuwe maatregelen uit te stippelen ter compensatie van de natuurlijke handicaps voor met name landbouwbedrijven (hellingen, hoogte, bijzondere klimaatsomstandigheden), maar ook om middelen te zoeken om het beheer van grote gebieden aan te moedigen (maaien van hellingen, landschapsonderhoud) en meer in het algemeen hun economische ontwikkeling te bevorderen.

2.2. Voorgesteld wordt om ieder bedrijf inkomenssteun te verlenen aan de hand van gegevens uit de referentieperiode 2000-2002. Hiermee blijft het gevaar bestaan van concurrentiedistorsies tussen landbouwers, teelten en regio's. Het CvdR heeft er in zijn advies over de GLB-tussenbalans al op gewezen dat het Commissievoorstel zou resulteren in handhaving van de bestaande situatie, waarin boeren met de hoogste opbrengst veel meer hectaresteun krijgen dan zij die minder produceren. Het dringt er daarom bij de Commissie op aan om op zijn minst uit te gaan van een langere referentieperiode, nl. de kalenderjaren 1998 t/m 2002. Wat de referentieperiode voor iedere individuele landbouwer betreft, zouden dan de twee jaren met de laagste totale steunbedragen buiten beschouwing moeten blijven. Met dit door de Commissie voorgestelde beginsel zouden de voordelen die de regio's met de meest intensieve landbouw en de meest gesubsidieerde teelten tot dusverre hebben genoten, worden bevroren. Waar het gaat om landbouwproducten die in het kader van het huidige GLB niet voor rechtstreekse steun in aanmerking komen (varkensvlees, gevogelte, groenten en fruit) dreigen de productie en de markt ernstig te worden verstoord. Deze producten zouden nl. aantrekkelijk en lucratief kunnen worden voor producenten en regio's die over in de loop der jaren opgebouwde referentiehoeveelheden beschikken, hetgeen ten koste zou kunnen gaan van de gebieden waar deze producten van oudsher worden geteeld.

Om dit grote gevaar van concurrentiedistorsies en destabilisering van markten de wind uit de zeilen te nemen, zou men kunnen denken aan invoering van een gemiddelde hectaretoeslag voor iedere grote productfamilie (akkerbouw, traditionele veehouderij, wit vlees, groenten en fruit), berekend per productiegebied. Op grond van Titel III, Hoofdstuk 5, van het voorstel voor een verordening tot vaststelling van gemeenschappelijke voorschriften voor steunregelingen mag de gemiddelde hectaretoeslag op regionaal niveau berekend en toegepast worden. Als van deze bepaling gebruik wordt gemaakt, moet dat voor het gehele EU-grondgebied gelden. M.b.t. het gevaar van concurrentiedistorsies tussen teelten is hierin echter niets geregeld.

2.3. Evenmin is aandacht geschonken aan het gevaar dat markten verstoord worden en dat de meest kwetsbare kleine en traditionele landbouwbedrijven economisch in moeilijkheden komen door het afschaffen van de mechanismen om de productie te beheersen. Deze mechanismen hebben hun waarde niettemin bewezen, zowel bij de verschillende crises die zich in de rundvleessector hebben voorgedaan als bij het tegen niet al te hoge kosten wegwerken van het melkoverschot sinds 1983. De wijze waarop de diverse teelten worden benaderd, lijkt overigens een zeker gebrek aan samenhang te vertonen. Zo valt te constateren dat het instrument ter regulering van de productie van akkerbouwgewassen strenger wordt toegepast dan voorheen (braakleggingsverplichting van 10 %, met uitzondering van industriële gewassen), dat de melkquota worden verhoogd (terwijl de Europese boter- en melkpoedervoorraden groeien) zonder dat prioriteit wordt gegeven aan jonge landbouwers en aan landbouwbedrijven in berggebieden, dat er gegarandeerde maximumarealen worden ingesteld waardoor het ontwikkelingspotentieel voor eiwithoudende en energiegewassen wordt beperkt, en dat de mechanismen om de productie van rund- en schapenvlees te beheersen en te sturen, volledig worden afgeschaft.

2.4. Tevens is verzuimd na te gaan welke gevolgen de ontkoppeling zal hebben voor de ontwikkeling van de grondprijzen en voor de grondmarkt. Het gevaar bestaat dat bedrijven groter zullen proberen te worden, dat kleine bedrijven het veld moeten ruimen en dat de prijzen voor grond waarvoor hoge steunbedragen zijn uitgekeerd de lucht in zullen schieten. Tegelijkertijd dreigt vanuit subsidie-oogpunt minder interessante en minder vruchtbare landbouwgrond te worden opgegeven. Dat zal gevolgen hebben voor de vestiging van jonge landbouwers, die een prioriteit moet blijven.

2.5. Daarom blijft het Comité van de Regio's zich afvragen of de wijze waarop de inkomenssteun wordt berekend in het licht van de GLB-doelstellingen wel de juiste is. Volgens het CvdR stroken de voorstellen uit de ontwerpverordeningen namelijk niet met het streven naar:

- een betere verdeling van de steun tussen boeren, regio's, milieuvriendelijkere productiemethoden en agrarische activiteiten in kwetsbare gebieden;

- behoud van het inkomen van de landbouwers gezien het gevaar van marktverstoringen als gevolg van de volledige ontkoppeling van de steun. De Commissie zou graag zien dat de landbouw zich meer richt naar de mogelijkheden die de markt te bieden heeft. Daarvoor moeten boeren dan wel besluiten te investeren. Of zij dit doen, hangt af van de stabiliteit van de landbouwmarkten; zij zullen pas investeren als inzichtelijk is hoe de situatie zich op middellange termijn zal ontwikkelen. Bovendien hangt het ervan af in welke agrarische bedrijfstak men actief is. De teelt van plantaardige producten vergt maar weinig specifieke investeringen, maar houdt men zich met dierlijke producten bezig, dan is er allerlei zware apparatuur nodig. Er dient dus bijzondere aandacht te worden besteed aan de instrumenten om deze markten te stabiliseren;

- instandhouding van het Europese landbouwmodel en van de kwaliteit van veeteeltbedrijven. In de voorstellen wordt namelijk geen enkele aandacht geschonken aan de productie van plantaardige eiwitten via de traditionele teelt van voedergewassen, waardoor er nog meer ruimte komt voor de invoer van soja en maïs uit landen waar op grote schaal genetische modificatie wordt toegepast;

- overheveling van de steun naar de volgende generatie.

Het Comité van de Regio's is principieel nog steeds voorstander van ontkoppeling van steun en productie, omdat de rechtvaardiging voor het huidige systeem compleet is weggevallen, immers:

- bij het nemen van besluiten over de productie laten de boeren zich niet leiden door de marktsituatie, maar door de steunbedragen;

- de steun is tussen de diverse teelten en regio's ongelijk verdeeld.

Gezien de meest recente studies en de actuele kennis van de markten vindt het CvdR echter dat ontkoppeling pas mag worden doorgevoerd als er tegelijkertijd gezorgd wordt voor mechanismen om de productie te beheersen en het inkomen van boeren veilig te stellen.

3. Randvoorwaarden voor steunverlening

3.1. Het Comité van de Regio's is het ermee eens dat boeren pas steun kunnen krijgen als zij aan de Europese normen op het gebied van milieu, voedselveiligheid (zoals wel in de toelichting staat maar niet is opgenomen in art. 4 van de voorgestelde verordening), gezondheid en welzijn van dieren, en veiligheid op de werkplek voldoen. Net als de Commissie is het van mening dat de steunvoorwaarden een noodzakelijke aanvulling vormen op het systeem van ontkoppeling.

Ook stemt het in met de maatregelen om in de plattelandsontwikkelingsverordening ((EG) nr. 1257/1999)(3) plaats in te ruimen voor overgangs- en investeringssteun die het de boeren gemakkelijker moet maken zich aan de normen aan te passen.

3.2. Wel heeft het CvdR bedenkingen bij de toepassing van de randvoorwaarden. In artikel 3 van de ontwerpverordening tot vaststelling van gemeenschappelijke voorschriften voor regelingen inzake rechtstreekse steunverlening in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid is het volgende bepaald: "Een landbouwer die rechtstreekse betalingen ontvangt, moet de in bijlage III bedoelde uit de regelgeving voortvloeiende beheerseisen (...) in acht nemen." Dit vereist algemene invoering van een stelsel van bedrijfsaudits. Zoiets gaat niet op stel en sprong, en hier wringt de schoen, want de bepalingen uit de voorgestelde verordening zullen onmiddellijk verbindend zijn. Het is derhalve raadzaam overgangsbepalingen uit te werken om de boeren in staat te stellen aan alle milieuvoorwaarden te voldoen. Het systeem van randvoorwaarden zou aanvankelijk niet zozeer moeten fungeren als een sanctie-instrument, maar veeleer als een middel om de landbouwpraktijken te verbeteren. Doordat de differentiëring niet vanaf 2003, maar pas vanaf 2006 wordt toegepast, rijst bovendien de vraag welke middelen er daadwerkelijk beschikbaar zullen zijn om deze maatregel al met ingang van 2004 door te voeren. Het zou niet zo mogen zijn dat boeren meer moeten gaan betalen voor dergelijke landbouwbedrijfsaudits.

3.3. Het CvdR wees er in zijn vorige advies al op dat het moeilijk is de inachtneming van de steeds uitgebreidere milieunormen van de EU in overeenstemming te brengen met de beoogde verbetering van de concurrentiepositie van de Europese landbouw tegen de achtergrond van de liberalisering van het handelsverkeer. Met het Commissievoorstel voor de landbouwonderhandelingen in het kader van de WTO wordt deze zorg niet weggenomen. De Commissie wil de douanetarieven voor ingevoerde landbouwproducten over het geheel genomen met 36 % verlagen, maar zij stelt voor deze producten geen criteria inzake kwaliteit of productieomstandigheden vast. Als er alleen aan Europese producenten eisen worden gesteld, dreigt de concurrentiepositie van de Europese landbouw te verslechteren en dreigt ook de kwaliteit van voor Europese consumenten toegankelijke producten erop achteruit te gaan.

4. Braakleggingsverplichting en teelt van niet-voedselgewassen

De Commissie stelt een langdurige milieubraak van 10 % van het bedrijfsareaal voor, alsmede invoering van een steunbedrag voor energiegewassen (koolstofbonus).

Bij deze voorstellen, die een aanvulling vormen op het algemene stelsel van rechtstreekse steun, plaatst het CvdR twee kanttekeningen:

- de teelt van energiegewassen is slechts een van de vele mogelijkheden die de nonfoodsector biedt om in landelijke gebieden nieuwe producten te ontwikkelen en nieuwe banen te scheppen;

- niet-voedselgewassen worden momenteel vooral verbouwd op voor braaklegging bestemde grond. Hierdoor heeft de teelt van gewassen voor de productie van biobrandstoffen een hoge vlucht genomen in graanverbouwgebieden. Met de voorgestelde verordening komt er een eind aan deze mogelijkheid om gewassen op braakgrond te verbouwen en dreigt het moeilijker te worden om een echt Europees beleid inzake energie op basis van biomassa van de grond te krijgen. En dat terwijl er in het licht van het Protocol van Kyoto, de ontwikkeling van het kernenergiebeleid in de EU en de gespannen situatie op de internationale oliemarkt veel voor te zeggen valt om het Europese energiebeleid op volledig nieuwe leest te schoeien.

5. Trapsgewijze differentiëring

5.1. Het Comité van de Regio's toonde zich in zijn vorige advies voorstander van de invoering van een systeem om de steun trapsgewijs te differentiëren en aan een maximum en een "franchise" te koppelen. Met dit systeem konden de ongelijkheden in de GLB-steunverlening worden tegengegaan, kon de werkgelegenheid op het platteland worden gestimuleerd en kon de plattelandsontwikkeling als tweede pijler van het GLB worden versterkt. Het CvdR was er in beginsel dus vóór om de steun aan een maximum te koppelen, maar plaatste wel vraagtekens bij de invoering van een uniform plafond van 300000 EUR.

In haar "Voorstel voor een verordening van de Raad tot vaststelling van gemeenschappelijke voorschriften voor regelingen inzake rechtstreekse steunverlening in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en tot vaststelling van steunregelingen voor producenten van bepaalde gewassen" stelt de Commissie in Titel II, Hoofdstuk 2 ("Degressieve toekenning en modulatie") voor om ten opzichte van de richtsnoeren uit haar Mededeling van 10 juli 2002 over de tussenbalans van het GLB twee belangrijke wijzigingen door te voeren:

- de invoering van een maximum gaat niet door;

- de extra steun aan de bedrijven wordt gedifferentieerd aan de hand van de ontvangen rechtstreekse betalingen; dit geldt niet voor bedrijven die minder dan 5000 EUR ontvangen.

Van de middelen die door toepassing van dit systeem van trapsgewijze differentiëring vrijkomen, gaat slechts 6 % naar de tweede pijler.

Het koppelen van de steun aan een maximum is volgens het CvdR van belangrijke symbolische waarde. Met name daarom is het jammer dat van dit beginsel wordt afgestapt. Het maatschappelijk draagvlak voor het GLB kalft dikwijls af wanneer blijkt dat sommige landbouwers hoge steunbedragen ontvangen.

5.2. Voor de rest kan het CvdR zich over het algemeen wel vinden in het door de Commissie voorgestelde systeem, omdat hiermee wordt beoogd

- de mate waarin de steun wordt verlaagd te variëren naar gelang van de door de bedrijven ontvangen rechtstreekse betalingen;

- vast te houden aan het beginsel van een aanzienlijke verlaging van de rechtstreekse betalingen aan de bedrijven, die kan oplopen tot 19 % in 2013; zo kan worden bijgedragen tot vermindering van de concurrentiedistorsies die kunnen voortvloeien uit de wijze waarop de van de productie losgekoppelde steun wordt berekend.

5.3. Wel betreurt het CvdR dat slechts een klein deel (6 %) van het bedrag dat vrijkomt als gevolg van de door toepassing van stapsgewijze differentiëring gerealiseerde steunverlagingen, ten goede komt aan maatregelen uit hoofde van de programma's voor plattelandsontwikkeling. De thans voorgestelde bepalingen van de Commissie gaan in dit opzicht minder ver dan de voorstellen uit haar Mededeling van juli 2002, die door het CvdR beschouwd werden als gunstig om plattelandsontwikkeling als tweede pijler van het GLB te versterken en te verruimen.

Er zij op gewezen dat het voorstel, misschien met het oog op de schaarse middelen, geen plannen bevat om tot een geïntegreerd beleid ten behoeve van jonge landbouwers te komen.

De middelen in kwestie worden onder de lidstaten verdeeld op basis van de volgende criteria: landbouwareaal, werkgelegenheid in de landbouw, en bruto binnenlands product (BBP) per inwoner in koopkracht. Niets is geregeld ten aanzien van de wijze waarop deze middelen op regionaal niveau verdeeld en beheerd moeten worden. Het CvdR beseft dat het moeilijk is om de opzet van de plattelandsontwikkelingsprogramma's voor de huidige programmeringsperiode (2000-2006) te herzien. Het verzoekt de Commissie echter om de tussentijdse evaluatie van deze programma's aan te grijpen om de balans op te maken van het beheer ervan, teneinde vast te stellen welke systemen het meest doeltreffend zijn.

6. Plattelandsontwikkeling

6.1. In het Commissievoorstel voor een verordening van de Raad tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1257/1999 inzake steun voor plattelandsontwikkeling uit het Europees Oriëntatie- en Garantiefonds voor de Landbouw (EOGFL) en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 2826/2000 komen de voornaamste maatregelen terug die waren uiteengezet in de Mededeling van juli 2002.

Het CvdR herhaalt bijgevolg dat het er grosso modo mee instemt dat de begeleidende maatregelen als bedoeld in Verordening (EG) nr. 1257/1999 worden uitgebreid. Zo is het een goede zaak dat er een hoofdstuk over de inachtneming van normen wordt opgenomen, dat er bedrijfsadviseringssystemen worden opgezet, dat er steun komt voor landbouwers die zich ertoe verbinden dierenwelzijnsnormen te hanteren die verder gaan dan de officiële minimumnormen, en dat landbouwers ertoe worden aangemoedigd aan nationale of communautaire voedselkwaliteitsregelingen deel te nemen.

6.2. Het CvdR wijst er echter met name op dat:

- de verbindende aard van bepaalde normen, met name inzake dierenwelzijn, de teelt van traditionele kwaliteitsproducten in gevaar kan brengen. Steunuitkeringen die erop gericht zijn de inachtneming van normen af te dwingen, mogen niet het enige antwoord zijn. De gevolgen van de communautaire wetgeving voor dergelijke agrarische activiteiten die de handel binnen de EU nauwelijks beïnvloeden, moeten nauwkeuriger worden gemeten, om ervoor te zorgen dat de regels worden toegepast op een manier die proportioneel is met de nagestreefde doelen.

- plattelandsontwikkeling in te enge zin wordt opgevat; de Commissie beschouwt haar nl. slechts als een verlengstuk van de landbouw. Het CvdR neemt nota van het feit dat de voorgestelde flankerende maatregelen betrekking hebben op de programmeringsperiode 2000-2006 en niet vooruitlopen op een toekomstig debat over de herziening van het plattelandsontwikkelingsbeleid. Tegen deze achtergrond zou het vooral graag zien dat er in het vooruitzicht van de publicatie (eind 2003) van het derde cohesieverslag nu reeds wordt nagedacht over het op elkaar afstemmen van het regionaal beleid en het plattelandsontwikkelingsbeleid.

7. Tenuitvoerlegging van de hervorming van het gemeenschappelijk landbouwbeleid

De tenuitvoerlegging van de hervorming van het gemeenschappelijk landbouwbeleid kan niet los worden gezien van de vorderingen in de landbouwonderhandelingen in de WTO en de voorbereiding van de financiële vooruitzichten in het kader van de EU-begroting voor de periode 2007-2013.

7.1. GLB-hervorming en Wereldhandelsorganisatie

Het Comité van de Regio's vraagt zich af of de voorstellen van de Commissie inzake de GLB-hervorming wel stroken met haar standpunten in de landbouwonderhandelingen binnen de Wereldhandelsorganisatie.

Zijns inziens dreigen de onderhandelingsuitkomsten de GLB-hervorming namelijk uit haar evenwicht te brengen, met name waar het gaat om:

- de instandhouding van beschermde geografische aanduidingen en meer in het algemeen van nationale en communautaire regelingen ter verbetering van de kwaliteit en de voedselveiligheid, met inbegrip van de bepalingen inzake voorlichting van de consument;

- de toepassing van bindende normen ter bescherming van het milieu, het dierenwelzijn, de voedselveiligheid en de gezondheid, ook voor geïmporteerde producten op de EU-markt.

Voorts is het CvdR van mening dat belangrijke besluiten over de GLB-hervorming niet genomen mogen worden voordat de uitkomst van de WTO-onderhandelingen bekend is.

7.2. Financiële vooruitzichten (2007-2013)

Het Comité van de Regio's maakt zich zorgen over de manier waarop de discussie over de financiële vooruitzichten in het kader van de EU-begroting voor de periode 2007-2013 wordt voorbereid. Het vreest namelijk dat wanneer er keuzes gemaakt moeten worden, plattelandsontwikkelingsbeleid en ook regionaal beleid (m.u.v. doelstelling 1) als aanpassingsvariabele van elkaar zullen worden beschouwd. De lidstaten zijn nl. al overeengekomen de financiële middelen voor de eerste pijler reëel te handhaven op het voor 2006 vastgestelde maximum. Ook lijkt men het erover eens te zijn dat de uit hoofde van het regionaal beleid beschikbare steun grotendeels wordt bestemd voor regio's die na 2006 als doelstelling 1-regio's te boek zullen staan. Als de bedragen voor deze beide onderdelen nu al vaststaan, is er in verband met de maximumuitgaven voor de lidstaten alleen nog maar speelruimte bij de middelen voor plattelandsontwikkeling en voor de andere regionale-beleidsdoelstellingen dan doelstelling 1.

Het CvdR zal goed in het oog houden of er voor de versterking en verruiming van het plattelandsontwikkelingsbeleid voldoende middelen worden uitgetrokken om een geloofwaardig beleid mogelijk te maken.

7.3. Tijdschema voor de tenuitvoerlegging

De GLB-hervorming zal stapsgewijs ten uitvoer worden gelegd. Hierbij moet te zijner tijd ook ruimte worden ingebouwd voor de besluiten van de WTO, alsook voor de eerste resultaten inzake de effecten van de tijdens de tussentijdse herziening ingevoerde maatregelen op de markten, de inkomens van de landbouwers en de landelijke gebieden.

Het Comité van de Regio's pleit voor een flexibel tijdschema voor de tenuitvoerlegging, zodat kan worden gereageerd op ontwikkelingen van buitenaf, op mogelijke problemen die zich bij de tenuitvoerlegging zullen voordoen, en op de aanwijzingen die uit het systeem van permanente controle en evaluatie naar voren zullen komen ten aanzien van de (met name territoriale) impact van de hervorming. De instelling van zo'n toezichtsysteem is vooral ook noodzakelijk gezien de door het CvdR onderstreepte risico's die er aan bepaalde aspecten van de hervorming kleven.

Brussel, 2 juli 2003.

De voorzitter

van het Comité van de Regio's

Albert Bore

(1) PB C 73 van 26.3.2003, blz. 25.

(2) PB C 93 van 6.4.1999, blz. 1.

(3) PB L 160 van 26.6.1999, blz. 80.