Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over de "Mededeling van de Commissie — Meer onderzoek voor Europa — op weg naar 3 % van het BBP" (COM (2002) 499 def.)
Publicatieblad Nr. C 095 van 23/04/2003 blz. 0008 - 0012
Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over de "Mededeling van de Commissie - Meer onderzoek voor Europa - op weg naar 3 % van het BBP" (COM(2002) 499 def.) (2003/C 95/03) De Commissie heeft op 12 september 2002 besloten, overeenkomstig artikel 262 van het EG-Verdrag, het Europees Economisch en Sociaal Comité te raadplegen over de voornoemde mededeling. De gespecialiseerde afdeling "interne markt, producten productie en consumptie", die met de voorbereiding van desbetreffende werkzaamheden was belast, heeft haar advies op 29 januari 2003 goedgekeurd; rapporteur was mevrouw Sirkeinen. Het Europees Economisch en Sociaal Comité heeft tijdens zijn 397e zitting van 26 en 27 februari 2003 (vergadering van 26 februari) het volgende advies uitgebracht, dat met 108 stemmen voor, geen tegen, bij één onthouding werd goedgekeurd. 1. Samenvatting Het EESC - is ingenomen met de door de Europese Raad van Barcelona geformuleerde doelstellingen en de mededeling waarmee de Commissie de discussie wil opstarten; - benadrukt dat O& O met name in tijden van economische vertraging als investeringen en niet als kosten moeten worden beschouwd; - wijst erop dat de doelstellingen in verband met concurrentievermogen, economische groei, werkgelegenheid, een hoog niveau van milieubescherming en volksgezondheid, alsook evenwichtige duurzame ontwikkeling uitsluitend kunnen worden gerealiseerd met meer kennis, O& O en innovatie; - moedigt de Commissie aan om de problematiek met meer nadruk onder de aandacht te brengen en ook meer druk op de lidstaten uit te oefenen gegeven de geboden vergaande veranderingen; - stelt voor dat meer middelen uit regionale en toetredingsfondsen aan O& O worden besteed; - beveelt de Commissie aan, een strategie voor mkb's en onderzoek voor te bereiden; - hecht meer belang aan het elimineren van grenzen en obstakels voor samenwerking en netwerkvorming dan aan een "top-down"-aanpak; - wijst erop dat de Commissievoorstellen moeten worden uitgevoerd om de groei van de O& O-investeringen in de Unie van grote bedrijven te handhaven en het aantal ondernemingen dat aan O& O doet te doen toenemen. Het noemt in dit verband met name de voorstellen betreffende - voltooiing van de interne markt - het Gemeenschapsoctrooi en andere intellectuele-eigendomskwesties - opleiding van arbeidskrachten en mobiliteit - advies aan en ondersteuning bij het leggen van contacten door mkb's, en - herziening van de regels inzake staatssteun voor O& O. 2. Inleiding 2.1. Men was het er tijdens de Europese top van Barcelona over eens dat de investeringen in onderzoek en technologische ontwikkeling (O& O) in de EU moeten worden opgevoerd van 1,9 van het BBP in 2000 tot tegen 3 % in 2010. Tevens riep de Europese Raad op tot een verhoging van de bedrijfsinvesteringen van 56 % tot tweederde van de totale O& O-investeringen. 2.2. Deze doelstellingen vloeiden voort uit het besef dat versterking van O& O en innovatiesystemen in Europa essentieel is voor het bereiken van de strategische doelstelling die tijdens de Europese Raad van Lissabon voor de Unie werd geformuleerd om tegen 2010 "de meest concurrerende en dynamische kenniseconomie van de wereld te worden die in staat is tot duurzame economische groei met meer en betere banen en een hechtere sociale samenhang". De achterstand van de EU op de VS in O& O-investeringen bedroeg in 2000 meer dan 120 miljard euro. Met name de Europese bedrijfsinvesteringen blijven achter. 2.3. Het Comité beval in eerder adviezen reeds aan, een "target" voor O& O-investeringen vast te stellen en de Commissie schaarde zich daarachter. Voorts beval het als beleidsdoelstelling voor de middellange termijn aan(1) om het totale EG-budget voor O& O met ongeveer 50 % te verhogen voor de periode na het Zesde Kaderprogramma en riep het de lidstaten op, hetzelfde te doen. 2.4. De doelstellingen waren door de Europese Raad voor de gehele Unie geformuleerd hetgeen betekent dat de regeringen van alle lidstaten zich ertoe hebben verbonden om tot verwezenlijking ervan bij te dragen. In twee lidstaten ligt het percentage reeds hoger dan 3 %, maar voor de andere liggen de cijfers lager. Gedifferentieerd beleid is geboden om in te spelen op de uiteenlopende situaties in de lidstaten en de toetredingslanden. 2.5. De Commissie wil met onderhavige mededeling de discussie aanzwengelen over manieren en middelen om de doelstellingen voor O& O-investeringen te bereiken. Zij analyseert de situatie, achtergronden en effecten en noemt doeleinden ten behoeve van aantrekkelijkere randvoorwaarden, effectiever gebruik van publieke middelen door het bedrijfsleven voor O& O en het integreren van O& O in ondernemingsstrategieën en management. 3. Algemene opmerkingen 3.1. Het Comité constateert met genoegen dat zijn aanbevelingen zijn overgenomen en schaart zich achter de belangrijke doelstellingen die in Barcelona zijn geformuleerd. Nu de politieke besluiten zijn genomen, zijn uitvoeringsmaatregelen van vooral de lidstaten geboden. Het is een goede zaak dat de Commissie in haar mededeling de aandacht op de problematiek blijft vestigen en met voorstellen en advies komt. Hopelijk zal de nu geïnitieerde discussie helpen om vaart achter de zaak te zetten. 3.2. De economische groei is momenteel laag, op veel markten heerst afwachtendheid en de lidstaten kampen met begrotingsproblemen. Gehoord wordt dan ook wel dat noch de overheid noch het bedrijfsleven de middelen kunnen opbrengen om de O& O-uitgaven te verhogen. Benadrukt dient evenwel te worden dat deze uitgaven voor zowel de samenleving als individuele bedrijven investeringen in plaats van kosten belichamen. Het verdient dan ook aanbeveling dat de Commissie voortaan spreekt van "O& O-investeringen". 3.3. Het investeringsniveau dient derhalve te worden verhoogd om het gewicht van de Europese bedrijven op de wereldmarkten te doen toenemen en daarmee meer economische groei en werkgelegenheid in de Unie te realiseren. Met name tegen de achtergrond van de huidige demografische ontwikkelingen vormt tevens een sterkere productiviteitsstijging de weg naar meer competitiviteit en economische ontwikkeling. In Europa staat bescherming van milieu en volksgezondheid hoog in het vaandel, maar economische groei en maatschappelijk welzijn mogen daarbij niet uit het oog worden verloren, en tevens moet de aandacht uitgaan naar duurzame ontwikkeling. Al deze doelstellingen, die zowel voor individuele ondernemingen als voor de EU-economie als geheel gelden, kunnen uitsluiten worden verwezenlijkt met behulp van meer kennis, O& O, innovatie en investeringen in nieuwe en betere technologie. 3.4. Het is belangrijk dat een ambitieuze "target" is gezet om de negatieve tendensen een halt toe te roepen. Het roer moet dus zonder meer om. Probleem daarbij is evenwel dat in het licht van de komende uitbreiding de target wel eens wat al te optimistisch zou kunnen blijken te zijn. 3.5. De Commissie koppelt de behoefte aan meer O& O en innovatie aan de doelstelling van Lissabon. Dat is terecht en cruciaal, maar de hoofdrolspelers in dit verband zijn de lidstaten en het bedrijfsleven en het valt niet uit te sluiten dat zij meer prikkels dan de algemene doelstelling van Lissabon behoeven om de nodige vergaande hervormingen door te voeren. De Commissie had de problematiek dan ook met meer nadruk onder de aandacht moeten brengen. 3.6. Er dient dus meer druk op de lidstaten te worden uitgeoefend. Zij verschillen onderling in hoge mate wat het O& O-investeringsniveau en het aandeel van particuliere of publieke middelen betreft. Publicatie van vergelijkingen kan in dit verband nuttig zijn. Het is verassend dat de Commissie haar statistisch materiaal beperkt tot enkele minimum- en maximumcijfers. 3.7. Het niveau van O& O-investeringen in de toetredingslanden ligt over het algemeen lager dan in de lidstaten. De regeringen van de kandidaat-lidstaten doen er wel goed aan om zich zo snel mogelijk op de nationale doelstelling van 3 % te richten. Verwacht wordt namelijk dat zij een periode van economische-groeiversnelling zullen doormaken, waardoor het veel moeilijker wordt om deze doelstelling te bereiken. Zij dienen daarbij prioriteit te verlenen aan investeringen in O& O-infrastructuur om gunstige randvoorwaarden te scheppen. EU-steun voor deze landen dient met name hierop te zijn gericht. 3.8. Globale statistische gegevens moeten altijd met omzichtigheid worden geïnterpreteerd. Vergelijkingen tussen de EU en de VS leiden altijd tot discussie en zeker wanneer, vooral militaire, O& O in het geding is. In de VS ligt vooral het aandeel van de defensie-industrie hoger, maar die sector draagt niet direct en slechts gedeeltelijk bij tot het concurrentievermogen van de civiele markten. Daar staat tegenover dat, hoewel er geen statistieken voorhanden zijn, mag worden aangenomen dat een groot gedeelte van O& O zowel militaire als civiele doeleinden dient. Steunverlening in de VS aan het bedrijfsleven ten behoeve van onderzoek en ontwikkeling voor defensiedoeleinden is met weinig transparantie omgeven en het valt niet uit te sluiten dat de Amerikaanse ondernemingen daaraan aanzienlijke concurrentievoordelen ontlenen. 3.9. Overeenkomstig de doelstellingen van Barcelona wordt met name van het bedrijfsleven verwacht dat het zijn O& O-investeringen opvoert. Uit een enquête die werd gehouden onder bedrijven die zijn vertegenwoordigd bij de Europese Ronde Tafel van Industriëlen (ERT) en 13 % (22,3 miljard EUR in 2001) van de totale O& O-investeringen in de Unie voor hun rekening nemen, blijkt dat deze ondernemingen verwachten dat hun investeringen binnen de Unie niet of nauwelijks zullen toenemen. Zij zijn van plan, meer in O& O buiten de EU te investeren. De belangrijkste redenen daarvoor zijn de relatief onaantrekkelijke randvoorwaarden in Europa op het gebied van personeel, infrastructuur, financiële prikkels en wet- en regelgeving in het algemeen. De resultaten van deze enquête bevestigen de boodschap van de Commissiemededeling, maar tonen tevens aan hoe groot de behoefte aan vergaande veranderingen is. 3.10. Behoud van de groei van O& O-investeringen in de EU door grote, geavanceerde bedrijven, zoals de ERT-ondernemingen, is van doorslaggevend belang. Voorts moet het aantal bedrijven dat in O& O investeert toenemen. In dit verband bestaat er in een aantal sectoren met name binnen mkb's een groot potentieel. Het zal grote inspanningen en adequate ondersteuning vergen om de bedrijven in kwestie van de situatie te doordringen en te motiveren. 3.10.1. Onder verwijzing naar het Europees Handvest voor kleine ondernemingen beveelt het Comité de Commissie aan, een open-coördinatiestrategie voor mkb's en onderzoek voor te bereiden. Culturele barrières en administratieve belemmeringen voor mkb's, met name micro-ondernemingen, dienen te worden verwijderd en onderzoeksactiviteiten moeten worden ontschot ten einde ontwikkeling te stimuleren en van het grote innovatieve potentieel van deze ondernemingen te kunnen profiteren. 3.11. De overheid moet voldoende investeringen op O& O-gebied richten op technologische ontwikkelingen en toepassingen ten einde industriële O& O-investeringen te stimuleren. Het is de bedoeling dat zij bijdraagt tot de opkomst van nieuwe producten en diensten en efficiëntere processen. Hetzelfde geldt voor onderwijs en carrièreprikkels voor onderzoekers. Uiteraard dient daarbij te worden gezorgd voor voldoende hulpbronnen ten behoeve van corresponderend fundamenteel onderzoek. 3.12. De toekomstige O& O-activiteiten in de EU dienen in de eerste plaats op het vormen van netwerken te zijn gericht. Investeringen krijgen een optimaal rendement wanneer universiteiten, onderzoeksinstellingen en bedrijven soepel en efficiënt samenwerken. De talrijke obstakels hiervoor moeten uit de weg worden geruimd. Samenwerking tussen meerdere bedrijven kan uitstekende resultaten opleveren in de meer traditionele sectoren en bij het ontwikkelen van productieprocessen. Ook in nieuwere sectoren als ICT werd intensief en met succes samengewerkt op O& O-gebied, zelfs wanneer sprake was van scherpe mededinging en bedrijfsgeheimen. 3.13. Zowel de Unie als de lidstaten dienen meer middelen vrij te maken om op regionaal niveau O& O, innovatie en bijbehorende onderwijs- en opleidingsactiviteiten te steunen. 3.14. De Commissie en een groot aantal stakeholders dringen aan op een betere coördinatie van O& O-programma's en bijbehorende inspanningen van de lidstaten. Het ligt voor de hand dat er met voldoende middelen gedoteerde programma's moeten komen om op mondiaal niveau te kunnen presteren en dynamische kenniscentra op te richten. Een "top-down"-benadering, d.w.z. een gecentraliseerde aanpak, dient evenwel te worden vermeden. Er mogen hoe dan ook geen belemmeringen worden opgeworpen voor gezonde mededinging. Deze is namelijk cruciaal op weg naar "excellence". 3.15. De coördinatie dient gebaseerd te zijn op een open uitwisseling van informatie in brede kring over plannen en programma's die in de vorm van een "bottom-up"-aanpak allerlei soorten partnerschappen en coalities ondersteunt. Belangrijker nog is dat de coördinatie op EU-niveau leidt tot eliminatie van mentale en juridische nationale en institutionele grenzen en obstakels. 4. Bijzondere opmerkingen Het Comité kan zich op hoofdlijnen vinden in de opvattingen die de Commissie ventileert in hoofdstuk 3 van haar mededeling "De omkering van de trend: gebieden waarop een gecoördineerd optreden nodig is". In het onderstaande worden dan ook uitsluitend opmerkingen gemaakt over aangelegenheden die het Comité wil benadrukken of verder uitgediept wil zien. 4.1. Aantrekkelijkere randvoorwaarden 4.1.1. Er kan niet voldoende worden gewezen op het belang van een goed functionerende, open en competitieve markt. Voltooiing van de interne markt, met bijbehorende stijging van de vraag die mogelijkheden kan bieden voor zelfs forse O& O-investeringen, is van het grootste belang. Het huidige probleem met veel innovatieprojecten is echter dat deze duur zijn en qua rendement daarom afhankelijk zijn van toegang tot ook buiten de Unie gelegen markten. 4.1.2. Herhaaldelijk worden zorgen geuit over aantal, specialisatie en motivering van de Europese onderzoekers. Er dienen nieuwe ideeën in de praktijk te worden gebracht om onderzoek en carrièremogelijkheden (ook van technici) aantrekkelijker te maken resp. te verbeteren. Barrières voor grensoverschrijdend verkeer en de "switch" tussen de publieke en de particuliere sector moeten eindelijk uit de weg worden geruimd, maar dit blijkt een pijnlijk traag proces te zijn. Wat de opleiding van onderzoekers betreft, bestaat er een Fins voorbeeld van een succesvol doelgericht programma waarin prikkels zijn opgenomen voor zowel afgestudeerden als universiteiten. 4.1.3. Voorts dient de EU zo snel mogelijk wetgeving uit te vaardigen inzake de intellectuele-eigendomsrechten, die betrekking heeft op GGO's, software en een goedkoop Europees octrooistelsel. Willen wij dat ondernemingen binnen de Unie in risicokapitaal investeren, dan dient hun rechtszekerheid en duidelijkheid te worden verschaft. 4.1.4. Overbodige of onduidelijke regelgeving en logge administratieve procedures hebben een ontmoedigend effect op onder meer O& O-investeringen van het bedrijfsleven. Het Comité heeft al vaker aangedrongen op vereenvoudiging van wetgeving teneinde rompslomp weg te werken. In het kader van het initiatief "De wetgeving verbeteren" moet worden gewerkt aan evenwicht tussen de economische, maatschappelijke en milieuaspecten van duurzame ontwikkeling. 4.2. Efficiënter gebruik van overheidsgeld voor bedrijven die aan O& O doen 4.2.1. Er is een heterogeen pakket maatregelen nodig om optimale prikkels te creëren, zodat in verschillende particuliere sectoren meer in O& O wordt geïnvesteerd. Overheidssteun is gewettigd omdat bedrijven door een gebrek aan marktprikkels minder in O& O investeren dan goed voor de economie als geheel zou zijn. Daarnaast laat het rendement van O& O-investeringen doorgaans langer op zich wachten dan dat van andere investeringen. 4.2.2. Inspanningen ten behoeve van het opvoeren van O& O dienen er vooral op te zijn gericht om meer bedrijven aan te moedigen, zelf hun eigen strategieën en activiteiten, vaak vanaf het allerprilste begin, te ontwikkelen. Advisering en het leggen van contacten met onderzoeksinstellingen vormen in dit verband goede praktijkvoorbeelden. Genoemd kan worden SINTEF (Noorwegen) dat is belast met het bij elkaar brengen van mkb's en specialisten van de technische universiteit van Trondheim. Ook zou het opstarten van O& O-activiteiten door mkb's kunnen worden ondersteund door deze investeringen fiscaal aftrekbaar te maken. 4.2.3. Het ondersteunen van starters in "high-tech"-sectoren, waarin de risico's groot zijn maar de groeimogelijkheden eveneens, vereist specifieke instrumenten. Vooral starterskapitaal en voldoende risicokapitaal zijn van groot belang. Een efficiënte maatregel op dit gebied bleek het verschaffen van leningen op aandelen door het Finse Instituut voor Technologische Ontwikkeling. Het verschafte kapitaal verzwakt op die manier de doorgaans reeds zwakke financiële positie niet. 4.2.4. Studies hebben aangetoond dat staatssteun voor particuliere O& O-projecten de investeringen van het bedrijf in kwestie doorgaans niet doen afnemen, maar het bedrijf de gelegenheid geeft om meer projecten op te starten dan anders mogelijk geweest zou zijn. Ook is aangetoond dat dankzij de steun een project met meer middelen en sneller kan worden uitgevoerd. Dit kan van groot belang zijn op aan snelle veranderingen onderhevige markten. Er dient in dit verband een passende "de minimis"-regel te worden uitgevaardigd. 4.2.5. De EU-steunregelingen inzake O& O dienen dan ook te worden herzien. Zij hoeven niet zozeer meer ruimte voor steun te bieden, maar dienen stellig wel te worden versoepeld. Om slechts één voorbeeld te noemen: publiek/private samenwerkingsprojecten moeten bij de Commissie worden aangemeld waardoor administratieve lasten en onzekerheid alleen maar toenemen. Daaraan dient een einde te worden gemaakt. 4.3. Onderzoek en innovatie in bedrijfsstrategieën en management 4.3.1. Bedrijven hebben behoefte aan stabiele beleidsmatige randvoorwaarden om hun O& O-inspanningen op te voeren. Overheden dienen een duidelijke en samenhangende boodschap af te geven. Deze moet niet alleen betrekking hebben op O& O maar ook op beleid en maatregelen ten behoeve van een op kennis gebaseerde en op innovatie gerichte economie. 4.3.2. Individuele ondernemingen hebben uiteraard een op hun eigen behoeften toegesneden O& O-aanpak nodig en gaan dan ook hun eigen weg. Eén aanbeveling wil het Comité dan ook benadrukken: er dient te worden gewerkt aan netwerkvorming met openbare onderzoeksinstellingen en ander bedrijven. Sommige door het bedrijfsleven in dit verband geconstateerde obstakels zijn reëel en pertinent, maar andere vloeien eerder voort uit traditie en wantrouwen. Brussel, 26 februari 2003. De voorzitter van het Europees Economisch en Sociaal Comité R. Briesch (1) PB C 260 van 17.9.2001.