Gewijzigd voorstel voor een Richtlijn van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Richtlijn 96/82/EG van 9 december 1996 betreffende de beheersing van de gevaren van zware ongevallen waarbij gevaarlijke stoffen zijn betrokken /* COM/2002/0540 def. - COD 2001/0257 */
Publicatieblad Nr. 020 E van 28/01/2003 blz. 0255 - 0262
Gewijzigd voorstel voor een RICHTLIJN VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD tot wijziging van Richtlijn 96/82/EG van 9 december 1996 betreffende de beheersing van de gevaren van zware ongevallen waarbij gevaarlijke stoffen zijn betrokken (ingediend door de Commissie) 2001/0257 (COD) Gewijzigd voorstel voor een RICHTLIJN VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD tot wijziging van Richtlijn 96/82/EG van 9 december 1996 betreffende de beheersing van de gevaren van zware ongevallen waarbij gevaarlijke stoffen zijn betrokken 1. ACHTERGROND Op 3 juli 2002 heeft het Europees Parlement in eerste lezing gestemd over de amendementen ingediend op het voorstel voor een Richtlijn van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Richtlijn 96/82/EG van 9 december 1996 betreffende de beheersing van de gevaren van zware ongevallen waarbij gevaarlijke stoffen zijn betrokken [1] (COM(2000) 624 def. van 10 december 2001). [1] PB L 10 van 14.1.1997, blz. 13. Toezending van het voorstel aan de Raad en het Europees Parlement (COM(2000) 624 - 2001/0257(COD) in overeenstemming met artikel 175, lid 1, van het EG-Verdrag: 11 december 2001 Advies van het Comité van de Regio's: 24 april 2002 Advies van het Economisch en Sociaal Comité: geen 2. DOEL VAN HET COMMISSIEVOORSTEL Richtlijn 96/82/EG van de Raad van 9 december 1996 betreffende de beheersing van de gevaren van zware ongevallen waarbij gevaarlijke stoffen zijn betrokken (de zogenoemde Seveso II-richtlijn) is gericht op het voorkomen van zware ongevallen en de beperking van de gevolgen hiervan voor mens en milieu, met het oogmerk op consequente en effectieve wijze in de gehele Gemeenschap een hoog beschermingsniveau te verzekeren. Het voorstel volgt op de Mededeling betreffende "Het veilig uitoefenen van mijnbouwactiviteiten: follow-up van recente mijnongevallen" (COM(2000) 664 def.) waarin de Commissie drie sleutelacties beschrijft om de veiligheid van mijnbouwactiviteiten te vergroten (een wijziging van de Seveso II-richtlijn, een initiatief inzake het beheer van mijnafval en een bestebeschikbaretechnologieën-referentiedocument krachtens de IPPC-richtlijn (96/61/EG)) en beoogt bepaalde activiteiten van extractieve industrieën op te nemen inclusief de faciliteiten voor de verwijdering van residuen. Het voorstel heeft ook betrekking op de vuurwerkexplosie in mei 2000 in Enschede en stelt een betere definitie voor van ontplofbare en pyrotechnische stoffen alsook een vermindering van de drempelwaarden in kwestie. Voorts wordt, naar aanleiding van de aanbevelingen van twee studies inzake carcinogenen en voor het milieu gevaarlijke stoffen, voorgesteld meer carcinogene stoffen op te nemen en de drempelwaarden te verlagen voor stoffen die giftig zijn voor het aquatische milieu. Er is ook aandacht besteed aan de vraag of de explosie op het fabrieksterrein van het chemische bedrijf AZF op 21 september 2001 in Toulouse onmiddellijke wijzigingen van de Seveso II-richtlijn noodzakelijk maakt. Aangezien echter het terrein (in tegenstelling tot de terreinen in Baia Mare en Enschede) volledig onderworpen was aan de verplichtingen van de Seveso II-richtlijn, en het ongeval pas begon ten tijde van de aanneming van het voorstel, bevat het voorstel geen bijkomende wettelijke maatregelen in dit opzicht. 3. ADVIES VAN DE COMMISSIE BETREFFENDE DE DOOR HET EUROPEES PARLEMENT AANGENOMEN AMENDEMENTEN Op 3 juli 2002 heeft het Europees Parlement 47 van de 55 ingediende amendementen aangenomen. Slechts 13 van de 47 aangenomen amendementen houden verband met de werkingssfeer van de Seveso II-richtlijn. Veel van de andere amendementen lijken te zijn ontwikkeld tegen de achtergrond van het tragische ongeval in Toulouse en hebben betrekking op kwesties die geen verband houden met de werkingssfeer van de richtlijn. De Commissie benadrukt dat haar voorstel enkel gericht was op het verbreden van de werkingssfeer van de richtlijn, en niet op een grote herziening. De Seveso II-richtlijn verving volledig de originele Seveso-richtlijn [2] van 1982, die meer dan vijftien jaar van kracht was. De stap van Seveso naar Seveso II vertegenwoordigde op zich een fundamentele herziening van de Europese wetgeving inzake zware ongevallen. De nieuwe richtlijn is nog maar drie jaar van toepassing. De Commissie beschikt nog niet over voldoende feedback van de industriële exploitanten en de lidstaten met betrekking tot problemen bij de toepassing van de richtlijn, en is derhalve van mening dat het nog te vroeg is om tot een bredere herziening over te gaan. [2] Richtlijn 82/501/EEG van de Raad van 24 juni 1982 inzake de risico's van zware ongevallen bij bepaalde industriële activiteiten, PB L 230 van 5.8.1982, blz.1 Niettemin heeft de Commissie alle voorgestelde amendementen onderzocht met de bedoeling er zoveel mogelijk van te aanvaarden. De Commissie is bijzonder verheugd vast te stellen dat een workshop betreffende ammoniumnitraat, georganiseerd door het binnen het Gemeenschappelijk Centrum voor Onderzoek van de Commissie opgerichte Bureau gevaren zware ongevallen, heeft bijgedragen tot het ontwikkelen van voorstellen voor aangepaste follow-up van het ongeval in Toulouse. De amendementen 1, 2, 27, 37, 39, 40, 42 en 45 kunnen door de Commissie volledig worden aanvaard. De amendementen 8, 9, 13, 16, 18, 23-25, 32, 46 en 53 worden in beginsel aanvaard behoudens herformulering. De Commissie aanvaardt gedeeltelijk de amendementen 7, 17, 26, 54 en 55. De amendementen 3-6, 10-12, 14, 15, 19-22, 28, 29, 31, 33-36, 38, 43 en 44 worden door de Commissie niet aanvaard. Het standpunt van de Commissie ten aanzien van de amendementen van het Europees Parlement is als volgt: 3.1. Door de Commissie volledig aanvaarde amendementen De amendementen 1 en 2 stellen overwegingen voor die verband houden met het ongeval in Toulouse en voeren wijzigingen in van de ingangen voor ammoniumnitraat, terwijl erop wordt gewezen dat inrichtingen van eindgebruikers van ammoniumnitraat niet onder de richtlijn mogen vallen. Amendement 27 creëert een link met Besluit 2001/792/EG van de Raad tot vaststelling van een communautair mechanisme ter vergemakkelijking van versterkte samenwerking bij bijstandsinterventies in het kader van civiele bescherming [3] en vraagt de lidstaten met het besluit rekening te houden in het kader van externe noodplannen. [3] PB L 297 van 15.11.2001, blz. 7. Amendement 37 beoogt de lidstaten te verplichten aan de Commissie basisinformatie te verstrekken over de onder de richtlijn vallende bedrijven (naam, adres, activiteit). Amendement 39 stelt het creëren voor van 4 nieuwe ingangen voor ammoniumnitraat inclusief drempelwaarden. De amendementen 40 en 42 stellen het creëren voor van 2 nieuwe ingangen voor kaliumnitraat inclusief definities en drempelwaarden. Amendement 45 herformuleert een deel van het gedeelte over organisatie en personeel in bijlage III, waarin vastgesteld wordt welke informatie moet worden opgenomen in het veiligheidsbeheerssysteem, en benadrukt de betrokkenheid van de onderaannemers. 3.2. Door de Commissie gedeeltelijk of in beginsel aanvaarde amendementen Amendement 7, betreffende de behandeling van residuen afkomstig van mijnbouwactiviteiten, specificeert dat enkel "actieve" residuenvoorzieningen moeten worden behandeld, hetgeen de Commissie in beginsel aanvaardt. Het amendement stelt ook voor de werkingssfeer van de behandelde residuenvoorzieningen uit te breiden tot die welke gebruikt worden in verband met mechanische en fysische verwerking, hetgeen de Commissie niet aanvaardt om de redenen gegeven onder amendement 6 (zie 3.3 hieronder). Zoals vermeld in de toelichting bij het originele Commissievoorstel is het de bedoeling van de Commissie de veiligheidsaspecten van dergelijke voorzieningen voor de verwijdering van residuen te behandelen via het initiatief betreffende het beheer van mijnafval. De Commissie stelt derhalve de volgende tekst voor voor artikel 4, letter g) (nieuw): "g) stortplaatsen voor afval met uitzondering van actieve voorzieningen voor de verwijdering van residuen, inclusief residubekkens of dammen, die gevaarlijke stoffen bevatten als gedefinieerd in bijlage I bij deze richtlijn en gebruikt worden in verband met de chemische en thermische verwerking van mineralen." 1.1.1.1. Amendement 8 stelt voor een letter toe te voegen aan artikel 4 en terwille van de duidelijkheid de uitsluiting van "offshore-exploratie en winning van mineralen" van letter e) hier onder te brengen. De Commissie aanvaardt deze verduidelijking behoudens een toevoeging om duidelijk te maken dat koolwaterstoffen onder de uitsluiting vallen. De Commissie stelt derhalve: in artikel 4 de volgende tekst voor voor letter e): "e) de exploitatie (exploratie, winning en verwerking) van mineralen in mijnen, groeven, of door middel van putten met uitzondering van chemische en thermische verwerkingsactiviteiten en daarmee verband houdende opslag waarbij gevaarlijke stoffen zijn betrokken, als gedefinieerd in bijlage I bij deze richtlijn;" in artikel 4 de volgende tekst voor voor letter f): "f) de offshore-exploratie en winning van mineralen, inclusief koolwaterstoffen;" De amendementen 9. 13, 18, 23 en 24 hebben betrekking op de kwestie van inrichtingen die pas onder het toepassingsgebied van de Seveso II-richtlijn vallen. Deze amendementen beogen het gunnen van redelijke uiterste termijnen voor het zenden van kennisgevingen (artikel 6) en veiligheidsrapporten (artikel 9), en de vaststelling van het beleid inzake preventie van zware ongevallen (artikel 7) en de interne en externe noodplannen (artikel 11). De Commissie aanvaardt al deze amendementen in beginsel, met lichte wijzigingen van de formulering. Zij stelt derhalve: voor in artikel 6, lid 1, een nieuw streepje toe te voegen na het tweede streepje: "- voor inrichtingen die pas onder de werkingssfeer van deze richtlijn vallen, binnen drie maanden na de datum waarop de richtlijn van toepassing is op de betreffende inrichting, als vastgesteld in de eerste zin van artikel 2, lid 1." voor in artikel 7 een nieuw lid toe te voegen na het tweede lid: "2bis Voor inrichtingen die pas onder de werkingssfeer van deze richtlijn vallen, wordt het document zonder uitstel opgesteld, echter uiterlijk binnen drie maanden na de datum waarop de richtlijn van toepassing is op de betreffende inrichting, als vastgesteld in de eerste zin van artikel 2, lid 1." voor in artikel 9, lid 3, een nieuw streepje in te voegen na het derde streepje: "- voor inrichtingen die pas onder de werkingssfeer van deze richtlijn vallen, zonder uitstel, echter uiterlijk binnen één jaar na de datum waarop de richtlijn van toepassing is op de betreffende inrichting, als vastgesteld in de eerste zin van artikel 2, lid 1." in artikel 11, lid 1, onder a), een nieuw streepje toe te voegen na het derde streepje: "- voor inrichtingen die pas onder de werkingssfeer van deze richtlijn vallen, zonder uitstel, echter uiterlijk binnen één jaar na de datum waarop de richtlijn van toepassing is op de betreffende inrichting, als vastgesteld in de eerste zin van artikel 2, lid 1." in artikel 11, lid 1, onder b), een nieuw streepje toe te voegen na het derde streepje: "- voor inrichtingen die pas onder de werkingssfeer van deze richtlijn vallen, zonder uitstel, echter uiterlijk binnen één jaar na de datum waarop de richtlijn van toepassing is op de betreffende inrichting, als vastgesteld in de eerste zin van artikel 2, lid 1." Amendement 16 stelt voor in artikel 8 "bevoegde autoriteit voor de opstelling van de externe noodplannen" te vervangen door "voor de opstelling van externe noodplannen bevoegde autoriteit". De Commissie aanvaardt dit in beginsel. Aangezien het amendement wordt voorgesteld in samenhang met amendement 15, dat door de Commissie wordt verworpen, is echter een nieuwe formulering nodig. De Commissie stelt derhalve de volgende tekst voor voor artikel 8, lid 2, onder b): "voorzieningen worden getroffen voor samenwerking bij het informeren van het publiek en bij het verstrekken van informatie aan de voor de opstelling van externe noodplannen bevoegde autoriteit." Amendement 17 stelt voor dat in het veiligheidsrapport alle personen en organisaties worden vermeld betrokken bij de opstelling ervan en dat de gebruikte methodes erin worden beschreven. De Commissie aanvaardt het eerste deel van dit voorstel, maar gelooft niet dat een bijkomende eis om de gebruikte methodes te beschrijven - naast de elementen nodig voor de evaluatie van het veiligheidsrapport - zal bijdragen tot de veiligheid. Zij stelt derhalve de volgende tekst voor ter vervanging van de eerste alinea in artikel 9, lid 2: "Het veiligheidsrapport bevat ten minste de in bijlage II bedoelde gegevens en informatie. Alle bij het opstellen van het rapport betrokken personen en organisaties worden erin genoemd. Het veiligheidsrapport bevat ook een bijgewerkte lijst van de in de inrichting aanwezige gevaarlijke stoffen." De amendementen 25 en 26 stellen voor de bepalingen te versterken van artikel 11 betreffende overleg bij de opstelling en herziening van noodplannen . De Commissie aanvaardt in beginsel amendement 25, en aanvaardt ook in beginsel de bedoeling van amendement 26 om de raadpleging te eisen van het personeel van de externe ondernemingen die op het terrein opereren. Zij stelt derhalve de volgende tekst voor ter vervanging van artikel 11, lid 3: "Onverminderd de verplichtingen van de bevoegde autoriteiten dragen de lidstaten er zorg voor dat de in deze richtlijn bedoelde interne noodplannen opgesteld worden in overleg met het personeel dat binnen de inrichting werkt, inclusief het relevante personeel dat in onderaanneming werkt, en dat het publiek wordt geraadpleegd over externe noodplannen wanneer deze worden opgesteld of geactualiseerd." Amendement 32 specificeert dat de informatie over de bij een ongeval te treffen veiligheidsmaatregelen en de in dat geval te volgen gedragslijn "regelmatig in de meest aangepaste vorm" moet worden verstrekt aan personen die door zware ongevallen kunnen worden getroffen en breidt de werkingssfeer van deze verplichting uit tot "alle voor publiek opengestelde inrichtingen (scholen, ziekenhuizen, enz.)". De Commissie aanvaardt in beginsel amendement 32 en stelt de volgende text voor ter vervanging van de eerste sub-paragraaf van artikel 13 lid 1: "De lidstaten dragen er zorg voor dat de informatie over de bij een ongeval te treffen veiligheidsmaatregelen en de in dat geval te volgen gedragslijn regelmatig en in de meest aangepaste vorm ambtshalve wordt verstrekt aan alle personen en alle plaatsen waar veel mensen samenkomen (scholen, ziekenhuizen, enz...), die kunnen worden getroffen door een ongeval dat gebeurt in een inrichting als bedoeld in artikel 9". Amendement 54 stelt voor artikel 12 (ruimtelijke ordening) te wijzigen door de lijst van bouwprojecten die op lange termijn moeten worden gescheiden van Seveso II-inrichtingen uit te breiden tot gebouwen voor publiek gebruik, transportroutes, industriële vestigingen, en recreatiegebieden. De Commissie aanvaardt dit voorstel gedeeltelijk, met uitzondering van industriële vestigingen, en noteert dat domino-effecten tussen gevaarlijke industriële vestigingen al behandeld worden in artikel 8. Zij gelooft ook dat "vervoersroutes" te ruim is in deze context, en vervangen moet worden door "grote vervoersroutes". Zij stelt derhalve de volgende tekst voor ter vervanging van artikel 12, lid 1, tweede alinea: "De lidstaten dragen er zorg voor bij hun beleid inzake ruimtelijke ordening en/of ander toepasselijk beleid alsmede bij de procedures voor de uitvoering van dit beleid rekening te houden met de noodzaak op lange termijn in de nodige tussenruimte te voorzien tussen onder deze richtlijn vallen inrichtingen en woongebieden, gebouwen en terreinen voor publiek gebruik, grote vervoersroutes, recreatiegebieden, waardevolle natuurgebieden en bijzondere kwetsbare gebieden; ten aanzien van bestaande inrichtingen dragen zij er zorg voor rekening te houden met de noodzaak van bijkomende technische maatregelen overeenkomstig artikel 5 teneinde de risico's voor personen niet te vergroten." Amendement 55 zou de Commissie verplichten richtsnoeren op te stellen voor het beoordelen van de verenigbaarheid van bestaande inrichtingen die onder de richtlijn vallen met kwetsbare gebieden en een methodologie te ontwikkelen voor het vaststellen van aangepaste minimumveiligheidsafstanden. De Commissie steunt de verdere ontwikkeling van richtsnoeren inzake ruimtelijke ordening naast de reeds gepubliceerde (http://mahbsrv.jrc.it/downloads-pdf/Landuse2.pdf), en leidt reeds werkzaamheden op dit gebied. Zij is er evenwel niet van overtuigd dat het mogelijk is of nuttig momenteel één methodologie te ontwikkelen. De Commissie kan derhalve dit amendement slechts gedeeltelijk aanvaarden. Gezien ook de noodzakelijke betrokkenheid van de lidstaten bij het opstellen van de gevraagde richtsnoeren, stelt zij het volgende nieuwe lid voor voor artikel 12, dat na het eerste lid dient te worden ingevoegd: "1bis. De Commissie wordt uitgenodigd in nauwe samenwerking met de lidstaten richtsnoeren op te stellen betreffender de definiëring van een geharmoniseerde technische databank van risicogegevens en risicoscenario's ten behoeve van het beoordelen van de compatibiliteit van aan de richtlijn onderworpen inrichtingen met in artikel 12, lid 1, bedoelde kwetsbare gebieden. Bij het opzetten van deze databank wordt rekening gehouden met door de lidstaten verrichte evaluaties, van de exploitanten gekregen informatie en alle andere relevante informatie" Amendement 53 stelt definities voor voor de vier nieuwe ingangen betreffende ammoniumnitraat die in amendement 39 worden voorgesteld. De Commissie aanvaardt dit amendement in beginsel en stelt de volgende tekst voor ter vervanging van de voetnoten 1 en 2 bij bijlage I, deel 1: "1. Ammoniumnitraat (5000/10000): meststoffen die in staat zijn zichzelf volledig af te breken Dit geldt voor ammoniumnitraatmengsels/samengestelde meststoffen (welke mengsels/samengestelde meststoffen ammoniumnitraat met fosfaat en/of potas bevatten) waarin het stikstofgehalte afkomstig van het ammoniumnitraat - tussen 15,75 gewichtsprocent [4] en 24,5 gewichtsprocent [5] bedraagt, en die niet meer dan 0,4% brandbare/organische materialen bevatten of voldoen aan de eisen van bijlage II van Richtlijn 80/876/EEG (zoals gewijzigd en geactualiseerd), [4] Een stikstofgehalte van 15,75 gewichtsprocent afkomstig van ammoniumnitraat komt overeen met 45% ammoniumnitraat. [5] Een stikstofgehalte van 24,5 gewichtsprocent afkomstig van ammoniumnitraat komt overeen met 70% ammoniumnitraat. - 15,75 gewichtsprocent [6] of minder bedraagt en het gehalte aan brandbare materialen niet beperkt is, [6] Een stikstofgehalte van 15,75 gewichtsprocent afkomstig van ammoniumnitraat komt overeen met 45% ammoniumnitraat. en die volgens de "goottest" (Trough Test) van de VN (zie de "United Nations Recommendations on the Transport of Dangerous Goods: Manual of Tests en Criteria", Part III, sub-section 38.2) in staat zijn zichzelf volledig af te breken. 2. Ammoniumnitraat (1250 / 5000): categorie meststoffen Dit geldt voor enkelvoudige ammoniumnitraatmeststoffen en ammoniumnitraatmengsels/samengestelde meststoffen waarin het stikstofgehalte afkomstig van het ammoniumnitraat - hoger is dan 24,5 gewichtsprocent, uitgezonderd voor mengsels van ammoniumnitraat en dolomiet, kalksteen en/of calciumcarbonaat met een zuiverheidsgraad van ten minste 90%, - hoger is dan 15,75 gewichtsprocent voor mengsels van ammoniumnitraat en ammoniumsulfaat, - hoger is dan 28 [7] gewichtsprocent voor mengsels van ammoniumnitraat en dolomiet, kalksteen en/of calciumcarbonaat met een zuiverheidsgraad van ten minste 90%, [7] Een stikstofgehalte van 28 gewichtsprocent afkomstig van ammoniumnitraat komt overeen met 80% ammoniumnitraat. en die voldoen aan de eisen van bijlage II van Richtlijn 80/876/EEG (zoals gewijzigd en geactualiseerd). 3. Ammoniumnitraat (350/2500): categorie technisch Dit geldt voor - ammoniumnitraat en bereidingen van ammoniumnitraat waarin het stikstofgehalte afkomstig van het ammoniumnitraat - tussen 24,5 en 28 gewichtsprocent bedraagt, en die niet meer dan 0,4% brandbare stoffen bevatten, - meer dan 28% gewichtsprocent bedraagt, en die niet meer dan 0,2% brandbare stoffen bevatten, - waterige ammoniumnitraatoplossingen waarin de ammoniumnitraatconcentratie hoger is dan 80 gewichtsprocent. 4. Ammoniumnitraat (10/50): niet aan de specificaties voldoend materiaal en meststoffen ("off-specs") die niet aan de detonatietekst voldoen: Dit geldt voor - afvalmaterialen die bij het productieproces zijn vrijgekomen, ammoniumnitraat, bereidingen van ammoniumnitraat, enkelvoudige ammoniumnitraatmeststoffen en ammoniumnitraatmengsels/samengestelde meststoffen bedoeld in de voetnoten 2 en 3, die van de eindgebruiker worden of zijn teruggezonden naar een fabrikant, tijdelijke opslag- of terugwinningsinstallatie voor herbewerking, recycling of behandeling voor een veilig gebruik, omdat zij niet langer voldoen aan de specificaties van de voetnoten 2 en 3; - meststoffen bedoeld in de voetnoten 1 en 2 die niet voldoen aan de eisen van bijlage II van Richtlijn 80/876/EEG (zoals gewijzigd en geactualiseerd) Amendement 46 heeft betrekking op de verplichting informatie te verstrekken aan diegenen die door de gevolgen van een ongeval kunnen worden getroffen. Het amendement stelt voor aan de mede te delen elementen een kaart toe te voegen waarop de risicozones zijn aangegeven. De Commissie aanvaardt dit amendement in beginsel, en stelt de volgende tekst voor om in te voegen in bijlage V na punt 10: "10bis. Een kaart waarop de gebieden zijn aangegeven die kunnen worden getroffen door de gevolgen van zware ongevallen die veroorzaakt worden door de inrichting." 3.3. Door de Commissie niet aanvaarde amendementen De amendementen 3-5 stellen overwegingen voor die betrekking hebben op kwesties die het gevolg zijn van het ongeval in Toulouse. De Commissie is van oordeel dat de in de amendementen 1 en 2 voorgestelde overwegingen toereikend zijn, en de hier voorgestelde overwegingen passen niet in de communautaire wetgeving. Amendement 6 stelt voor de werkingssfeer van de mijnbouwactiviteiten waarin door de richtlijn moet worden voorzien uit te breiden door het opnemen van het mechanisch en fysisch verwerken van mineralen. De Commissie benadrukt dat deze richtlijn enkel van toepassing moet zijn wanneer gevaarlijke stoffen op het terrein worden gebracht en opgeslagen, en/of wanneer chemische en thermische verwerking plaatsvindt. Bij mechanische of fysische verwerking zijn de enige gevaarlijke stoffen op het terrein normaal die in de gewonnen mineralen. Amendement 10 stelt voor de exploitant te verplichten in de kennisgeving informatie op te nemen over opleidingsmaatregelen. De kennisgeving is echter bedoeld om de bevoegde autoriteiten bepaalde minimuminformatie te verstrekken, zoals naam van de exploitant, adres van de inrichting enz. De Commissie is van oordeel dat de kwestie opleiding beter elders wordt behandeld, bijvoorbeeld in bijlage III (veiligheidsbeheerssystemen) en bijlage IV (noodplannen). Amendement 11 stelt voor de exploitanten te verplichten de bevoegde autoriteit op de hoogte te stellen van een wijziging van een installatie, inrichting of opslagterrein. Dit zou tot extra bureaucratische rompslomp leiden zonder dat de veiligheid beter wordt, aangezien artikel 6 de exploitanten al verplicht elke significante stijging in de hoeveelheid gevaarlijke stoffen, of elke verandering in de processen waarbij deze worden gebruikt te notificeren. Amendement 12 stelt voor de exploitant te verplichten aan te tonen "dat hij voldoet aan zijn verplichtingen" in het document waarin zijn preventiebeleid voor zware ongevallen wordt vastgelegd (MAPP). Dit past niet binnen het MAPP. Normaal moet er een documentatiehiërarchie zijn: bovenaan staat het MAPP, waarin het beleid en de beginselen inzake de preventie van zware ongevallen worden beschreven, vervolgens wordt op elk volgend niveau meer in detail de toepassing van deze beginselen uitgelegd, en om te eindigen zijn er de werkdocumenten en instructies. Amendement 14 stelt voor in artikel 8 (Domino-effect) een link toe te voegen met artikel 12 inzake ruimtelijke ordening. De bedoeling van artikel 8 is echter ervoor te zorgen dat met de mogelijkheid van domino-effecten tussen verschillende inrichtingen naar behoren rekening wordt gehouden. In de algemene verplichting van de exploitant om alle nodige maatregelen te nemen om zware ongevallen, inclusief domino-effecten, te voorkomen, is toereikend voorzien in artikel 5. De vaststelling van dergelijke maatregelen is een taak van de exploitant, niet van de lidstaten in het kader van hun ruimtelijkeordeningsbeleid. Amendement 15 stelt voor expliciet verplicht te stellen dat de bevolking wordt geïnformeerd over de mogelijke gevaren en risico's voor het ontstaan van domino-effecten via de plaatselijke pers, alsook per post en op de officiële website van de betrokken regionale instantie. Krachtens het subsidiariteitsbeginsel is dit duidelijk een bevoegdheid van de nationale en lokale autoriteiten. Amendement 19 stelt voor de herziening van het veiligheidsrapport verplicht te stellen "in geval van een wijziging in de organisatie van het werk met gevolgen voor de veiligheid van een installatie". Er doen zich constant veranderingen in de werkorganisatie voor, en significante veranderingen moeten inderdaad leiden tot aanpassing van het veiligheidsbeheerssysteem. Een eis om onder deze omstandigheden een formele herziening van het veiligheidsrapport te verrichten zou echter overmatige administratieve verplichtingen creëren. Amendement 20 stelt voor de lidstaten ertoe te verplichten er zorg voor te dragen dat de verschillende voor de opstelling van het veiligheidsrapport gebruikte methoden uiteindelijk worden samengevoegd tot één enkele Europese methode. De methoden die momenteel worden gebruikt weerspiegelen de ruime verscheidenheid van chemische installaties, en het is moeilijk te zien hoe één methode in alle omstandigheden geschikt kan zijn. Niettemin stimuleert de Commissie convergentie, en heeft zij een leidraad gepubliceerd over hoe veiligheidsrapporten moeten worden opgemaakt (http://mahbsrv.jrc.it/GuidanceDocs-SafetyReport.html). De amendementen 21 en 22 stellen voor artikel 10 in die zin te wijzigen dat de exploitanten van alle inrichtingen verplicht zijn de bevoegde autoriteit op de hoogte te stellen van wijzigingen voordat deze worden doorgevoerd. Deze verplichting is reeds van kracht voor de "belangrijke inrichtingen" (artikel 9), en is naar de mening van de Commissie niet nodig voor "minder belangrijke" inrichtingen (artikel 6 en 7). Amendement 28 stelt voor de lidstaten te verplichten wanneer zich een ongeval voordoet het overeenkomstig Besluit 2001/792/EG van de Raad opgerichte waarnemings- en informatiecentrum daarvan in kennis te stellen en met dit centrum samen te werken. Het betrokken communautaire mechanisme is gericht op het vergemakkelijken van samenwerking bij hulpverlening van de civiele bescherming. Een algemene verplichting tot notificering en samenwerking krachtens dit mechanisme lijkt derhalve niet nodig. Amendement 29 stelt voor artikel 12 inzake ruimtelijke ordening te wijzigen en in toezicht te voorzien op "technische oplossingen ter beperking van de gevarenzone". De noodzaak van "aanvullende technische maatregelen ... teneinde de gevaren voor personen niet te vergroten" wordt echter al expliciet vermeld in artikel 12, en het voorgestelde punt is niet consistent met de structuur van het artikel. Amendement 31 zou de Commissie verplichten tot het treffen van "een regeling om de relocatie te bevorderen en/of te helpen financieren van onder deze richtlijn vallende inrichtingen". Op grond van subsidiariteitsoverwegingen gelooft de Commissie dat een dergelijke taak bij de lidstaten ligt. De Commissie zal toezicht houden op de verenigbaarheid van een dergelijke regeling met de Europese concurrentiewetgeving. De amendementen 33 en 34 zijn gericht op het versterken van het recht van het publiek om toegang te krijgen tot veiligheidsrapporten en noodplannen door onder meer verplicht te stellen dat deze verschijnen in kranten en op het internet, aan lokale adviesorganen worden gezonden, en ter inzage worden gelegd op locaties die toegankelijk zijn voor grote aantallen personen. De Commissie is echter van mening dat het in de Seveso II-richtlijn tot stand gebrachte evenwicht tussen "actieve" informatie, die automatisch wordt verstrekt aan personen die door een ongeval kunnen worden getroffen, en "passieve" informatie, die op verzoek beschikbaar wordt gesteld, globaal correct is en moet worden behouden. Bovendien zijn krachtens het subsidiariteitsbeginsel de mechanismen die worden gebruikt om informatie beschikbaar te stellen een bevoegdheid van de lidstaten of het lokale niveau. Amendement 35 stelt een nieuw artikel voor betreffende "Opleiding van personeel van de inrichtingen of ondernemingen en van externe ondernemingen" dat verplichtingen instelt om het personeel regelmatig bij te scholen en aan de bevoegde autoriteiten om de twee jaar een opleidingsrapport te verstrekken. De Commissie is het eens met het belang van opleiding, maar is van mening dat de kwestie op aangepaste wijze wordt behandeld in bijlage III (veiligheidsbeheerssystemen) en bijlage IV (noodplannen). Bovendien moet, aangezien in het veiligheidsrapport moet worden aangetoond dat een veiligheidsbeheer in werking is gesteld, het rapport noodzakelijkerwijs informatie over personeelsopleiding bevatten. De Commissie steunt geen duplicering van rapportage-eisen. Amendement 36 stelt voor de lidstaten te verplichten de activiteiten op te schorten wanneer de exploitant geen informatie heeft verstrekt over veranderingen/wijzigingen en over opleiding. De Commissie vindt dit niet nodig, aangezien artikel 17 de lidstaten al bevoegdheid verleent de exploitatie van een fabriek te verbieden wanneer onvoldoende informatie wordt verstrekt of het veiligheidsrapport onvolledig is. Amendement 38 beoogt het uitsluitend beperken van de "commerciële of industriële geheimhouding" tot processen, en niet tot informatie betreffende de opslag van gevaarlijke stoffen. Terwijl de Commissie het beginsel van het "recht om te weten" in het algemeen, en het recht van het publiek om het gevaar te kennen waaraan het kan blootstaan in het bijzonder onderschrijft, vindt zij het niet aangewezen het concept commerciële of industriële geheimhouding te beperken. Amendement 43 stelt verwijzigen voor naar Richtlijn 2000/60/EG (waterkaderrichtlijn) en Richtlijn 91/689/EEG betreffende gevaarlijke afvalstoffen. Dergelijke verwijzingen zijn naar het oordeel van de Commissie niet noodzakelijk. De richtlijn voorziet al in het geval van niet-ingedeelde stoffen en bereidingen, en gevaarlijk afval kan derhalve worden behandeld op basis van de eigenschappen ervan als bereiding. Amendement 44 stelt voor in bijlage II deel IV een verplichting in te voegen om stofgerelateerde "risicobeoordelingen" uit te voeren. Deze eis wordt al behandeld in bijlage II, deel III.C.2. 3.4. Gewijzigd voorstel Gelet op artikel 250, lid 2, van het EG-Verdrag wijzigt de Commissie haar voorstel zoals hierboven aangegeven.