52002PC0508

Gewijzigd voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad tot bevordering van het gebruik van biotransportbrandstoffen door de Commissie overeenkomstig artikel 520, lid 2 van het EG-verdrag ingediend /* COM/2002/0508 def. - COD 2001/0265 */

Publicatieblad Nr. 331 E van 31/12/2002 blz. 0291 - 0300


Gewijzigd voorstel voor een RICHTLIJN VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD tot bevordering van het gebruik van biotransportbrandstoffen (door de Commissie overeenkomstig artikel 250, lid 2 van het EG-verdrag ingediend)

TOELICHTING

A. Beginselen

1. In november 2001 heeft de Commissie een voorstel ingediend voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad tot bevordering van het gebruik van biotransport brandstoffen (COM(2001)547 def. - 2001/0265(COD)) voor goedkeuring via de medebeslissingsprocedure van artikel 251 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap.

2. Op 4 juli 2002 heeft het Europees Parlement in eerste lezing een aantal amendementen aangenomen. De Commissie heeft op dat ogenblik over elk amendement advies uitgebracht, met aanduiding van de amendementen die zij als zodanig kon aanvaarden, die in beginsel en/of in een gewijzigde vorm konden worden aanvaard, die ten dele konden worden aanvaard en die niet konden worden aanvaard.

3. In het licht hiervan heeft de Commissie dit gewijzigde voorstel opgesteld.

4. De Commissie heeft drie soorten wijzigingen aangebracht, die als volgt worden gerechtvaardigd:

Ten eerste is een aantal nieuwe bepalingen uit de eerste lezing van het Europees Parlement als zodanig overgenomen. Deze wijzigingen verbeteren definities of verhelderen de tekst en werken bepaalde punten in het voorstel nader uit met eventuele toelichtingen.

Ten tweede heeft de Commissie bepaalde amendementen in beginsel aanvaard, weliswaar in een enigszins gewijzigde vorm, b.v. om de samenhang met andere delen van het voorstel te verbeteren of bepaalde voorwaarden, grenzen of uitzonderingen duidelijker te omschrijven.

Ten derde heeft de Commissie delen van amendementen uit de eerste lezing overgenomen waar en wanneer deze specifieke delen werden geacht te stroken met het doel van het voorstel en toegevoegde waarde opleverden, terwijl dat niet het geval was voor het amendement in zijn geheel.

De Commissie heeft bovendien enkele redactionele wijzigingen aangebracht in overeenstemming met de richtsnoeren van de Interinstitutionele overeenkomst.

B. Commentaar op de aanvaarde amendementen

Overwegingen

Overweging 3

Deze nieuwe overweging legt de nadruk op het gebruik van secundaire biomassa en de parallelle productie van plantaardige proteïnen.

Overweging 4

Dit amendement heeft het over de uitbreiding.

Overweging 5

Deze nieuwe overweging verwijst naar het Witboek betreffende het vervoersbeleid en beklemtoont het belang van het gebruik van alternatieve brandstoffen zoals biobrandstoffen.

Overweging 7

Dit amendement sluit aan bij de mededeling over alternatieve brandstoffen.

Overweging 8

Deze nieuwe overweging heeft betrekking op de brandstofmengsels en de normale integratie van biobrandstoffen in de brandstoffenmarkt.

Overweging 9

Deze nieuwe overweging verwelkomt een nieuwe richting in het onderzoek naar biobrandstoffen.

Overweging 10

Deze nieuwe overweging verstrekt nuttige informatie voor de gebruiker.

Overweging 11

Deze nieuwe overweging heeft betrekking op de toekomstige ontwikkeling van - meer specifiek - de waterstofoptie en sluit aan bij de mededeling over alternatieve brandstoffen.

Overweging 12

Deze nieuwe overweging herinnert eraan dat een onderzoekbeleid bijdraagt tot de compatibiliteit van biobrandstoffen en waterstof.

Overweging 13

Deze nieuwe overweging - waarvan de tekst werd aangepast - heeft betrekking op de normen voor biobrandstoffen en vormt een goede menging van kwaliteitseisen en een redelijk niveau van flexibiliteit voor een nieuwe markt.

Overweging 14

Deze nieuwe overweging heeft het over geharmoniseerde normen, meer specifiek voor bio-ethanol en biodiesel.

Overweging 15

Dit amendement - dat ten dele is aanvaard - heeft betrekking op de bijdrage van biobrandstoffen tot het multifunctionele karakter van de landbouw.

Overweging 17

Deze nieuwe overweging heeft betrekking op de doelstellingen die in het Groenboek van de Commissie over een continue energievoorziening zijn uiteengezet en sluit tevens aan bij de mededeling over alternatieve brandstoffen.

Overweging 18

Deze nieuwe overweging stelt duidelijk dat voor marktpenetratie alternatieve brandstoffen algemener beschikbaar zullen moeten zijn.

Overweging 19

Dit amendement geeft de tekst van de resolutie van het Parlement vollediger weer.

Overweging 20

Dit amendement stelt voor eventueel het aantal actoren uit te breiden.

Overweging 22

Deze nieuwe overweging heeft betrekking op de normale integratie van biobrandstoffen.

Overweging 24

Deze nieuwe overweging - waarvan de tekst werd aangepast - bevordert onderzoek naar de duurzaamheid van biobrandstoffen.

Overweging 25

Deze nieuwe overweging verduidelijkt en ondersteunt artikel 4, lid 3, van het voorstel.

Overweging 26

Dit - ten dele aanvaarde - amendement heeft het over verschillende biobrandstoffen en andere alternatieve brandstoffen. Deze oliesoorten werden reeds opgenomen in de algemene definitie van biomassa.

Overweging 27

Deze nieuwe overweging draagt bij tot de ontwikkeling van biobrandstoffen door te voorzien in de uitwerking van geschikte kwaliteitsnormen.

Overweging 28

Deze nieuwe overweging versterkt de samenhang van de nationale beleidsmaatregelen.

Overweging 29

Deze nieuwe overweging bevordert duidelijke voorlichting van de gebruikers.

Overweging 30

Deze nieuwe overweging verwijst naar de totstandkoming van een nieuwe landbouwmarkt.

Artikelen

Artikel 2

Punt 2

Redactionele wijziging met het oog op de samenhang met de wijziging in de bijlage - deel A.

Artikel 3

Punt 2

Dit amendement voert een systeem voor milieueffect- en kostenrapportage door de lidstaten aan de Commissie in en is in overeenstemming met het akkoord in de Energieraad.

Punt 3

Deze nieuwe - enigszins aangepaste - tekst maakt het mogelijk de technische ontwikkeling van biobrandstoffen te stimuleren en benadrukt het belang van een coherent nationaal beleid.

Punt 4 - a

Dit amendement wijst erop dat biobrandstoffen met een hoge concentratie bestaan.

Punt 6

Dit nieuwe punt geeft voorrang aan de stimulering van biobrandstoffen in het openbaar vervoer en is in overeenstemming met het vervoersbeleid van de Commissie.

Punt 7

Dit nieuwe punt geeft voorrang aan de stimulering van biobrandstoffen met een goede milieu balans en is in overeenstemming met het beleid van de Commissie tot bevordering van biobrandstoffen en tot integratie van milieuaspecten in het overige beleid.

Artikel 4

Punt 1

Dit amendement bevat nadere bepalingen en toelichtingen inzake het systeem van rapportage door de lidstaten aan de Commissie. Het stelt tevens een datum vast voor de indiening van het eerste verslag.

Punt 2

Dit nieuwe punt licht de consumenten in over de mogelijkheden van biobrandstoffen en bevordert het gebruik ervan.

Punt 3

Dit amendement bevat nadere bepalingen inzake het beoordelingsverslag van de Commissie dat om de twee jaar moet worden uitgebracht en stimuleert milieuvriendelijke aspecten. Dit is in overeenstemming met de bevordering van biobrandstoffen en de integratie van milieuaspecten in het overige beleid.

Punt 4

Dit nieuwe punt voert de naleving van norm prEN 14214 door biodieseleindproducten voor brandstoffen in en is in overeenstemming met de bestaande Europese normen.

Artikel 5

Lid 3

Dit nieuwe lid legt de nadruk op het belang van milieucriteria.

Leden 4 en 5

Deze nieuwe leden voeren een overgangsperiode in (onder bepaalde voorwaarden) van maximaal 2 jaar voor lidstaten met bijzondere moeilijkheden.

Bijlagen

Deel A - titel

Dit amendement verduidelijkt dat bijlage A geen gesloten lijst is.

Deel A - definitie van 'biodiesel'

Dit amendement voert nadere bijzonderheden in de definitie van biodiesel in en geeft de normen duidelijker aan.

Deel A - definitie van 'biowaterstof'

Deze nieuwe definitie wordt ingevoerd, aangezien bijlage A geen gesloten lijst is. Het opnemen van deze definitie sluit aan bij de mededeling van de Commissie over alternatieve brandstoffen.

Deel B - tabel

De laatste kolom van de tabel met het mengpercentage vervalt en artikel 3 is dienovereenkomstig aangepast.

2001/0265 (COD)

Gewijzigd voorstel voor een RICHTLIJN VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD tot bevordering van het gebruik van biotransportbrandstoffen

(Voor de EER relevante tekst)

HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, en met name op artikel 175, lid 1,

Gezien het voorstel van de Commissie [1],

[1] PB C

Gezien het advies van het Economisch en Sociaal Comité [2],

[2] PB C

Gezien het advies van het Comité van de Regio's [3],

[3] PB C

Volgens de procedure van artikel 251 van het Verdrag [4],

[4] PB C

Overwegende hetgeen volgt:

(1) De Europese Raad van Göteborg van 15 en 16 juni 2001 heeft een communautaire strategie voor duurzame ontwikkeling vastgesteld die een aantal maatregelen omvat waaronder de ontwikkeling van biobrandstoffen.

(2) Natuurlijke hulpbronnen, waarvan volgens artikel 174, lid 1, van het Verdrag behoedzaam en rationeel gebruik moet worden gemaakt, omvatten olie, aardgas en vaste brandstoffen, die als energiebron van essentieel belang zijn, maar ook de belangrijkste bronnen van koolstofdioxide-emissies vormen.

(3) Er bestaat echter een breed scala van hernieuwbare biomassa waaruit biobrandstoffen gewonnen kunnen worden, afkomstig van land- en bosbouwgewassen en van afval- en restproducten van de bosbouw en van de houtverwerkende- en de levensmiddelenindustrie. Bovendien worden in sommige gevallen ook bijproducten verkregen met een hoog gehalte plantaardige proteïnen, die als diervoeder gebruikt kunnen worden.

(4) De vervoerssector neemt meer dan 30% van het eindverbruik van energie in de Gemeenschap voor zijn rekening en groeit, een tendens die zich waarschijnlijk nog zal versterken, en de uitstoot van koolstofdioxide houdt hiermee gelijke tred. Die groei zal procentueel sterker zijn in de kandidaat-lidstaten na hun toetreding tot de Europese Unie.

(5) Het Witboek van de Commissie "Het Europese vervoersbeleid tot het jaar 2010: tijd om te kiezen" [5] gaat ervan uit dat tussen 1990 en 2010 de CO2-emissie van de vervoerssector met 50% zal stijgen tot 1,113 miljard ton, met als belangrijkste bron het wegvervoer, waarvan 84% van de door het vervoer veroorzaakte CO2-uitstoot afkomstig is. Om ecologische redenen wordt er in het Witboek derhalve op aangedrongen dat de afhankelijkheid van aardolie (momenteel 98%) in de vervoerssector door de toepassing van alternatieve brandstoffen, zoals biobrand stoffen, verminderd wordt.

[5] COM(2001)370.

(6) Een intensiever gebruik van biotransportbrandstoffen is een onderdeel van het pakket maatregelen dat vereist is ter naleving van het Protocol van Kyoto, alsook van enig ander beleidspakket ter nakoming van verdere verplichtingen.

(7) Een intensiever gebruik van biotransportbrandstoffen, zonder de andere mogelijkheden uit te sluiten om brandstoffen van fossiele herkomst, waaronder LPG (vloeibaar petroleumgas) voor voertuigen, te vervangen, is een van de instrumenten waarmee de Gemeenschap haar afhankelijkheid op energiegebied kan verminderen en invloed kan uitoefenen op de mondiale transportbrandstofmarkt en daarmee op de zekerheid van de energievoorziening op middellange en lange termijn.

(8) De technologie van de biobrandstofwinning is zo ver gevorderd dat de motoren van de voertuigen die momenteel in de Gemeenschap aan het verkeer deelnemen, zonder probleem kunnen functioneren op een brandstofmengsel dat voor 5% bestaat uit biobrandstoffen. Op grond van de laatste technologische ontwikkelingen kunnen hogere percentages biobrandstoffen worden gebruikt. Er zijn landen waarin 10% of meer biobrandstof in het brandstofmengsel wordt gebruikt.

(9) In het onderzoeksbeleid van de lidstaten inzake intensiever gebruik van biobrandstoffen moet, indien dit technisch mogelijk en veilig is, het gebruik van biobrandstoffen vermengd met kerosine, met name voor het luchtvervoer, worden opgenomen.

(10) Bedrijfswagenparken vormen een groot potentieel voor het onderzoek naar en de geleidelijke invoering van biobrandstoffen en bieden mogelijkheden voor het gebruik van hoge concentraties biobrandstoffen. In sommige steden bestaan reeds bedrijfswagenparken die functioneren op zuivere biobrandstoffen en zo bijdragen tot de verbetering van de luchtkwaliteit in stedelijke gebieden. Wanneer brandstoffen die meer dan 5% biobrandstof bevatten, op verkoop punten worden aangeboden, moeten zij duidelijk zijn geëtiketteerd.

(11) De bevordering van het gebruik van biobrandstoffen voor transportdoeleinden is slechts één stap in de richting van een efficiënter gebruik van biomassa, dat uiteindelijk zal leiden tot een grotere ontwikkeling van biobrandstoffen en in het bijzonder van uit biomassa gewonnen waterstof.

(12) De waterstofcyclus moet in het onderzoeksbeleid van de lidstaten inzake intensiever gebruik van biobrandstoffen een belangrijke plaats krijgen en moet ook als onderdeel van het zesde kaderprogramma voor onderzoek en ontwikkeling worden aangemoedigd.

(13) De voorwaarde dat nieuwe soorten brandstoffen voldoen aan erkende technische normen is belangrijk voor de acceptatie op grote schaal door klanten en voertuigproducenten, en daarmee voor de verspreiding op de markt. Technische normen vormen ook het uitgangspunt voor eisen aan en toezicht op emissie. Bij nieuwe soorten brandstoffen kunnen er moeilijkheden ontstaan bij het voldoen aan de huidige technische normen, die voornamelijk zijn ontwikkeld voor conventionele, fossiele brandstoffen. De Commissie en de normalisatie-instellingen moeten op de ontwikkeling toezien en actief normen aanpassen en ontwikkelen zodat nieuwe soorten brandstoffen geïntroduceerd kunnen worden, met behoud van de eisen aan de prestaties op milieugebied.

(14) Bio-ethanol en biodiesel, die in zuivere of gemengde vorm in voertuigen worden gebruikt, moeten voldoen aan de kwaliteitsnormen die zijn vastgesteld om te garanderen dat de motoren optimaal functioneren. Dientengevolge moet de Europese Commissie voor normalisatie (CEN) normen vaststellen voor de gehele Gemeenschap.

(15) Bevordering van het gebruik van biobrandstoffen met inachtneming van duurzame landbouw- en bosbouwpraktijken als vastgelegd in het gemeenschappelijk landbouwbeleid, zal nieuwe kansen voor duurzame plattelandsontwikkeling scheppen in het kader van een meer op de gemeenschappelijke markt, op respect voor het plattelandsleven en op een multifunctionele landbouw gericht gemeenschappelijk landbouwbeleid. De teelt van planten voor de productie van biobrandstoffen moet opgenomen worden in de bestaande teelten volgens een principe van wisselwerking, en mag niet leiden tot monoculturen. De multifunctionele rol van de landbouw zal zich doen gelden en op het platteland extra arbeidsplaatsen scheppen. Om duurzame landbouwpraktijken te verzekeren is het noodzakelijk een reeks duidelijke milieucriteria op te stellen voor de productie van vloeibare biobrandstoffen.

(16) In zijn resoluties van 8 juni 1998 [6] en 5 december 2000 heeft de Raad zijn steun gegeven aan de strategie en het actieplan voor duurzame energiebronnen van de Commissie en heeft hij aangedrongen op specifieke maatregelen in de sector biobrandstoffen.

[6] PB C 198 van 24.6.1998, blz. 1.

(17) In het Groenboek van de Commissie "Op weg naar een Europese strategie voor een continue energievoorziening" [7] wordt als doel gesteld om in de sector van het wegvervoer conventionele brandstoffen tegen 2020 voor 20% te vervangen door alternatieve brandstoffen.

[7] COM(2000) 769 def.

(18) De marktpenetratie van alternatieve brandstoffen is niet alleen afhankelijk van een ruime beschikbaarheid, maar ook van concurrerende prijzen.

(19) In zijn resolutie van 18 juni 1998 [8] heeft het Europees Parlement erop aangedrongen het marktaandeel van biobrandstoffen binnen vijf jaar tot 2% te verhogen door middel van een pakket maatregelen dat onder andere voorziet in belastingvrijstelling, financiële steun voor de verwerkende industrie en de vaststelling van een verplicht percentage biobrandstoffen voor de oliemaatschappijen.

[8] PB C 210 van 6.7.1998, blz. 215.

(20) Welke methode het meest geschikt is om op nationaal en communautair niveau het marktaandeel van biobrandstoffen op te voeren is afhankelijk van de beschikbaarheid van hulpbronnen en grondstoffen, het nationale en communautaire beleid ter bevordering van biobrandstoffen en eventuele fiscale regelingen..

(21) Nationale beleidsinitiatieven ter bevordering van het gebruik van biobrandstoffen mogen er niet toe leiden dat het vrije verkeer van brandstoffen die aan de in de communautaire wetgeving vastgestelde geharmoniseerde milieuspecificaties voldoen, wordt belemmerd.

(22) De bevordering van de productie en het gebruik van biobrandstoffen helpt de afhankelijkheid van energie en de uitstoot van broeikasgassen te verminderen. Bovendien kunnen biobrandstoffen in bestaande motorvoertuigen worden gebruikt en via het huidige distributiesysteem voor motorbrandstof worden verkocht, zodat er geen dure investeringen in infrastructuur en mechanisering nodig zijn.

(23) Daar de doelstelling van het overwogen optreden, te weten de invoering van algemene beginselen inzake een minimumpercentage biobrandstoffen dat op de markt moet worden gebracht en gedistribueerd, niet voldoende door de lidstaten kan worden verwezenlijkt en derhalve wegens de omvang van het optreden beter op communautair niveau kan worden verwezenlijkt, kan de Gemeenschap overeenkomstig het in artikel 5 van het Verdrag neergelegde subsidiariteitsbeginsel maatregelen nemen. Overeenkomstig het in hetzelfde artikel neergelegde evenredigheidsbeginsel gaat deze richtlijn niet verder dan nodig is om deze doelstelling te verwezenlijken.

(24) Onderzoek en technologische ontwikkeling op het gebied van de duurzaamheid van biobrandstoffen moeten worden bevorderd.

(25) Het toegenomen verbruik van biobrandstoffen moet gepaard gaan met een diepgaande analyse van de gevolgen op economisch, sociaal en milieugebied om te kunnen besluiten over de zin van een verhoging van het aandeel van biobrandstoffen in verhouding tot klassieke brandstoffen.

(26) Er dient te worden voorzien in de mogelijkheid om de lijst van biobrandstoffen en het percentage van de duurzame component alsmede het schema voor de introductie van biobrandstoffen op de markt voor transportbrandstoffen snel te kunnen aanpassen aan de technische vooruitgang en aan de resultaten van een milieueffectrapportage over de eerste fase van die introductie. Daarbij dient er ook aandacht te zijn voor verschillende biobrandstoffen, zoals pure, koudgeperste plantaardige olie, bijvoorbeeld koolzaadolie, welke milieuvriendelijk geproduceerd kan worden, en waarvan de bijproducten bovendien eiwithoudend zijn en als diervoeder gebruikt kunnen worden. Er kan ook rekening worden gehouden met andere alternatieve brandstoffen, zoals LPG (vloeibaar petroleumgas) voor voertuigen, LNG (vloeibaar aardgas), DME (dimethylether) en CNG (gecomprimeerd aardgas), die op de transportbrandstofmarkt al worden gebruikt.

(27) Er dient te worden voorzien in de mogelijkheid snel kwaliteitsnormen te ontwikkelen voor biobrandstoffen die in de automobielsector worden gebruikt, hetzij zuiver, hetzij bijgemengd in traditionele brandstoffen. Hoewel het biologisch afbreekbare deel van afval een nuttige bron voor biobrandstoffen is, moet in het kader van de kwaliteitsnorm rekening worden gehouden met de mogelijke verontreiniging van het afval, om te voorkomen dat specifieke componenten het voertuig beschadigen en/of tot hogere emissieniveaus leiden.

(28) De stimulering van de bevordering van biobrandstoffen moet stroken met de doelstellingen op het gebied van de continuïteit van de voorziening en het milieu en andere hiermee verband houdende beleidsdoelstellingen alsook met de maatregelen die in de lidstaten worden genomen.

(29) Aangezien het gebruik van biobrandstoffen boven een bepaalde concentratie een speciale aanpassing van de voertuigen vereist om problemen op technisch en veiligheidsgebied te voorkomen, moeten zuivere biobrandstoffen of gemengde brandstoffen met een concentratie biobrandstoffen die het maximum dat de bestaande voertuigen aankunnen, overschrijdt, op het verkooppunt duidelijk en zichtbaar staan aangeduid.

(30) De vraag naar biobrandstoffen in de Gemeenschap en ook in andere landen kan een nieuwe markt voor innovatieve landbouwproducten openen.

(31) Daar de nodige maatregelen ter uitvoering van deze richtlijn maatregelen van algemene strekking zijn in de zin van artikel 2 van Besluit 1999/468/EG van de Raad van 28 juni 1999 tot vaststelling van de voorwaarden voor de uitoefening van de aan de Commissie verleende uitvoeringsbevoegdheden [9], dienen deze maatregelen volgens de regelgevingsprocedure van artikel 5 van genoemd besluit te worden vastgesteld,

[9] PB L 184 van 17.07.1999, blz. 23.

HEBBEN DE VOLGENDE RICHTLIJN VASTGESTELD:

Artikel 1

In deze richtlijn wordt een minimumpercentage aan biobrandstoffen vastgesteld waarmee in elke lidstaat dieselolie of benzine voor vervoersdoeleinden moet worden vervangen.

Artikel 2

1. Voor de toepassing van deze richtlijn wordt verstaan onder:

a) "biobrandstoffen": vloeibare of gasvormige transportbrandstof die is gewonnen uit biomassa;

b) "biomassa": de biologisch afbreekbare fractie van producten, afvalstoffen en residuen van de landbouw (met inbegrip van plantaardige en dierlijke stoffen), de bosbouw en aanverwante bedrijfstakken, alsmede de biologisch afbreekbare fractie van industrieel en huishoudelijk afval;

c) "energie-inhoud": de calorische benedenwaarde van een brandstof.

2. De in deel A van de bijlage vermelde producten worden met name als biobrandstoffen beschouwd.

Artikel 3

1. De lidstaten dragen er zorg voor dat uiterlijk op 31 december 2005 het aandeel van de op hun markten verkochte biobrandstoffen minimaal 2%, berekend op basis van de energie-inhoud, van de totale voor vervoersdoeleinden op hun markten verkochte hoeveelheid benzine en dieselolie bedraagt en dat dit aandeel vervolgens wordt verhoogd volgens het in deel B van de bijlage opgenomen schema.

2. De lidstaten dienen bij de Commissie een gedetailleerd rapport in over de milieugevolgen van de geplande maatregelen en een overzicht van de kosten van de maatregelen. In het rapport moeten op zijn minst de volgende punten aan bod komen:

a. oppervlaktegebruik,

b. intensiviteit van de teelt,

c. gebruik van pesticiden,

d. waterbescherming,

e. energie-efficiëntie,

f. mogelijke emissie van broeikasgassen,

g. verbrandingsgedrag.

Dit rapport wordt openbaar gemaakt.

3. De lidstaten mogen de technologische ontwikkeling van de productie van biobrandstoffen en de bedrijven die betrokken zijn bij de productie van biobrandstoffen, stimuleren met financiële instrumenten voor onderzoek, milieu en regionale ontwikkeling.

4. Biobrandstoffen kunnen beschikbaar worden gesteld in de vorm van:

a) zuivere biobrandstoffen of in een hoge concentratie in derivaten van minerale olie, geproduceerd overeenkomstig specifieke kwaliteitsnormen voor toepassingen op het gebied van transport;

b) biobrandstoffen die in derivaten van minerale olie zijn bijgemengd met inachtneming van de toepasselijke Europese normen inzake de technische specificaties van transportbrandstoffen (EN 228 en EN 590);

c) van biobrandstoffen afgeleide vloeistoffen, zoals ETBE (ethyl-tertiair-butylether), waarbij het in deel A van de bijlage aangegeven percentage dat als biobrandstof wordt aangemerkt, van toepassing is.

5. De lidstaten zien toe op het effect van het gebruik van dieselbrandstof waarin meer dan 5% biobrandstoffen is bijgemengd door niet-aangepaste voertuigen en treffen indien nodig maatregelen om ervoor te zorgen dat de desbetreffende communautaire wetgeving inzake emissienormen wordt nageleefd.

6. Lidstaten geven voorrang aan de bevordering van het gebruik van biobrandstoffen door openbare en collectieve vervoermiddelen.

7. De lidstaten houden bij hun maatregelen rekening met de volledige milieubalans van de verschillende soorten biobrandstoffen en bevorderen bij voorrang de biobrandstoffen met een zeer goede milieubalans.

Artikel 4

1. De lidstaten brengen jaarlijks vóór 1 juli bij de Commissie verslag uit over de maatregelen die genomen zijn om ervoor te zorgen dat de doelstellingen die zijn geformuleerd in artikel 3 en in deel B van de bijlage worden bereikt, over de totale afzet van transportbrandstof en het aandeel van biobrandstoffen in die afzet in het voorgaande jaar. Het eerste verslag wordt uiterlijk op 30 juni 2004 ingediend.

2. De lidstaten lichten de consumenten via de overheidsdiensten in over de mogelijkheden van het gebruik van biobrandstoffen.

3. De Commissie stelt uiterlijk op 31 december 2006 en daarna om de twee jaar, rekening houdend met de in artikel 3, lid 2, bedoelde rapporten, een evaluatieverslag voor het Europees Parlement en de Raad op over de in de lidstaten met het gebruik van biobrandstoffen geboekte vooruitgang, de economische aspecten alsook over het milieueffect bij de bestaande toestand en bij verdere verhogingen van het aandeel van biobrandstoffen.

De Commissie ontwikkelt hiervoor een specifieke milieueffectbeoordeling met een volledige levenscyclusanalyse van het gebruik van biobrandstoffen. In haar verslag besteedt de Commissie bijzondere aandacht aan milieuaspecten, met name de veranderingen van de waterkwaliteit, de bodemerosie, het gebruik van meststoffen en bestrijdingsmiddelen, de instandhouding van natuurlijke habitats, in het wild levende planten en dieren en de gevolgen van de veranderingen die de biobrandstoffen in verband met de productie van biomassa hebben veroorzaakt.

Zij verkent tevens de mogelijkheid om op basis van milieunormen een gedifferentieerde fiscale benadering van de verschillende biodiesels in te voeren. Op basis van het verslag stelt de Commissie het Europees Parlement en de Raad indien nodig nieuwe doelstellingen voor de in artikel 3 en in deel B van de bijlage genoemde biobrandstoffen voor, eventueel door invoering van een minimum bijmengingspercentage.

4. Het eindproduct biodiesel dat als brandstof wordt gebruikt en door middel van verestering of vetzuren wordt geproduceerd, moet voldoen aan de norm prEN 14214 van de Europese Commissie voor normalisatie voor vetzuurmethylesters (fatty acid methyl esters - FAME) voor dieselmotoren.

Artikel 5

De bijlage kan aan de technische vooruitgang worden aangepast volgens de procedure van artikel 6, lid 2.

Het schema in deel B van de bijlage kan volgens de in artikel 6, lid 2, bedoelde procedure worden aangepast op basis van de ontwikkelingen in de biobrandstoftechnologie, de marktpenetratie en de transporttoepassingen.

Bij aanpassingen van de bijlage, zoals bedoeld in de eerste en de tweede alinea, worden milieucriteria voor het gebruik van biobrandstoffen vastgesteld.

Op basis van de door de lidstaten overeenkomstig artikel 4, lid 1, verstrekte informatie kan de Commissie lidstaten die specifieke moeilijkheden ondervinden bij het halen van de in artikel 3 en deel B van de bijlage vermelde doelstellingen en die hiertoe een aanvraag indienen, vrijstelling verlenen. Deze vrijstelling mag hooguit voor een periode van twee jaren worden verleend.

Om de vrijstelling te kunnen verkrijgen, moeten de lidstaten de Commissie een actieplan voorleggen over de wijze waarop zij van plan zijn de doelstellingen te halen die bij afloop van de verlenging gelden. Elke lidstaat kan slechts één verlenging worden verleend.

Artikel 6

1. De Commissie wordt bijgestaan door het bij artikel 4, lid 2, van Beschikking 1999/21/EG, Euratom van de Raad [10] ingestelde comité.

[10] PB L 7 van 13.1.1999, blz. 16.

2. In de gevallen waarin naar dit lid wordt verwezen, is de regelgevingsprocedure van artikel 5 van Besluit 1999/468/EG met inachtneming van artikel 7 en artikel 8 van dat besluit van toepassing.

3. De in artikel 5, lid 6, van Besluit 1999/468/EG bedoelde termijn wordt op drie maanden vastgesteld.

Artikel 7

1. De lidstaten doen de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in werking treden om uiterlijk op 31 december 2004 aan deze richtlijn te voldoen. Zij stellen de Commissie daarvan onverwijld in kennis.

Wanneer de lidstaten deze bepalingen aannemen, wordt in die bepalingen naar deze richtlijn verwezen of wordt hiernaar verwezen bij de officiële bekendmaking van de bepalingen. De regels voor deze verwijzing worden vastgesteld door de lidstaten.

2. De lidstaten delen de Commissie de tekst van de bepalingen van intern recht mede die zij op het onder deze richtlijn vallende gebied vaststellen.

Artikel 8

Deze richtlijn treedt in werking op de twintigste dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen.

Artikel 9

Deze richtlijn is gericht tot de lidstaten.

Gedaan te Brussel, op

Voor het Europees Parlement Voor de Raad

De Voorzitter De Voorzitter

BIJLAGE

A. Voorbeelden van mogelijke biobrandstoffen en percentage van de duurzame component

"Bio-ethanol": voor gebruik als biobrandstof bestemd ethanol dat is gewonnen uit biomassa en/of de biologisch afbreekbare afvalfractie;

"biodiesel": een met norm prEN14214 voor vetzuurmethylesters (fatty acid methyl esters - FAME) strokende, voor gebruik als biobrandstof bestemde vloeibare brandstof van dieselkwaliteit die is gewonnen uit biomassa, met inbegrip van dierlijke vetten, talkvet afkomstig van de vilderij of afgewerkte frituurolie;

"biogas": een voor gebruik als biobrandstof bestemd, door anaërobe fermentatie van biomassa en/of de biologisch afbreekbare afvalfractie geproduceerd brandstofgas dat kan worden gezuiverd tot aardgaskwaliteit;

"biomethanol": voor gebruik als biobrandstof bestemd methanol dat is gewonnen uit biomassa en/of de biologisch afbreekbare afvalfractie;

"biodimethylether": een voor gebruik als biobrandstof bestemde brandstof van dieselkwaliteit die is geproduceerd uit biomassa en/of de biologisch afbreekbare afvalfractie;

"biowaterstof": voor gebruik als biobrandstof bestemde waterstof die is geproduceerd uit biomassa en/of de biologisch afbreekbare afvalfractie;

"bioETBE (ethyl-tertiair-butylether)": uit bio-ethanol vervaardigde ETBE.

Het volumepercentage bioETBE dat als biobrandstof wordt gerekend, bedraagt 45%.

B. Minimumhoeveelheid verkochte biobrandstof als procent van de totale hoeveelheid benzine en dieselolie

>RUIMTE VOOR DE TABEL>