Voorstel voor een verordening van het Europees parlement en de Raad betreffende de voorkoming van het witwassen van geld door douanesamenwerking /* COM/2002/0328 def. - COD 2002/0132 */
Publicatieblad Nr. 227 E van 24/09/2002 blz. 0574 - 0578
Voorstel voor een VERORDENING VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD betreffende de voorkoming van het witwassen van geld door douanesamenwerking (door de Commissie ingediend) TOELICHTING 1. INLEIDING 1.1 Algemeen De Groep Douanesamenwerking van de Raad heeft in maart 1999 besloten een gezamenlijke controleoperatie op te zetten om de grensoverschrijdende geldstromen in kaart te brengen en de statistische gegevens te verzamelen die tot dat ogenblik ontoereikend waren voor deze sector. De operatie Moneypenny, waaraan alle lidstaten hebben deelgenomen, heeft van 1 september 1999 tot en met 29 februari 2000 geduurd. Deze operatie heeft het mogelijk gemaakt een aanzienlijk aantal grensoverschrijdende transacties van contanten en andere liquide activa te detecteren. Deze transacties, die verband houden met de georganiseerde misdaad, waren vooral belangrijk in de lidstaten met een wettelijke regeling voor controles op het contantenverkeer. Het verslag Moneypenny heeft bijgevolg geconcludeerd dat het voor de Unie wenselijk is om bepaalde wettelijke leemten op te vullen en om de lidstaten zonder aangepaste wetgeving te verzoeken dergelijke wetgeving goed te keuren, dit met het oog op een efficiënte en gecoördineerde strijd tegen de georganiseerde misdaad. De Jumboraad van 17 oktober 2000 heeft de Commissie verzocht na te gaan of een communautair instrument dat meer veralgemeende douanecontroles van het contantenverkeer en ook de uitwisseling van informatie tussen de lidstaten en tussen de lidstaten en de Commissie invoert daadwerkelijk zouden kunnen bijdragen tot het vergroten van de effectiviteit van de strijd die dagelijks in de Unie tegen het witwassen wordt gevoerd. In antwoord op de laatste Jumboraad van 16 oktober 2001 heeft de Commissie verder gewerkt aan een analytisch verslag. In dit verslag wordt onderzocht of en in welke omstandigheden het mogelijk en wenselijk is om op dit gebied een controle op communautair niveau uit te voeren. Uit de conclusies blijkt dat dergelijke controle een nuttige aanvulling zou kunnen vormen op de huidige anti-witwaswetgeving van de Unie. De belangrijkste elementen van dit verslag zijn hieronder opgenomen. 1.2 Wenselijkheid van een communautair beleid Om de strijd tegen het witwassen van geld aan te binden worden in de gewijzigde Richtlijn 91/308/EEG [1] bepalingen vastgesteld voor de controle op communautair niveau op contantentransacties ter waarde van 15 000 EUR of meer wanneer die transacties door financiële instellingen worden uitgevoerd. [1] Richtlijn 91/308/EEG van de Raad van 10 juni 1991 tot voorkoming van het gebruik van het financiële stelsel voor het witwassen van geld. PB L 166 van 28.6.1991, blz. 77, gewijzigd bij Richtlijn 2001/97/EG van het Parlement en de Raad (PB L 344 van 28.12.2001, blz. 76). Sommige lidstaten hebben aan hun nationale grenzen controles op het contantenverkeer ingesteld terwijl dergelijke controles in andere lidstaten niet bestaan. De aldus vervoerde hoeveelheid contanten is echter voldoende groot om een potentieel gevaar te vormen voor de communautaire en nationale belangen. In het verslag Moneypenny wordt erop gewezen dat de huidige anti-witwascontroles aan doeltreffendheid inboeten door de heterogeniteit van de controles op het grensoverschrijdend contantenverkeer. De zeer uiteenlopende wijze waarop de lidstaten het probleem aanpakken leidt tot een verzwakking van de bescherming op communautair niveau. Sinds de gebeurtenissen van 11 september 2001 zijn de controles op geldtransacties uitgevoerd door financiële instellingen verscherpt. Het gebruik van contanten als alternatief zou hierdoor kunnen toenemen. De Commissie is van oordeel dat het verantwoord is de anti-witwasrichtlijn te completeren in de vorm van een regeling tot invoering van controles op aanzienlijke bedragen contanten die over de buitengrens van de Gemeenschap worden gebracht. Om de controlemaatregelen efficiënt te maken, moet bovendien een systeem worden ingevoerd voor de uitwisseling van gegevens tussen lidstaten die met verdachte transacties worden geconfronteerd en de Commissie. 1.3 Inzet van de strijd tegen het witwassen van geld De duidelijke wenselijkheid van een dergelijke aanpak, zowel uit preventief als repressief oogpunt, moet worden verzoend met het feit dat de beginselen van de eengemaakte markt, met name het vrije kapitaalverkeer, moeten worden gerespecteerd. 1.3.1. Elk voorstel moet tot doel hebben de bestaande controles op de overdracht van geld via financiële instellingen te completeren en aldus de leemten op te vullen die zijn ontstaan door het ontbreken van een homogene communautaire aanpak van het contantenverkeer. Met dit doel zouden alleen belangrijke transacties van contanten moeten worden gecontroleerd. De drempel waarboven controles zouden worden verricht, moet dezelfde zijn als die voor de financiële instellingen (d.w.z. 15 000 EUR). 1.3.2. De invoering van een controlesysteem zal het mogelijk maken toezicht te houden op belangrijke transacties van contanten die de Gemeenschap binnenkomen of verlaten, zonder de burgers noch de administraties al te zeer te belasten. De lidstaten die controles verrichten doen dit op zeer uiteenlopende wijze: van het op een formele aangifte gebaseerde systeem, aangevuld met inlichtingen, tot de aanpak die bijna uitsluitend op het gebruik van inlichtingen is gebaseerd. Sommige lidstaten eisen een schriftelijke verklaring, andere leggen de aangifteplicht op wanneer de douane inlichtingen vraagt. Voor andere tenslotte is geen verklaring vereist. De lidstaten die een op aangifte gebaseerd systeem toepassen zijn van oordeel dat de aangifteplicht meer duidelijkheid, zekerheid en meer juridische informatie oplevert die nuttig is voor het risicobeheer. De lidstaten, vaak voorstanders van de risicoanalyse, die niet beschikken over een op aangifte gebaseerde systeem zijn van oordeel dat het gevaar bestaat dat een massa documenten zullen worden gecreëerd en douanemiddelen zullen worden gebruikt terwijl de aldus verkregen informatie vrijwel uitsluitend afkomstig zal zijn van eerlijke reizigers (en niet van de normaal geviseerde criminelen). Ter ondersteuning van het op aangifte gebaseerde systeem kan worden aangevoerd dat het afschrikkingseffect daarvan niet mag worden onderschat en dat de middelen die daarvoor moeten worden ingezet in de praktijk relatief beperkt zijn in verhouding tot de resultaten en voordelen die het oplevert, met name wanneer de aangiftedrempel hoog ligt. Aangezien er een verschillende aanpak wordt gevolgd en bepaalde lidstaten maar een beperkte ervaring hebben met controles op het contantenverkeer moet op communautair niveau elk gemeenschappelijk systeem in hoofdzaak twee doelstellingen hebben : duidelijkheid en een eenvormige toepassing in de gehele Gemeenschap. Een uitsluitend op inlichtingen gebaseerd systeem daarentegen zou weinig garanties bieden voor een eenvormige aanpak omdat het praktijken toestaat die van douanedienst tot douanedienst verschillen. Duidelijkheidshalve zou de methode die het meest geschikt is om eenvormige controles in te voeren bestaan in een eenvormige aanpak die een billijke waarschuwing voor de reiziger, een algemene aangifteplicht, een gemeenschappelijke drempel en een gemeenschappelijk, duidelijk en in alle lidstaten bruikbaar formulier omvat. 1.3.3. De lidstaten die controles uitvoeren aan hun nationale grenzen hebben zich tot dusver beroepen op artikel 58 van het EG-Verdrag. Een homogene bescherming van de buitengrenzen van de Gemeenschap, gecombineerd met het versterken van de communautaire instrumenten ter bestrijding van het witwassen van geld zal onvermijdelijk tot gevolg hebben dat deze controles hun wettigheid verliezen of althans echt bijkomstig worden. Zij vallen bovendien moeilijk te verenigen met de geest en de beginselen zelf van de interne markt, vooral sedert de invoering van de eenheidsmunt. 1.4. Rol van de douane Elk systeem dat op communautair niveau wordt ingevoerd moet aan alle controlediensten van de lidstaten, die momenteel het contantenverkeer niet controleren uit hoofde van hun nationale wetgeving, de bevoegdheid verlenen om efficiënte controles uit te voeren. Dit impliceert niet alleen de bevoegdheid om het aangiftesysteem te beheren en te controleren doch ook het invoeren van sancties die in verhouding zijn tot de begane inbreuk. Hierbij is het van cruciaal belang dat de contanten gedurende een beperkte periode kunnen worden ingehouden, meestal om in twijfelgevallen inlichtingen te kunnen inwinnen (vooral wanneer de geldstromen derde landen als bestemming hebben). Elk voorstel zal echter het vrije kapitaalverkeer moeten respecteren en elke maatregel die later wordt goedgekeurd mag slechts betrekking hebben op verdachte transacties. Het systeem moet derhalve zo worden opgezet dat verdachte transacties kunnen worden vastgesteld en kunnen worden aangepakt in het kader van de communautaire of nationale wetgeving ter zake. Het is derhalve logisch dat dergelijke aangiften bij de douane worden gedaan. Deze diensten zijn aan de buitengrenzen aanwezig en de behandeling van aangiften behoort tot hun normale taken. Zij zijn onder meer bevoegd voor de controle van waardevolle voorwerpen (goud, diamanten, enz. ...) die de plaats zouden kunnen innemen van contanten. Het inschakelen van de douane is de meest praktische oplossing voor de burger en beperkt het gebruik van de middelen van de lidstaten. De douane beschikt niet alleen over de nodige ervaring voor de uitwisseling van dit soort informatie doch ook over de procedures voor een veilige en snelle uitwisseling. De relevante informatie die door de douane wordt ingewonnen moet in voorkomend geval worden medegedeeld aan het nationale financiële controleorgaan dat is belast met de bestrijding van het witwassen van geld. Er moet ook aandacht worden besteed aan het nut van de uitwisseling van informatie met derde landen in ernstige gevallen en met name in gevallen waarin sprake zou kunnen zijn van terroristische activiteiten. Wat dit betreft zouden met de belangrijkste partners van de Unie bijzondere administratieve bepalingen kunnen worden overeengekomen. 2. TOELICHTINGEN BIJ DE ONTWERP-VERORDENING Artikel 1 legt het beginsel van de aangifteplicht bij het binnenkomen en het verlaten van het douanegebied van de Gemeenschap vast en stelt het toepassingsgebied daarvan vast. In dit artikel wordt bepaald dat uitsluitend transacties in contanten ter waarde van 15.000 euro of meer onder de aangifteplicht vallen. Dit artikel bepaalt ook het geografisch toepassingsgebied dat in hoofdzaak overeenkomt met het douanegebied van de Gemeenschap. Om de complementariteit met Richtlijn 91/308 te waarborgen, zijn ook specifieke bepalingen opgenomen voor de delen van het douanegebied waarop deze richtlijn niet van toepassing is. Zowel voor deze delen als voor het douanegebied van de Gemeenschap, geldt voor het contantenverkeer in beginsel de aangifteplicht en dit zowel voor het inkomend als het uitgaand contantenverkeer. De douane is dan ook zowel vanuit geografisch als operationeel oogpunt de meest geschikte dienst om ervoor te zorgen dat deze verplichting wordt nageleefd. De vorm van de aangifteplicht is ook voorgeschreven en wel op straffe van nietigheid. Door een eenvormig formulier op te leggen zullen de douanediensten tot een betere synergie en een vlottere uitwisseling van informatie komen. Om elke onzekerheid weg te nemen wordt tenslotte verduidelijkt dat de aangifte, ook al kan zij worden gedaan bij het overschrijden van de grens, alleszins niet later kan worden gedaan. Dit is nodig voor de effectiviteit van de controle. De aangifteplicht geldt voor de persoon die het geld vervoert ongeacht of hij de eigenaar daarvan is of niet. Artikel 2 bevat de voor een eenvormige interpretatie van de verordening vereiste definities. Eén daarvan, namelijk die van "bevoegde autoriteiten" heeft tot doel de douanediensten, die hier in de eerste plaats bij betrokken zijn, daaraan toe te voegen doch ook diensten die, ofschoon geen douanediensten (politie, enz.), uit hoofde van hun opdracht meewerken aan de tenuitvoerlegging van de verordening en dus ook aan de ontvangst en controle van dergelijke aangiften. De definitie van contanten beantwoordt aan de wens om alle vervangbare activa daarin op te nemen. Artikel 3 bevat bepalingen met betrekking tot de uitwisseling van gegevens. In dit artikel wordt het beginsel vastgelegd van de doorzending van rechtswege van de bij controles verzamelde informatie. Deze informatie is in alle gevallen toegankelijk voor de douanediensten (lidstaat van verblijf en lidstaat van herkomst en bestemming naargelang van het geval) en de anti-witwasautoriteiten van die lidstaten. Wanneer blijkt dat de witwasactiviteiten betrekking hebben op de opbrengst van fraude of van alle andere illegale activiteiten die de financiële belangen van de Gemeenschap schaden, worden die gegevens aan de Commissie medegedeeld. Artikel 4 verleent aan de ambtenaren van de douanediensten de bevoegdheden die nodig zijn voor een effectieve tenuitvoerlegging van de controles. Artikel 5 vult deze bevoegdheden aan door te voorzien in het opleggen van sancties. In dit artikel komen uitsluitend de sancties voor niet-aangifte ter sprake. Sancties die het gevolg zijn van witwasactiviteiten die aan het licht zouden kunnen worden gebracht door de douanecontroles waarin onderhavige ontwerp-verordening voorziet, vallen buiten dit bestek. Dergelijke activiteiten vallen namelijk onder een specifieke wettelijke regeling die duidelijk verschilt van het communautaire douanerecht. Deze wettelijke regeling heeft bijvoorbeeld betrekking op de sancties die reeds zijn vastgelegd in het Gemeenschapsrecht [2] en in de ter zake in voorbereiding zijnde wetgeving (bijvoorbeeld de ontwerp-verordening inzake de integratie van administratieve maatregelen en van sancties op het gebied van de directe uitgaven [3]). [2] Zie Verordening (EG, Euratom) nr. 2988/95 van de Raad van 18 december 1995 betreffende de bescherming van de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen. PB L 312 van 23.12.1995, blz. 1. [3] Zie het Actieplan voor 2001-2003 betreffende de bescherming van de financiële belangen van de Gemeenschappen en de fraudebestrijding : doelstelling 1.2.2 (COM(2001) 254 definitief). Er zij opgemerkt dat dit artikel de hoogte van de sancties beperkt. Zonder deze limiet zouden de lidstaten namelijk boetes kunnen opleggen die zo hoog zijn dat zij een buitensporige aantasting en zelfs een negatie van het beginsel van het vrije kapitaalverkeer zouden vormen. Artikel 6 regelt de bijzondere situatie van transacties in contanten die verband houden met terrorisme. Deze bepaling maakt het mogelijk om onder bepaalde voorwaarden aan derde landen de informatie door te geven die is ingewonnen met behulp van de in het eerste artikel bedoelde aangifte. 2002/0132 (COD) Voorstel voor een VERORDENING VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD betreffende de voorkoming van het witwassen van geld door douanesamenwerking HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE, Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, inzonderheid op artikel 135, Gezien het voorstel van de Commissie [4], [4] PB C Gezien het advies van het Economisch en Sociaal Comité, [5] [5] PB C Volgens de procedure van artikel 251 van het Verdrag [6], [6] PB C Overwegende hetgeen volgt: (1) Het witwassen van geld door middel van grensoverschrijdend contantenverkeer vormt een bedreiging voor de veiligheid en de financiële belangen van de lidstaten en de Gemeenschap. Dit risico kan efficiënt worden bestreden door de douanediensten. Zij zijn namelijk aanwezig aan de grenzen, waar de controle het doeltreffendst is. Bovendien hebben sommige van die diensten op dit gebied concrete ervaring opgedaan. Zij zijn bovendien in staat zowel contanten als kostbare goederen, die een vervanging daarvan zijn, te controleren. (2) Voorts zijn de douaneadministraties reeds vertrouwd met internationale samenwerking en met name met de uitwisseling van gegevens ter uitvoering van Verordening (EG) nr. 515/97 van de Raad van 13 maart 1997 betreffende de wederzijdse bijstand tussen de administratieve autoriteiten van de lidstaten en de samenwerking tussen deze autoriteiten en de Commissie met het oog op de juiste toepassing van de douane- en landbouwvoorschriften [7] en van de Overeenkomst opgesteld op grond van artikel K 3 van het Verdrag betreffende de wederzijds bijstand en samenwerking tussen de douaneadministraties [8]. [7] PB L 82 van 22.3.1997, blz. 1. [8] PB C 24 van 23.1.1998, blz. 2. (3) Er dient tevens rekening te worden gehouden met de aanvullende werkzaamheden in andere internationale organen. Binnen de OESO worden de staten in aanbeveling nr. 22 van de Financial Action Task Force (FATF) opgeroepen maatregelen ten uitvoer te leggen met het oog op het opsporen van fysieke transacties in contanten. (4) De tenuitvoerlegging van de douanesamenwerking wordt noodzakelijk door het feit dat op dit ogenblik slechts een deel van de witwasactiviteiten wordt onderworpen aan de regeling ingesteld bij Richtlijn 91/308/EEG van de Raad van 10 juni 1991 tot voorkoming van het gebruik van het financiële stelsel voor het witwassen van geld [9], , die slechts van toepassing is op financiële instellingen, kredietinstellingen en bepaalde beroepen. [9] PB L 166 van 28.6.1991, blz. 77. Richtlijn gewijzigd bij Richtlijn 2001/97/EG van het Europees Parlement en de Raad (PB L 344 van 28.12.2001, blz. 76). (5) Dit heeft tot gevolg dat belangrijke geldbedragen van twijfelachtige oorsprong die in de Gemeenschap binnenkomen of haar verlaten aan dit opsporingsinstrument ontsnappen. Sommige lidstaten hebben echter zelfstandig juridische instrumenten in het leven geroepen waardoor hun douanediensten dit geld kunnen controleren, zonder dat deze initiatieven door de Gemeenschap worden gesteund. Een deel der lidstaten beschikt niet over dergelijke instrumenten. De kans dat witwaspraktijken worden ontdekt, verschilt bijgevolg naar gelang van de lidstaat waarlangs deze contanten de Gemeenschap binnenkomen of haar verlaten. Hierdoor wordt de kwaliteit van de bescherming tegen het witwassen van geld aan de buitengrenzen verzwakt. (6) Bijgevolg dienen op grond van artikel 135 van het EG-Verdrag, dat voortaan de douanesamenwerking uitdrukkelijk bevestigt, de bestaande wettelijke bepalingen te worden aangevuld met behjlp van mechanismen die geschikt zijn voor douanesamenwerking. Een dergelijke aanvulling zou ten eerste de door de nationale wetgevingen ingestelde controlemethoden moeten harmoniseren en ten tweede alle douaneadministraties van de Gemeenschap in staat moeten stellen inlichtingen in te winnen wanneer sommen contanten voor een bedrag overeenkomend met het in Richtlijn 91/308/EEG vastgestelde bedrag het douanegebied van de Gemeenschap binnenkomen of verlaten. In deze omstandigheden is het opleggen van een aangifteverplichting de geschiktste methode om dit soort inlichtingen in te winnen. Deze inlichtingen zijn bestemd om, in geval van vermoeden, te worden medegedeeld aan de autoriteiten die op grond van Richtlijn 91/308/EEG de strijd tegen het witwassen van geld coördineren. (7) Bijgevolg dient het beginsel van de verplichting tot aangifte van contantenverkeer aan de buitengrenzen te worden vastgelegd. Dit beginsel vormt namelijk het meest wenselijke middel om activiteiten te controleren die de mogelijkheid zouden bieden de communautaire en nationale voorschriften met betrekking tot het witwassen te omzeilen. Om het optreden van de autoriteiten op belangrijke witwasactiviteiten te concentreren, moeten echter uitsluitend transacties ter waarde van 15 000 EUR of meer onder deze aangifteplicht vallen. (8) Ook de vorm waarin de aangifte op straffe van nietigheid moet worden gedaan, moet worden voorgeschreven. Door het gebruik van een eenvormig aangifteformulier verplicht te stellen, zullen de douaneadministraties tot een betere synergie en een vlottere uitwisseling van gegevens komen. Gelet op de preventieve en afschrikkende aard van de aangifte mag geen aangifte meer worden gedaan nadat de buitengrens is overschreden.. Bijgevolg moet het tijdstip worden vastgesteld waarop deze formaliteit moet worden vervuld. Tenslotte moet duidelijk worden bepaald dat de aangifteverplichting geldt voor de persoon die het geld vervoert, ongeacht of hij de eigenaar ervan is of niet. (9) De voor een eenvormige uitlegging van de verordening vereiste definities dienen te worden vastgesteld. Het begrip "bevoegde autoriteiten" moet niet alleen de douaneadministraties, die in de eerste plaats belast zijn met de uitvoering van deze voorschriften, omvatten, doch ook de diensten die, ofschoon zij geen douanediensten zijn, uit hoofde van hun opdracht en de wijze van de aan elke lidstaat eigen administratieve organisatie tot de tenuitvoerlegging van deze verordening bijdragen. Deze uitbreiding heeft betrekking op de gevallen waarin andere administraties dan de douane, zoals politie of grensbewakers, gemachtigd zouden zijn dergelijke aangiften in ontvangst te nemen en te controleren. Voorts dient de definitie van contanten aan de wens te beantwoorden alle vervangbare activa daaronder te vatten. (10) Wat de geografische afbakening van het toepassingsgebied betreft, is Richtlijn 91/308/EEG overeenkomstig het EG-Verdrag en inzonderheid artikel 299, punten 3, 4 en 6, onder c), niet van toepassing op bepaalde Europese staten of gebieden, zoals Monaco, de Kanaaleilanden en het eiland Man. Bijgevolg moet aandacht worden besteed aan het witwasrisico dat deze staten en gebieden inhouden en moet te hunnen aanzien in een speciale regeling worden voorzien. Zowel bij binnenkomst als verlaten moet aldaar een aangifte kunnen worden geëist, ongeacht of de transactie met de rest van de Gemeenschap of met een derde land geschiedt. (11) Om de onderhavige regeling te laten aansluiten bij het geldende nationale recht inzake het witwassen van geld, moet het beginsel van de mededeling van rechtswege van de bij de controle verzamelde gegevens worden vastgelegd. Deze gegevens moeten naargelang het geval toegankelijk zijn enerzijds voor de douanediensten van de lidstaat van verblijf en anderzijds voor die van lidstaat van herkomst en bestemming alsmede voor de anti-witwasautoriteiten dier lidstaten. Zo nodig moeten deze gegevens ook aan de Commissie worden medegedeeld. Eveneens moet worden voorzien in de mededeling van bepaalde gegevens in het geval van vermoeden van herhaald verkeer van sommen contanten die geringer zijn dan het vastgestelde minimumbedrag. (12) De ambtenaren van de douaneadministraties moeten over de nodige bevoegdheden voor een daadwerkelijk uitvoering van de controles kunnen beschikken. (13) De bevoegdheden van de douanediensten moeten worden aangevuld met de verplichting voor de lidstaten in sancties te voorzien. Er moeten echter slechts sancties worden vastgesteld voor het niet doen van aangifte en niet sancties voor witwasactiviteiten die aan het licht zouden kunnen worden gebracht door de douanecontroles die de onderhavige verordening vaststelt. Al zijn sancties met een echt afschrikkende werking nodig, de omvang van de straffen moet niettemin beperkt zijn. Zonder beperking zouden de lidstaten zo hoge boeten kunnen opleggen dat deze een buitensporige aantasting van het beginsel van het vrije kapitaalverkeer, en zelfs een ontkenning van dat beginsel, zouden zijn. (14) Er moet in de mogelijkheid worden voorzien, in het geval van contantenverkeer dat met terrorisme verband houdt, de verzamelde gegevens onder bepaalde voorwaarden aan derde landen door te geven. (15) Deze verordening doet geen afbreuk aan de toepassing van de algemene of bijzondere gemeenschappelijke regels inzake administratieve samenwerking, met name inzake douane of de bescherming van de financiële belangen van de Gemeenschap, met name wanneer zij het onderhavige mechanisme voor administratieve samenwerking kunnen verbeteren of versterken. (16) Daar de doelstellingen van deze verordening, namelijk het versterken van de douanesamenwerking met het oog op de strijd tegen het witwassen van geld, niet voldoende door individueel optredende lidstaten kunnen worden verwezenlijkt en derhalve wegens de transnationale omvang van het witwasverschijnsel op de interne markt beter door de Gemeenschap kunnen worden verwezenlijkt, kan de Gemeenschap, overeenkomstig het in artikel 5 van het Verdrag neergelegde subsidiariteitsbeginsel, maatregelen nemen. Overeenkomstig het in hetzelfde artikel neergelegde evenredigheidsbeginsel gaat deze verordening niet verder dan nodig is om deze doelstellingen te verwezenlijken". (17) Deze verordening eerbiedigt de grondrechten en neemt de beginselen in acht die met name in het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie zijn erkend HEBBEN DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD : Artikel 1 Aangifteverplichting 1. Iedere natuurlijke persoon die het douanegebied van de Gemeenschap binnenkomt of verlaat en een som in contanten ten bedrage van vijftien duizend euro of meer vervoert, is onder de in deze verordening vastgestelde voorwaarden aan een aangifteverplichting onderworpen. Iedere natuurlijke persoon die de delen van het douanegebied van de Gemeenschap binnenkomt of verlaat waarin Richtlijn 91/308/EG niet van toepassing is en een som contanten ten bedrage van vijftien duizend euro of meer vervoert, is eveneens aan de genoemde aangifteverplichting onderworpen. 2. Aan de aangifteverplichting is slechts voldaan indien de in lid 1 bedoelde persoon het in de bijlage opgenomen aangifteformulier heeft ingevuld en heeft afgegeven bij het douanekantoor van de lidstaat waarlangs hij het douanegebied van de Gemeenschap of delen van het douanegebied van de Gemeenschap waarop Richtlijn 91/308 niet van toepassing is, is binnengekomen of heeft verlaten. Voorts is aan de verplichting tot aangifte slechts voldaan in geval van juiste en volledige inlichtingen. Artikel 2 Definities Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder: 1) "douanegebied van de Gemeenschap" het grondgebied van de lidstaten bedoeld in artikel 3, lid 1, van Verordening (EEG) nr. 2913/92 van de Raad [10], [10] PB L 302 van 19.10.1992, blz. 2. 2) "bevoegde autoriteiten" de douaneautoriteiten van de lidstaten en de andere autoriteiten die met de toepassing van de verordening zijn belast, 3) "contanten": a) contant geld (bankbiljetten, muntstukken), b) reischeques/postcheques c) elk financieel of monetair instrument niet op naam gesteld of aan toonder, ongeacht de uitgever ervan, dat in contant geld kan worden omgezet, met name overdraagbare waardepapieren en andere schuldbewijzen. Artikel 3 Mededeling van gegevens 1. Wanneer op grond van aanwijzingen of de omstandigheden mag worden aangenomen dat de vervoerde contanten bestemd zijn voor witwasactiviteiten, worden de bij de in artikel 1 bedoelde aangifte of tijdens een daarop volgende controle verkregen gegevens van rechtswege medegedeeld enerzijds aan de bevoegde autoriteiten van de lidstaat waarin de in artikel 1, lid 1, bedoelde persoon verblijft, en anderzijds aan de bevoegde autoriteiten van de lidstaat waarlangs hij het douanegebied van de Gemeenschap is binnengekomen of heeft verlaten. Deze gegevens worden ook medegedeeld aan de in artikel 6 van Richtlijn 91/308/EEG bedoelde nationale autoriteiten die in de lidstaat langs welke deze persoon het douanegebied van de Gemeenschap is binnengekomen of heeft verlaten, voor de bestrijding van het witwassen van geld verantwoordelijk zijn. Wanneer blijkt dat de witwasactiviteiten betrekking hebben op de opbrengst van fraude of andere onwettige activiteiten die de financiële belangen van de Gemeenschap afbreuk doen, worden deze gegevens ook aan de Commissie medegedeeld. 2. Wanneer uit aanwijzingen of omstandigheden blijkt dat een natuurlijke persoon die het douanegebied van de Gemeenschap, of delen van het douanegebied van de Gemeenschap waarop Richtlijn 91/308/EEG niet van toepassing is, binnenkomt of verlaat, bij herhaling sommen contanten die geringer zijn dan het in artikel 1 vastgestelde minimumbedrag vervoert met het oog op witwasactiviteiten, kunnen de naam van de betrokkene, diens nationaliteit, het registratienummer van het gebruikte vervoermiddel alsmede de hierboven bedoelde aanwijzingen of omstandigheden, ook aan de bevoegde autoriteiten en, onder dezelfde als de in lid 1, bedoelde voorwaarden aan de Commissie worden medegedeeld. 3. De bepalingen van titels V en VI van Verordening (EG) nr. 515/97 zijn van overeenkomstige toepassing op de mededeling van de ter uitvoering van deze verordening verzamelde gegevens. Artikel 4 Bevoegdheden van de bevoegde autoriteiten Ten einde de naleving van de in artikel 1 bedoelde aangifteverplichting te controleren, hebben de bevoegde autoriteiten de bevoegdheid, zelfs wanneer aanwijzingen dat een inbreuk is gepleegd ontbreken, personen en hun bagage aan controlemaatregelen te onderwerpen, personen te ondervragen over de herkomst van de bij deze gelegenheid ontdekte sommen contanten en langs administratieve weg tot inhouding van deze sommen te besluiten. De inhouding mag ten hoogste drie werkdagen duren, welke termijn echter op grond van het nationale recht kan worden verlengd. De inhouding blijft in ieder geval strikt beperkt tot hetgeen voor het onderzoek noodzakelijk is. Artikel 5 Sancties 1. Onverminderd de in geval van witwasactiviteiten toe te passen sancties, zien de lidstaten erop toe dat in overeenstemming met hun nationale wetgeving, een procedure wordt ingeleid tegen de aansprakelijke personnen, wanneer, met name na afloop van een uit hoofde van deze verordening verrichte controle of inspectie, wordt vastgesteld dat niet aan de in artikel 1 bedoelde aangifteverplichting is voldaan. Deze procedure moet, in overeenstemming met de relevante bepalingen van het nationale recht, gevolgen hebben die evenredig zijn aan de ernst van de inbreuk die bestaat in het niet doen van aangifte of in het doen van een onjuiste of onvolledige aangifte, teneinde het plegen van andere inbreuken van dezelfde aard op doeltreffende wijze te ontmoedigen. 2. De boetebedragen als gevolg van de in lid 1 bedoelde procedure mogen niet hoger liggen dan een vierde van het vervoerde bedrag. 3. De lidstaten delen de Commissie uiterlijk op 31 december 2003 de in gevallen van niet naleving van de aangifteverplichting toepasselijke sancties mede. Artikel 6 Betrekkingen met derde landen 1. Wanneer aanwijzingen of omstandigheden doen vermoeden dat de vervoerde contanten voor witwasactiviteiten door of ten voordele van terroristische groepen worden gebruikt, kunnen de ter uitvoering van deze verordening verkregen gegevens, met instemming van de bevoegde autoriteiten die de gegevens hebben verstrekt en met inachtneming van hun interne bepalingen inzake het doorgeven van persoonsgegevens aan derde landen, aan een derde land worden medegedeeld. 2. De lidstaten stellen de Commissie in kennis van de uitwisseling van gegevens met derde landen in het bestek van de wederzijdse administratieve bijstand wanneer dit voor de goede werking van de bestrijding van het witwassen van geld uit hoofde van deze verordening van bijzonder belang is en wanneer deze gegevens binnen het toepassingsgebied van deze verordening vallen. Artikel 7 Inwerkingtreding Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen. Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat. Gedaan te Brussel, Voor het Europees Parlement Voor de Raad De Voorzitter De Voorzitter BIJLAGE AANGIFTEFORMULIER De ondergetekende verklaart in het bezit te zijn van de hieronder genoemde geldbedragen, effecten of waardepapieren van in totaal 15 000 EUR of meer. >RUIMTE VOOR DE TABEL> (*) Schrappen wat niet van toepassing is). In geval van onjuiste of onvolledige gegevens wordt de ondertekenaar geacht niet te hebben voldaan aan de aangifteplicht. Plaats, datum en handtekening.......