Voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad betreffende de octrooieerbaarheid van in computers geïmplementeerde uitvindingen /* COM/2002/0092 def. - COD 2002/0047 */
Publicatieblad Nr. 151 E van 25/06/2002 blz. 0129 - 0131
Voorstel voor een RICHTLIJN VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD betreffende de octrooieerbaarheid van in computers geïmplementeerde uitvindingen (door de Commissie ingediend) TOELICHTING Doel van het initiatief van de Gemeenschap Softwareontwikkeling heeft de laatste jaren een gestage groei gekend. Deze activiteit heeft een grote invloed gehad op het gehele Europese bedrijfsleven en levert een aanzienlijke bijdrage aan het BBP en aan de werkgelegenheid. In 1998 vertegenwoordigde de markt voor pakketsoftware in Europa een waarde van 39 miljard euro [1]. In een recente studie kwam Datamonitor [2] tot de conclusie dat het aantal werknemers in de pakketsoftwaresector in de landen van West-Europa in de periode van 1999 tot 2003 met 24 à 71% zal stijgen, en gemiddeld met 47%. Een andere conclusie is dat elke arbeidsplaats in de pakketsoftwaresector twee à vier arbeidsplaatsen schept in de stroomafwaartse economie en één in de stroomopwaartse economie. [1] Zie studie van Booz Allen & Hamilton voor het Nederlandse ministerie van Economische Zaken, The Competitiveness of Europe's ICT Markets, maart 2000, blz.10. [2] Packaged software in Western Europe: The economic impact of the packaged software industry on the combined economies of sixteen European countries, september 2000, Datamonitor, Londen. Het verdere groeipotentieel van deze sector en vandaar het effect ervan op de economie zijn nog groter vanwege het toenemende belang van de elektronische handel in de op internet gebaseerde informatiemaatschappij. Gezien de maturiteit die de huidige software-industrie heeft bereikt, zijn veel softwareverbeteringen een steeds moeilijkere en duurdere aangelegenheid, terwijl ze tegelijkertijd gemakkelijk te kopiëren zijn. Octrooien spelen een belangrijke rol om de bescherming van technische uitvindingen in het algemeen te waarborgen. Het beginsel dat aan het octrooistelsel ten grondslag ligt, heeft zijn doelmatigheid bewezen voor alle soorten uitvindingen waarvoor tot dusver in de lidstaten van de Europese Gemeenschap octrooibescherming is verleend. Octrooien dienen als aanmoediging om de nodige tijd en het nodige kapitaal te investeren, en ze stimuleren de werkgelegenheid. De maatschappij in het algemeen trekt ook profijt van de openbaarmaking van de uitvinding, die zorgt voor technologische vooruitgang waarop andere uitvinders kunnen voortbouwen. De huidige rechtstoestand betreffende octrooibescherming op het gebied van in computers geïmplementeerde uitvindingen [3] is dubbelzinnig, en biedt dus onvoldoende rechtszekerheid. In feite zijn computerprogramma's "als zodanig" door de octrooiwetten van de lidstaten en het Europees Octrooiverdrag (EOV) [4] uitgesloten van octrooieerbaarheid, maar door het Europees Octrooibureau (EOB) en door nationale octrooibureaus zijn duizenden octrooien voor in computers geïmplementeerde uitvindingen verleend. Het EOB alleen al heeft er 20 000 verleend. Veel van deze octrooien hebben betrekking op de kerngebieden van de informatietechnologie, d.w.z. digitale gegevensverwerking, gegevensherkenning, -representatie en -opslag. Andere octrooien worden toegekend op andere technische gebieden zoals autotechniek en werktuigbouw, bv. voor programmagestuurde processors. [3] Voor een definitie van de term, zie art. 1. [4] "Het Verdrag van München". Het is op 7 oktober 1977 in werking getreden. Alle 15 lidstaten van de EG alsmede Cyprus, Liechtenstein, Monaco, Turkije en Zwitserland zijn verdragsluitende staten. Hoewel de wettelijke bepalingen tot vaststelling van de voorwaarden voor het verlenen van dergelijke octrooien dezelfde zijn, zijn de toepassing ervan in de jurisprudentie en de administratieve praktijken van de lidstaten verschillend. Er zijn met name verschillen tussen de jurisprudentie van de kamers van beroep van het Europees Octrooibureau en die van de rechtbanken van de lidstaten. Zo is het mogelijk dat een in computers geïmplementeerde uitvinding in de ene lidstaat wordt beschermd, maar niet in een andere, hetgeen directe en nadelige gevolgen heeft voor de goede werking van de interne markt [5]. [5] Voor meer bijzonderheden over de verschillen, zie hierna. Deze richtlijn tracht hierin verandering te brengen door de nationale octrooiwetten te harmoniseren met betrekking tot de octrooieerbaarheid van in computers geïmplementeerde uitvindingen en door de voorwaarden voor octrooieerbaarheid transparanter te maken. Achtergrond van het initiatief: raadplegingen door de Commissie Na de raadpleging over het Groenboek van 1997 over het Gemeenschapsoctrooi en het octrooistelsel in Europa [6] werd de octrooieerbaarheid van in computers geïmplementeerde uitvindingen begin 1999 aangegeven als een van de prioritaire punten waarop de Europese Commissie snel maatregelen moest nemen [7]. De bedoeling was dat een richtlijn tot harmonisatie van het ter zake geldende recht van de lidstaten de dubbelzinnigheid en het gebrek aan rechtszekerheid op dit gebied zou opheffen. Bovendien werd gesteld dat gelijktijdig met deze actie op communautair niveau de verdragsluitende staten van het EOV maatregelen zouden moeten nemen om artikel 52, lid 2, onder c), van het verdrag te wijzigen, met name om computerprogramma's te schrappen uit de lijst van niet-octrooieerbare uitvindingen. [6] Bevordering van innovatie door middel van octrooien - Groenboek over het Gemeenschapsoctrooi en het octrooistelsel in Europa, COM(1997) 314 def., 24 juni 1997. [7] Bevordering van innovatie door middel van octrooien - Follow-up van het Groenboek over het Gemeenschapsoctrooi en het octrooistelsel in Europa, COM (1999) 42 def., 5 februari 1999. Na 1999 kwam de openbare discussie over het onderwerp goed op dreef en werd ze geanimeerder. Uit sommige delen van het Europese bedrijfsleven werd herhaaldelijk verzocht om snelle maatregelen om de bestaande dubbelzinnigheid en rechtsonzekerheid met betrekking tot de octrooieerbaarheid van in computers geïmplementeerde uitvindingen op te heffen, terwijl aan de andere kant de ontwikkelaars en gebruikers van vrije software ('open source software') en een aanzienlijk aantal kleine en middelgrote ondernemingen die hen ondersteunden, steeds luider hun bezorgdheid over softwareoctrooien hebben geuit. Op 19 oktober 2000 startte de Europese Commissie een laatste serie raadplegingen waarbij het grote publiek en de lidstaten werden verzocht commentaar te leveren op basis van een document dat op internet beschikbaar werd gesteld [8]. [8] The patentability of computer-implemented inventions: discussienota van de diensten van directoraat-generaal Interne markt (19 oktober 2000). Document beschikbaar voor downloaden op http://europa.eu.int/comm/internal_market/en/indprop/softpatanalyse.htm. Voor de raadpleging werd een tweeledige aanpak gekozen. Eerst werd de fundamentele vraag gesteld of er eigenlijk wel behoefte was aan harmonisatiemaatregelen op communautair niveau, en zo ja, wat het geschikte niveau van harmonisatie algemeen gesproken zou zijn. Vervolgens werd vrij gedetailleerd de huidige stand van de jurisprudentie beschreven zoals deze in het EOB is vastgesteld, waarbij enkele zeer specifieke elementen naar voren werden gebracht die bij elke min of meer op dit status quo gebaseerde harmonisatie in aanmerking zouden kunnen worden genomen. De raadpleging leverde circa 1 450 antwoorden op. Deze zijn geanalyseerd door een contractant, wiens verslag is gepubliceerd [9]. [9] http://europa.eu.int/comm/internal_market/en/indprop/softpatanalyse.htm. Eén conclusie die ongetwijfeld uit de antwoorden kan worden getrokken, is dat er duidelijk behoefte is aan maatregelen. De huidige situatie, waarin er onvoldoende duidelijkheid is omtrent de grenzen van wat octrooieerbaar is, wordt beschouwd als iets wat een grote nadelige invloed op het bedrijfsleven heeft. Over de vraag welke maatregelen precies moeten worden genomen, liepen de meningen sterk uiteen tussen degenen die strikte beperkingen aan (of een compleet verbod op) softwaregerelateerde octrooien willen, en degenen die voorstander zijn van harmonisatie op het niveau van min of meer het status quo zoals bepaald door de bestaande praktijk en jurisprudentie van het EOB. In de afzonderlijke antwoorden voerden de aanhangers van vrije software de boventoon. Hun meningen varieerden van degenen die helemaal geen octrooien voor software wilden tot het "officiële" standpunt van de Eurolinux Alliance, die zich verzet tegen octrooien voor software die op universele computers draait. Aan de andere kant kwamen inzendingen die in het algemeen gesproken de aanpak van de discussienota steunden, doorgaans van regionale of sectorale organisaties die grote aantallen ondernemingen van elke grootte vertegenwoordigen, zoals de UNICE (Unie van Industrie- en Werkgeversfederaties van Europa), de EICTA (European Information and Communications Technology Industry Association), en de European IT Services Association. Er waren ook individuele grote organisaties, andere brancheorganisaties en professionals op het gebied van intellectuele eigendom. Dit betekent dat, hoewel de antwoorden in deze categorie veel minder talrijk waren dan die welke de vrije aanpak steunden, er weinig twijfel over lijkt te bestaan dat de balans van het economische gewicht, rekening houdend met het totale aantal arbeidsplaatsen en de investeringen waar het om gaat, overhelt ten gunste van harmonisatie volgens de in het discussiestuk aangegeven krachtlijnen. Directoraat-generaal Ondernemingen van de Commissie heeft ook een onderzoek specifiek voor het midden- en kleinbedrijf (MKB) laten uitvoeren [10]. Dit onderzoek had tot doel na te gaan hoe de bij de ontwikkeling van software betrokken kleine en middelgrote ondernemingen (kmo's) hun intellectuele eigendom beheren. Een van de voornaamste doelstellingen was voor deze ondernemingen een brochure te produceren waarin de verschillende methoden van bescherming van intellectuele eigendom worden uiteengezet, en hen van deze vormen van bescherming op de hoogte te brengen. Het ging grotendeels om deskresearch, maar het onderzoek werd aangevuld met een enquêteformulier voor Europese software-kmo's die uit een aantal bronnen werden geselecteerd. Twaalf kmo's hebben de vragenlijst ingevuld teruggestuurd. Er werd ook een beperkt aantal grote Europese softwarebedrijven geënquêteerd, alsmede een groep openbare onderzoekorganisaties. [10] "Patent protection of computer programmes" (Contract nr. INNO-99-04). Verslag beschikbaar voor downloaden op ftp://ftp.ipr-helpdesk.org/softstudy.pdf. Een aanvullende gids over softwarebescherming voor het midden- en kleinbedrijf kan ook worden gedownload via de link: ftp://ftp.ipr-helpdesk.org/software.pdf. In de kmo's die de vragenlijst hebben teruggestuurd, was de geïnformeerdheid over octrooien als middel om hun producten te beschermen, in het algemeen zeer beperkt. Zij vonden dat het voor kleine entiteiten complex, duur en moeilijk was om octrooien in acht te doen nemen en daarom vonden zij ze minder nuttig dan het auteursrecht of informele beschermingsmiddelen. Evenmin waren zij goed op de hoogte van de mogelijkheden om octrooien als bron van technische informatie te gebruiken. Uit deze resultaten blijkt dat het nodig is het MKB beter voor te lichten en dat een bijzondere inspanning wordt gevraagd van praktijkmensen en van degenen die verantwoordelijk zijn voor het beheer van de verschillende stelsels. De Commissie heeft zich beziggehouden met de vraag hoe ver de harmonisatie van de nationale octrooiwetten betreffende in computers geïmplementeerde uitvindingen moet gaan in het licht van het vermoedelijke effect van het voorstel op innovatie en mededinging, zowel in Europa als internationaal, en op het Europese bedrijfsleven, met inbegrip van de elektronische handel. Bovendien heeft zij aandacht besteed aan de gevolgen voor het midden- en kleinbedrijf en voor de ontwikkeling en verspreiding van vrije software. Daartoe werd rekening gehouden met de bevindingen van een studie betreffende het economische effect van de octrooieerbaarheid van computerprogramma's en van andere relevante economische studies [11]. Bij het bepalen van de voorwaarden voor octrooieerbaarheid heeft de Commissie bijzondere aandacht geschonken aan de gangbare praktijk bij de voornaamste handelspartners van Europa, met name de Verenigde Staten en Japan. In deze context heeft zij de praktijk van het verlenen van octrooien voor in computers geïmplementeerde bedrijfsmethoden in de Verenigde Staten van naderbij bekeken, en meer specifiek de octrooien die toepassingen in de elektronische handel hebben. Octrooien voor bedrijfsmethoden zijn in de geïndustrialiseerde landen een belangrijk discussiepunt geworden. [11] "The Economic Impact of Patentability of Computer Programs" (tekst beschikbaar voor downloaden op http://europa.eu.int/comm/internal_market/en/indprop/studyintro.htm). De studie werd in opdracht van de Commissie uitgevoerd door het Intellectual Property Institute, Londen, en in maart 2000 beëindigd. Internationale concurrentie: de rechtstoestand in de VS en Japan Om ervoor te zorgen dat in Europa en de VS dezelfde spelregels gelden wat betreft de voorwaarden voor de bescherming van in computers geïmplementeerde uitvindingen, had het wenselijk kunnen worden geacht de beschermingsomvang te verruimen en het Europese octrooirecht op dit gebied meer op het Amerikaanse recht af te stemmen. Er had met name kunnen worden overwogen de octrooieerbaarheid van in computers geïmplementeerde bedrijfsmethoden mogelijk te maken. Het verschil tussen de VS en Europa en tussen de VS en Japan is dat in Europa de uitvinding een technische bijdrage moet leveren, en dat er in Japan een doctrine is die vanouds op dezelfde wijze wordt geïnterpreteerd: de uitvinding moet een zeer geavanceerde creatie van technische ideeën zijn waarbij een natuurwet wordt toegepast. In de VS moet de uitvinding gewoon deel uitmaken van de technologische disciplines en is geen technologische bijdrage vereist. Alleen al door het feit dat de uitvinding gebruik maakt van een computer of software, maakt ze deel uit van de technologische disciplines indien ze ook een "nuttig, concreet en tastbaar resultaat" oplevert. Dat de VS niet eisen dat de uitvinding een technische bijdrage levert, betekent dat de beperkingen voor de octrooiering van bedrijfsmethoden (afgezien van de eisen dat ze nieuw moeten zijn en op uitvinderswerkzaamheid moeten berusten) te verwaarlozen zijn [12]. [12] Na de uitspraak van het U.S. Court of Appeals for the Federal Circuit, van 23 juli 1998, in State Street Bank & Trust Co. v. Signature Financial Group, Inc., 149 F.3d 1368, is het aantal octrooiaanvragen voor bedrijfsmethoden sterk toegenomen. Het effect van de octrooieerbaarheid van softwaregerelateerde uitvindingen op innovatie, concurrentie en het bedrijfsleven De bovenvermelde studie (zie voetnoot 11) is gebaseerd op de Verenigde Staten als testcase. Een van de bevindingen is dat "de octrooieerbaarheid van aan computerprogramma's gerelateerde uitvindingen heeft bijgedragen tot de groei van op het gebied van computerprogrammatuur werkzame industrieën in de VS, met name de groei van kmo's en onafhankelijke softwareontwikkelaars tot vrij grote en zelfs grote ondernemingen" [13]. Ook in Europa wordt door onafhankelijke softwareontwikkelaars steeds meer, hoewel nog steeds in vrij beperkte mate, gebruik gemaakt van octrooien voor het bijeenbrengen van kapitaal of het verlenen van licenties [14]. De belangrijkste bron van bescherming die de groei van de software-industrie mogelijk heeft gemaakt, is de wetgeving op het auteursrecht. [13] Zie studie, blz. 5. [14] Ibid., blz. 3. De studie heeft echter ook duidelijk aangetoond dat er bezorgdheid is over de octrooieerbaarheid van in computers geïmplementeerde uitvindingen in de VS. Die bezorgdheid betreft in de eerste plaats het verlenen van zogenaamd "duidelijjk ongeldige octrooien" (in het bijzonder voor e-handel), dat wil zeggen octrooien die worden verleend voor uitvindingen die ofwel niet nieuw zijn, ofwel op het eerste gezicht niet op uitvinderswerkzaamheid berusten. Ten tweede kunnen octrooien voor in computers geïmplementeerde uitvindingen de marktpositie van de grote spelers versterken. En ten derde brengen octrooien voor incrementele innovatie, die typisch is voor de software-industrie, economische kosten mee omdat moet worden uitgezocht wie de octrooihouders zijn en over de nodige licenties moet worden onderhandeld. Niettemin wordt in de studie erkend dat niet is aangetoond dat deze bezwaren zouden opwegen tegen de positieve effecten van de octrooieerbaarheid van in computers geïmplementeerde uitvindingen in de VS. Om duidelijk te maken in welk opzicht Europa misschien in een betere positie verkeert dan de VS om nadelige effecten te vermijden, benadrukt de studie "onze sterkte doordat we oppositieprocedures hebben naast de mogelijkheid om bij het EOB bezwaren in te dienen betreffende de octrooieerbaarheid van uitvindingen zonder de kosten van oppositieprocedures te hoeven maken". Dit zijn belangrijke rechtsmiddelen om de kwaliteit van octrooien te garanderen die in de VS niet beschikbaar zijn. Bovendien wordt er in de studie op gewezen dat wij in Europa moeten zorgen voor de toepassing van deugdelijke onderzoeksnormen, met name wat de uitvinderswerkzaamheid betreft, om te voorkomen dat ongeldige octrooien worden verleend [15]. Hierbij zij opgemerkt dat de kwaliteit van het met name door het EOB verrichte onderzoek algemeen wordt gerespecteerd. Ten slotte vindt de studie "geen aanwijzingen dat de Europese onafhankelijke softwareontwikkelaars te zeer worden benadeeld door de octrooiposities van grote ondernemingen of zelfs van andere softwareontwikkelaars" [16]. [15] Ibid., blz. 5 e.v. [16] Ibid., blz. 3. De studie geeft als mogelijke optie voor de draagwijdte van de harmonisatie aan "bij het status quo (zoals bepaald door de jurisprudentie van het EOB) te blijven, maar dan met opheffing van de uitsluiting van 'computerprogramma's' 'als zodanig'. Dit zou volgens de auteurs geen gevolgen hebben behalve het belangrijke gevolg dat de kans zal verkleinen dat kmo's en onafhankelijke softwareontwikkelaars aan computerprogramma's gerelateerde uitvindingen als onoctrooieerbaar beschouwen." [17] Aan de andere kant "kan van geen enkele maatregel ter versterking van de bescherming van intellectuele eigendom in de software-industrie worden beweerd dat hij op overtuigende economische aanwijzingen berust" [18]. [17] Ibid., blz. 8. [18] Ibid., blz. 36. De huidige rechtstoestand betreffende artikel 52, leden 1 en 2, van het eov "Technisch karakter" als fundamentele eis Overeenkomstig de algemene voorschriften van artikel 52, leden 1, 2 en 3, van het EOV, die in hoofdzaak in de octrooiwetten van de lidstaten zijn overgenomen, moeten alle octrooieerbare uitvindingen op grond van artikel 52, lid 1, nieuw zijn, op uitvinderswerkzaamheid berusten en vatbaar zijn voor toepassing op het gebied van de nijverheid. Krachtens artikel 52, lid 2, van het EOV, worden computerprogramma's "als zodanig" niet als uitvindingen omschreven en bijgevolg van octrooieerbaarheid uitgesloten. De kamers van beroep van het EOB zijn van oordeel dat het voor alle uitvindingen van fundamenteel belang is dat ze een technisch karakter hebben. Zo ook bevestigt artikel 27, lid 1, van de TRIPS-Overeenkomst dat octrooien beschikbaar moeten zijn voor uitvindingen op alle gebieden van de technologie. Dienovereenkomstig zijn de kamers van beroep van het EOB en de rechtbanken van de lidstaten van oordeel dat in computers geïmplementeerde uitvindingen als octrooieerbaar kunnen worden beschouwd indien ze een technisch karakter hebben, d.w.z. indien ze tot een gebied van de technologie behoren. In computers geïmplementeerde uitvindingen die aan deze voorwaarde voldoen, worden niet geacht te vallen onder de uitsluiting van artikel 52, lid 2, aangezien zij worden beschouwd als niet gerelateerd aan computerprogramma's "als zodanig". In feite heeft de uitsluiting volgens de interpretatie van de kamers van beroep van het EOB betrekking op in computers geïmplementeerde uitvindingen die geen technisch karakter hebben [19]. [19] Computer program product I and II, T1173/97 van 1.7.1998, 1999 PB EOB [609] en T0935/97 van 4.2.1999, [1999] R.P.C. 861. De uitspraken in beide zaken zijn grotendeels gelijkluidend. Met betrekking tot de vraag van welke in computers geïmplementeerde uitvindingen kan worden gezegd dat ze een "technisch karakter" hebben, valt uit de recente zaak Controlling pension benefits system [20] de conclusie te trekken dat alle programma's die op een computer draaien, per definitie technisch zijn (omdat een computer een machine is) en aldus in staat zijn om deze basishindernis dat ze een "uitvinding" moeten zijn, te nemen. [20] Controlling pension benefits system/PBS, T-0931/1995, uitspraak van 8.9.2000. Soortgelijke overwegingen hebben de kamers van beroep van het EOB laten gelden voor de overige elementen van artikel 52, lid 2, die "als zodanig" zijn uitgesloten, bijvoorbeeld voor "methoden voor de bedrijfsvoering", "presentatie van gegevens" of "esthetische vormgevingen". Dit betekent dat uitvindingen betreffende een van deze elementen eveneens als octrooieerbaar worden beschouwd indien ze een technisch karakter hebben. Met betrekking tot de beschrijving van de uitvinding in de octrooiconclusies was de kamer in Computer program product I & II [21] van oordeel dat, indien een programma op een drager het vermogen heeft om een technisch effect te produceren wanneer het op een computer wordt geladen en gedraaid, een dergelijk programma waarvoor op zich octrooi wordt opgeëist, niet van octrooibaarheid mocht worden uitgesloten. Dit wordt in die zin geïnterpreteerd dat een dergelijk programma op zich of als bestand op een drager of in de vorm van een signaal (bv. als bestand opgeslagen op een schijf of via internet overgebracht) vatbaar voor octrooi moet zijn. [21] Supra. Zie ook zaak T1002/92, waarin de kamer van beroep van het EOB deze kritiek voor het eerste heeft uitgebracht. De rol van algoritmen De term "algoritme" kan in de ruimste zin worden opgevat als een gedetailleerde opeenvolging van bewerkingen die bedoeld zijn om een specifieke taak uit te voeren. In deze context kan het duidelijk zowel technische als niet-technische processen omvatten. Gewoon het bestaan van een algoritme is geen werkbaar criterium om het onderscheid te maken tussen octrooieerbare en niet-octrooieerbare onderwerpen. Een algoritme kan ofwel ten grondslag liggen aan een in een computer geïmplementeerde uitvinding, ofwel aan een uitvinding betreffende een conventionele (mechanische, elektrische, enz.) machine of het door die machine uitgevoerde proces. Het enige verschil is dat een computerprogramma wordt uitgevoerd door middel van opdrachten aan de computer en een conventionele machine wordt aangedreven door haar (mechanische, elektrische, enz.) onderdelen. Een abstract algoritme kan in termen van zuivere logica worden gedefineerd indien er geen fysieke referentiepunten voorhanden zijn. Het is mogelijk dat een dergelijk algoritme in de praktijk in veel verschillende functies wordt toegepast op schijnbaar niet met elkaar verband houdende gebieden, en in staat is verschillende effecten te bewerkstelligen. Dit betekent dat een algoritme dat als een theoretische entiteit los van de context van een fysieke omgeving wordt beschouwd, ten aanzien waarvan het dus zijn effecten niet kan teweegbrengen, inherent niet-technisch zal zijn en bijgevolg niet als octrooieerbare uitvinding zal kunnen worden aangemerkt. Uit het voorgaande volgt dat een abstract algoritme als zodanig niet kan worden gemonopoliseerd. De normale regels voor octrooieerbaarheid betekenen dat een octrooiaanspraak op een uitvinding die op een bepaald algoritme is gebaseerd, niet is uit te breiden tot andere toepassingen van dat algoritme. Octrooi- en auteursrechtelijke bescherming zijn complementair Een octrooi beschermt een uitvinding zoals omschreven door de octrooiconclusies, die de omvang van de verleende bescherming bepalen [22]. De houder van een octrooi voor een in computers geïmplementeerde uitvinding heeft dus het recht derden te verhinderen gebruik te maken van software die zijn uitvinding (zoals omschreven in de octrooiconclusies) implementeert. Dit beginsel blijft van kracht, ook al kunnen verschillende manieren worden gevonden om dit te bereiken door middel van programma's waarvan de bron- of doelcodes van elkaar verschillen en die naast elkaar kunnen worden beschermd door onafhankelijke auteursrechten die niet met elkaar in strijd zouden zijn [23]. [22] De conclusies moeten worden geïnterpreteerd in het licht van de beschrijving en de tekeningen betreffende de uitvinding. Zie b.v. artikel 69, lid 1, van het EOV. [23] Een dergelijke uitdrukkingswijze op zich kan niet worden beschouwd als openbaarmaking van een desbetreffende uitvinding; zie b.v. EPO Guidelines for Substantive Examination, C-II, 4.14a. Aan de andere kant wordt krachtens Richtlijn 91/250/EEG betreffende de rechtsbescherming van computerprogramma's [24] auteursrechtelijke bescherming verleend aan de bijzondere uitdrukkingswijze, in welke vorm dan ook, van een computerprogramma, terwijl de ideeën en beginselen die aan enig element van een computerprogramma ten grondslag liggen, met inbegrip van de ideeën en beginselen die aan de interfaces daarvan ten grondslag liggen, niet worden beschermd. Voor een computerprogramma zal auteursrechtelijke bescherming worden verleend wanneer de uitdrukkingsvorm in die zin oorspronkelijk is dat het de eigen intellectuele schepping van de maker is. In de praktijk betekent dit dat het auteursrecht zou gelden voor de uitdrukkingswijze, in welke vorm dan ook, van de broncode of de doelcode, maar niet voor de ideeën en beginselen die aan de broncode of de doelcode van een programma ten grondslag liggen. Het auteursrecht verbiedt het in wezenlijke mate kopiëren van de broncode of de doelcode, maar verhindert niet de vele mogelijke alternatieve wijzen om dezelfde ideeën en beginselen in een andere broncode of doelcode uit te drukken. Het beschermt evenmin tegen de ontwikkeling van een identiek of wezenlijk identiek programma zonder de wetenschap van een bestaand auteursrecht. [24] De wetgeving betreffende het auteursrecht werd, voorzover ze op computerprogramma's van toepassing is, op communautair niveau geharmoniseerd door de goedkeuring van deze richtlijn van de Raad van 14 mei 1991 betreffende de rechtsbescherming van computerprogramma's (91/250/EEG), PB L 122 van 17.5.1991, blz. 42. Zie Verslag van de Commissie over de tenuitvoerlegging en de effecten van Richtlijn 91/250/EEG, COM(2000) 199 definitief van 10.4.2000. Bijgevolg kan rechtsbescherming voor hetzelfde programma op complementaire wijze zowel door het octrooirecht als door het auteursrecht worden geboden. De bescherming kan cumulatief zijn in die zin dat een handeling waarbij een bepaald programma wordt geëxploiteerd, een inbreuk kan vormen zowel op het auteursrecht op de code als op een octrooi waarvan de conclusies de eraan ten grondslag liggende ideeën en beginselen beschermen. Richtlijn 91/250/EEG bevat specifieke bepalingen (de artikelen 5 en 6) die inhouden dat het auteursrecht op een computerprogramma niet wordt geschonden door het in bepaalde omstandigheden verrichten van handelingen die anders wel een inbreuk zouden vormen. Tot deze uitzonderingen behoren handelingen die worden verricht om de ideeën en beginselen die aan een programma ten grondslag liggen, te bestuderen, en de reproductie of vertaling van de code indien deze nodig zijn om de compatibiliteit van een onafhankelijk gecreëerd computerprogramma tot stand te brengen. Voorts wordt bepaald dat het maken van een reservekopie door een rechtmatige gebruiker niet kan worden verhinderd. Deze bepalingen zijn gerechtvaardigd en noodzakelijk in de context van de wetgeving op het auteursrecht omdat het auteursrecht het absolute recht verleent om het maken van kopieën van een beschermd werk te verhinderen. Al de vermelde handelingen impliceren het maken van kopieën en zouden bijgevolg een inbreuk vormen op het auteursrecht op het werk indien niet in uitzonderingen zou worden voorzien. Aan de andere kant strekken de octrooiwetten van de lidstaten, hoewel ze niet volledig geharmoniseerd zijn, zich in het algemeen niet uit tot handelingen die in de particuliere sfeer en voor niet-commerciële doeleinden worden verricht, of tot handelingen die worden verricht voor experimentele doeleinden met betrekking tot het onderwerp van de uitvinding. Evenmin is het waarschijnlijk dat het maken van een reservekopie in het kader van de geoorloofde exploitatie van een octrooi betreffende een geprogrammeerde computer of de uitvoering van een programma als een inbreuk zou kunnen worden uitgelegd. Bijgevolg mag, vanwege de verschillen tussen het voorwerp van bescherming op grond van het octrooirecht en het auteursrecht en vanwege de aard van de toegestane uitzonderingen, het geldend maken van een octrooi voor een in computers geïmplementeerde uitvinding geen belemmering vormen voor de vrijheden die op grond van het auteursrecht door de bepalingen van Richtlijn 91/250/EEG aan softwareontwikkelaars worden verleend. Bovendien moet, wat de ontwikkeling van compatibele programma's betreft, de eis dat elk octrooi een voldoende duidelijke uiteenzetting moet bevatten, de taak vergemakkelijken van iemand die een programma aan een ander, reeds bestaand programma tracht aan te passen door er geoctrooieerde kenmerken in op te nemen (van de eis tot uiteenzetting bestaat geen analoge eis in het auteursrecht). Ten slotte zij erop gewezen dat, indien octrooirechten op oneerlijke wijze worden uitgeoefend, gebruik kan worden gemaakt van verplichte licenties als oplossing, of verhaal kan worden gezocht in het mededingingsrecht. In overweging 18 en artikel 6 wordt specifiek verwezen naar onder andere de bepalingen inzake decompilatie en compatibiliteit in Richtlijn 91/250/EEG. De noodzaak van een optreden van de Gemeenschap tot harmonisatie van de nationale wetten en de rechtsgrond ervan Europese octrooien worden door het Europees Octrooibureau verleend, waardoor is voorzien in een uniform stel regels in een gecentraliseerde procedure, volgens welke eenmaal verleende Europese octrooien worden opgenomen in de werkingssfeer van de nationale octrooiwetten van elk land waarvoor ze in werking treden. Bovendien zijn de fundamentele nationale wetten inzake octrooieerbaarheid in principe onderling en met de bepalingen van het Europees Octrooiverdrag in overeenstemming, maar de gedetailleerde interpretatie ervan - wat betreft het effect van een Europees octrooi en van een nationaal octrooi - behoort tot de bevoegdheid van de rechtbanken. Hoewel de nationale rechtbanken juridisch gezag kunnen verlenen aan uitspraken van de beroepsinstanties van het EOB (en aan uitspraken van rechtbanken van andere lidstaten), zijn zij niet verplicht er gevolg aan te geven, en in geval van directe strijdigheid kan het voorkomen dat ze geen andere keuze hebben dan bindende precedenten overeenkomstig hun eigen rechtstraditie in acht te nemen. Dit kan leiden, en heeft in de praktijk geleid, tot verschillen in interpretatie van het Europees Octrooiverdrag en bijgevolg in de omvang van de bescherming die aan bepaalde categorieën uitvindingen wordt verleend. De jurisprudentie op nationaal niveau op het gebied van in computers geïmplementeerde uitvindingen is tot dusver grotendeels in de rechtbanken van slechts twee lidstaten ontwikkeld: Duitsland en het Verenigd Koninkrijk. Het is interessant erop te wijzen dat zelfs zij uiteenlopend hebben geoordeeld over belangrijke kwesties betreffende de vereisten om een octrooi te verkrijgen (definitie van octrooieerbare materie). Er is dus duidelijk reden om aan te nemen dat de rechtbanken van andere lidstaten bij ontstentenis van harmonisatiemaatregelen tot sterk uiteenlopende standpunten kunnen komen wanneer ze in zaken op dit gebied uitspraak moeten doen. Bijgevolg verkeren octrooihouders en het grote publiek dat gebruiker van octrooieerbare materie kan zijn, momenteel in onzekerheid wat betreft de vraag of op dit gebied verleende octrooien in geval van geschillen zullen worden gehandhaafd. Bovendien kunnen het bestaan van deze onzekerheid en de verschillen in rechtsbescherming een reële en negatieve invloed hebben op investeringsbeslissingen en het vrije verkeer van goederen in de interne markt. Het meest voor de hand liggende voorbeeld hiervan doet zich voor wanneer een product volgens de rechtspraak van de ene lidstaat als octrooieerbaar wordt beschouwd en volgens die van de andere niet. De concurrentieomgeving voor innovatieve producten zal in deze situatie totaal verschillend zijn, afhankelijk van de vraag of ze al of niet worden beschermd, terwijl zal worden verhinderd dat kopieën waarvoor geen licentie werd verleend, over de binnengrenzen van de Gemeenschap worden gebracht vanuit lidstaten waar bescherming werd geweigerd naar lidstaten waar die wel bestaat. Ondernemingen die nadenken over de vestigingsplaats van ontwikkelingsvoorzieningen of het betreden van nieuwe markten, zullen waarschijnlijk ook in hun beslissingen worden beïnvloed door de vraag in hoever zij zeker kunnen zijn over de mate waarin de lokale rechtbanken bescherming willen verlenen voor in computers geïmplementeerde uitvindingen. Er zij ook aan herinnerd dat octrooien via een volledig nationale procedure kunnen worden verkregen zonder dat het Europees Octrooibureau daarbij wordt betrokken. De bovengenoemde argumenten betreffende verschillen tussen nationale wetten gelden evengoed in dergelijke situaties, maar bovendien is er het feit dat de verwerking van de aanvragen en de verlening van de octrooien uitsluitend volgens nationale wetten zullen verlopen. Dit betekent dat zelfs de eenmakende factor van het EOB als enige octrooiverlenende instantie zal ontbreken, met het gevolg dat octrooien die behoren tot dezelfde "octrooifamilie" in verschillende landen (d.w.z. octrooien die allemaal betrekking hebben op dezelfde uitvinding en uit één enkele oorspronkelijke aanvraag voortvloeien) reeds van bij de aanvang met een sterk verschillende beschermingsomvang kunnen worden verleend. De specifieke verschillen die bestaan tussen de jurisprudentie van de Britse rechtbanken en die van de kamer van beroep van het EOB, betreffen de wijze waarop de wet wordt geïnterpreteerd met betrekking tot de uitgesloten onderwerpen in het algemeen. Volgens de Britse jurisprudentie (in tegenstelling tot die van het EOB) is een aan computerprogramma's gerelateerde uitvinding die neerkomt op bijvoorbeeld een methode voor de bedrijfsvoering of de verrichting van geestelijke arbeid, niet vatbaar voor octrooi, zelfs indien een technische bijdrage (in de zin zoals omschreven in deze richtlijn) kan worden geconstateerd. Dit wordt geïllustreerd door Merrill Lynch [25] voor bedrijfsmethoden en door Raytheon Co's Application [26] voor geestelijke arbeid. [25] [1989] RPC 569. [26] [1993] RPC 427, in zoverre een bevestiging van Wang Laboratories Inc's Application [1991] RPC 463. Aan de andere kant werd gedacht dat de Duitse rechtspraak de mogelijkheid niet uitsloot dat bedrijfsmethoden die een technisch aspect hebben, octrooieerbaar konden zijn, ook al is de enige bijdrage die de uitvinding levert, van niet-technische aard [27]. Een dergelijke interpretatie zou de deur openzetten naar een aanzienlijke uitbreiding van de octrooieerbaarheid op dit gebied. Relevante zaken zijn onder meer "Automatic Sales Control" [28] and Speech Analysis Apparatus [29]. Hoewel het Bundesgerichtshof het standpunt onlangs verduidelijkte [30] door te verklaren dat de juiste benadering die van de kamer van beroep van het EOB en deze richtlijn is, namelijk dat een inventieve technische bijdrage een essentiële vereiste is voor uitvinderswerkzaamheid, toont dit voorbeeld duidelijk aan dat de gerechtelijke interpretatie de wet op zodanige wijze kan ontwikkelen dat dit leidt tot grote veranderingen in de mogelijkheden voor octrooieerbaarheid op nationaal niveau. [27] Zie in deze zin Nack, Ralph, Sind jetzt computerimplementierte Geschäftsmethoden patentfähig* - Analyse der Bundesgerichtshof-Entscheidung "Sprachanalyseeinrichtung", [2000] GRUR Int. 853. [28] [1999] GRUR 1078. [29] [2000] GRUR 930. [30] Zaak X ZB 16/00 (arrest van het Duitse hooggerechtshof (Bundesgerichtshof (BGH)), gewezen op 17 oktober 2001). Behalve verschillen in de beoordeling van de criteria voor octrooieerbaarheid is er onzekerheid betreffende de geoorloofde vorm van mogelijke conclusies. Ofschoon het Verenigd Koninkrijk snel aankondigde [31] dat zijn octrooibureau conclusies voor programmaproducten zou toestaan in de vorm zoals goedgekeurd in de twee uitspraken van de kamer van beroep van het EOB Computer program product I and II, en deze benadering onlangs ook door de Duitse rechtbank werd gesteund [32], hebben andere lidstaten nog niet duidelijk dit voorbeeld gevolgd. [31] Zie Practice Notice van het Britse octrooibureau van 19.4.1999 (beschikbaar op de website van het Britse octrooibureau op http://www.patent.gov.uk/patent/notices/practice/computer.htm). [32] Zaak X ZB 16/00 (supra). Het BGH heeft een vroeger vonnis van de federale octrooirechtbank (Bundespatentgericht) afgekeurd waarin werd geoordeeld dat een aanspraak op een drager met alleen een computerprogramma niet aanvaardbaar was. Daarmee heeft het gerechtshof indirect te kennen gegeven dat het voorstander is van de EOB-praktijk om aanspraken op computerprogramma's op zich toe te staan, op voorwaarde dat, wanneer ze met computerapparatuur worden verbonden, een technische bijdrage tot stand komt. De gekozen aanpak In het licht van de bevindingen van de Commissie omtrent het effect van octrooien voor in computers geïmplementeerde uitvindingen op innovatie en mededinging en de Europese ondernemingen is de Commissie van mening dat de richtlijn de bescherming van in computers geïmplementeerde uitvindingen moet harmoniseren en tegelijkertijd een plotselinge verandering in de rechtspositie, en met name de uitbreiding van de octrooieerbaarheid tot computerprogramma's "als zodanig", moet vermijden. Een belangrijk veiligheidsmechanisme is opgenomen in artikel 5, dat de Commissie de opdracht geeft om binnen drie jaar na de inwerkingtreding van de richtlijn bij het Europees Parlement en de Raad verslag uit te brengen over het effect van in computers geïmplementeerde uitvindingen op de innovatie. In het licht van de ervaring die bij de tenuitvoerlegging van de richtlijn wordt opgedaan, en van de verslagen van het speciale panel kan de Commissie overwegen wijzigingen in de richtlijn voor te stellen. Ofschoon het octrooistelsel waar nodig moet worden aangepast om te voorzien in de nodige bescherming van uitvindingen op nieuwe technologiegebieden, moeten deze ontwikkelingen worden gebaseerd op de algemene beginselen van het Europese octrooirecht zoals ze in de loop van de tijd zijn geëvolueerd. Deze komen met name tot uitdrukking in de regel dat een uitvinding, om octrooieerbaar te zijn, een technische bijdrage moet leveren tot de stand van de techniek. Gezien de huidige stand van zaken vindt de Commissie het juist dat de Gemeenschap er, althans voorlopig, van afziet de octrooibescherming die voor in computers geïmplementeerde uitvindingen beschikbaar is, uit te breiden, bijvoorbeeld door de vereiste technische bijdrage te laten vallen. Deze handelwijze zou ertoe leiden dat in computers geïmplementeerde bedrijfsmethoden worden geoctrooieerd. De ervaring van de VS op dit gebied is nog vrij recent en het effect van octrooien voor bedrijfsmethoden op de economie in het algemeen en op de elektronische handel in het bijzonder kan nog niet volledig worden ingeschat. Bovendien wordt over dit thema uitvoerig gediscussieerd in de VS, waar wordt aangevoerd dat dergelijke octrooien de e-handel kunnen verstikken. Een bijkomende overweging is dat door harmonisatie in deze zin in wezen een stel regels voor in computers geïmplementeerde uitvindingen zou worden gecreëerd die losstaan van de meer algemene beginselen van het Europese octrooirecht, volgens welke steeds een technische bijdrage werd vereist. Door de vereiste van een technische bijdrage te codificeren, moet de richtlijn ervoor zorgen dat octrooien voor "zuivere" bedrijfsmethoden of meer algemeen voor sociale processen niet worden verleend, omdat ze niet voldoen aan de strikte criteria, met inbegrip van de noodzaak van een technische bijdrage. Het voorgaande moet ervoor zorgen dat octrooien voor aan computers gerelateerde uitvindingen in de Gemeenschap een positief effect hebben op de innovatie en het Europese bedrijfsleven, en niet op oneerlijke wijze de concurrentie verstikken. Octrooien voor in computers geïmplementeerde uitvindingen zijn van belang voor alle ondernemingen in de softwaresector, inclusief kmo's. Kmo's hebben echter vaak weinig of geen ervaring met het octrooistelsel. Daarom hebben ze er vaak de voorkeur aan gegeven zich alleen te verlaten op het auteursrecht, dat bescherming biedt voor de uitdrukkingswijze van computerprogramma's als werken van letterkunde. Opdat kmo's ten volle gebruik kunnen maken van de verschillende door het octrooistelsel geboden mogelijkheden, moeten zij gemakkelijk toegang krijgen tot informatie over de middelen om octrooibescherming te verkrijgen, de voordelen die deze bescherming kan bieden, en de voorwaarden voor het verkrijgen van octrooien voor hun eigen uitvindingen, voor het verlenen van licenties daarvoor en voor het verkrijgen van octrooilicenties van andere octrooihouders. Het is de taak van de lidstaten om uit te maken of de specifieke situatie met betrekking tot octrooien op het gebied van in computers geïmplementeerde uitvindingen vereist dat specifieke opleidingsinitiatieven worden genomen, met name door hun octrooibureaus. Het voorgestelde optreden van de Gemeenschap voldoet aan de subsidiariteitscriteria aangezien de doelstellingen ervan niet op nationaal niveau kunnen worden verwezenlijkt. In feite zijn er vele jaren lang verschillen tussen de lidstaten geweest wat betreft de jurisprudentie en de bestuursrechtelijke praktijken op het gebied van in computers geïmplementeerde uitvindingen en er zijn geen aanwijzingen dat deze praktijken zullen convergeren zonder dat wetgevende maatregelen worden genomen. Gezien het grensoverschrijdende effect van deze praktijken kunnen de doelstellingen alleen door een optreden van de Gemeenschap worden verwezenlijkt. De middelen van het optreden van de Gemeenschap zijn ook evenredig met de doelstellingen ervan. De richtlijn blijft strikt beperkt tot het formuleren van de basisvoorschriften betreffende de octrooieerbaarheid van in computers geïmplementeerde uitvindingen. Het algemene octrooirecht zal, zowel wat de procedure als de inhoud betreft en zoals het door de nationale rechtbanken is geïnterpreteerd, in de ruimst mogelijke mate van toepassing blijven en een aanvulling vormen op de richtlijn, mits het er niet strijdig mee is. Harmonisatie en grotere transparantie moeten voor de Europese ondernemingen, en in het bijzonder voor het MKB, een stimulans zijn om dergelijke octrooien te gebruiken teneinde ten volle profijt te trekken van hun in computers geïmplementeerde uitvindingen. De rechtsgrond voor harmonisatie Aangezien de maatregel gericht is op de totstandbrenging van de interne markt door de onderlinge aanpassing van de bij wet, regelgeving of bestuursrechtelijke maatregel in de lidstaten vastgestelde bepalingen betreffende de octrooieerbaarheid van in computers geïmplementeerde uitvindingen, stelt de Commissie voor artikel 95 van het EG-Verdrag als rechtsgrond voor harmonisatie te gebruiken. Deze rechtsgrond werd ook gebruikt voor andere richtlijnen waarmee nationale wetten inzake intellectuele eigendom op elkaar werden afgestemd [33], en met name, wat zeer belangrijk is, in de recente Richtlijn 98/44/EG betreffende de harmonisatie van de octrooieerbaarheid van biotechnologische uitvindingen. Deze keuze van rechtsgrond werd door het Hof van Justitie in een aantal gevallen in de gegeven omstandigheden met betrekking tot octrooieerbaarheid erkend [34], en met name in verband met de genoemde Richtlijn 98/44/EG in een recent arrest van het Hof van Justitie [35] waarbij de rechtsgrond grondig werd onderzocht. [33] Zie b.v. Richtlijn 89/104/EEG betreffende de aanpassing van het merkenrecht der lidstaten (PB L 40 van 11.2.1989, blz. 1) ; Richtlijn 91/250/EEG betreffende de rechtsbescherming van computerprogramma's (PB L 122 van 17.5.1991, blz. 42) ; Richtlijn 93/98/EEG betreffende de harmonisatie van de beschermingstermijn van het auteursrecht en van bepaalde naburige rechten (PB L 290 van 24.11.1993, blz. 9) ; en Richtlijn 96/9/EG betreffende de rechtsbescherming van databanken (PB L 77 van 27.3.1996, blz. 20). [34] Zie advies 1/94, Bevoegdheid van de Gemeenschap om internationale akkoorden op het gebied van diensten en bescherming van de intellectuele eigendom te sluiten [15.11.1994] Jurispr. I-5267, en zaak C-350/92 Spanje tegen Raad [13.7.1995] Jurispr. I-1985. [35] C-377/98, Nederland tegen Parlement en Raad. De conclusie luidde als volgt (punt 18-20): Artikelsgewijze toelichting van de richtlijn Artikel 1 In deze bepaling wordt duidelijk de werkingssfeer omschreven van de richtlijn, die regels betreffende de octrooieerbaarheid van in computers geïmplementeerde uitvindingen vaststelt. De term "in computers geïmplementeerde uitvinding" wordt in artikel 2 gedefinieerd. Artikel 2 Dit artikel definieert bepaalde in de richtlijn gebruikte termen. Onder "in computers geïmplementeerde uitvinding" wordt verstaan een uitvinding die in een computer of een soortgelijk apparaat wordt geïmplementeerd en die door een computerprogramma wordt gerealiseerd. Uit deze definitie vloeit voort dat de "nieuwheid" van een uitvinding binnen de werkingssfeer van de richtlijn niet noodzakelijkerwijs op een technisch kenmerk moet berusten. Het gebruik van de uitdrukking "op het eerste gezicht" om "nieuwe kenmerken" te kwalificeren betekent dat het niet noodzakelijk is de werkelijke nieuwheid aan te tonen (bijvoorbeeld door het uitvoeren van een onderzoek) om te bepalen of een zogenaamde uitvinding onder deze definitie valt. Zoals in overweging 11 en artikel 4 wordt bepaald, moet de aanwezigheid van een "technische bijdrage" niet in verband met nieuwheid, maar met uitvinderswerkzaamheid worden beoordeeld. De ervaring heeft uitgewezen dat deze benadering in de praktijk het eenvoudigst toe te passen is. "Technische bijdrage" wordt gedefinieerd als een bijdrage tot de stand van de techniek op een technisch gebied die voor een deskundige niet voor de hand ligt. Artikel 3 Artikel 3 sluit, in de context van overweging 6, aan bij artikel 27, lid 1, van de TRIPS-Overeenkomst, volgens hetwelk octrooi kan worden verleend voor uitvindingen, producten dan wel werkwijzen, op alle gebieden van de technologie, mits zij nieuw zijn, op uitvinderswerkzaamheid berusten en vatbaar zijn voor industriële toepassing. Een in computers geïmplementeerde uitvinding wordt gedefinieerd als behorende tot een technologiegebied. Een algoritme dat zonder verwijzing naar een fysieke omgeving wordt gedefinieerd, voldoet echter niet aan de definitie van "in computers geïmplementeerde uitvinding" en valt niet onder een technologiegebied. Artikel 4 Artikel 4, lid 1 verplicht de lidstaten in computers geïmplementeerde uitvindingen te beschermen zoals andere uitvindingen, mits ze voldoen aan de basisvereisten nieuwheid, uitvinderswerkzaamheid en industriële toepasbaarheid, zoals vastgesteld in artikel 52, lid 1, van het Europees Octrooiverdrag. Lid 2 bepaalt dat het, om van uitvinderswerkzaamheid te kunnen spreken, noodzakelijk is dat een in computers geïmplementeerde uitvinding een technische bijdrage levert, dat wil zeggen een bijdrage tot de stand van de techniek op een technisch gebied die voor een deskundige niet voor de hand ligt (artikel 2). Dit is te beschouwen als een kwalificatie van, en niet als een vervanging voor, de definitie van uitvinderswerkzaamheid zoals deze in artikel 56 van het EOV staat, waar wordt bepaald dat een uitvinding als het resultaat van uitvinderswerkzaamheid wordt aangemerkt, indien zij voor een deskundige niet op een voor de hand liggende wijze voortvloeit uit de stand van de techniek. Dit is effectief reeds een algemene eis voor alle octrooieerbare uitvindingen, hoewel het uiteraard bij de beoordeling van de uitvinderswerkzaamheid voor uitvindingen op gebieden waar er zelden sprake is van uitgesloten onderwerpen (bijvoorbeeld mechanische onderwerpen), normaliter niet nodig is uit te maken of een bijdrage tot de stand van de techniek al dan niet technisch is. Dit betekent dat voor een in computers geïmplementeerde uitvinding waarbij de bijdrage tot de voorafgaande stand van de techniek geen technisch karakter heeft, zal worden aangenomen dat er geen sprake is van uitvinderswerkzaamheid, zelfs indien de (niet-technische) bijdrage tot de voorafgaande stand van de techniek niet voor de hand ligt. Bij de beoordeling van de uitvinderswerkzaamheid moeten de antwoorden op de vragen wat behoort tot de stand van de techniek en de kennis van de deskundige worden bepaald volgens de criteria die worden gehanteerd bij de beoordeling van uitvinderswerkzaamheid in het algemeen (zie bijvoorbeeld artikel 56, tweede zin, van het EOV). Artikel 4, lid 3, bepaalt dat bij het vaststellen van de technische bijdrage de uitvinding in haar geheel moet worden beoordeeld. Dit strookt met de uitspraken van de technische kamers van beroep van het EOB in Controlling Pension Benefits [36] en Koch & Sterzel [37], volgens welke bij de beoordeling technische en niet-technische kenmerken niet tegen elkaar mogen worden "afgewogen" in een poging om te bepalen welk aspect de belangrijkste bijdrage levert tot het succes van de uitvinding. [36] Zie voetnoot 20. [37] T26/86 (21.5.87) [1988] PB EOB 19. Uit het voorgaande volgt dat een uitvinding, waarvan aspecten behoren tot een materie die op grond van artikel 52, lid 2, is uitgesloten (bijvoorbeeld een methode voor de bedrijfsvoering), toch octrooieerbaar kan zijn indien een niet voor de hand liggende technische bijdrage wordt geleverd. Indien er echter geen technische bijdrage is, bv. indien de bijdrage tot de stand van de techniek volledig op niet-technische aspecten berust, wat het geval zou zijn indien de bijdrage tot de stand van de techniek louter zou bestaan in een methode voor de bedrijfsvoering, is er geen octrooieerbare materie. Een ander logisch gevolg van deze benadering is dat, hoewel een geldige conclusie zowel technische als niet-technische kenmerken kan bevatten, het niet mogelijk is de louter niet-technische kenmerken los van de technische kenmerken te monopoliseren. De term "technische bijdrage" wordt reeds vele jaren gebruikt in de jurisprudentie van de kamers van beroep van het EOB [38]. In overeenstemming met de jurisprudentie van het EOB kan een technische bijdrage het resultaat zijn van: [38] Zie Vicom, zaak T208/84 (15.7.1986) [1987] PB EOB 14. * het probleem dat aanleiding heeft gegeven tot en wordt opgelost door de uitvinding waarop aanspraak wordt gemaakt; * de middelen, d.w.z. de technische kenmerken, die de oplossing van het onderliggende probleem vormen; * de effecten die worden bereikt door de oplossing van het onderliggende probleem; * de noodzaak van technische overwegingen om te komen tot de in computers geïmplementeerde uitvinding waarop aanspraak wordt gemaakt. Artikel 5 Overeenkomstig artikel 27, lid 1, van de TRIPS-Overeenkomst moeten uitvindingen, ongeacht of het producten dan wel werkwijzen betreft, vatbaar zijn voor octrooi. Artikel 4 bepaalt dat een in computers geïmplementeerde uitvinding kan worden geclaimd hetzij als geprogrammeerde computer of soortgelijk apparaat (d.w.z. een product), hetzij als een werkwijze die door een dergelijk apparaat wordt uitgevoerd. Er zij op gewezen dat het voorstel zich niet aansluit bij de praktijk van het EOB om aanspraken op computerprogrammaproducten, hetzij op zichzelf, hetzij op een drager, toe te staan, aangezien dit kan worden beschouwd als het toelaten van octrooien voor computerprogramma's "als zodanig". Artikel 6 Artikel 6 handhaaft uitdrukkelijk de toepassing van de bepalingen betreffende decompilatie en compatibiliteit van Richtlijn 91/250/EEG. Artikel 7 Artikel 7 verlangt van de Commissie dat zij volgt welk effect in computers geïmplementeerde uitvindingen hebben op innovatie en mededinging, zowel in Europa als internationaal, en op het Europese bedrijfsleven, met inbegrip van de elektronische handel. Artikel 8 Dit artikel verlangt van de Commissie dat zij bij het Parlement en de Raad verslag uitbrengt over de werking van de richtlijn binnen drie jaar na de datum waartegen de lidstaten de richtlijn in nationale wetgeving moeten omzetten. Met dit kader wordt voorzien in een belangrijk veiligheidsmechanisme dat ervoor moet zorgen dat negatieve effecten van de richtlijn worden ontdekt en gerapporteerd. Artikelen 9, 10 en 11 Dit zijn standaardartikelen betreffende de inwerkingtreding van de richtlijn en de omzetting ervan door de lidstaten. Om deze richtlijn ten uitvoer te leggen, zullen de lidstaten nieuwe bepalingen in hun octrooiwetten moeten opnemen, waarmee met name duidelijk wordt gemaakt dat de criteria voor de octrooieerbaarheid van in computers geïmplementeerde uitvindingen die zijn welke in de artikelen 1 tot en met 5 van de richtlijn worden aangegeven. De richtlijn verlangt niet dat in de bepalingen van de octrooiwetten van de lidstaten wijzigingen worden aangebracht met betrekking tot andere materies die overeenkomstig artikel 52, lid 2, van het EOV van octrooieerbaarheid zijn uitgesloten. Naast wat in deze richtlijn wordt bepaald, blijven de procedurele en materiële rechtsregels van de nationale octrooiwetten en de bindende internationale overeenkomsten de essentiële basis voor de rechtsbescherming van in computers geïmplementeerde uitvindingen. 2002/0047 (COD) Voorstel voor een RICHTLIJN VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD betreffende de octrooieerbaarheid van in computers geïmplementeerde uitvindingen HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE, Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, en met name op artikel 95, Gezien het voorstel van de Commissie [39], [39] PB C, , blz. Gezien het advies van het Economisch en Sociaal Comité [40], [40] PB C, , blz. Volgens de procedure van artikel 251 van het Verdrag [41], [41] PB C, , blz. Overwegende hetgeen volgt: (1) Voor de totstandbrenging van de interne markt is het nodig beperkingen voor het vrije verkeer en concurrentieverstoringen op te heffen, en tegelijkertijd een gunstig klimaat te scheppen voor innovatie en investeringen. In deze context is de bescherming van uitvindingen een essentieel element voor het succes van de interne markt. Doeltreffende en geharmoniseerde bescherming van in computers geïmplementeerde uitvindingen in alle lidstaten is van essentieel belang om de investeringen op dit gebied in stand te houden en aan te moedigen. (2) Er bestaan verschillen in de bescherming van in computers geïmplementeerde uitvindingen die wordt geboden door de bestuursrechtelijke praktijken en de jurisprudentie van de verschillende lidstaten. Deze verschillen kunnen leiden tot handelsbelemmeringen en aldus de goede werking van de interne markt verhinderen. (3) Deze verschillen zijn ontstaan en kunnen groter worden naarmate de lidstaten nieuwe en uiteenlopende bestuursrechtelijke praktijken goedkeuren, of wanneer de nationale jurisprudentie die de bestaande wetgeving interpreteert, op ongelijke wijze evolueert. (4) De gestadige toename van de verspreiding en het gebruik van computerprogramma's op alle gebieden van de technologie en van de wereldwijde verspreiding ervan via internet is een kritieke factor voor de technologische innovatie. Daarom moet worden voorzien in een optimale omgeving voor de ontwikkelaars en de gebruikers van computerprogramma's in de Gemeenschap. (5) Om die reden moeten de rechtsregels, zoals ze door de rechtbanken in de lidstaten worden geïnterpreteerd, worden geharmoniseerd en moet het recht betreffende de octrooieerbaarheid van in computers geïmplementeerde uitvindingen transparant worden gemaakt. De daaruit voortvloeiende rechtszekerheid moet de ondernemingen in staat stellen optimaal profijt te trekken van octrooien voor in computers geïmplementeerde uitvindingen en moet een stimulans zijn voor investeringen en innovatie. (6) De Gemeenschap en haar lidstaten zijn gebonden door de Overeenkomst inzake de handelsaspecten van de intellectuele eigendom (TRIPS-Overeenkomst), goedgekeurd bij Besluit 94/800/EG van de Raad van 22 december 1994 betreffende de sluiting, namens de Europese Gemeenschap voor wat betreft de onder haar bevoegdheid vallende aangelegenheden, van de uit de multilaterale handelsbesprekingen in het kader van de Uruguay-Ronde (1986-1994) voortvloeiende overeenkomsten [42]. Artikel 27, lid 1, van de TRIPS-Overeenkomst bepaalt dat octrooi kan worden verleend voor uitvindingen, producten dan wel werkwijzen, op alle gebieden van de technologie, mits zij nieuw zijn, op uitvinderswerkzaamheid berusten en vatbaar zijn voor industriële toepassing. Bovendien kan volgens de TRIPS-Overeenkomst octrooi worden verleend en kunnen octrooirechten worden genoten zonder onderscheid op grond van het gebied van de technologie. Deze beginselen moeten dienovereenkomstig gelden voor in computers geïmplementeerde uitvindingen. [42] PB L 336 van 23.12.1994, blz. 1. (7) Overeenkomstig het Verdrag inzake de verlening van Europese octrooien, ondertekend in München op 5 oktober 1973, en de octrooiwetten van de lidstaten worden computerprogramma's alsmede ontdekkingen, natuurwetenschappelijke theorieën, wiskundige methoden, esthetische vormgevingen, stelsels, regels en methoden voor het verrichten van geestelijke arbeid, voor het spelen of voor de bedrijfsvoering, en de presentatie van gegevens uitdrukkelijk niet als uitvindingen beschouwd en bijgevolg van octrooieerbaarheid uitgesloten. Deze uitzondering is echter alleen van toepassing en gerechtvaardigd voorzover een octrooiaanvrage of octrooi betrekking heeft op deze onderwerpen of werkzaamheden als zodanig, omdat de genoemde onderwerpen en werkzaamheden als zodanig niet tot een gebied van de technologie behoren. (8) Dankzij octrooibescherming kunnen innovatoren profijt trekken van hun creativiteit. Octrooirechten bieden bescherming voor innovatie in het belang van de maatschappij, maar mogen niet worden gebruikt op een wijze die de concurrentie beperkt. (9) Overeenkomstig Richtlijn 91/250/EEG van de Raad van 14 mei 1991 betreffende de rechtsbescherming van computerprogramma's [43] wordt de uitdrukkingswijze, in welke vorm dan ook, van een oorspronkelijk computerprogramma auteursrechtelijk beschermd als werk van letterkunde. De ideeën en beginselen die aan enig element van een computerprogramma ten grondslag liggen, worden echter niet auteursrechtelijk beschermd. [43] PB L 122 van 17.5.1991, blz. 42. Richtlijn gewijzigd bij Richtlijn 93/98/EEG (PB L 290 van 24.11.1993, blz. 9). (10) Opdat een uitvinding als octrooieerbaar kan worden beschouwd, moet deze een technisch karakter hebben, en aldus behoren tot een gebied van de technologie. (11) Hoewel van in computers geïmplementeerde uitvindingen wordt aangenomen dat ze tot een gebied van de technologie behoren, moeten zij, om op uitvinderswerkzaamheid te berusten zoals uitvindingen in het algemeen, een technische bijdrage tot de stand van de techniek leveren. (12) Dienovereenkomstig zal een uitvinding die geen technische bijdrage tot de stand van de techniek levert, zoals bijvoorbeeld het geval zou zijn wanneer de specifieke bijdrage ervan geen technisch karakter heeft, niet op uitvinderswerkzaamheid berusten en bijgevolg niet octrooieerbaar zijn. (13) Een gedefinieerde procedure of opeenvolging van verrichtingen kan, wanneer deze wordt uitgevoerd in de context van een apparaat zoals een computer, een technische bijdrage tot de stand van de techniek leveren en daardoor een octrooieerbare uitvinding vormen. Een algoritme dat zonder verwijzing naar een fysieke omgeving wordt gedefinieerd, is echter inherent niet-technisch en kan daarom geen octrooieerbare uitvinding vormen. (14) De rechtsbescherming van in computers geïmplementeerde uitvindingen mag niet vereisen dat wordt voorzien in een afzonderlijk rechtsinstrument ter vervanging van de regels van het nationale octrooirecht. De regels van het nationale octrooirecht moeten, zoals aangepast of aangevuld overeenkomstig het bepaalde in deze richtlijn, de essentiële basis blijven voor de rechtsbescherming van in computers geïmplementeerde uitvindingen. (15) De richtlijn moet worden beperkt tot het vaststellen van bepaalde beginselen met betrekking tot de octrooieerbaarheid van dergelijke uitvindingen. Deze beginselen dienen er met name voor te zorgen dat uitvindingen die tot een gebied van de technologie behoren en een technische bijdrage leveren, voor bescherming in aanmerking komen, en omgekeerd dat uitvindingen die geen technische bijdrage leveren, daar niet voor in aanmerking komen. (16) De concurrentiepositie van het Europese bedrijfsleven ten opzichte van zijn voornaamste handelspartners zou worden verbeterd indien de bestaande verschillen in de rechtsbescherming van in computers geïmplementeerde uitvindingen zouden worden opgeheven en de rechtssituatie transparant zou zijn. (17) Deze richtlijn doet geen afbreuk aan de toepassing van de mededingingsregels, inzonderheid de artikelen 81 en 82 van het Verdrag. (18) Handelingen die zijn toegestaan op grond van Richtlijn 91/250/EEG betreffende de auteursrechtelijke bescherming van computerprogramma's, met name de daarin opgenomen bepalingen betreffende decompilatie en compatibiliteit, of de bepalingen betreffende topografieën van halfgeleiderproducten of merken, worden onverlet gelaten door de bescherming die binnen de werkingssfeer van deze richtlijn door octrooien voor uitvindingen wordt verleend. (19) Aangezien de doelstellingen van het voorgestelde optreden, namelijk de harmonisatie van de nationale voorschriften betreffende in computers geïmplementeerde uitvindingen, niet voldoende door de lidstaten kunnen worden verwezenlijkt en derhalve vanwege de omvang of de gevolgen van het optreden beter door de Gemeenschap kunnen worden verwezenlijkt, mag de Gemeenschap overeenkomstig het in artikel 5 van het Verdrag bedoelde subsidiariteitsbeginsel maatregelen treffen. Overeenkomstig het in dat artikel bedoelde evenredigheidsbeginsel gaat deze richtlijn niet verder dan wat nodig is om deze doelstellingen te verwezenlijken. HEBBEN DE VOLGENDE RICHTLIJN VASTGESTELD: Artikel 1 Werkingssfeer Deze richtlijn stelt regels vast voor de octrooieerbaarheid van in computers geïmplementeerde uitvindingen. Artikel 2 Definities Voor de toepassing van deze richtlijn gelden de volgende definities: (a) "in computers geïmplementeerde uitvinding": uitvinding voor de werking waarvan het gebruik van een computer, computernetwerk of een ander programmeerbaar apparaat nodig is en die een of meer op het eerste gezicht nieuwe kenmerken heeft die geheel of gedeeltelijk door middel van een computerprogramma of computerprogramma's worden gerealiseerd; (b) "technische bijdrage": bijdrage tot de stand van de techniek op een technisch gebied die voor een deskundige niet voor de hand ligt. Artikel 3 In computers geïmplementeerde uitvindingen als een gebied van de technologie De lidstaten zorgen ervoor dat een in computers geïmplementeerde uitvinding wordt beschouwd als behorende tot een gebied van de technologie. Artikel 4 Voorwaarden voor octrooieerbaarheid 1. De lidstaten zorgen ervoor dat een in computers geïmplementeerde uitvinding octrooieerbaar is op voorwaarde dat ze vatbaar is voor toepassing op het gebied van de nijverheid, nieuw is en op uitvinderswerkzaamheid berust. 2. De lidstaten zorgen ervoor dat een voorwaarde opdat een in computers geïmplementeerde uitvinding op uitvinderswerkzaamheid berust, is dat deze een technische bijdrage levert. 3. De technische bijdrage wordt beoordeeld door het bepalen van het verschil tussen de omvang van de in haar geheel beschouwde octrooiconclusie, waarvan elementen zowel technische als niet-technische kenmerken kunnen omvatten, en de stand van de techniek. Artikel 5 Vorm van de conclusies De lidstaten zorgen ervoor dat een in computers geïmplementeerde uitvinding kan worden geclaimd als product, dat wil zeggen als een geprogrammeerde computer, een geprogrammeerd computernetwerk of een ander geprogrammeerd apparaat, of als een werkwijze die door zo een computer, computernetwerk of apparaat middels het uitvoeren van software wordt toegepast. Artikel 6 Verband met Richtlijn 91/250/EEG Handelingen die zijn toegestaan op grond van Richtlijn 91/250/EEG betreffende de auteursrechtelijke bescherming van computerprogramma's, met name de daarin opgenomen bepalingen betreffende decompilatie en compatibiliteit, of de bepalingen betreffende topografieën van halfgeleiderproducten of merken, worden onverlet gelaten door de bescherming die binnen de werkingssfeer van deze richtlijn door octrooien voor uitvindingen wordt verleend. Artikel 7 Toezicht De Commissie volgt welke invloed in computers geïmplementeerde uitvindingen hebben op innovatie en mededinging, zowel in Europa als internationaal, en op het Europese bedrijfsleven, met inbegrip van de elektronische handel. Artikel 8 Verslag over de gevolgen van de richtlijn De Commissie brengt bij het Europees Parlement en de Raad tegen uiterlijk [DATUM (drie jaar vanaf de in artikel 9, lid 1, vermelde datum)] verslag uit over: (a) de invloed van octrooien voor in computers geïmplementeerde uitvindingen op de in lid 7 genoemde factoren; (b) de vraag of de regels betreffende het bepalen van de octrooieerbaarheidseisen, meer bepaald nieuwheid, uitvinderswerkzaamheid en de passende omvang van de conclusies, adequaat zijn; en (c) of zich moeilijkheden hebben voorgedaan met betrekking tot lidstaten waar niet wordt nagegaan of aan de eisen inzake nieuwheid en uitvinderswerkzaamheid wordt voldaan voordat octrooi wordt verleend, en zo ja, of maatregelen wenselijk zijn om deze moeilijkheden te verhelpen. Artikel 9 Omzetting 1. De lidstaten doen de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in werking treden om uiterlijk op [DATUM (laatste dag van een maand)] aan deze richtlijn te voldoen. Zij stellen de Commissie daarvan onverwijld in kennis. Wanneer de lidstaten die bepalingen aannemen, wordt in die bepalingen zelf of bij de officiële bekendmaking daarvan naar deze richtlijn verwezen. De regels voor deze verwijzing worden vastgesteld door de lidstaten. 2. De lidstaten delen de Commissie de bepalingen van nationaal recht mee die zij vaststellen op het gebied waarop deze richtlijn van toepassing is. Artikel 10 Inwerkingtreding Deze richtlijn treedt in werking op de twintigste dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen. Artikel 11 Adressaten Deze richtlijn is gericht tot de lidstaten. Gedaan te Brussel, op Voor het Europees Parlement Voor de Raad De Voorzitter De Voorzitter FINANCIEEL MEMORANDUM 1. BENAMING VAN DE MAATREGEL Voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad betreffende de octrooieerbaarheid van in computers geïmplementeerde uitvindingen. 2. BEGROTINGSONDERDEEL Geen. 3. RECHTSGROND Artikel 95 van het Verdrag. 4. OMSCHRIJVING VAN DE MAATREGEL 4.1. Algemeen doel Harmonisatie en verduidelijking van de octrooiwetten van de lidstaten en van hun praktijken met betrekking tot de octrooieerbaarheid van in computers geïmplementeerde uitvindingen. 4.2. Looptijd, vernieuwing of verlenging Niet gespecificeerd. 5. INDELING VAN UITGAVEN EN ONTVANGSTEN 6. AARD VAN UITGAVEN EN ONTVANGSTEN 7. FINANCIËLE GEVOLGEN (voor deel B) Geen. 8. MAATREGELEN TER BESTRIJDING VAN FRAUDE 9. ELEMENTEN VOOR KOSTENEFFECTIVITEITSANALYSE 9.1. Specifieke (en kwantificeerbare) doelstellingen, doelgroep Door het rechtskader betreffende de octrooieerbaarheid van in computers geïmplementeerde uitvindingen te verduidelijken, moet het initiatief de ondernemingen en met name het MKB in geheel Europa in staat stellen intensiever gebruik te maken van de mogelijkheid om octrooien voor dergelijke uitvindingen te verkrijgen. Bovendien moet de richtlijn, doordat ze de voorwaarden voor octrooieerbaarheid harmoniseert, de grensoverschrijdende uitwisseling van geoctrooieerde software vergemakkelijken. De Europese ondernemingen moeten ook profijt trekken van de grotere zekerheid die tot stand zal worden gebracht doordat duidelijk wordt gemaakt dat in computers geïmplementeerde bedrijfsmethoden die geen technisch karakter hebben ("zuivere" bedrijfsmethoden), niet kunnen worden geoctrooieerd. Op die manier zal een omgeving worden gecreëerd waarin innovatieve bedrijfsmethoden tot ontwikkeling kunnen komen zonder dat voor schadelijke rechtszaken hoeft te worden gevreesd. 9.2. Motivering van de maatregel De geraadpleegde belanghebbende kringen hebben sterk aangedrongen op harmonisatie van de desbetreffende wetten en praktijken, waardoor ook de op dit gebied heersende dubbelzinnigheid en rechtsonzekerheid moeten worden opgeheven. 9.3. Follow-up en evaluatie van de maatregel Artikel 5 van de voorgestelde richtlijn bepaalt dat de Commissie uiterlijk drie jaar na het verstrijken van de termijn voor de omzetting van de voorgestelde richtlijn verslag moet uitbrengen bij het Europees Parlement en de Raad. De Commissie zal verslag uitbrengen door middel van dienststukken die zijn opgesteld door de medewerkers die met het beheer van het project zijn belast. Er kunnen op dat ogenblik voorstellen tot aanpassing van het voorgestelde systeem worden ingediend. 10. HUISHOUDELIJKE UITGAVEN (AFDELING III, DEEL A, VAN DE ALGEMENE BEGROTING) Geen gevolgen. 10.1. Gevolgen voor de personeelssterkte Geen gevolgen. 10.2. Financiële gevolgen van het extra personeel Geen gevolgen. 10.3. Stijging van andere huishoudelijke uitgaven als gevolg van de maatregel Er zullen directe uitgaven ontstaan in verband met het voorschrift van artikel 5 dat de werking van de richtlijn moet worden gevolgd en er verslag over moet worden uitgebracht. Daarvoor kan het nodig zijn een adviseur te belasten met de opdracht het verslag op te stellen, en een of meer vergaderingen van deskundigen en/of belanghebbende kringen bijeen te roepen, waarvoor de reiskosten niet zullen worden vergoed maar waarvoor conferentievoorzieningen nodig zullen zijn. De uitgaven zullen variëren over de eerste periode van drie jaar na de inwerkingtreding, maar worden geraamd op gemiddeld 100 000 euro per jaar. Op lange termijn zal de werking van de richtlijn een te verwaarlozen effect op de huishoudelijke uitgaven hebben. EFFECTBEOORDELINGSFORMULIER Titel van het voorstel Voorstel voor een richtlijn betreffende de octrooieerbaarheid van in computers geïmplementeerde uitvindingen Referentienummer van het document Voorstel 1. Waarom is, gelet op het subsidiariteitsbeginsel, communautaire wetgeving op dit gebied noodzakelijk en wat zijn de voornaamste doelstellingen* De harmonisatie van de desbetreffende delen van de nationale octrooiwetten kan alleen door een optreden van de Gemeenschap worden verwezenlijkt. De bestuursrechtelijke praktijken en de jurisprudentie van de lidstaten vertonen al vele jaren verschillen. Hoewel er enige convergentie is geweest tussen de praktijken van de kamers van beroep van het EOB en het Duitse federale gerechtshof (Bundesgerichtshof), zijn er geen aanwijzingen dat de praktijken in de gehele Europese Gemeenschap zullen convergeren zonder dat wetgevende maatregelen worden genomen. Effect op het bedrijfsleven 2. Waarop is het voorstel van invloed* - Welke bedrijfstakken* In de eerste plaats moet de software-industrie profijt kunnen trekken van de grotere rechtszekerheid met betrekking tot octrooien voor in software geïmplementeerde uitvindingen en op basis van deze octrooien worden gestimuleerd om meer te investeren en te innoveren. De verduidelijking dat entiteiten die geen technische bijdrage impliceren (zoals "zuivere" bedrijfsmethoden), niet kunnen worden gemonopoliseerd, moet ook de innovatieve ontwikkelingen op dit gebied aanmoedigen. Deze factoren moeten ook stroomopwaarts, d.w.z. bij de leveranciers van materialen en op het gebied van fabricage en marketingdiensten, een gunstig effect teweegbrengen. Bovendien moet er ook stroomafwaarts voordeel uit kunnen worden gehaald, namelijk voor distributie, opleiding en ondersteunende diensten. Ten tweede is het waarschijnlijk dat door de sterkere innovatie op het gebied van software de productiviteit, de bekwaamheid en het concurrentievermogen in praktisch alle bedrijfssectoren zullen worden vergroot. IT, communicatietechnologie en software zijn de sleutelfactoren voor een grotere Europese concurrentiekracht. Ze hebben de herstructurering van het Europese bedrijfsleven in de jaren negentig, waartoe de mondiale concurrentie aanleiding had gegeven, mede tot stand helpen brengen en hebben gezorgd voor aanzienlijke productiviteitsverhogingen en betere mogelijkheden voor de werknemers om te communiceren. De bovenbeschreven bijdragen tot de economieën van West-Europa, waarop softwareoctrooien een positief effect moeten hebben, zijn in de context van de pakketsoftware-industrie beschreven in een studie waartoe de Business Software Alliance opdracht had gegeven [44]. [44] Zie studie van mei 1998 uitgevoerd door Price Waterhouse, "The Contribution of the Packaged Software Industry to the European Economies", beschikbaar op http://www.bsa.org/europe-eng/globallib/econstudies/europe_study98.pdf. Software-innovatie moet voortdurend worden aangewend als middel om de Europese ondernemingen over de hele wereld concurrerend te houden. - Welke bedrijfsomvang (met welk aandeel van kleine en middelgrote ondernemingen)* Ondernemingen van elke grootte kunnen van het voorstel profiteren omdat de bescherming van in computers geïmplementeerde uitvindingen door middel van octrooien voor alle ondernemingen openstaat. Het voorstel moet echter vooral voordeel opleveren voor kleine en middelgrote ondernemingen, die een grote en snel aan belang winnende rol spelen bij software-innovatie. Ze kunnen hun economische positie versterken door de ideeën en beginselen die aan hun in computers geïmplementeerde uitvindingen ten grondslag liggen (en die niet auteursrechtelijk kunnen worden beschermd), te beschermen tegen toe-eigening door anderen. In het verleden heeft de software-industrie het grotendeels zonder octrooien gesteld. Daardoor zal het echter voor grote spelers gemakkelijker geweest zijn om ideeën weg te halen, met name bij kmo's, en ze zonder vergoeding van de bedenkers commercieel te exploiteren. Bovendien kunnen grotere bedrijven in een betere positie verkeren om octrooiportefeuilles op te bouwen en daardoor gemakkelijker over wederkerige licenties onderhandelen, terwijl kleine ondernemingen misschien moeten constateren dat zij in de praktijk over weinig andere wapens dan octrooien beschikken om hun uitvindingen te beschermen, en daar bijgevolg verhoudingsgewijs meer afhankelijk van zijn. Octrooien kunnen ook voor starters in de softwaresector van cruciaal belang zijn om risicokapitaal te verkrijgen. Ze kunnen kmo's beter in staat stellen om met succes deel te nemen aan aanbestedingen, hun introductie op de beurs vergemakkelijken en hun waarde in overnamesituaties vergroten. Veel kmo's zijn zich echter ofwel niet bewust van de octrooieerbaarheid van in computers geïmplementeerde uitvindingen, ofwel zijn ze bezorgd over de mogelijke effecten van octrooien voor dergelijke uitvindingen. De lidstaten zullen moeten uitmaken of de specifieke situatie met betrekking tot octrooien op dit gebied vereist dat specifieke opleidingsinitiatieven worden genomen, met name door hun octrooibureaus. Met het bovenstaande voor ogen heeft de Commissie aan een contractant de opdracht gegeven een onderzoek te verrichten naar de geïnformeerdheid van kmo's over softwareoctrooien en naar mogelijke acties om ze beter te informeren. In het kader van dit onderzoek heeft de contractant een brochure ter informatie van het MKB opgesteld. [45] [45] Zie voetnoot 10. Wat het effect betreft op de sector van de vrije software ('open source software'), die bezwaren heeft geuit tegen de octrooieerbaarheid van in computers geïmplementeerde uitvindingen, is veel van de negatieve commentaar van individuen en kleine ondernemingen gericht tegen octrooien voor in computers geïmplementeerde uitvindingen die een nadelige invloed zouden hebben op de verspreiding ("publicatie") en het gebruik van programma's die op universele computers draaien. Het door EuroLinux gedane alternatieve voorstel voor harmonisatie is niet onverenigbaar met het verlenen van octrooien voor "traditionele uitvindingen die een computerprogramma omvatten, bijvoorbeeld in het geval van de chemische of werktuigbouwkundige industrie". De Europese octrooiwetten voorzien echter in een aanzienlijk aantal mogelijkheden waarvan de sector van de vrije software profijt kan trekken. Daartoe behoren: * voorgebruiksrechten die de uitvinder onder bepaalde omstandigheden toestaan zijn uitvinding verder te gebruiken ondanks het feit dat iemand anders er later octrooi voor heeft verkregen; * bekendmaking of openbaar gebruik van een uitvinding waardoor wordt voorkomen dat een derde die uitvinding later octrooirechtelijk laat beschermen; * de definitie van inbreuk op een octrooi: een programma maakt alleen inbreuk indien het een bepaalde geoctrooieerde functie vervult op de in de octrooiconclusie omschreven wijze; * de oppositieprocedure: wat de details betreft, verschillen de procedures van elkaar, maar alle octrooibureaus (inclusief het EOB) bieden de mogelijkheid om de geldigheid van een octrooi in het kader van formele procedures aan te vechten en/of opmerkingen betreffende de octrooieerbaarheid in te dienen voordat een octrooi wordt verleend. Bovendien kunnen verleende octrooien voor nationale rechtbanken worden aangevochten; * wederkerige licentieverlening, waarbij de houders van twee of meer octrooien elkaar licenties verlenen; in bepaalde omstandigheden kunnen verplichte licenties worden verkregen indien een octrooi niet kan worden geëxploiteerd zonder inbreuk te maken op een vroeger verleend octrooi. - Zijn er bijzondere geografische gebieden van de Gemeenschap waar deze bedrijven voorkomen* Aangezien enerzijds voor de ontwikkeling van software in veel gevallen slechts weinig technologische apparatuur nodig is en anderzijds door internet wereldwijde communicatie- en netwerkvoorzieningen worden geboden, is de geografische locatie in veel gevallen van secundair belang. 3. Wat moeten de bedrijven doen om aan de voorgestelde wetgeving te voldoen* De grotere rechtszekerheid moet voor de ondernemingen een stimulans zijn om intensiever gebruik te maken van octrooien voor in computers geïmplementeerde uitvindingen. Zij moeten echter zelf uitmaken of een in computers geïmplementeerde uitvinding in economisch opzicht voldoende belangrijk is om het op gang brengen van de octrooieringsprocedure te rechtvaardigen. Naarmate de ondernemingen meer gebruik gaan maken van octrooien voor in computers geïmplementeerde uitvindingen, zullen zij ook de octrooien van hun concurrenten in het oog moeten houden om mogelijke inbreuken te ontdekken en te vermijden. Overigens zullen de ondernemingen uit deze waarnemingen belangrijke informatie over nieuwe uitvindingen en misschien ook over de bedrijfsstrategieën van hun concurrenten kunnen afleiden. 4. Welke economische gevolgen zal het voorstel waarschijnlijk hebben* - Voor de werkgelegenheid* De software-industrie levert een belangrijke bijdrage tot de EG-economieën en schept een aanzienlijk en gestadig toenemend aantal hoogwaardige arbeidsplaatsen in de software-industrie zelf alsmede stroomop- en stroomafwaarts. In de vorengenoemde studie waartoe de Business Software Alliance opdracht heeft gegeven [46] wordt geraamd dat de pakketsoftware-industrie in 1996 in West-Europa een omzet van 37,0 miljard dollar heeft gegenereerd en 334 181 arbeidsplaatsen heeft gecreëerd. Uitgaande van een jaarlijkse marktgroei van 10% en een daarmee gepaard gaande stijging van de werkgelegenheid met slechts 5%, mogen tegen het einde van de periode 1996-2001 nog eens 92 283 arbeidsplaatsen worden verwacht, hetgeen neerkomt op een totale werkgelegenheid van 426 464 arbeidsplaatsen en een totaal marktvolume van 59,8 miljard dollar tegen 2001. De uitgevers van pakketsoftware zorgden in 1996 in West-Europa voor een directe werkgelegenheid van 45 388 arbeidsplaatsen. Voor de stroomopwaartse werkgelegenheid lag de raming op 81 016 banen en voor de stroomafwaartse werkgelegenheid op 207 777 banen. Dit waren voorzichtige ramingen. In een studie kwam Datamonitor [47] tot de conclusie dat het aantal werknemers in de pakketsoftwaresector in de landen van West-Europa in de periode van 1999 tot 2003 met 24 à 71% zal stijgen, en gemiddeld met 47%. Een andere conclusie is dat elke arbeidsplaats in de pakketsoftwaresector twee à vier arbeidsplaatsen schept in de stroomafwaartse economie en één in de stroomopwaartse economie. [46] Zie voetnoot 44. [47] Zie voetnoot 2. Het is niet mogelijk met enige zekerheid te voorspellen hoe sterk de werkgelegenheid zal toenemen als gevolg van dit voorstel. Niettemin kan worden gesteld dat de dubbelzinnigheid van de bestaande rechtstoestand alsmede de met dit voorstel aangepakte verschillen in jurisprudentie en bestuursrechtelijke praktijken een nadelige invloed op de innovatie hebben. De kans is ook groter dat deze omstandigheden verhoudingsgewijs een sterkere invloed hebben op kleinere ondernemingen, die misschien niet over de financiële middelen beschikken om grondig juridisch advies in te winnen. Momenteel is circa 75% van de softwareoctrooien in Europa in handen van zeer grote, vaak niet-Europese ondernemingen. De Europese ondernemingen, en met name kmo's, trekken misschien niet ten volle profijt van hun in computers geïmplementeerde uitvindingen vanwege gebrekkige kennis van de juridische mogelijkheden en voordelen van octrooiering, en kunnen bijgevolg niet de maximale omzet en winst realiseren, die op hun beurt nieuwe arbeidsplaatsen zouden kunnen scheppen. Als gevolg van dit voorstel zal een klimaat van grotere rechtszekerheid tot stand worden gebracht waarin de innovatie wordt gestimuleerd, en zal bijgevolg nieuwe werkgelegenheid zal worden gecreëerd. - Voor de investeringen en de oprichting van nieuwe bedrijven* Hoewel de Europese onafhankelijke softwareontwikkelaars nog steeds relatief weinig gebruik maken van octrooien om kapitaal bijeen te brengen en licenties te verlenen, beschouwen steeds meer kleine ondernemingen in de Europese softwaresector, en met name starters, octrooien als een cruciaal onderdeel van hun bedrijfsstrategie, omdat ze een essentiële rol spelen bij het aantrekken van risicokapitaal om in computers geïmplementeerde uitvindingen te ontwikkelen en commercieel te exploiteren, en/of bij het verlenen van licenties aan concurrenten en/of bij het verkopen of in licentie geven van een innovatie aan een grote onderneming. Veel risicokapitaalaanbieders zullen normaliter geen nieuwe ondernemingen steunen die op nieuwe softwareproducten zijn gebaseerd, tenzij er afdoende bescherming wordt geboden, met name door octrooien. Een aanzienlijk aantal ondernemingen zou niet bestaan indien het onmogelijk was geweest om octrooien ter bescherming van hun software-innovaties te verkrijgen. - Voor het concurrentievermogen van de bedrijven* Intern (binnen de EG) zullen Europese kleine onafhankelijke softwareontwikkelaars in staat zijn om doelmatiger met grote spelers te concurreren, omdat de concurrentie wordt gestimuleerd doordat de markttoegang voor kleine innoverende ondernemingen wordt vergemakkelijkt. Doordat er een doeltreffende antitrustregeling bestaat, beschikt men over een belangrijk veiligheidsmechanisme om eventuele misbruiken aan te pakken, bijvoorbeeld indien geoctrooieerde technologie de basis vormt van een norm (bv. een interface of een bestandsformaat). In de toekomst zal het belang van de facto merkgebonden normen misschien verminderen, terwijl de gebruikers van elektronisch zakendoen steeds meer open normen verlangen met het oog op interoperabiliteit tussen ongelijke platforms op internet. Daarentegen kunnen toepassingen die op deze platforms zijn gebouwd, in grote mate merkgebonden blijven. Voorzover merkgebonden normen blijven bestaan, hebben andere industrieën, zoals de elektronica-industrie, getoond dat vrijwillige overeenkomsten zoals octrooigemeenschappen of octrooiplatforms geschikte middelen kunnen zijn voor het beheer van complexe essentiële octrooiportefeuilles die in handen zijn van verschillende bedrijven en die nodig zijn om complexe producten en diensten te creëren. Op internationaal vlak moet het voorstel de concurrentiepositie van de Europese softwarebedrijven verbeteren ten opzichte van onze wereldhandelspartners, de VS en Japan, waar het verlenen van softwareoctrooien algemeen gebruikelijk is. 5. Bevat het voorstel maatregelen om rekening te houden met de bijzondere situatie van kleine en middelgrote ondernemingen (minder zware of andere eisen, enz.)* Gezien de aard en de werkingssfeer van het voorstel is het niet doenbaar te voorzien in uitdrukkelijke maatregelen om kmo's anders te behandelen. Niettemin zouden dergelijke entiteiten in het bijzonder profijt moeten trekken van de grotere rechtszekerheid die uit de tenuitvoerlegging van de richtlijn zal voortvloeien (zie hierboven aan het eind van punt 2 en in punt 4 (vermoedelijke economische gevolgen voor de investeringen en de oprichting van nieuwe bedrijven)). Raadpleging 6. Geef een overzicht van de organisaties die over het voorstel zijn geraadpleegd en zet hun standpunten in grote lijnen uiteen. Het voorstel zelf is niet aan de belanghebbenden voorgelegd daar de Commissie het nog moet goedkeuren. Dat er echter behoefte is aan een initiatief van de Commissie op dit gebied, is tot uiting gekomen tijdens een raadplegingsproces dat de Commissie in 1997 op gang heeft gebracht met het Groenboek over het Gemeenschapsoctrooi en het octrooistelsel in Europa [48]. Het Europees Parlement [49] en het Economisch en Sociaal Comité [50] hebben beide hun steun betuigd voor de octrooieerbaarheid van uitvindingen die computerprogramma's omvatten. Bovendien hadden de belanghebbende kringen sterk aangedrongen op wetgevende maatregelen tijdens conferenties die door het Luxemburgse en het Britse Voorzitterschap in samenwerking met de Commissie werden georganiseerd. Deze conferenties hebben plaatsgevonden in Luxemburg op 25-26 november 1997 [51] en in Londen op 23 maart 1998 [52]. In een mededeling betreffende de follow-up van het groenboek [53] heeft de Commissie de stand van zaken van het raadplegingsproces opgemaakt en verklaard dat de octrooieerbaarheid van computerprogramma's een van de prioritaire thema's was die tijdens dit proces werden aangewezen en waarover de Commissie snel een voorstel moest indienen. Organisaties die de Europese ondernemingen vertegenwoordigen, namelijk de UNICE en de EICTA [54], bleven de Commissie verzoeken op dit gebied een wetgevend initiatief te nemen. De UNICE bijvoorbeeld deed in februari 2000 een nieuwe oproep om snel maatregelen te nemen tot opheffing van de dubbelzinnigheid en de rechtsonzekerheid met betrekking tot de octrooieerbaarheid van in computers geïmplementeerde uitvindingen. Indien niet spoedig maatregelen werden genomen, zou het desbetreffende marktsegment worden gedomineerd door de voornaamste handelspartners van Europa, met name Japan en de VS, waar minder beperkingen golden voor de octrooiering van uitvindingen die verband houden met of berusten op software. [48] COM(1997) 314 def. van 24.6.1997. Het vraagstuk was reeds aan de orde gesteld in de "Vragenlijst betreffende industriële-eigendomsrechten in de informatiemaatschappij" van de Commissie. [49] Resolutie over het groenboek van de Commissie, A4-0384/98, notulen van 19.11. 1998, punt 16, [1999] PB EOB 197. [50] Advies van het Economisch en Sociaal Comité over het groenboek, [27.4.1998] PB C 129, blz. 8, punten 1.14., 6.9.1.1. en 6.9.1.2. [51] Zie punt 11 van de conclusies van deze hoorzitting, PB EOB 1-2/1998, blz. 82. [52] Het programma van de conferentie en de teksten van de daar gehouden toespraken zijn beschikbaar op het adres: http://www.patent.gov.uk. [53] COM(1999) 42 def. van 5.2.1999. [54] Zie b.v. het standpunt van de EICTA op www.eicta.org. De Commissie had ook een vragenlijst rondgestuurd over de belangrijkste punten die in de richtlijn aan bod moesten komen. In dit voorstel werd rekening gehouden met de antwoorden die in 1999 werden ontvangen. De diensten van de Commissie hebben op 15 oktober 1999 in Brussel een vergadering met vertegenwoordigers van de sector van de vrije software georganiseerd [55]. Op 18 november 1999 heeft het Comité van de Regio's zijn advies over het vraagstuk uitgebracht [56]. Zowel EuroLinux als het Comité hebben er hun bezorgdheid over geuit dat softwareoctrooien de vooruitgang van de innovatie op het gebied van software zouden kunnen belemmeren. Met deze bezorgdheid werd in dit voorstel rekening gehouden. [55] De vertegenwoordigers van EuroLinux hebben een niet-officieel, niet-erkend verslag van de vergadering gepubliceerd op de website van de EuroLinux Alliance op http://eurolinux.ffii.org/news/euipCAen.html. [56] Advies van het Comité van de Regio's over 'Het concurrentievermogen van de Europese ondernemingen in de context van de mondialisering - bevordering van het concurrentievermogen', PB C 57 van 29.2.2000, blz. 36 e.v., punten 7.4. en 8.20. De Commissie heeft een onafhankelijke studie over de draagwijdte van de harmonisatie laten uitvoeren [57] in het licht van de recente ontwikkelingen in de Verenigde Staten. Hoewel uit het overleg over het groenboek duidelijk was gebleken dat er behoefte was aan harmonisatie en verduidelijking van de huidige rechtstoestand, had de studie over het economische effect van de octrooieerbaarheid van in computers geïmplementeerde uitvindingen tot doel te helpen bepalen hoever de harmonisatie diende te gaan. Daartoe werd in het kader van de studie nagegaan welke gevolgen het voor de innovatie en de mededinging, met name voor het MKB, zou hebben indien de huidige octrooibescherming zou worden verruimd. Met de resultaten van die studie en van andere relevante economische studies [58] werd in dit voorstel rekening gehouden. [57] Zie voetnoot 11. [58] Ibid. Ten slotte heeft de Commissie tussen oktober en december 2000 een raadpleging gehouden op basis van een document dat aan de lidstaten werd toegezonden en op internet algemeen beschikbaar werd gesteld. In dat document werd gevraagd of er eigenlijk wel behoefte was aan maatregelen op communautair niveau, en zo ja, wat het geschikte niveau van harmonisatie zou zijn. Vervolgens werd in het document een vrij gedetailleerde uiteenzetting gegeven van de huidige stand van de jurisprudentie betreffende de octrooieerbaarheid van in computers geïmplementeerde uitvindingen zoals ze binnen het EOB is vastgesteld, en werd op basis hiervan een aantal zeer specifieke elementen voorgesteld die bij elke harmonisatie op basis van dit status quo in aanmerking zouden kunnen worden genomen. Er werden 1447 afzonderlijke antwoorden ontvangen, die door een contractant werden geanalyseerd en samengevat in een verslag dat ook is gepubliceerd [59]. Ofschoon uit een grote meerderheid van de individuele antwoorden op de raadpleging bleek dat de betrokkenen gekant waren tegen octrooien betreffende software, waren de collectieve antwoorden namens de regionale en sectorale organisaties, die ondernemingen van alle grootten uit het gehele Europese bedrijfsleven vertegenwoordigen, unaniem in hun steun voor snelle maatregelen door de Commissie ongeveer volgens de in het discussiestuk aangegeven krachtlijnen.