Verslag van de Commissie aan de Raad over de resultaten van de toepassing van artikel 12 van Richtlijn 98/56/EG van de Raad van 20 juli 1998 betreffende het in de handel brengen van teeltmateriaal van siergewassen /* COM/2002/0761 def. */
VERSLAG VAN DE COMMISSIE AAN DE RAAD over de resultaten van de toepassing van artikel 12 van Richtlijn 98/56/EG van de Raad van 20 juli 1998 betreffende het in de handel brengen van teeltmateriaal van siergewassen In artikel 12, lid 1, laatste alinea, van Richtlijn 98/56/EG van de Raad van 20 juli 1998 betreffende het in de handel brengen van siergewassen is het volgende bepaald: "De Commissie legt vóór 31 december 2002 aan de Raad een verslag voor over de werking van deze controleregelingen, samen met eventuele voorstellen, die, indien daartoe aanleiding bestaat, voorstellen kunnen omvatten om vereisten van deze richtlijn te laten vervallen voor de detailhandel". Het verslag heeft ten doel de resultaten van de toepassing van de in artikel 12, lid 1, van de richtlijn voorgeschreven controles te evalueren en voorstellen ter verbetering van het functioneren van de regeling te formuleren. 1. Inleiding Op grond van artikel 12 moeten de lidstaten eisen dat leveranciers [1] alle nodige maatregelen treffen om te waarborgen dat aan de vereisten van de bovengenoemde richtlijn betreffende het in de handel brengen van teeltmateriaal van siergewassen wordt voldaan. [1] Leverancier (in de zin van artikel 2, lid 2, van de richtlijn): elke natuurlijke of rechtspersoon die beroepshalve teeltmateriaal in de handel brengt of invoert. Daartoe zorgen de lidstaten ervoor dat teeltmateriaal officieel wordt geïnspecteerd om na te gaan of aan de vereisten wordt voldaan. Twee minimumvoorwaarden moeten daarbij worden vervuld: - er moeten ten minste steekproefsgewijze inspecties worden uitgevoerd; - er moeten ten minste bij het in de handel brengen inspecties worden verricht bij personen die zich beroepshalve bezighouden met de productie of verkoop van siergewassen of teeltmateriaal. De lidstaten kunnen ook monsters nemen om na te gaan of aan de vereisten wordt voldaan. Bij de uitvoering van het toezicht en de controle moeten de verantwoordelijke officiële instanties op alle redelijke tijdstippen vrije toegang hebben tot alle delen van de vestigingen van de leveranciers. Om de Commissie in staat te stellen een omvattend en actueel verslag aan de Raad voor te leggen, is een specifieke vragenlijst aan de lidstaten gezonden. Vragen en antwoorden zijn in samenwerking met deskundigen van de lidstaten onderzocht. Hierna volgt een evaluatie van de mate waarin aan de twee bovengenoemde minimumvoorwaarden is voldaan. In aansluiting hierop wordt in de bijlage aanvullende informatie verstrekt. 2. Algemene informatie Alle lidstaten hebben Richtlijn 98/56/EG toegepast. In alle lidstaten is een instantie opgericht of aangewezen als officiële instantie die verantwoordelijk is voor kwaliteitsvraagstukken (hierna "officiële instantie" te noemen). De voorschriften van de richtlijn zijn in nationaal recht omgezet. Organisatorische opzet van de verantwoordelijke officiële instantie Het aantal medewerkers (inspecteurs en administratief personeel in voltijdequivalenten) in dienst bij de officiële instantie overeenkomstig Richtlijn 98/56/EG en de uitvoeringsbepalingen ervan staat in verhouding tot de waarde van het teeltmateriaal van siergewassen in de betrokken lidstaat. De inspecteurs moeten houder zijn van een hogeschooldiploma (landbouw- of tuinbouwwetenschappen of een daaraan verwante tak van de biologie). Wanneer een beroep gedaan wordt op hulpkrachten, moeten deze in het bezit zijn van het getuigschrift van een landbouwschool of van een soortgelijke technische kwalificatie. In de meeste lidstaten worden de medewerkers voor hun taak opgeleid en volgen zij algemene en technische bijscholingscursussen. 3. Uitvoering van inspecties (artikelen 12 en 13) De officiële instantie van de lidstaat stelt jaarlijks met het oog op de inspecties een werkprogramma op dat op gezette tijden herzien wordt. Gewoonlijk vindt een interne of externe evaluatie van de werkzaamheden van de officiële instantie plaats. In de meeste lidstaten gebruiken de inspecteurs een handleiding voor de inspecties. Geregistreerde leveranciers worden geregeld gecontroleerd om na te gaan of het teeltmateriaal aan de voorschriften voldoet (artikelen 6 tot en met 9). De inspecteurs beoordelen meestal hoe leveranciers kritische punten in het productieproces die de kwaliteit van het materiaal beïnvloeden (met name gezondheid van het materiaal en uiterlijke kwaliteitskenmerken) identificeren en controleren. Zij verifiëren ook de door de leveranciers bijgehouden controlegegevens en gaan na hoe en waarom monsters genomen zijn en hoe erop toegezien wordt dat partijen teeltmateriaal gedurende het productieproces afzonderlijk identificeerbaar blijven. Wanneer materiaal in de handel gebracht wordt, vergewissen de inspecteurs zich er bovendien van of de voorschriften inzake het bijhouden van gegevens, etikettering en aanduiding van het ras in acht genomen worden en of het teeltmateriaal in identificeerbare partijen in de handel gebracht worden. Zo nodig worden bij de inspecties monsters genomen, vooral om na te gaan of het materiaal gezond is (opsporing van voor de kwaliteit schadelijke organismen waarvoor geen quarantaine geldt). Minder vaak is het nodig kwaliteitsaspecten, zoals de identiteit van het teeltmateriaal, te controleren. De meeste officiële instanties gebruiken een handleiding voor het nemen van monsters. Wanneer, zoals in Richtlijn 2000/29/EG [2] aangegeven is, een schadelijk organisme op het bedrijf van een leverancier daadwerkelijk voorkomt of zijn aanwezigheid vermoed wordt, moet de leverancier dit aan de verantwoordelijke officiële instantie melden en de door deze instantie opgelegde maatregelen ten uitvoer brengen. Wanneer bij een officiële inspectie symptomen of aanwijzingen van schadelijke organismen worden ontdekt, informeren de inspecteurs zowel de verantwoordelijke officiële instantie als de leverancier over de te nemen maatregelen. Zo nodig, (wanneer voor de kwaliteit van het teeltmateriaal schadelijke organismen inderdaad aanwezig blijken te zijn) volgt een tweede inspectie. [2] Richtlijn 2000/29/EG van de Raad van 8 mei 2000 betreffende de beschermende maatregelen tegen het binnenbrengen en de verspreiding in de Gemeenschap van voor planten en voor plantaardige producten schadelijke organismen. 4. Personen die zich niet beroepshalve met siergewassen bezighouden Ten aanzien van kleinhandelaren en andere personen die zich niet beroepshalve met siergewassen bezighouden, hebben de lidstaten uiteenlopende uitvoeringsmaatregelen vastgesteld. Deze maatregelen waren afdoende om problemen terzake te voorkomen. Kleinhandelaren en andere personen die zich niet beroepshalve met siergewassen bezighouden, worden langs verscheidene wegen over de voorschriften van de richtlijn geïnformeerd, meer in het bijzonder via instructies of circulaires over gewassen, rechtstreekse voorlichting aan verschillende organisaties (zoals bijvoorbeeld beroepsorganisaties), publicaties in tijdschriften voor producenten, bezoeken door inspecteurs, toezending van informatie op aanvraag. Bij detailhandelaren en andere personen die zich niet beroepshalve met siergewassen bezighouden, worden officiële inspecties ter plaatse verricht; bij reclames van klanten worden vervolginspecties uitgevoerd. Hoewel in vier lidstaten normaal geen inspecties op grond van de richtlijn worden verricht bij detailhandelaren of andere personen die zich niet beroepshalve met siergewassen bezighouden, wordt op hun activiteiten toch toezicht uitgeoefend in het kader van het handelsrecht. De inspecteurs kunnen monsters nemen wanneer zij aan de kwaliteit van het materiaal twijfelen. Indien daarbij materiaal gevonden wordt dat niet aan de vereisten voldoet, wordt de oorsprong ervan gewoonlijk nagespoord tot de leverancier. Meestal worden monsters genomen bij bloemzaad, bloembollen en jonge planten, vooral rozen. Slechts in een gering aantal gevallen zijn ze niet in overeenstemming met de voorschriften bevonden. Artikel 12 van de richtlijn vormt de rechtsgrondslag voor het toezicht op de hele bedrijfskolom voor teeltmateriaal van siergewassen. De documenten die op grond van artikel 8 het teeltmateriaal tot bij de kleinhandelaren moeten vergezellen, maken een snelle en betrouwbare tracering mogelijk in de weinige gevallen waarin zich een probleem voordoet. Uiteraard heeft de regeling ten doel toe te zien op het in de handel brengen van vooral voor commerciële doeleinden bestemd teeltmateriaal van siergewassen. Uit de verstrekte gegevens blijkt echter dat zich slechts weinig problemen voorgedaan hebben met materiaal dat aan de eindverbruiker voor eigen gebruik verkocht is en dat op dergelijke transacties wordt toegezien overeenkomstig het bepaalde in Richtlijn 98/56 of in het kader van het algemene handelsrecht. De consument is derhalve afdoende beschermd. 5. Conclusies en voorstellen Richtlijn 98/56/EG van de Raad betreffende het in de handel brengen van teeltmateriaal van siergewassen heeft een aantal nieuwigheden gebracht in vergelijking met de vorige regelgeving op dat gebied en de overige voorschriften voor de afzet van zaaigoed en teeltmateriaal. Meer in het bijzonder: - moeten de leveranciers van teeltmateriaal er voortaan zelf voor zorgen dat hun producten aan de vereisten van de richtlijn voldoen; - moet de bevoegde instantie van de lidstaat erop toezien dat de leveranciers aan deze voorwaarden voldoen; - worden Gemeenschapsvoorschriften voor alle geslachten en soorten siergewassen in de Gemeenschap vastgesteld (behalve die welke vallen onder Verordening (EG) nr. 338/97 van de Raad van 9.12.1996 inzake de bescherming van in het wild levende dier- en plantensoorten door controle op het desbetreffende handelsverkeer); - hebben de lidstaten enige moeilijkheden bij de omzetting van de richtlijn ondervonden omdat de reorganisatie van de diensten en de opleiding van het personeel tijd vergen. Een bijzonder probleem was de te late omzetting van de richtlijn (gemiddeld 6,5 maanden). Derhalve moet het mogelijk zijn de maatregelen en controleregelingen die zijn ingevoerd om op middellange termijn (5 jaar) aan de vereisten van de richtlijn te voldoen, omvattend en afdoender te evalueren. Het voorliggende verslag, dat in nauwe samenwerking met de officiële instanties van de lidstaten is voorbereid, moet derhalve als een voorlopige evaluatie worden beschouwd. Uit de in de eerste toepassingsperiode opgedane ervaring blijkt dat de belangrijkste onderdelen van de richtlijn zijn uitgevoerd (b.v. aanwijzing van officiële instanties, administratieve en technische procedures). Op dit gebied kan de mate van harmonisering tussen de lidstaten aanvaardbaar worden geacht. Hoewel vanaf de toepassing van de richtlijn zeer weinig problemen zijn vastgesteld of aan de officiële instanties zijn gemeld, wijst het feit dat ze voorkomen, er toch op dat een aantal technische aspecten van de voorschriften waaraan de leveranciers van teeltmateriaal moeten voldoen, nog verbeterd kunnen worden (b.v. onderkenning en controle van kritische punten, etikettering, identificatie, gezondheid en uiterlijke kwaliteit van het teeltmateriaal). Of er inderdaad sprake is van verbeteringen, kan onder andere aan de hand van proeven en tests worden beoordeeld. Overeenkomstig artikel 14 van de richtlijn zorgt de Commissie er verder voor dat regelingen worden getroffen voor coördinatie en uitvoering van en toezicht op proeven en tests, alsmede eventueel voor de financiering ervan [3]. De tests en proeven hebben ten doel de methoden voor het onderzoek van teeltmateriaal te harmoniseren en ervoor te zorgen dat het teeltmateriaal aan de eisen en voorwaarden van de richtlijn beantwoordt. De nog volgens de voorschriften van de vroegere richtlijn 91/682/EEG uitgevoerde tests en proeven op rozen, anjers en Pelargonium hebben interessante resultaten opgeleverd die in het bevoegde permanent comité besproken zijn en waardoor het onderlinge vertrouwen tussen de lidstaten toegenomen is. [3] De Commissie heeft een voorstel (2002/0232(CNS)) tot wijziging van de betrokken richtlijnen ingediend om met het oog op de transparantie een duidelijke rechtsgrond voor het verlenen van een financiële bijdrage van de Gemeenschap tot stand te brengen. De belangrijkste conclusies luiden als volgt: - De lidstaten moeten verder streven naar een verbetering van de controleregeling door controles ter plaatse, monsternemingen en tests uit te voeren om na te gaan of de voorschriften in acht genomen zijn; - de lidstaten moeten de leveranciers er verder toe aanzetten nog meer moeite te doen om hun nieuwe rol volledig te begrijpen en om de kwaliteit van teeltmateriaal voor de productie van siergewassen, die een belangrijke plaats in de landbouw van de Gemeenschap inneemt, te verbeteren; - de officiële instanties van de lidstaten zijn van oordeel dat de voorschriften met betrekking tot de detailhandel belangrijk zijn voor de bescherming van de eindverbruiker, zowel uit economisch oogpunt, d.w.z. dat hem rasechte producten geleverd worden (vertrouwen in de markt en economische bescherming van de verbruiker), als uit fytosanitair oogpunt en met het oog op de praktische handelwijze om gezond materiaal te verkrijgen. Ingevolge het algemene advies van de officiële instanties stelt de Commissie voor alle in artikel 12 vastgestelde voorschriften voor de toepassing van de controleregeling te handhaven, alsook de voorschriften voor de detailhandel die met het oog op de transparantie essentieel worden geacht en waardoor de consument die zich beroepshalve of als amateur met siergewassen bezighoudt, hoogwaardig, rasecht en gezond materiaal ontvangt. BIJLAGE 1. Tests en proeven (artikel 14) In de meeste lidstaten waar de teelt van siergewassen een belangrijke economische activiteit is, worden overeenkomstig artikel 14 op bij vermarkte producten genomen monsters proeven of tests uitgevoerd om na te gaan of ze aan de kwaliteitsvoorschriften voldoen. De monsters worden onderzocht door een officiële instelling die ofwel de aangewezen instantie is die bevoegd is voor de in de richtlijn vastgestelde kwaliteitseisen, ofwel een daartoe gecontracteerde instelling is. Gewoonlijk hanteren de voor de tests en proeven verantwoordelijke instellingen een kwaliteitssysteem. Bij slechts een gering aantal van de genomen monsters zijn kwaliteitsproblemen aan het licht gekomen. Fytosanitaire problemen kwamen het meeste voor bij rozen, Pelargonium, meerjarige gewassen en bloembollen (b.v. Narcissus, Freesia, Lilium). De meest voorkomende schadelijke organismen zijn virussen (vooral mozaïekvirussen), bacteriën (Agrobacterium en Xanthomonas), schimmels (Botrytis, Fusarium, Verticillium) en insecten (vooral tripsen en bladmineerders). De overige kwaliteitsproblemen hadden meestal betrekking op de identiteit, onjuiste benamingen en onvoldoende rasechtheid en kwamen voor bij rozen, meerjarige gewassen (b.v. Hosta en Hemerocallis) en uit gekweekte bloemen. 2. Corrigerende maatregelen voor teeltmateriaal van siergewassen (artikel 13) Ten gevolge van inspecties of tests en proeven: De vereiste corrigerende maatregel wordt bepaald door de ernst/complexiteit van het probleem. In eenduidige gevallen kan de inspecteur die het bedrijf bezoekt, onmiddellijk de nodige aanwijzingen geven. Voor gecompliceerdere problemen, waarvoor vervolgcontroles nodig zijn (b.v. nieuwe schadelijke organismen, overtredingen), wordt de zaak overgegeven aan inspecteurs met een hogere rang, die desnoods het hoofdbureau raadplegen (hoofdinspecteurs en collega's) om geëigende maatregelen te treffen. Ten gevolge van reclames van klanten: De officiële instantie verlangt van leveranciers die in dezelfde lidstaat gevestigd zijn, dat zij onmiddellijk corrigerende maatregelen treffen. Wanneer de leverancier in een andere lidstaat gevestigd is, informeert zij de officiële instantie in de lidstaat van de betrokken leverancier. De officiële instantie gaat na of de reclames over de kwaliteit van het teeltmateriaal inderdaad verband houden of veroorzaakt zijn door dit materiaal, zoals het geleverd is. Wanneer blijkt dat materiaal met een onjuiste identiteit geleverd werd of de gezondheid of kwaliteit ervan te wensen overliet, worden leverancier en klant daarvan in kennis gesteld. De leverancier moet dan de nodige maatregelen treffen om het probleem op te lossen en krijgt het nodige advies om herhaling van het probleem te voorkomen. Er dient op gewezen te worden dat de officiële instanties slechts een zeer gering aantal reclames van klanten ontvangen hebben die corrigerende maatregelen noodzakelijk maakten. De meeste reclames gaan over het ontbreken van begeleidende documenten of door kwekers/klanten voorgelegde documenten waaruit niet kon worden opgemaakt of de leverancier een geregistreerde kwekerij was. In een aantal gevallen zijn kwaliteitsproblemen aan de orde, zoals de gezondheid van het plantmateriaal, en klachten over de geringe groei van de wortelstok of de slechte kwaliteit van stekken of jonge kweekplanten. Het gaat daarbij vooral om rozen, Pelargonium, Prunus spp. en bloembollen. Meestal worden de volgende maatregelen voorgesteld: behandeling tegen schadelijke organismen, het uit de markt nemen van materiaal, vernietiging, verbetering van het interne kwaliteitssysteem, verbetering van de etikettering van het materiaal en bijscholing van de betrokkenen. De officiële instantie voert de nodige inspecties en controles uit om na te gaan of de corrigerende maatregelen ten uitvoer zijn gelegd. 3. Traceerbaarheid Registratie van leveranciers (artikel 6) Om de leveranciers doeltreffend te kunnen traceren (in beide richtingen), moeten zij zich overeenkomstig artikel 6 van de richtlijn laten registreren. Om de leveranciers op dezelfde wijze te kunnen traceren, hebben de officiële instanties registratieformulieren opgesteld. Daarin zijn de volgende gegevens opgenomen: - Naam en relevante adressen van de leverancier (kantoren, bedrijfspanden); - Beschrijving van de werkzaamheden (teelt, behandeling, verkoop van materiaal); - Beschrijving van gewassen, productieplaatsen; - Jaarlijkse gegevens over bedrijfspanden, geteelde rassen/partijen en oorsprong van het teeltmateriaal; - Administratieve verplichtingen (gewasbeschermingsregister, aankoop- en verkoopregister); - Behoorlijke identificatie van het materiaal in de kwekerij. In de eerste plaats moeten leveranciers zich ervan vergewissen dat zij in staat zijn aan de vereisten van de richtlijn te voldoen. Dan wordt hun een registratienummer toegekend. Voor bedrijven die reeds erkend zijn op grond van Richtlijn 91/682, kan dit registratienummer hetzelfde zijn als het vroegere erkenningsnummer. Hetzelfde geldt voor leveranciers die op grond van Richtlijn 2000/29/EG geregistreerd zijn (zoals bepaald is in artikel 6, lid 1). Zo nodig, stelt de officiële instantie door telefonisch contact of een bezoek aan het bedrijf vast of de aanvrager in staat is aan de voorschriften van de richtlijn te voldoen. In de meeste lidstaten geldt de registratie voor onbepaalde tijd. In andere lidstaten geldt ze voor een jaar en wordt ze automatisch verlengd, voorzover aan bepaalde voorwaarden voldaan is. In bepaalde omstandigheden kan de registratie worden ingetrokken. De inspecteurs werken nauw samen met het bedrijfsleven om zoveel mogelijk een situatie voorkomen waarin de standaards zo verslechteren dat een schorsing of herroeping van de registratie noodzakelijk wordt. Een schorsing kan worden overwogen wanneer het gaat om een ernstige, maar tijdelijke overtreding van de voorschriften van de richtlijn. De inspecteur of de officiële instantie kan de leverancier een vermaning geven en de inspecteur gaat dan na of de standaards/procedures verbeterd werden. Herroeping wordt slechts in het uiterste geval overwogen, zoals bij opzettelijke niet-inachtneming van de voorschriften van de richtlijn, waarbij er weinig kans op beterschap is. De autoriteiten kunnen inzage nemen van de geregistreerde gegevens, maar gewoonlijk zijn ze niet beschikbaar voor het publiek. In de meeste lidstaten is de lijst van de geregistreerde leveranciers (registratienummer, naam, adres) echter rechtstreeks of op aanvraag toegankelijk voor het publiek. Door de leveranciers getroffen maatregelen (artikel 7) Doorgaans passen de leveranciers de in artikel 7 van de richtlijn vastgestelde maatregelen naar behoren toe. Wanneer de leveranciers twijfelen aan de gezondheid van het materiaal, nemen ze monster voor analyse in een erkend laboratorium. In de meeste lidstaten zijn deze laboratoria officiële laboratoria of officieel erkende laboratoria en werken ze volgens een kwaliteitssysteem. De leveranciers zien erop toe dat de partijen teeltmateriaal gedurende het productieproces afzonderlijk identificeerbaar blijven doordat gegevens in het productieregister bijgehouden worden, het teeltmateriaal gedurende het hele productieproces van een etiket voorzien wordt, de partijen fysiek gescheiden worden en een grondplan van de kwekerij of kas wordt opgesteld. De leveranciers moeten de officiële instantie onmiddellijk waarschuwen wanneer schadelijke organismen die voorkomen op de lijst van de Richtlijn 2000/29/EG, worden aangetroffen. De officiële instanties melden dat ze slechts weinig reclames van klanten over het niet uitvoeren van de voorgeschreven controles ontvangen hebben. De ontvangen reclames hebben meer in het bijzonder betrekking op identiteitsproblemen, de gezondheid van het plantgoed en de externe kwaliteit van het teeltmateriaal bij rozen, Pelargonium en meerjarige gewassen. Zo nodig, past de officiële instantie geëigende vervolgmaatregelen toe (bv. toezicht op de kwekerij, nasporing van de oorsprong). TOELICHTING In artikel 12, lid 1, laatste alinea, van Richtlijn 98/56/EG van de Raad van 20 juli 1998 betreffende het in de handel brengen van siergewassen is het volgende bepaald: "De Commissie legt vóór 31 december 2002 aan de Raad een verslag voor over de werking van deze controleregelingen, samen met eventuele voorstellen, die, indien daartoe aanleiding bestaat, voorstellen kunnen omvatten om vereisten van deze richtlijn te laten vervallen voor de detailhandel". Het verslag heeft ten doel de resultaten van de toepassing van de in artikel 12, lid 1, van de richtlijn voorgeschreven controles te evalueren en voorstellen ter verbetering van het functioneren van de regeling te formuleren. Om de Commissie in staat te stellen een omvattend en actueel verslag aan de Raad voor te leggen, is een specifieke vragenlijst aan de lidstaten gezonden. Vragen en antwoorden zijn in samenwerking met deskundigen van de lidstaten onderzocht. Hierna volgt een evaluatie van de mate waarin aan de twee bovengenoemde minimumvoorwaarden is voldaan. In aansluiting hierop wordt in de bijlage aanvullende informatie verstrekt.