52002DC0408

Mededeling van de Commissie aan de Raad en het Europees Parlement - De samenwerking op energiegebied met de ontwikkelingslanden /* COM/2002/0408 def. */


MEDEDELING VAN DE COMMISSIE AAN DE RAAD EN HET EUROPEES PARLEMENT - De samenwerking op energiegebied met de ontwikkelingslanden

Inleiding

Tijdens de Wereldtop die in augustus/september 2002 zal plaatsvinden in Johannesburg ("Rio + 10") zal de kwestie van de duurzame ontwikkeling voor de eerste maal vanuit een wereldwijd perspectief benaderd worden. Energie zal daarbij een belangrijke plaats innemen, vanwege de centrale rol ervan in de drie dimensies van de duurzame ontwikkeling: de sociale dimensie, de economische dimensie en de milieudimensie. Binnen de specifieke context van energie en ontwikkeling gaat het in wezen om het aanbieden van energiediensten en een continue en betaalbare energievoorziening voor de bestrijding van armoede en economische ontwikkeling en om schone en veilige energietechnologie als middel om klimaatverandering, luchtverontreiniging in de steden en andere risico's voor de menselijke gezondheid en het milieu aan te pakken.

Aan het belang van energie is lange tijd voorbijgegaan, maar de laatste jaren - met name in het kader van de werkzaamheden ter voorbereiding van de Wereldtop van Johannesburg - wordt energie steeds meer als een wezenlijk element van het debat over de duurzame ontwikkeling beschouwd. De Conferentie van Johannesburg zou in dit verband als een "inhaalslag" kunnen functioneren, in die zin dat energie erkend wordt als een belangrijke factor in het kader van de duurzame ontwikkeling. De Europese Raad van Sevilla (21-22 juni 2002) heeft benadrukt dat de Europese Unie zich zal inzetten voor het welslagen van de Top van Johannesburg en voornemens is initiatieven aan te moedigen, in het bijzonder op energiegebied, met inbegrip van het segment hernieuwbare energie.

Met de ervaring en de steun van de Europese Unie kan de totstandkoming van een duurzame energiesector in de ontwikkelingslanden bevorderd worden. Een goed energiebeleid is immers van vitaal belang voor het verwezenlijken van de millenniumdoelstellingen voor ontwikkeling (Millennium Development Goals) [1]. Tevens houdt energie direct of indirect verband met elk van de zes prioritaire gebieden van het communautair ontwikkelingsbeleid [2]. Daarnaast bestaat er een nauwe relatie tussen de continuïteit van de energievoorziening van de Unie en die van de ontwikkelingslanden, en die wederzijdse afhankelijkheid zal in de toekomst alleen maar toenemen, als gevolg van de verwachte toename van het verbruik van fossiele brandstoffen en de verslechtering van de situatie op milieugebied, waarbij in de eerste plaats gedacht moet worden aan klimaatverandering en luchtverontreiniging.

[1] De "Millennium Development Goals" omvatten de volgende zeven doelstellingen: (1) extreme armoede en honger met de helft verminderen, (2) universeel basisonderwijs garanderen, (3) de gelijkheid van vrouwen en mannen bevorderen, (4) de kindersterfte terugdringen, (5) de gezondheid van de moeder verbeteren, (6) aids en andere epidemieën bestrijden, (7) ecologische duurzaamheid waarborgen. Er bestaat een duidelijk verband tussen deze doelstellingen en de toegang tot basisdiensten op energiegebied.

[2] Hoofddoelstelling van het communautair ontwikkelingsbeleid is de bestrijding van de armoede (zie COM (2000) 212). De zes prioritaire gebieden van het communautair ontwikkelingsbeleid zijn: (1) koppeling tussen handel en ontwikkeling, (2) steun voor regionale integratie en samenwerking, (3) steun voor macro-economisch beleid, (4) vervoer, (5) voedselveiligheid en duurzame plattelandsontwikkeling, (6) versterking van de institutionele capaciteit, met name met betrekking tot goed openbaar bestuur en de rechtsstaat.

Energie vormt dus de verbindende schakel tussen drie essentiële aandachtsgebieden (terugdringen van de armoede, de continuïteit van de energievoorziening en de bescherming van het milieu) en dient op basis van die drie dimensies geïntegreerd te worden in de bestaande instrumenten voor samenwerking: het ontwikkelingsbeleid, het energiebeleid en het milieubeleid, maar ook het onderzoeksbeleid.

De vraag is: hoe kan, in het belang van de burgers en ten behoeve van het goed functioneren van de economie, gezorgd worden voor de permanente materiële beschikbaarheid van energieproducten op de markt tegen stabiele prijzen die voor alle consumenten betaalbaar zijn? Deze mededeling is bedoeld om in het perspectief van de Top van Johannesburg en de periode daarna de gedachten te bepalen met betrekking tot dit vraagstuk. Er wordt een kader voor samenwerking voorgesteld dat is gebaseerd op het beginsel van toe-eigening ("ownership") van de eigen ontwikkeling, en in het verlengde daarvan worden concrete aanbevelingen gedaan om energie beter te integreren in het concept van duurzame ontwikkeling. Het Initiatief voor energie van de Europese Unie, dat in Johannesburg gepresenteerd zal worden, staat centraal bij deze concrete voorstellen voor samenwerking.

A) De feiten

De ongelijke verdeling van energie - Op dit moment hebben bijna twee miljard mensen in de wereld - hoofdzakelijk in gebieden rondom de steden en in geïsoleerde plattelandsgebieden - geen toegang tot basisdiensten op energiegebied [3]. Dat is de paradox van de energievoorziening die het begin van de 21e eeuw kenmerkt. Deze ongelijke verdeling van energie treft vooral Afrika, waar tweederde van de bevolking grotendeels afhankelijk is van traditionele biomassa [4] om in de energiebehoefte te voorzien [5]. Een niet-rationeel gebruik van biomassa heeft desastreuze gevolgen voor de gezondheid en het milieu. Energievoorziening en -gebruik zijn ook sterk seksegebonden. Vrouwen dragen vaak de last van op overleven gerichte werkzaamheden zoals het verzamelen van biomassa en het gebruik daarvan als brandstof bij het koken - met alle gezondheidsproblemen door verontreiniging van het binnenklimaat vandien - terwijl de beschikbaarheid van moderne energiediensten deze sleur zou kunnen doorbreken.

[3] Onder basisdiensten op energiegebied wordt verstaan de toegang tot elektriciteit voor verlichting, koelkast, telefoon, radio en televisie, alsmede tot vaste brandstoffen, kerosine of aardgas om te koken en voor verwarming.

[4] "Traditionele biomassa" omvat brandhout, bijproducten van de landbouw, dierlijk afval, houtskool, enz.

[5] Behalve in Zuid-Afrika maakt traditionele biomassa in de Afrikaanse landen ten zuiden van de Sahara meer dan tweederde uit van het totale energieverbruik. Bron: "Energy as a Tool for Sustainable Development for ACP countries", 1999, Europese Commissie en UNDP.

De toegang tot energie: energie als conditio sine qua non voor de bestrijding van de armoede - Het recht op ontwikkeling impliceert toegang tot basisdiensten op energiegebied. Energie als middel speelt een rol in alle sleutelsectoren van de ontwikkeling, of het nu gaat om watervoorziening, gezondheidszorg, koeling van voedingsmiddelen, verlichting en verwarming in huis, vervoer, landbouw, industriële productie of de moderne communicatiemiddelen. Immers, om een beroemde uitspraak te parafraseren: is ontwikkeling niet democratie gecombineerd met elektriciteit?

Toegang tot betrouwbare duurzame energie van hoge kwaliteit is van wezenlijk belang, niet alleen voor degenen die momenteel van energiediensten verstoken zijn, maar ook voor de toekomstige groei van de productiviteit en de economische ontwikkeling die nodig is om het hoofd te bieden aan de verwachte bevolkingsgroei en verstedelijking. Daar waar energie ontbreekt, kan armoede zich ontwikkelen, en zo ontstaat een vicieuze cirkel van energietekort en armoede. In dat opzicht vormt de kwestie van de toegang tot energie tevens een ethisch vraagstuk, dat met name in de minst ontwikkelde landen zorgen baart. Een van de meest zekere manieren om die vicieuze cirkel te doorbreken is ongetwijfeld het bevorderen van de toegang tot kennis - onderwijs en scholing dus. Wat dit betreft vormen nieuwe technologieën en de informatiemaatschappij een kans die de ontwikkelingslanden niet onthouden mag worden. Energie speelt in dit verband een essentiële rol, en het is dan ook dringend noodzakelijk het energietekort te bestrijden om te voorkomen dat wat nu een kans is, zich uiteindelijk vertaalt in een nieuwe kloof tussen Noord en Zuid.

Afgezien van het milieuvraagstuk is energie net als water een heel bijzonder goed. Energie, en met name elektriciteit, speelt een wezenlijke rol op het gebied van de ruimtelijke ordening, en juist op dat punt is de situatie in de ontwikkelingslanden bijzonder problematisch: de exodus van het platteland naar de steden dient een halt te worden toegeroepen, daar die de oorzaak is van extreme armoede. Zoals in de oertijd het beheersen van het vuur vooruitgang heeft gebracht, zo dient thans de toegang tot duurzame energie vooruitgang te brengen met betrekking tot de economische en sociale cohesie.

Het mondiale karakter van de energiemarkten - en van de implicaties van energiegebruik. De negatieve effecten van de volatiliteit van de internationale energiemarkten doen zich in sterke mate gelden in de ontwikkelingslanden, met name in de landen die netto-importeurs van olie zijn. Die landen hebben het meest te lijden van de stijgende olieprijzen [6] en een aantal daarvan besteedt tot 50% van zijn handelsoverschot aan de import van energie. Zo ondervinden de ontwikkelingslanden ook als eerste de gevolgen van de klimaatverandering (droogte, overstromingen, orkanen, enz.), terwijl ze slechts een relatief beperkt aandeel hebben in de wereldwijde uitstoot van CO2 (37%) [7]. De meeste grote natuurrampen van de laatste jaren (orkaan Mitch, overstromingen in Bangladesh, droogte in de Hoorn van Afrika) hebben zich voorgedaan in de minst ontwikkelde regio's op aarde. En zo worden ook vooral de talloze ministaatjes in de Stille Oceaan bedreigd door de onomkeerbare stijging van het zeeniveau. De ontwikkelingslanden zijn in zekere zin het slachtoffer van de energiestructuren van de 20e eeuw; paradoxaal genoeg moet hun een hoofdrol toebedeeld worden met betrekking tot de ontwikkelingen op energiegebied in de XXIe eeuw.

[6] Berekeningen van de OESO geven aan dat een stijging van de olieprijzen met 10 dollar in een jaar zou leiden tot 0,2% minder groei in de EU. Dit neerwaartse effect zou 5 tot 10 maal sterker zijn in de van energie-import afhankelijke ontwikkelingslanden.

[7] Bron: Europese Commissie, Jaarverslag Energie, 2001.

De heterogeniteit van de ontwikkelingslanden - Het is moeilijk in dit verband te spreken over "de ontwikkelingslanden", niet alleen omdat onduidelijk was wat precies onder die term moet worden verstaan [8], maar ook omdat deze landen wat de energiesituatie betreft onderling zeer sterk van elkaar verschillen. Sommige landen zijn netto-importeurs van energie, andere zijn netto-exporteurs en weer andere zijn in de eerste plaats doorvoerlanden. Er bestaat een groot verschil tussen de netto-importeurs van olie en de bruto-exporteurs. Bovendien verschilt de energiemix aanzienlijk van land tot land.

[8] De bestaande terminologie op dit gebied is afkomstig van de Verenigde Naties en de DAC van de OESO.

Het Middellandse-Zeegebied is een treffend voorbeeld van deze diversiteit op energiegebied: in een en dezelfde regio bevinden zich hier landen die energie produceren en exporteren, zoals Algerije en Egypte, landen die voor hun energievoorziening van het buitenland afhankelijk zijn, zoals Libanon, en doorvoerlanden als Marokko. Vanwege deze heterogeniteit is iedere benadering die erop gericht is hetzelfde "recept" in alle ontwikkelingslanden toe te passen tot mislukken gedoemd. Hoe complex de situatie op energiegebied in de ontwikkelingslanden is, blijkt ook uit het feit dat rijkdom aan energiegrondstoffen bepaald niet altijd een garantie vormt tegen onderontwikkeling en armoede. Het voorbeeld van de landen die afhankelijk zijn van de export van één enkel product (Venezuela, Algerije, Nigeria) spreekt wat dat betreft boekdelen.

Een belangrijk voorbeeld van de grote verschillen in energiesituatie binnen de ontwikkelingswereld is ook de positie van de Minst Ontwikkelde Landen (LDC). Deze worden namelijk gekenmerkt door een zeer beperkte toegang tot adequate energiediensten. Daardoor zijn zij in sterke mate aangewezen op het gebruik van biomassa (hoofdzakelijk voor koken en verwarming); het verzamelen van brandstof brengt veel werk met zich mee, met name voor vrouwen en kinderen, de kwaliteit van de binnenlucht heeft te lijden van het gebruik van deze energiebron en in veel gevallen wordt niet duurzaam omgesprongen met de natuurlijke hulpbronnen.

De grote verschillen tussen de energiesituatie in de EU en die in de ontwikkelingslanden - Vergeleken met de landen in de EU kennen de ontwikkelingslanden een zeer sterke bevolkingsgroei, een matig energieverbruik en een laag niveau van energie-efficiëntie. Het gemiddeld elektriciteitsverbruik per hoofd van de bevolking is in de ontwikkelingslanden tien keer lager dan in de Europese Unie [9]. Voor de komende jaren wordt een forse groei verwacht van de energievraag in de ontwikkelingslanden [10] als gevolg van de bevolkingsgroei, de voortschrijdende verstedelijking en de ontwikkeling van de nationale economieën. Toch zal het gemiddeld energieverbruik per capita in de ontwikkelingslanden ook de komende jaren aanmerkelijk achterblijven bij dat in de geïndustrialiseerde landen. Met name in Afrika ten zuiden van de Sahara (behalve in Zuid-Afrika) lijkt het energieverbruik per capita nauwelijks toe te nemen. Deze grote verschillen in energieverbruik zijn een fundamenteel gegeven in de samenwerking op energiegebied tussen de EU en de ontwikkelingslanden. Dat betekent echter niet dat er geen plaats zou zijn voor het ontwikkelen van gezamenlijke doelstellingen en aandachtspunten op energiegebied (diversificatie, continuïteit van een economisch levensvatbare energievoorziening, economische groei, concurrentievermogen, milieubescherming, energie-efficiëntie), zoals ook gezamenlijke risico's niet zijn uitgesloten (uitputting van de voorraden van fossiele brandstoffen, milieuschade) als de ontwikkelingen te veel op hun beloop worden gelaten.

[9] In termen van het totale energieverbruik is het verschil een factor zeven.

[10] Prognoses op basis van het POLES-model geven aan dat de ontwikkelingslanden in 2020 een aandeel zullen hebben van 50% in het wereldwijd verbruik van primaire energie, tegen bijna 40% op dit moment. Ook is de verwachting dat het elektriciteitsverbruik in deze landen tussen 1995 en 2020 zal verdubbelen.

B) De internationale context

De internationale gemeenschap is zich pas sinds kort van het probleem bewust - Behalve in relatie tot het vraagstuk van de klimaatverandering is aan energie lange tijd nauwelijks aandacht besteed in het kader van een aantal van de grote internationale processen. Een voorbeeld daarvan is de Conferentie van Doha: in de daar vastgestelde ontwikkelingsagenda wordt de energiekwestie nergens specifiek genoemd. Het energievraagstuk baart de internationale gemeenschap pas sinds kort echt zorgen [11]. Bovendien bestaat er geen internationale organisatie die zich specifiek bezighoudt met de energiesituatie in ontwikkelingslanden en die op dat gebied als denktank functioneert. Zo heeft bijvoorbeeld het Internationaal Energieagentschap, waarbij de rijkste landen ter wereld aangesloten zijn, zich nooit serieus beziggehouden met het energievraagstuk in ontwikkelingslanden.

[11] In dit verband kunnen genoemd worden: - de 3e Conferentie van de Verenigde Naties over de minst ontwikkelde landen (mei 2001), waar een actieprogramma is aangenomen met daarin aanbevelingen inzake energie alsmede een aantal prioritaire acties; - de resolutie over hernieuwbare energiebronnen die onlangs is aangenomen door de Paritaire Parlementaire Vergadering ACS-EU (29 oktober - 1 november 2001); - de recente Verklaring van de G8 over energie (Detroit, mei 2002), waarin het belang van samenwerking op energiegebied met de ontwikkelingslanden benadrukt wordt en waarin verwezen wordt naar het tijdens de Top van de G8 in Genua gepubliceerde verslag van de Task Force voor hernieuwbare energie.

Tijdens de komende Top van Johannesburg zou een belangrijke plaats voor het vraagstuk van duurzame energie ingeruimd kunnen worden [12]. Toch neemt energie bepaald nog geen prominente plaats in op de lijst van prioriteiten van de internationale gemeenschap. De meeste rijke landen hebben zelf op nationaal niveau tot nu toe ook slechts zijdelings aandacht besteed aan de kwestie van de energieontwikkeling, zoals ook blijkt uit de discussies van de G8. Het debat over dit thema begint op gang te komen, maar het is nog erg ongestructureerd en wordt voornamelijk gevoerd in het kader van de strijd tegen de klimaatverandering [13]. Intentieverklaringen vormen een goed begin, maar ze dienen gevolgd te worden door concrete acties die ondernomen worden op basis van een coherente aanpak.

[12] Zie de mededeling van de Commissie met het oog op de Top van Johannesburg: COM (2002) 82 def., "Naar een wereldwijd partnerschap voor duurzame ontwikkeling".

[13] De kwestie van de klimaatverandering is voor het eerst in internationaal verband aan de orde gesteld tijdens de Top van Rio in 1992, die in 1997 heeft geresulteerd in het Protocol van Kyoto. De 7e Conferentie van de Partijen voor de tenuitvoerlegging van het Protocol van Kyoto (CoP7) van november 2001 in Marrakech heeft de weg vrijgemaakt voor de concrete tenuitvoerlegging van het Protocol.

C) Het optreden van de Europese Unie

Energie is een onderdeel van het ontwikkelingsbeleid van de EU - Sommige lidstaten van de Unie kennen aan het energievraagstuk een belangrijke plaats toe in hun programma's voor ontwikkelingshulp. Sinds de herijking van de prioriteiten voor de communautaire ontwikkelingshulp in 2000 is energie niet langer een prioritaire sector van het EU-beleid ter zake. Energie speelt echter een sleutelrol bij de ondersteunende activiteiten op de 6 prioritaire gebieden van de communautaire ontwikkelingssamenwerking. Door deze situatie maken sinds 1990 de bedragen voor energieprojecten in strikte zin gemiddeld minder dan 5% uit van het totaalbedrag voor ontwikkelingshulp [14]. De energieprojecten die in kader van de grote steunprogramma's gefinancierd worden (MEDA, FED, ALA, TACIS, enz.) hebben echter niet te verwaarlozen resultaten opgeleverd voor een groot aantal ontwikkelingslanden, en er zijn ook enkele specifieke programma's voor energie opgezet, zoals het programma ALURE [15] voor Latijns-Amerika tussen 1996 en 2001, of nog lopende programma's als COGEN en EC-ASEAN Energy Facility voor Azië [16]. Voorts profiteert de energiesector, zoals ook in het verleden al het geval was, van grootschalige financiering uit de communautaire middelen voor ontwikkelingshulp die worden beheerd door de Europese Investeringsbank (risicodragend kapitaal, participaties, leningen, enz.). Tenslotte dient te worden vermeld dat de ondergeschikte rol die energie in de aanvragen voor steun van de ontwikkelingslanden zelf speelt een feitelijke beperking op de ontwikkeling van activiteiten van de Gemeenschap op dit gebied tot gevolg heeft.

[14] Dit cijfer is een gemiddelde; de percentages verschillen sterk naar gelang de regio's.

[15] ALURE is een programma voor economische samenwerking in de energiesector tussen de EU en Latijns-Amerika dat tussen 1996 en 2001 door de Europese Commissie is uitgevoerd. In zes jaar tijd zijn met dit programma 25 projecten gerealiseerd, waarbij een honderdtal Europese en Latijns-Amerikaanse partners betrokken was in acht landen en drie regio's in Latijns-Amerika. Het budget voor dit programma bedroeg 32 miljoen euro.

[16] Voor de programma's COGEN en EC-ASEAN Energy Facility, die zijn gericht op de ASEAN-landen, is een bedrag van respectievelijk 25 en 18 miljoen euro beschikbaar voor een periode van 3 tot 5 jaar.

Een energiesituatie die wereldwijd aan het veranderen is - De Europese Unie en meer in het algemeen de ontwikkelde landen hebben hun ontwikkeling mede te danken aan een energiemodel dat gebaseerd is op een ruime beschikbaarheid van goedkope en vervuilende energie. In de huidige tijd van veranderende internationale energiemarkten en klimaatverandering is dit model niet langer te handhaven. De Europese Unie heeft een ingrijpende hervorming van haar energiemodel ingezet, waarvan ze ook de ontwikkelingslanden zou kunnen laten profiteren. Het recente Groenboek inzake de continuïteit van de energievoorziening in de Unie, waarin een versterking van het bestaande beleid inzake energie-efficiëntie en hernieuwbare energiebronnen voorgesteld wordt, vormt in dit verband een nuttig referentiekader [17].

[17] COM (2000) 769 def. "Op weg naar een Europese strategie voor een continue energievoorziening".

De Europese Unie dient, gezien haar ervaring - op het gebied van energienetwerken, onderzoek en ontwikkeling van minder vervuilende en/of rendabeler energiebronnen - en de, met name financiële, instrumenten waarover zij beschikt, het voortouw te nemen waar het gaat om de samenwerking op energiegebied met de ontwikkelingslanden. De Unie is bovendien de belangrijkste donor van ontwikkelingshulp ter wereld (meer dan 27 miljard euro per jaar), 's werelds grootste economische machtsblok en een belangrijke bron van directe particuliere investeringen.

* *

*

In deze mededeling wordt allereerst de energiesituatie in de ontwikkelingslanden onderzocht en wordt vervolgens een referentiekader geschetst voor de samenwerking op energiegebied met de ontwikkelingslanden. Deze analyse en dit referentiekader dienen als uitgangspunt voor een reeks operationele aanbevelingen voor de tenuitvoerlegging van deze samenwerking.

I. Analyse van de energiesituatie in de ontwikkelingslanden

Doel van de analyse van de energiesituatie in de ontwikkelingslanden is ondanks de diversiteit van de energiebalansen in de verschillende landen een aantal grote lijnen te schetsen, indelingen te maken naar groepen van landen en/of regio's en vergelijkingen te trekken met de energiesituatie in de Unie. Uit deze analyse komt duidelijk naar voren wat de belangrijkste uitdagingen op energiegebied zijn waarvoor de ontwikkelingslanden zich gesteld zien.

A) Energievraag

De groei van het energieverbruik in de ontwikkelingslanden ligt gemiddeld een factor drie tot vier hoger dan in de geïndustrialiseerde landen. De situatie verschilt echter zeer sterk per regio en per land. Zo is het energieverbruik in Afrika ten zuiden van de Sahara decennialang niet toegenomen, terwijl Azië op termijn waarschijnlijk een energieconsumptie zal kennen die hoger ligt dan die in de OESO-landen.

i) Huidige situatie

Het energieverbruik per capita in de ontwikkelingslanden is met ongeveer een zesde van het OESO-gemiddelde nog steeds aanmerkelijk lager dan dat in de OESO-landen [18]. Relatief gesproken is het energieverbruik de afgelopen decennia snel toegenomen, maar in absolute termen wordt de kloof juist groter. In 1971 bedroeg het energieverbruik per capita in de ontwikkelingslanden 20 gigajoules, tegen 161 gigajoules in de OESO-landen. In 1999 was het gestegen tot 34 gigajoules, nog altijd aanmerkelijk lager dan de 194 gigajoules in de OESO-landen dat jaar.

[18] De gegevens en schattingen in dit deel zijn afkomstig van het World Energy Assessment (WEA), VN/WEC 2000. De cijfers in 2.1 komen van het WEA, Tabel C.1.

Achter deze cijfers gaat een zeer ongelijke verdeling van energie in de wereld schuil. Het energieverbruik per capita is in Afrika sinds 1970 nauwelijks gestegen en bedraagt nog steeds minder dan 10% van de energieconsumptie per hoofd van de bevolking in Noord-Amerika. In Azië is het energieverbruik per capita sinds 1970 verdubbeld, maar het ligt nog steeds op minder dan 15% van het energieverbruik in Noord-Amerika, en in Latijns-Amerika ligt het op minder dan 20%.

De ongelijke verhoudingen op het punt van het energieverbruik per capita komen nog nadrukkelijker naar voren wanneer gekeken wordt naar het elektriciteitsverbruik per capita. Het gemiddeld elektriciteitsverbruik per capita bedraagt in de OESO-landen ongeveer 10.000 KWh per jaar, maar slechts 1000 KWh in de ontwikkelingslanden, 500 KWh in India en 100 KWh in verschillende Afrikaanse landen ten zuiden van de Sahara. Nog geen 10% van de bevolking in zuidelijk Afrika heeft toegang tot elektriciteit.

De jaarlijkse groei van de totale hoeveelheid verbruikte energie ligt in de ontwikkelingslanden drie tot vier keer hoger dan in de geïndustrialiseerde landen (4,9% tegen 1,4% per jaar in de periode 1970-1998 [19]). Dit is een gevolg van het stijgende bevolkingscijfer in de ontwikkelingslanden, waar de bevolking aanmerkelijk sneller toeneemt dan in de geïndustrialiseerde landen, alsmede van de voortschrijdende industrialisatie en verstedelijking, de groei van het wegvervoer, de stijging van het particulier inkomen, de afname in het gebruik van traditionele, niet-commerciële vormen van energie, enz. Het aandeel van de ontwikkelingslanden in het wereldwijd verbruik van commerciële energie is gestegen van 13% in 1970 tot bijna 40% op dit moment.

[19] WEA Tabel 1.1.

ii) Actuele trends

In sommige scenario's [20] wordt ervan uitgegaan dat de wereldbevolking tussen nu en 2030 met 34% zal toenemen, vrijwel uitsluitend in de ontwikkelingslanden. Het wereldwijd BBP zal met 148% stijgen, vooral dankzij een sterke verbetering van de economische prestaties van Azië, dat met een verwachte verdrievoudiging van de groei nauwelijks zal onderdoen voor de OESO-landen. De behoeften van de ontwikkelingslanden zullen zodanig toenemen dat deze landen 75% van de stijging van het wereldwijd energieverbruik voor hun rekening zullen nemen - met het grootste aandeel voor Azië -, en tezamen zullen ze meer energie verbruiken dan de geïndustrialiseerde landen. Azië zal de regio zijn met veruit de hoogste groeicijfers en de plaats innemen van de OESO-landen als zone met de hoogste energieconsumptie ter wereld. Opgemerkt zij evenwel dat deze cijfers betrekking hebben op het totale energieverbruik; wordt het energieverbruik per capita als uitgangspunt genomen, dan zullen er grote verschillen blijven bestaan tussen de geïndustrialiseerde landen en de ontwikkelingslanden.

[20] Het POLES-model, gebaseerd op een scenario bij ongewijzigd beleid.

Deze duidelijke tendens naar een toename van de energievraag in opkomende dynamische economieën, met name in Azië, is een bron van diepe bezorgdheid over het milieu, met name omdat de betrokken regio's met een groei van hun totale aandeel in het mondiale olieverbruik van 22,5% tot 30,2% tussen 1990 en 1997 de olieconsumptie opdrijven. Wat betreft wereldwijd energie- en milieubeheer bergt China belangrijke kansen en gevaren in zich, nu het de op een na grootste energieconsument en op twee na grootste energieproducent is geworden, met een sterke afhankelijkheid van steenkool. Indien geen ingrijpende maatregelen worden genomen zal China de komende decennia de grootste uitstoter van broeikasgassen worden en daarmee de VS inhalen.

In alle prognoses is de energie-intensiteit een belangrijke factor, dat wil zeggen de verhouding tussen het energieverbruik en het BBP. In het verleden is het veelal zo geweest dat de energie-intensiteit van economieën toenam tijdens de eerste fasen van de economische ontwikkeling - de periode van snelle industrialisering en 'motorisering' -, vervolgens een hoogtepunt bereikte en daarna afnam, op het moment waarop minder energie-intensieve sectoren opkwamen. Hoe later dat gebeurt, des te lager is de maximale energie-intensiteit, omdat in de loop der tijd methoden ter verbetering van de energie-efficiëntie ontwikkeld worden. De ontwikkelingslanden lijken hetzelfde patroon te vertonen en lopen het gevaar te vervallen in de fouten die zijn begaan door de westerse samenlevingen in de 20e eeuw, die met name te weinig aandacht hebben besteed aan de beheersing van de energievraag of aan de verspreiding van - zeer dure - technologieën. Een stijgende energievraag doet over het algemeen het effect van verbeteringen op het punt van de energie-efficiëntie teniet. Dat heeft uiteraard gevolgen voor de omvang van de uitgaven voor energie in de ontwikkelingslanden en voor de wereldwijde groei van het energieverbruik.

B) Energievoorziening

De situatie met betrekking tot het aandeel van de verschillende energiebronnen in de ontwikkelingslanden wijkt sterk af van die in de Europese Unie.

Steenkool is de belangrijkste energiebron in Azië, terwijl in Afrika hernieuwbare energiebronnen (voornamelijk traditionele biomassa) [21] een belangrijke rol spelen.

[21] Biomassa kan alleen als een duurzame hulpbron worden beschouwd wanneer zij in hetzelfde tempo wordt vervangen als waarin zij wordt verbruikt.

i) Huidige situatie

Niet-commerciële energie maakt ongeveer 10% [22] uit van het wereldwijd verbruik van primaire energie. In de ontwikkelingslanden is ruwweg 30% van de gebruikte primaire energiebronnen niet-commercieel. Daarbij gaat het gewoonlijk om brandhout, houtskool, bijproducten van de landbouw en dierlijk afval. In sommige ontwikkelingslanden, met name in Afrika, kan dit percentage oplopen tot 80%. De technologieën die bij dit soort brandstoffen gebruikt worden zijn vaak bijzonder inefficiënt en zeer eenvoudig (open vuur tussen drie stenen).

[22] De schattingen lopen uiteen van 8% tot 14%.

De structuur van de energievoorziening in de ontwikkelingslanden verschilt van die in de geïndustrialiseerde wereld. In de ontwikkelingslanden als geheel wordt naar verhouding meer gebruik gemaakt van steenkool en hernieuwbare energiebronnen en minder van olie, gas en kernenergie. Wel zijn er verschillen tussen de ontwikkelingslanden onderling.

- Steenkool is met een aandeel van 40% in de totale energievoorziening veruit de belangrijkste energiebron in Azië. Hiervan wordt 77% voor elektriciteitsopwekking gebruikt.

- Latijns-Amerika is voor bijna de helft van de energievoorziening en voor driekwart van de elektriciteitsopwekking afhankelijk van olie.

- Hernieuwbare energiebronnen predomineren in Afrika, in het bijzonder energie uit biomassa, die 70% van het totale energieverbruik in Afrika ten zuiden van de Sahara uitmaakt (meer dan 80% wanneer Zuid-Afrika niet meegerekend wordt) [23].

[23] Bron: "Energy as a Tool for Sustainable Development for ACP countries", 1999, Europese Commissie en UNDP.

- Kernenergie heeft een gering aandeel en wordt hoofdzakelijk gebruikt in Azië (China, India, Noord-Korea) en in Zuid-Afrika [24].

[24] POLES-model.

De ontwikkelingslanden zijn sterk afhankelijk van geïmporteerde olie en dat heeft reeds de nodige financiële consequenties voor deze landen gehad. Er bestaat een nauw verband tussen de stijging van de olieprijzen sinds de jaren zeventig en de schuldenlast van de derde wereld, die voor een groot deel terug te voeren is op in het verleden aangegane betalingsverplichtingen in verband met de import van olie of productiecapaciteit. Door de stijgende en instabiele olieprijzen zijn de ontwikkelingslanden in een vicieuze cirkel terechtgekomen die hun ontwikkeling ondermijnt. De nauwe correlatie tussen de olieprijzen en de economische groei, waarop ook in het Groenboek van de Commissie wordt gewezen, speelt een grote rol voor de ontwikkelingslanden bij de uitwerking van hun strategieën voor een continue energievoorziening, inclusief beleidsinitiatieven met betrekking tot bepaalde duurzame energiebronnen. Sommige ontwikkelingslanden - met name geïsoleerd gelegen landen als de ministaatjes in de Stille Oceaan - moeten voor hun fossiele brandstoffen een prijs betalen die aanzienlijk hoger is dan de gemiddelde prijs op de wereldmarkt, hetgeen zeer ernstige macro-economische gevolgen heeft voor deze landen. De kwetsbaarheid van deze landen wordt nog vergroot door het feit dat hun slechts beperkte financieringsmogelijkheden ter beschikking staan om te investeren in efficiënte en hernieuwbare technologieën.

Ten slotte heeft het ontbreken van regionale samenwerking en van op regionaal niveau gekoppelde netwerken tot gevolg dat iedere verstoring van een nationale markt een maximaal effect heeft op de lokale economie, aangezien dergelijke storingen niet snel opgevangen kunnen worden, zoals in de EU.

ii) Actuele trends

Naar verwachting zal het relatief grote aandeel van olie in de energiemix van de ontwikkelingslanden toenemen met het stijgen van het energieverbruik, met name in Azië. Ook het aandeel van gas zal volgens de prognoses toenemen, in het bijzonder in Azië en Latijns-Amerika. De zich sterk ontwikkelende Aziatische regio, thans een netto-exporteur, zal tegen 2020 waarschijnlijk een netto-importeur geworden zijn. Het verbruik van steenkool in de ontwikkelingslanden zal tussen nu en 2020 naar verwachting met bijna 3% per jaar stijgen. Steenkool zal de belangrijkste brandstof blijven in China en India; deze twee landen zullen het leeuwendeel van de stijging van het steenkoolverbruik in deze periode voor hun rekening nemen. Steenkool zal in veel ontwikkelingslanden de belangrijkste energiebron voor elektriciteitsopwekking blijven.

De verwachting is dat de capaciteit van kernenergie in de ontwikkelingslanden tussen 2000 en 2020 ruim zal verdubbelen, zij het vanuit een lage startpositie [25]. Op enkele uitzonderingen na zullen de nieuwe kerncentrales gebouwd worden in China en India, landen waar het energiebeleid gericht is op vergroting van het aandeel van kernenergie in de elektriciteitsopwekking. In alle ontwikkelingslanden tezamen zal dat aandeel naar verwachting stabiel blijven op ongeveer 4%. Lage steenkool- en gasprijzen en stijgende kosten in verband met veiligheidsmaatregelen zullen investeringen in elektriciteitsopwekking met kernenergie wellicht economisch onhaalbaar maken. Bovendien kunnen de meeste ontwikkelingslanden niet voldoen aan de voorwaarden voor een goed beheers- en bestuursklimaat voor de lange termijn dat een veilige exploitatie mogelijk moet maken.

[25] Bron: World Energy Assessment (VN/WEC 2000).

De ontwikkelingen met betrekking tot het gebruik van biomassa zijn moeilijk te voorspellen, maar het lijkt aannemelijk dat met de toenemende economische en sociale ontwikkeling het gebruik van traditionele biomassa zal dalen. Naarmate de bevolking toeneemt, wordt brandhout in veel gebieden een steeds schaarser goed, en het gebruik van deze (niet-duurzame) energiebron draagt in veel gevallen bij tot de ontbossing. Een beter bosbeheer en een overstap van biomassa op andere brandstoffen voor particulier gebruik, bijvoorbeeld LPG, zouden voor veel ontwikkelingslanden interessante opties kunnen zijn, met als bijkomend voordeel dat de tweede mogelijkheid minder schade voor de gezondheid van de gebruikers oplevert, dankzij de afname van de luchtverontreiniging binnenshuis.

Anderzijds zijn de kosten van sommige hernieuwbare energiebronnen - in het verleden vaak genoemd als obstakel voor een ruimere toepassing ervan in de ontwikkelingslanden - de laatste jaren fors gedaald. Gezien de voortschrijdende professionalisering van de sector hernieuwbare energie in Europa en elders in de geïndustrialiseerde wereld mag aangenomen worden dat deze trend zich zal doorzetten, zodat meer ontwikkelingslanden zich dit soort technologieën kunnen veroorloven.

C) Economische kwesties

Het grote aandeel van geïmporteerde energie, in het bijzonder aardolie en aardgas, heeft negatieve gevolgen voor de economische ontwikkeling van de meeste ontwikkelingslanden.

i) De ontwikkelingslanden hebben in het verleden financieel veel te lijden gehad van hun toenemende afhankelijkheid van geïmporteerde energie, met name aardolie en aardgas. Dat probleem zal in de toekomst waarschijnlijk alleen maar groter worden, omdat de stijgende vraag in de ontwikkelingslanden ook een grotere impact zal hebben op de olieprijzen. Stijgt de wereldwijde vraag naar olie van de huidige 75 miljoen vaten per dag tot 115 miljoen vaten per dag, dan kan worden uitgegaan van een opwaartse druk op de olieprijzen van ten minste 5 dollar per vat. De financiële gevolgen voor de ontwikkelingslanden zouden evenwel verstrekkend zijn: een extra kostenpost in verband met de import van olie van ongeveer 90 miljard dollar per jaar, een bedrag dat ruimschoots het huidige - en toekomstige - totaalbedrag aan wereldwijde ontwikkelingshulp te boven gaat. Bovendien zijn de economieën in de ontwikkelingslanden over het algemeen aanmerkelijk gevoeliger voor de prijsschommelingen op de oliemarkt dan de economieën in de EU.

Uit dit "scenario" kunnen drie conclusies worden getrokken: de EU en de ontwikkelingslanden hebben beide in toenemende mate belang bij stabiliteit op de aardolie- en aardgasmarkt; de ontwikkelingslanden hebben er zelf steeds meer belang bij beleidsmaatregelen uit te werken ter bevordering van energie-efficiëntie en alternatieve energiebronnen; en bij de huidige dialoog tussen producent en consument zullen geleidelijk ook de ontwikkelingslanden met een hoog energieverbruik betrokken moeten worden.

ii) Discontinuïteit in de energievoorziening, bijvoorbeeld blijkend uit uitval van de stroomdistributie, is een alledaags verschijnsel in de ontwikkelingslanden, dat zowel sociale als economische schade tot gevolg heeft. Een gebrekkige energievoorziening heeft een remmende invloed op investeringen, daar ze risico's voor de productie inhoudt en leidt tot extra kosten in verband met de noodzaak reservecapaciteit aan te houden (stroomopwekking). Voor kleine investeerders betekent de aanschaf van een stand-bygenerator al snel een forse investering [26].

[26] Uit een halverwege de jaren negentig in Nigeria uitgevoerd onderzoek bleek dat 92% van de onderzochte bedrijven beschikte over eigen generatoren. Bij kleine bedrijven maakte de investering in stroomopwekkingscapaciteit bijna een kwart uit van hun totale investeringen, bij grotere bedrijven een tiende (Afrkaanse Ontwikkelingsbank, 1999).

iii) De investeringsbehoeften van de energiesector in de ontwikkelingslanden zijn aanzienlijk. Op basis van verschillende scenario's kan de kapitaalbehoefte van de energiesector in de ontwikkelingslanden voor de komende twintig jaar geschat worden op 150 tot 200 miljard dollar per jaar [27]. Alleen al voor investeringen op het gebied van elektriciteitsopwekking is naar schatting jaarlijks een bedrag nodig van 70 tot 85 miljard dollar. [28]

[27] WEA p.356, op basis van WEC/IIASA-scenario's.

[28] IEA, World Economic Outlook.

Het is duidelijk dat dit soort financieringsbehoeften niet voor het grootste deel met ontwikkelingshulp of publieke middelen gedekt kan worden. In de ontwikkelingslanden begint dan ook langzaam een verschuiving op te treden van publieke naar private investeringen op energiegebied, maar vooralsnog blijven veel ontwikkelingslanden verstoken van private financiering, met name de armste landen, zoals de Afrikaanse landen ten zuiden van de Sahara. Daarvoor zijn vele redenen aan te voeren, waarvan in de eerste plaats het investeerderrisico genoemd dient te worden. Het aandeel van directe buitenlandse investeringen in de minst ontwikkelde landen is zeer gering, en ook de overheidssteun voor de sector is beperkt. De meeste ontwikkelingslanden moeten de ontwikkeling van de energiesector financieren uit binnenlandse besparingen en uit de ontwikkelingshulp die ze ontvangen. Daarmee verkeren ze in een aanmerkelijk moeilijker positie dan de rijke landen destijds, die subsidies konden verstrekken voor de opbouw van de energiesector (steenkool, kernenergie), zoals ook uiteengezet wordt in het Groenboek.

iv) Stimulering van investeringen in de ontwikkelingslanden, niet alleen in de energiesector in het algemeen, maar met name ook in energie-efficiëntie en hernieuwbare energiebronnen, vergt een gezamenlijke en veelomvattende inspanning. Op multilateraal en bilateraal niveau moeten de nodige toezeggingen worden gedaan om de rechtszekerheid te bieden die buitenlandse exploitanten nodig hebben om in een land te kunnen investeren en opereren. Voor dit soort investeringen wordt in de geïndustrialiseerde landen steeds meer ruimte geschapen, via een ondersteunend regelgevend kader, maar in de ontwikkelingslanden zullen de belemmeringen blijven bestaan, tenzij passende financierings- en sturingsmechanismen ontwikkeld worden. Gezien de zeer reële behoefte aan meer energie voor ontwikkeling in deze landen is het noodzakelijk dat stimuleringsmaatregelen genomen worden. Een van de instrumenten waarover al overeenstemming is bereikt is het "Clean Development Mechanism" [29], maar er zijn ook andere, aanvullende en zelfs ambitieuzere instrumenten nodig. In een situatie waarin onderzoek en ontwikkeling met betrekking tot bepaalde innovatieve technologieën worden belemmerd door een verzadigde markt in de industrielanden en een te lage koopkracht in de ontwikkelingslanden, kunnen instrumenten zoals het CDM nieuwe nog onverzadigde markten ontsluiten voor investeringen en een impuls geven aan verder O&O inzake innovatieve duurzame technologieën op het gebied van duurzame energie en energie-efficiëntie.

[29] Het Clean Development Mechanism (CDM) is een projectgebonden mechanisme dat omschreven wordt in artikel 12 van het Protocol van Kyoto. In het kader van het CDM kan een geïndustrialiseerd land kredieten verkrijgen, zogeheten gecertificeerde emissie-eenheden (certified emission units - CER's), door in internationaal verband verplichtingen aan te gaan met betrekking tot de reductie van broeikasgasemissies in een ontwikkelingsland via een goed te keuren projectgebonden investering. Tijdens de COP7-conferentie in Marrakech in 2001 is overeenstemming bereikt over de regels en voorwaarden voor projectgebonden mechanismen, met inbegrip van het CDM, zodat thans de weg vrijgemaakt is voor de uitvoering van CDM-projecten.

D) Het gebrek aan institutionele capaciteit en aan menselijke middelen

In tal van ontwikkelingslanden bestaat geen duidelijke definitie van het energiebeleid. De reden daarvoor is met name dat het de overheidsinstellingen ontbreekt aan de adequate structuren en de menselijke of andere essentiële middelen (zoals de beschikbaarheid van volledige en betrouwbare statistische gegevens) die nodig zijn om een dergelijk beleid te kunnen uitwerken. De Europese Unie heeft veel ervaring opgedaan met het plannen en formuleren van energiebeleidsmaatregelen. Ze verkeert derhalve bij uitstek in een positie om de ontwikkelingslanden te helpen bij de opbouw van hun bestuurlijke capaciteit en de uitwerking van hun energiebeleid op de lange termijn.

In algemene zin heeft de steun op institutioneel vlak tot doel de ontwikkelingslanden in staat te stellen:

* Een efficiëntere overheidssector op te bouwen, die gebruik maakt van een geschoold personeelsbestand dat de taken kan uitvoeren die van een effectieve overheidsdienst worden verwacht.

* Passende beleidsmaatregelen op energiegebied uit te werken waarin zowel de sociale en economische aspecten als de milieucomponent in aanmerking genomen worden. Daarbij gaat het om de invoering van een transparant regelgevend kader, de uitwerking van een tariefbeleid dat gericht is op de grootst mogelijke samenhang tussen de prijzen en de kosten op nationaal niveau, de subsidieniveaus, de technische voorschriften, de regels voor import-export, enz. De uitwerking van een en ander dient gebaseerd te zijn op de beschikbaarheid en de analyse van statistische gegevens inzake de binnenlandse energiesituatie en de verschillende bevolkingscategorieën.

* De aldus vastgestelde beleidsmaatregelen ten uitvoer te leggen. Daartoe dient met name een adequaat institutioneel kader voor de energiediensten ontwikkeld en ingevoerd te worden. De steun op institutioneel vlak heeft tevens tot doel de betreffende overheden in staat te stellen de voor- en nadelen van publieke en private diensten met elkaar te vergelijken, de rol van de regelgeving te beoordelen en inzicht te verkrijgen in de beschikbare technologische opties (in het bijzonder op het punt van hernieuwbare energie, energie-efficiëntie en rationeel gebruik van fossiele brandstoffen). Ook is de steun gericht op de opbouw van lokale (publieke en/of private) capaciteit voor de ontwikkeling en follow-up van projecten inzake de levering van energiediensten.

E) Het ontbreken van een adequaat wetgevend, reglementair en financieel kader

Een passend wetgevend, reglementair en financieel kader is een noodzakelijke voorwaarde om de private investeringsstromen aan te trekken die nodig zijn om de energie-infrastructuren en de basisdiensten op energiegebied te ontwikkelen. Een dergelijk kader ontbreekt veelal in de ontwikkelingslanden.

In de meeste ontwikkelingslanden wordt de prijs van energie afkomstig van conventionele energiebronnen kunstmatig laag gehouden via overheidssubsidies. Dit beleid heeft een verstorend effect op de tarieven en vormt zo een obstakel voor investeringen op het gebied van energie-efficiëntie. Het aanwenden van subsidies zou transparant moeten geschieden, beperkt moeten zijn in de tijd en gericht moeten zijn op specifieke sociale doelstellingen, zoals het geval is bij de kruissubsidies tussen rijke stedelijke gebieden en achtergebleven plattelandsgebieden. Ook van de oneigenlijke heffing op ingevoerde materialen voor de energie-industrie gaat een negatief signaal uit naar de markt.

Daarnaast worden in sommige ontwikkelingslanden inefficiënte of via corruptie in stand gehouden energiediensten uit publieke middelen gefinancierd ten behoeve van een zeer klein deel van de bevolking. Door de efficiëntie van deze energiediensten te vergroten via herstructureringsmaatregelen en het openstellen van de markt kan toegewerkt worden naar een betere benutting van de overheidsmiddelen.

Voorzover het om de financiering gaat, is er niet alleen sprake van beperkte beschikbaarheid van publieke middelen, maar wint ook het idee terrein dat de overheid op dit punt een beperkte rol dient te hebben. Dit heeft ertoe geleid dat de regeringen in de ontwikkelingslanden hun aandacht verlegd hebben naar stimulering van private investeringen, met name in het kader van privatiseringen of deelnemingen in publieke ondernemingen. In dit verband zijn de invoering van een transparant regelgevend kader, de versterking van de rol van de financiële bemiddelaars en de ontwikkeling van publiek-private partnerschappen van fundamenteel belang om binnen- en buitenlands kapitaal aan te trekken in het kader van deelnemingen. Daarnaast moet er worden gezorgd voor een doorzichtig en eerlijk beheer van de inkomsten uit dergelijke publiek-private partnerschappen.

II. Een referentiekader voor de samenwerking op energiegebied met de ontwikkelingslanden

De samenwerking op energiegebied tussen de Europese Unie en de ontwikkelingslanden heeft tot op heden voornamelijk gestalte gekregen via een ad-hocbenadering. Ook is de omvang van de toegekende steun beperkt gebleven. In dit deel wordt op basis van de hierboven beschreven analyse van de energiesituatie een referentiekader voorgesteld voor het externe optreden van de Unie op energiegebied.

Sleutel voor een succesvolle samenwerking met de ontwikkelingslanden is het concept toe-eigening ("ownership"), inhoudende dat de begunstigde landen zich hun eigen ontwikkelingsstrategieën toe-eigenen. Dit betekent dat de begunstigde landen en/of regio's de prioriteiten inzake samenwerking en energiebeleid zelf vaststellen, met inschakeling van zoveel mogelijk betrokken actoren (publieke en private sector, maatschappelijk middenveld, enz.). Sectorale toewijzing op communautair niveau van de ontwikkelingsgelden is hier dus uitgesloten. In dit kader hecht de EU zeer groot belang aan de kwaliteit van de dialoog met de partnerlanden. Via deze dialoog dient de samenhang gewaarborgd te worden tussen de beleidsmaatregelen van het land in kwestie en de communautaire steunmaatregelen. De prioriteiten op ontwikkelingsgebied worden alle tezamen vastgelegd in de strategische documenten inzake armoedebestrijding, alsmede in de strategische documenten per land en per regio. Deze documenten, waarover wordt onderhandeld tussen de Gemeenschap en de begunstigde landen, zijn gebaseerd op het reeds genoemde concept toe-eigening en bepalen het kader waarin de samenwerkingsprojecten en -programma's, met name op energiegebied, gefinancierd en ten uitvoer gelegd worden. De energiecomponent in deze documenten is tot op heden beperkt gebleven, en in sommige gevallen ontbrak hij zelfs volledig. Het is wenselijk bij de verdieping van de dialoog op energiegebied met de begunstigde landen aan te sturen op versterking van de energiedimensie.

De ontwikkelingslanden verschillen op energiegebied zeer sterk van elkaar. De hier voorgestelde hoofdlijnen voor samenwerking bieden voldoende ruimte voor de flexibiliteit die vereist is in verband met de grote diversiteit van energiesituaties en ze zouden op flexibele wijze geïntegreerd kunnen worden in de hierboven genoemde strategische documenten.

A) Horizontale aspecten

De hervorming van de energiesector en de overdracht van technologieën zijn twee essentiële aspecten van de samenwerking, die zowel op de energievraag als op het energieaanbod betrekking hebben.

i) De hervorming van de energiesector

Met het oog op de openstelling van de energiemarkt en de bevordering van private investeringen is een passend wetgevend en reglementair kader noodzakelijk, in het bijzonder met betrekking tot de ordening van de markt, de scheiding van de verschillende soorten activiteiten, de tarifering en de bevordering van private deelnemingen. Op al die gebieden beschikt de Europese Unie, omdat zij de grootste geïntegreerde markt ter wereld heeft gerealiseerd, over een schat aan ervaring, en die ervaring dient aangewend te worden ten faveure van de ontwikkelingslanden.

De hervorming van de energiesector in de ontwikkelingslanden heeft niet alleen tot doel de uitwerking van beleidsmaatregelen op energiegebied mogelijk te maken, alsmede de modaliteiten voor de tenuitvoerlegging daarvan, maar heeft ook op andere aspecten betrekking. De belangrijkste daarvan zijn:

- Openstelling van de productie- en distributiemarkt voor de particuliere sector (met name het verlenen van concessies aan onafhankelijke elektriciteitsproducenten om te opereren in het segment van elektriciteitsopwekking). De EU heeft bij de openstelling van de markten bijzondere ervaring opgedaan met het concept "gereguleerde mededinging" [30], dat een derde weg vormt tussen zuiver liberalisme en het inmiddels verouderde concept van staatsbemoeienis. Deze ervaring is van bijzonder belang voor de regio's waar een proces van regionale integratie in gang is gezet. In het geval van de ontwikkelingslanden bestaat er evenwel een wezenlijk financieringsprobleem, en dat moet opgelost worden door innovatieve financiële mechanismen te ontwikkelen - evenals de bijbehorende expertise - waarin giften, leningen en financiering via deelneming gecombineerd worden teneinde de risico's voor de investeerders te beperken. De uitwerking van dit soort financieringsinstrumenten vormt een uitdaging voor de geldschieters en de internationale financiële instellingen die actief zijn in de sector ontwikkelingssamenwerking, in het bijzonder de Europese Investeringsbank. In deze context is een regelgevend kader, dat voor een eerlijke en doorzichtige verdeling van de opbrengsten zorgt, van essentieel belang.

[30] In het kader van het proces van liberalisering van de Europese elektriciteits- en gasmarkten zijn garanties ingebouwd ("verplichtingen van openbare dienstverlening") om de eindgebruiker te beschermen, in het bijzonder de meest kwetsbare consumenten.

- Tarifering: de invoering van een gestructureerde energiemarkt vergt een transparant stelsel van tarifering en facturering, zowel voor de grootafnemers als voor de particuliere consumenten. Een van de grootste problemen in dit verband is het feit dat in sommige ontwikkelingslanden een deel van de energie niet betaald wordt door de gebruikers, met name overheidsinstanties. Daarnaast dient de subsidieregeling op het punt van de tarieven herzien te worden, met name om de transparantie te vergroten, rekening te houden met alle milieukosten, marktverstoringen te beperken en de overdracht van middelen van de stedelijke gebieden naar achtergebleven plattelandsgebieden mogelijk te maken. Op het gebied van tarifering kan het energiebeleid niet los worden gezien van het sociaal beleid.

Bij de aanpak van deze problemen in de ontwikkelingslanden is het van groot belang dat bij iedere sectorhervorming hoge prioriteit verleend wordt aan waarborging van de toegang tot energie voor alle lagen van de bevolking.

ii) De overdracht van technologieën

Overdracht van technologieën - en het scheppen van de voorwaarden voor de doeltreffendheid ervan - is van wezenlijk belang voor de energiesector. In dit verband kan met name gedacht worden aan technologieën op het gebied van schone steenkool, hernieuwbare energiebronnen, nucleaire veiligheid en op energie-efficiëntie gerichte materialen en apparaten.

Energie-efficiëntie en de ontwikkeling van hernieuwbare energiebronnen vormen al sinds de olieprijsstijgingen in de jaren zeventig en het begin van de jaren tachtig een prioriteit voor de EU. Deze technologieën kunnen voor een groot deel met direct resultaat toegepast worden in de ontwikkelingslanden. De extra aandacht voor energie-efficiëntie in de jaren negentig in het kader van het beleid inzake reductie van de CO2-uitstoot heeft duidelijk gemaakt dat met name technologieën op het gebied van energie-efficiëntie ook vanuit economisch oogpunt vaak aantrekkelijk kunnen zijn. De ontwikkeling van brandstofzuinige motorvoertuigen waaraan thans gewerkt wordt overeenkomstig het akkoord tussen de Commissie en de autofabrikanten is daarvan een treffend voorbeeld. De ontwikkelingslanden hebben er alle belang bij dit voorbeeld te volgen, en met de juiste stimuleringsmaatregelen zou de overdracht van deze technologieën uitermate nuttig kunnen zijn. Een ander voorbeeld is windenergie, op dit moment de snelst groeiende geavanceerde vorm van elektriciteitsopwekking in de EU. Europese fabrikanten van windturbines hebben inmiddels productieactiviteiten opgezet in een aantal ontwikkelingslanden, meer bepaald in India.

B) Samenwerking met betrekking tot de vraag

Naast absolute prioriteit voor toegang tot adequate energiediensten voor de "energiebehoeftigen" biedt samenwerking op het gebied van de vraag veruit het meeste perspectief. Verbetering van de energie-efficiëntie is immers een essentieel actiegebied dat nog goeddeels onontgonnen is in de ontwikkelingslanden, terwijl de EU op dit punt ruime ervaring heeft opgebouwd.

In de ontwikkelingslanden bestaat een reële behoefte aan meer energie, en deze landen hebben ook het recht in die behoefte te voorzien. In de meeste gevallen - en met name in de landen waar de industrie zich reeds tot een belangrijke sector ontwikkeld heeft - kan echter nog zeer veel bereikt worden op het punt van de energie-efficiëntie, die een belangrijk instrument kan zijn ter bevordering van een economische ontwikkeling met een lage energie-intensiteit. In dit licht zouden de inspanningen van de ontwikkelingslanden meer op verbetering van de energie-efficiëntie gericht moeten zijn dan op beheersing van de stijgende vraag in het algemeen. Dat zou overigens ook in de lijn liggen van de wereldwijde afspraken die zijn gemaakt in het kader van het Klimaatverdrag en het Protocol van Kyoto.

Er bestaat een nauw - en betreurenswaardig - verband tussen de hogere energie-intensiteit van de economieën in de ontwikkelingslanden en het grotere deel van het BBP dat deze landen voor energiediensten moeten aanwenden. Een van de manieren om deze koppeling te doorbreken is energie-efficiëntie tot prioriteit te verheffen in de uitwerking en uitvoering van het beleid.

Energie-efficiëntie is van belang bij energieconversie (elektriciteitsopwekking), energiedistributie en bij het eindgebruik. Maatregelen ter verbetering van de energie-efficiëntie zijn doorgaans bijzonder kosteneffectief, al vergen ze op voorhand gewoonlijk een relatief grote investering, die pas na enige tijd terugverdiend kan worden. Eenvoudige verbeteringen in het management om exploitatie en onderhoud te verbeteren kunnen echter reeds aanzienlijke energiebesparingen opleveren en ook nog kosteneffectief zijn.

Energie-efficiëntie speelt op alle niveaus een rol. Moderne gasgestookte elektriciteitscentrales hebben een efficiëntie van meer dan 50%, met warmtekrachtkoppeling zelfs meer dan 85%, terwijl veel van de conventionele kolengestookte installaties in de ontwikkelingslanden hooguit een rendement halen van rond de 25%. Houtgestookte fornuizen kunnen zodanig verbeterd worden dat aanmerkelijk minder brandhout nodig is en de luchtverontreiniging binnenshuis beperkt blijft. Toepassingen als koelkasten of gloeilampen hebben zeer uiteenlopende efficiëntie-percentages, en wanneer het gebruik van zuinige auto's gestimuleerd wordt kan dat een aanzienlijk besparing opleveren op de kosten van olie-invoer.

Bij de toepassing van moderne technologieën inzake energie-efficiëntie in de ontwikkelingslanden dienen de uitgangspunten te zijn:

- Toegang verschaffen tot de technologie met het oog op de toepassing ervan in de energieproducerende sector in de ontwikkelingslanden;

- Toegang verschaffen tot kapitaal voor de noodzakelijke (en vaak hogere) investeringen in energie-efficiëntie;

- Een wettelijk en financieel kader ontwikkelen, alsmede instrumenten en/of economische stimuleringsmaatregelen, om ervoor te zorgen dat de technologie daadwerkelijk geïmplementeerd kan worden.

Voor een stapsgewijze invoering van moderne technologieën is samenwerking vereist tussen regeringen, bedrijfsleven en financiële instellingen. De wijze waarop de EU energie-efficiëntie als prioritair actiegebied heeft vormgegeven in haar beleid, zoals uiteengezet in het recente voorstel van de Europese Commissie voor het programma "Intelligente energie voor Europa", vormt een uitstekende basis voor samenwerking met de ontwikkelingslanden op dit gebied. Dit programma kent echter een beperkt financieel kader en zal op zichzelf niet toereikend zijn; het zal ingezet moeten worden als aanvulling op de grote communautaire programma's voor ontwikkelingshulp (MEDA, EOF, enz.), waarvoor een aanzienlijk ruimere begroting beschikbaar is.

C) Samenwerking met betrekking tot het aanbod

i) Bevorderen van de energiediversificatie

Energiediversificatie is van belang voor zowel de energieconsumerende landen als de energieproducerende landen; de laatste zijn immers vaak afhankelijk van de export van één enkel product en dus kwetsbaar.

Energiediversificatie is gericht op beperking van de afhankelijkheid van traditionele fossiele brandstoffen zoals aardolie en aardgas, waarvan de nadelen algemeen bekend zijn: volatiliteit van de prijzen en, vooral, beperkte voorraden. Daarom wordt getracht de energiemix op nationaal en regionaal niveau uit te breiden. Deze energiemix wordt van geval tot geval door de betrokken landen en/of regio's vastgesteld, afhankelijk van de specifieke kenmerken van die landen en/of regio's en van hun oordeel over de verschillende alternatieven/combinaties die mogelijk zijn.

In dit verband dienen drie opties onderzocht te worden, zonder enige vooringenomenheid ten aanzien van de geschiktheid en/of relevantie daarvan, die zullen worden getoetst op hun duurzaamheid uit economisch, sociaal en milieuoogpunt:

a) Steenkool

Steenkool is ruim voorradig in de gehele wereld, ook in vele ontwikkelingslanden (China, India, Zuid-Afrika, Colombia). Het is over het algemeen een goedkope energiebron, en alle landen in de wereld hebben profijt van de lage wereldmarktprijzen voor steenkool, die waarschijnlijk nog decennialang laag zullen blijven.

Belangrijkste bezwaar tegen steenkool is de milieuschade die uit het gebruik ervan voortvloeit. De geïndustrialiseerde landen die gekwantificeerde streefdoelen dienen te halen met betrekking tot de uitstoot van broeikasgassen (voornamelijk CO2) kunnen slechts in beperkte mate steenkool gebruiken. Aan de andere kant is de algemene verwachting dat het verbruik van steenkool in de ontwikkelingslanden, die op dit punt vooralsnog niet aan beperkingen gebonden zijn, de komende jaren (decennia) zal toenemen, voornamelijk voor de elektriciteitsopwekking.

De ontwikkelingslanden worden echter geconfronteerd met diverse milieuproblemen op lokaal niveau, met name luchtverontreiniging, en veel landen maken zich ook zorgen over de grensoverschrijdende luchtvervuiling als gevolg van de uitstoot van SO2, NOx en zware metalen. Verder groeit het besef dat ook in de ontwikkelingslanden het steenkoolverbruik op de langere termijn beperkt zal moeten worden om de einddoelstelling van het Klimaatverdrag niet in gevaar te brengen.

Gezien de prominente plaats die steenkool inneemt in de energievoorziening in de ontwikkelingslanden is het noodzakelijk op grote schaal schone technologieën voor steenkool in te voeren. Aan dit aspect van de samenwerking dient speciale aandacht besteed te worden, zodat de verspreiding op grote schaal van dit soort technologieën versneld wordt. De afgelopen twintig jaar heeft de EU zich beziggehouden met de ontwikkeling van schone technologieën voor steenkool, met name in het kader van het EGKS-Verdrag en het communautaire O&O-kaderprogramma . Er zijn processen voor het terugdringen van de uitstoot van SO2, NOx en vaste deeltjes ontwikkeld waarmee het mogelijk wordt steenkool in grote centrales te verbranden met minimale gevolgen voor de kwaliteit van de lucht ter plekke of de verzuring. Een tot 50% verbeterde efficiëntie kan leiden tot een aanzienlijke reductie van de CO2-uitstoot van de meeste bestaande centrales in de ontwikkelingslanden. Wanneer vrijkomende warmte gebruikt wordt voor verwarming in huis, koeling of andere met lagetemperatuurverwarming samenhangende doelen kunnen zelfs nog hogere efficiëntiepercentages bereikt worden. En via beter toezicht op en onderhoud van bestaande installaties kan vaak tegen geringe kosten en op zeer doeltreffende wijze een efficiënter en schoner gebruik van steenkool gerealiseerd worden.

Schone technologieën voor steenkool omvatten meer dan de bovengenoemde voorbeelden. Veelbelovende technologieën voor de toekomst zijn onder meer steenkoolvergassing in combinatie met technieken om het vrijkomende CO2 op te vangen en (ondergronds) op te slaan, zodat steenkool in principe op een duurzame wijze gebruikt zou kunnen worden. Daarvoor moet evenwel nog een aantal flinke obstakels overwonnen worden; met name de hoge kosten in verband met het opvangen van CO2 en de ondergrondse opslag ervan voor de lange termijn vormen een probleem. Dit is een duidelijk voorbeeld van een technologische ontwikkeling die vooralsnog enkel binnen het bereik van de geïndustrialiseerde landen ligt, maar die zeker ook perspectieven biedt voor de andere landen in de wereld. In dit verband moeten de mogelijkheden worden onderzocht om ontwikkelingslanden bij de ontwikkeling en inzet van deze nieuwe technologieën te betrekken.

Met steun van de EGKS heeft de EU tevens een in de wereld toonaangevende mijnbouwtechnologie ontwikkeld. Overdracht van deze technologie zou kunnen leiden tot een efficiëntere steenkoolwinning in ontwikkelingslanden. In sommige landen is het veiligheidsniveau in de steenkoolsector laag, zoals onder andere blijkt uit een recente reeks mijnrampen in China. Ook wat dit aspect betreft hebben de EGKS-programma's de ontwikkeling ondersteund van een brede scala voor snelle overdracht in aanmerking komende technologieën die niet alleen de veiligheid, maar ook de gezondheids- en arbeidsomstandigheden zouden kunnen helpen verbeteren.

Het voorbeeld van China laat echter zien dat de Europese industrie slechts in beperkte mate geïnteresseerd is in het exporteren van dit soort nieuwe technologieën, vanwege het ontbreken van een algeheel kader ter waarborging van de financiering en een rendabele exploitatie van de overdracht van technologie.

b) Olie en gas

Van zowel olie als gas wordt verwacht dat hun aandeel in de energiemix in ontwikkelingslanden sterk zal toenemen. Bij olie komt dit vooral door een stijging van het gebruik in de vervoersector, waar alternatieven voorlopig nog beperkt beschikbaar zijn. Bij aardgas wordt het gestegen gebruik vaak gekoppeld aan de noodzaak van een verbetering van de milieusituatie, vooral de verontreiniging in steden. Aardgas is echter ook met het oog op klimaatverandering aantrekkelijk, omdat het met een hoge efficiëntie kan worden gebruikt en het koolstofgehalte lager is dan dat van andere fossiele brandstoffen.

Van zowel olie als gas wordt verwacht dat er op middellange termijn een beperkte levering mogelijk zal zijn. Daarom en met het oog op de mogelijke gevolgen voor klimaatverandering moeten olie en aardgas zo efficiënt mogelijk worden gebruikt, zoals al in verband met energie-efficiëntie is opgemerkt. Daarnaast zijn voor het gebruik van olieproducten, zowel voor zware stookolie die in verbrandingsinstallaties wordt gebruikt als voor benzine en diesel die voor vervoer worden gebruikt, adequate milieumaatregelen nodig. De technologie voor schone kolen, zoals rookgasontzwaveling, is ook gedeeltelijk bruikbaar voor de verbranding van olieproducten.

c) Hernieuwbare energiebronnen

De aandacht voor het potentieel van hernieuwbare energiebronnen neemt gestaag toe vanwege de voordelen op het punt van het milieu en de continuïteit van de energievoorziening, maar toch blijft het aandeel van deze energiebronnen beperkt. Daar komt bij dat bij gebrek aan specifieke beleidsmaatregelen, zoals die door de Unie op het gebied van de bevordering van hernieuwbare energiebronnen zijn genomen, de doorgaans hogere kosten van deze energie een belemmering vormen voor de verspreiding ervan, in ieder geval op de korte termijn.

De Europese Unie heeft zich ten doel gesteld het aandeel van uit hernieuwbare energiebronnen gewonnen energie tussen nu en 2010 te verdubbelen, van 6% tot 12%. Daarvoor zijn aanzienlijke investeringen nodig, met name in de elektriciteitssector, waar het aandeel van via hernieuwbare energiebronnen opgewekte elektriciteit overeenkomstig de richtlijn inzake de bevordering van hernieuwbare energie in 2010 gestegen zou moeten zijn tot 22%.

Hernieuwbare energiebronnen worden in de ontwikkelingslanden vaak veel meer gebruikt dan in de EU, maar daarbij gaat het vooral om brandhout om te koken en voor verwarming (traditionele biomassa), of om grote waterkrachtcentrales. Aan beide vormen van energieopwekking kleven bezwaren vanuit het oogpunt van duurzame ontwikkeling. Het op grote schaal verzamelen van biomassa betekent een aanslag op de schaarse en kwetsbare bossen en wouden in veel halfdroge regio's, en het gebruik van die biomassa veroorzaakt ernstige gezondheidsproblemen als gevolg van de hoge niveaus van luchtverontreiniging binnenshuis. Projecten voor grote waterkrachtcentrales roepen de nodige vragen op ten aanzien van het milieu, en de mogelijke problemen zijn zo ernstig dat de komende jaren waarschijnlijk niet veel projecten doorgang zullen vinden.

Aangezien de totale energievraag in de ontwikkelingslanden zal stijgen en brandhout als energiebron vervangen zal moeten worden door duurzamere energiebronnen, zou het aandeel van traditionele biomassa in deze landen (en wereldwijd) op de middellange en lange termijn een dalende tendens te zien moeten geven. Er zal een forse inspanning nodig zijn om moderne vormen van hernieuwbare energie (bijv. zonne-energie, windenergie, waterkracht op kleine schaal, duurzame biomassa, enz.) op zodanige schaal toe te passen dat het percentage van hernieuwbare energie op het huidige niveau gehandhaafd blijft, zowel wereldwijd als in de ontwikkelingslanden (zie Tabel II in de bijlage).

Deze perspectieven zijn van belang om een inschatting te kunnen maken van de rol die hernieuwbare energiebronnen in de toekomst dienen te spelen in de structuren voor energievoorziening van de ontwikkelingslanden. Ze geven aan dat diversificatie van de energievoorziening van groot belang is. Ook maken ze duidelijk dat het een vergissing zou zijn de oplossing voor het probleem van de verwachte toename van het energieverbruik in de ontwikkelingslanden vooral te zoeken in bevordering van hernieuwbare energiebronnen, die vanwege de hoge prijs voor veel van de betrokken landen op dit moment onbereikbaar zijn. Indien voor een adequaat energiebeleid wordt gezorgd kunnen plaatselijk beschikbare hernieuwbare energiebronnen echter concurrerend worden ingezet, met name voor gedecentraliseerde elektriciteitsproductie en kunnen zij in aanzienlijke mate voorzien in de huidige energiebehoefte van de ontwikkelingslanden, met name gezien de huidige ontwikkelingen, die erop wijzen dat hernieuwbare energiebronnen op termijn financieel aantrekkelijker zullen worden voor de ontwikkelingslanden, dankzij de prijsdalingen als gevolg van het toenemend gebruik in de rijke landen.

Mogelijkheden voor het gebruik van hernieuwbare energiebronnen zijn er vooral in de plattelandsgebieden, waar de energievoorziening gebaseerd is op een gedecentraliseerde elektriciteitsproductie. Met name de huidige en te verwachten ontwikkelingen op het gebied van wind- en zonne-energie lijken veelbelovend voor een verbetering van de energievoorziening in plattelandsgebieden. Dergelijke gebieden zijn vaak te dunbevolkt of de potentiële vraag naar elektriciteit is er vaak te beperkt om rendabele investeringen mogelijk te maken op het gebied van de transmissie en distributie van op centraal niveau opgewekte elektriciteit. Op lokaal niveau via wind- of zonne-energie opgewekte elektriciteit is wellicht de beste oplossing om te voorzien in de basisbehoefte aan energie voor verlichting, communicatie, gezondheidszorg en de basisprocessen voor productie en handel. Dit aspect is speciaal van belang wanneer het gaat om het terugdringen van de armoede. Wordt hernieuwbare energie op de juiste wijze geïntegreerd in het beleid voor plattelandsontwikkeling, dan zal het gebruik van deze vorm van energie tevens bijdragen tot verbetering van de levensomstandigheden op het platteland en daarmee hopelijk ook een beperkende invloed hebben op de trek van het platteland naar de stedelijke gebieden, met alle daarmee samenhangende sociale problemen.

Om bovenvermelde met de continuïteit van de voorziening en milieubescherming samenhangende redenen is het zinvol ontwikkelingslanden te steunen door middel van:

- assistentie bij het opbouwen van de nodige technische capaciteit;

- ondersteuning bij het opzetten van het regelgevingskader en de institutionele structuur die vereist zijn voor het bevorderen van het gebruik van plaatselijk beschikbare energiebronnen;

- verbeterde toegang tot de door de EU-industrie ontwikkelde technologie op het gebied van hernieuwbare energie en energie-efficiëntie; de binnen de EU gedane OTO-inspanningen dienen zich te richten op het wegnemen van de belemmeringen voor het gebruik van deze technologieën in niet-geïndustrialiseerde landen of afgelegen plattelandsgebieden. Ook moet de nodige aandacht worden besteed aan demonstratie van deze technologieën in reële omstandigheden (in ontwikkelingslanden).

- de ontwikkeling van passende financiële mechanismen ter bevordering van hernieuwbare energiebronnen.

d) Kernenergie

Een aantal ontwikkelingslanden (zoals China, India, Noord-Korea en Zuid-Afrika) houdt vast aan kernenergie als onderdeel van hun totale energiemix.

Het debat over kernenergie in Europa heeft duidelijk gemaakt dat hoge veiligheidsnormen en een vanuit milieuoogpunt verantwoorde verwerking en opslag van kernafval noodzakelijk zijn.

Een veilig gebruik van kernenergie vereist een hoog niveau van technische en beheersvaardigheden; ook inzicht in en aanvaarding van de vraagstukken door het publiek in brede kring is voor een duurzaam gebruik van kernenergie nodig. Zonder waarborgen voor goede governance op lange termijn kan de veiligheid van kernenergie met het oog op zowel nucleaire verontreiniging als terrorisme niet worden gewaarborgd. De ervaring in de Europese Unie heeft weliswaar geleerd dat het gebruik van kernenergie met de vereiste vaardigheden en governance technisch haalbaar is, maar een dergelijke combinatie van factoren ontbreekt in de meeste ontwikkelingslanden.

De verwezenlijking van goede governance en politieke stabiliteit is een belangrijke doelstelling van de EU-ontwikkelingssamenwerking, maar ook een langdurig proces.

Men gaat er algemeen van uit dat er in ontwikkelingslanden niet voldoende overheidsgeld is om energiediensten te verstrekken aan degenen die deze nog niet hebben en dat aan de toekomstige behoefte aan energie op basis van privé-kapitaal zal moeten worden voldaan. De privé-sector schrikt echter terug voor de risico's en onzekerheden (veiligheid, afvalverwijdering enz.) van nieuwe kernenergie-capaciteit in ontwikkelingslanden, zelfs wanneer het economisch concurrentievermogen daarvan is aangetoond.

Wanneer ontwikkelingslanden echter toch voor kernenergie kiezen of hebben gekozen en wanneer dit verenigbaar is met een nationale strategie ter bevordering van duurzame ontwikkeling en er voldoende waarborgen zijn, kan de EU technische hulp verlenen voor de opbouw en totstandkoming van het regelgevend kader en de institutionele capaciteit die nodig zijn voor nucleaire veiligheid, met inbegrip van het toezicht op splijtstof (veiligheidscontrole), afvalbeheer en de veiligste technologie.

ii) Bevorderen van de totstandkoming van netwerken, met name koppelingen

De Europese energiemarkt ontwikkelt zich tot één grote, geïntegreerde markt. Deze ontwikkeling is mogelijk gemaakt door een nauwe politieke samenwerking binnen de Unie en met name door de invoering van de interne markt, alsmede door de opbouw van een uitgebreid bevoorradingsnetwerk dat volledige uitwisseling van met name gas en elektriciteit tussen de lidstaten mogelijk maakt.

De ontwikkeling van regionale energienetwerken kan schaalvoordelen opleveren, vooral in kleine landen, waar ruimte aanwezig is voor beperking van de transactiekosten en voor versterking van de concurrentiepositie via een gezamenlijke aanpak van de ontwikkeling, het beheer en de operationele aspecten van voorzieningen op het gebied van de energie-infrastructuur. Mogelijkheden in dit verband doen zich voor met betrekking tot gezamenlijke voorzieningen voor gas- en elektriciteitsnetwerken en de handel in gas en elektriciteit. Bundeling van de capaciteit voor elektriciteitsopwekking kan een aanzienlijke besparing opleveren op de uitgaven voor nieuwe opwekkingscapaciteit en de operationele kosten en tevens bijdragen tot een continue energievoorziening [31].

[31] Bundeling van de voorzieningen voor elektriciteitsopwekking in zuidelijk Afrika zou de komende twintig jaar naar schatting een besparing kunnen opleveren van 80 miljoen dollar per jaar op de operationele kosten en van 700 miljoen dollar per jaar op de uitbreidingskosten.

Daarbij moet echter wel aangetekend worden dat de baten van regionale samenwerking en investeringen in infrastructuur sterk afhankelijk zijn van de lokale omstandigheden. De Europese markt kenmerkt zich door een hoog verbruik in een relatief klein gebied. In veel ontwikkelingslanden is sprake van een laag verbruik in uitgestrekte gebieden, en in die omstandigheden ligt een op lokale productie gebaseerd bevoorradingssysteem meer voor de hand. Er zijn echter ook regio's die vanwege de omvang, de bevolkingsdichtheid of de verdeling van de beschikbare energiebronnen baat zouden kunnen hebben bij meer regionale samenwerking. Dat geldt bijvoorbeeld voor het Middellandse-Zeegebied, waar het energiedistributiesysteem zich nog in een rudimentair stadium bevindt. Met de ontwikkeling van een echte samenwerking op energiegebied tussen de twaalf mediterrane partners zou een einde gemaakt kunnen worden aan de meeste problemen die de regio op energiegebied ondervindt.

Veel grootschalige projecten voor waterkrachtcentrales in de ontwikkelingslanden hebben, afgezien van de milieueffecten, als bezwaar dat de kosten voor transmissie en distributie, nodig om de elektriciteit bij de potentiële gebruikers te brengen, erg hoog zijn. Er is geen directe oplossing voor een gebrek aan rentabiliteit dat voortvloeit uit een ontoereikende vraag of te hoge distributiekosten, maar er zijn wel oplossingen denkbaar om de politieke of institutionele obstakels te overwinnen die regionale samenwerking op energiegebied in de weg staan. Er is alle reden om aan te nemen dat veel regio's in de wereld (Zuid-Amerika, West-Afrika, Afrika ten zuiden van de Sahara, Zuidoost-Azië) baat kunnen hebben bij nauwere samenwerking op het gebied van energiebevoorradingssystemen. Een dergelijke samenwerking zou ook uiterst zinvol kunnen zijn ingeval gebruik wordt gemaakt van hernieuwbare energiebronnen met wisselende beschikbaarheid. Het effect van waterkracht of windenergie op de energievoorziening is pas optimaal wanneer deze vormen van energie gecombineerd worden met energiebronnen die niet van meteorologische omstandigheden afhankelijk zijn. Wat dit betreft, moet de aanpak ten aanzien van elektriciteitsnetten in ontwikkelingslanden worden afgestemd op een meer gedecentraliseerde energieproductie in de toekomst, waarbij gebruik wordt gemaakt van verspreid voorkomende en niet-continu beschikbare hulpbronnen, zoals hernieuwbare energievormen.

Bovendien dient opgemerkt te worden dat samenwerking op energiegebied niet beperkt hoeft te blijven tot de uitwisseling van energie via netwerken. Regionale samenwerking kan voor de landen met een bescheiden energievraag (Afrika, de eilanden in de Stille Oceaan) ook bestaan uit gezamenlijke activiteiten op het gebied van capaciteitsopbouw en uitwisseling van ervaring.

Daarnaast dient de aandacht gevestigd te worden op het feit dat de vraag welke rol energienetwerken kunnen of moeten spelen met het oog op een betrouwbare en betaalbare energievoorziening niet enkel een internationaal probleem is. Veel ontwikkelingslanden getroosten zich veel moeite om zuiver nationale netwerken op te zetten (gas in Nigeria, elektriciteit in China en Iran) teneinde basisdiensten op energiegebied aan te bieden in gebieden waar de vraag bescheiden is. Deze inspanningen dienen ondersteund te worden als onderdeel van de nationale programma's voor de bestrijding van de armoede en ook als wezenlijk element van het beleid ter verbetering van de levensomstandigheden op het platteland.

III. De aan te wenden middelen: operationele aanbevelingen

In het vooruitzicht van de Top van Johannesburg inzake duurzame ontwikkeling dient een Initiatief voor energie in de ontwikkelingslanden van de Europese Unie gelanceerd worden, teneinde een politieke impuls en een zeer concrete dimensie te geven aan de samenwerking op dit gebied. Dit Initiatief sluit in meer algemene zin aan bij een reeks voorstellen van horizontale aard voor de lange termijn, gericht op een doeltreffender samenwerking op energiegebied met de ontwikkelingslanden.

Bij deze samenwerking met ontwikkelingslanden op het gebied van energie moet worden geput uit de langdurige eigen ervaring van de EU met de milieuproblemen die uit het gebruik van conventionele energie voortvloeien en een erkenning van de noodzaak van een innovatievere benadering om te zorgen voor betaalbare en duurzame energiebronnen, zodat de nadruk ligt op gezamenlijke oplossingen die energie-efficiënt zijn en geen energie verspillen of waarbij hernieuwbare energiebronnen worden ingezet zonder dat er afbreuk wordt gedaan aan het feit dat ontwikkelinglanden toegang moeten hebben tot de elementaire energiediensten.

A) De aanbevelingen voor de lange termijn

a) Energie als horizontaal element integreren in de programma's voor ontwikkelingshulp van de EU - Energie moet in de ontwikkelingssamenwerking van de Unie een plaats krijgen die recht doet aan de horizontale dimensie van energie en de rol ervan als noodzakelijke voorwaarde voor het terugdringen van de armoede. De totale omvang van de ontwikkelingshulp zal de komende jaren naar verwachting stijgen, en het is wenselijk dat dit zich zal vertalen in een substantiële verhoging van de bijdrage voor de samenwerking op energiegebied. Wat de EU-programma's voor ontwikkelingshulp betreft is het noodzakelijk dat, op basis van de door de begunstigde landen/regio's ingediende verzoeken, het voor energie gereserveerde deel van het jaarlijks totaalbedrag voor ontwikkelingshulp op de middellange termijn substantieel verhoogd wordt.

De wijze waarop die doelstelling verwezenlijkt dient te worden kan variëren naar gelang de betrokken programma's of de landen en/of regio's. Te denken valt aan uitbreiding van het aantal en/of de omvang van op energie gerichte projecten, de invoering van een energiecomponent in sectorale projecten op het gebied van onderwijs, gezondheid, water, enz. De integratie van energie in Poverty Reduction Strategy Papers (PRSP's), gespecificeerd door de begunstigden, is in dit opzicht belangrijk. Hieraan voorafgaand dient een inspanning geleverd te worden om de begunstigde landen meer bewust te maken van energievraagstukken, en ook moeten, indien de begunstigde landen/regio's dat willen, de nationale en regionale indicatieve programma's die de basis vormen van de samenwerking tussen de Unie en de ontwikkelingslanden worden aangepast. Dit lijkt inmiddels ook al een aandachtspunt te zijn van een aantal ontwikkelingslanden zelf. Daarnaast zouden in de programma's en projecten voor ontwikkelingshulp in de energiesector systematisch doelstellingen inzake energie-efficiëntie opgenomen dienen te worden.

b) Institutionele steun, technische bijstand en netwerkvorming ontwikkelen teneinde de begunstigde landen in staat te stellen hun energiebeleid ten uitvoer te leggen - Voor de uitwerking en de tenuitvoerlegging van beleidsmaatregelen op energiegebied, in het bijzonder de vaststelling van het noodzakelijk reglementair kader ter bevordering van investeringen, diversificatie van energiebronnen en een rationeel gebruik van energie, is een hoog niveau van deskundigheid vereist. Deze deskundigheid is in de meeste gevallen zeer beperkt aanwezig in de ontwikkelingslanden.

Gelet op de uitkomsten van tal van reeds bestaande - in het verleden gefinancierde - studies wordt voorgesteld, voor de landen/regio's die dat willen, de financiële bijstand die uit hoofde van de EU-programma's voor ontwikkelingshulp beschikbaar gesteld wordt geheel of gedeeltelijk te bestemmen voor "jumelage"-activiteiten. Via een dergelijk initiatief zouden op basis van de ervaring en de zeer overtuigende resultaten in de kandidaat-lidstaten van Midden- en Oost-Europa Europese deskundigen gedetacheerd kunnen worden in de begunstigde landen. Deze detacheringen zouden beperkt zijn in de tijd, maar lang genoeg moeten duren (één tot drie jaar) om de administratieve capaciteit in de betrokken landen te vergroten, en ze zouden moeten leiden tot concrete vooruitgang met betrekking tot het regelgevend kader, de energiebalans, de diversificatie van de energievoorziening en de uitwerking van financiële mechanismen voor de implementatie van netwerken en capaciteit voor energieproductie. Bovendien zou voorzien moeten worden in ad-hocmechanismen voor technische bijstand en in steunverlening aan de bestaande nationale en/of regionale energiecentra. Ook zou steun verleend moeten worden voor scholing met het oog op de vorming op de middellange termijn van een pool van deskundigen op energiegebied in de ontwikkelingslanden.

Daarnaast beschikt de Europese Unie over een uitgebreid netwerk van lokale en nationale agentschappen die zich bezighouden met energiekwesties en met name met de bevordering van hernieuwbare energiebronnen en energie-efficiëntie. Derhalve wordt voorgesteld een deel van de middelen van de EU die voor internationale samenwerking beschikbaar zijn, worden bestemd voor acties inzake "netwerkvorming" tussen de energieagentschappen van de Europese Unie en vergelijkbare (bestaande of op te richten) centra in de ontwikkelingslanden. Het nieuwe programma "Intelligente energie voor Europa" zal wat dit betreft als katalysator kunnen fungeren [32]. Gezien het belang van een op de lokale situatie toegespitst beleid waarmee ingespeeld kan worden op de zeer uiteenlopende specifieke behoeften in de ontwikkelingslanden zullen de lokale centra krachtig ondersteund worden. Via dit soort acties voor netwerkvorming kan een maximaal aantal actoren bereikt worden, in de publieke sector maar vooral ook in de private sector (maatschappelijk middenveld).

[32] Het programma "Intelligente energie voor Europa" bevat een component internationale samenwerking (COOPENER) waarvoor in het voorstel van de Commissie een bedrag van 19 miljoen euro is gereserveerd voor de periode 2003-2006.

c) Een adequaat regelgevend kader en innovatieve financiële mechanismen ontwikkelen teneinde investeringen in schone technologie, met name in het kader van publiek-private partnerschappen, te bevorderen - Investeren in schone technologieën is in de eerste plaats een zaak voor de industrie, en het is dan ook van groot belang dat in de ontwikkelingslanden markt- en investeringsvoorwaarden gecreëerd worden waarmee de deelname van het bedrijfsleven aan een proces van overdracht van technologie bevorderd kan worden. In veel gevallen zijn investeringen in schone, duurzame energie voor private kapitaalverschaffers nog niet rendabel genoeg wanneer flankerende steunmaatregelen ontbreken, waaronder steunverlening uit de publieke middelen in de vorm van aandelen, schenkingen of subsidies. Dit probleem wordt versterkt door hoge initiële investeringskosten, al worden die gecompenseerd door lage operationele kosten op de langere termijn.

Een adequaat regelgevend kader en afdoende publieke investeringen (eigen middelen en ontwikkelingshulp) zijn op dit gebied derhalve van groot belang, in het bijzonder als middel om privé-kapitaal aan te trekken. In dit verband dient ook melding te worden gemaakt van het communautaire technologieonderzoek, met name binnen het zesde kaderprogramma voor onderzoek, dat open zal staan voor alle derde landen, inclusief ontwikkelingslanden, en mogelijkheden zal bieden voor partnerschappen op energiegebied met een voorbeeldfunctie. Over het algemeen dient via de ontwikkeling van partnerschappen tevens aanvullende financiering vanuit de banksector mogelijk gemaakt te worden. Aan de hand van deze horizontale actie, die wordt versterkt via het Initiatief voor energie van de Europese Unie (zie punt B), zouden de behoeften van de begunstigde landen inzake nieuwe financieringsmechanismen in kaart gebracht kunnen worden en zou een bijdrage geleverd kunnen worden aan de ontwikkeling van dergelijke mechanismen, waarin de aanwezige deskundigheid en de beschikbare financieringsmiddelen (giften, leningen, deelnemingen) gecombineerd worden.

d) Regionale samenwerking bevorderen

Regionale (en subregionale) samenwerking op energiegebied kan een reële meerwaarde hebben voor de ontwikkelingslanden vanuit het oogpunt van duurzame ontwikkeling. De nationale markten zijn in de meeste gevallen namelijk te gering van omvang om private investeringen aan te kunnen trekken, terwijl de meeste problemen met betrekking tot de energiedistributie op regionaal niveau opgelost kunnen worden. Via uitbreiding van de regionale samenwerking kan de tenuitvoerlegging van de hervormingen in de energiesector gestimuleerd en verbeterd worden en kan de participatie van de particuliere sector bevorderd worden. Op dezelfde manier kan de ontwikkeling en koppeling van netwerken voor energiedistributie op regionaal niveau bijdragen tot een betere toegang tot energie voor de bevolking en tot meer continuïteit in de bevoorrading.

Gezien haar ervaring en gelet op de instrumenten waarover zij beschikt dient de Gemeenschap steun te verlenen aan de inspanningen van de ontwikkelingslanden die deze weg willen inslaan. Daarbij kan zij met name steunen op de regionale dialoog, alsmede op de component voor regionale samenwerking van de belangrijke programma's voor ontwikkelingshulp. Wat de regionale dialoog inzake energie betreft dient versterking plaats te vinden van de rol van de bestaande fora (het Euro-mediterraan Forum voor energie, het Asean Centre for Energy, enz.) als centra voor informatie, bewustmaking en discussie inzake energievraagstukken. Versterking van de regionale dialoog kan leiden tot projecten inzake regionale integratie op energiegebied, zoals het project voor een elektriciteitsnetwerk in het Middellandse-Zeegebied [33].

[33] Het project "Mediterraan elektriciteitsnet" is een van de zes regionale MEDA-projecten op energiegebied die op dit moment lopen.

e) De samenwerking binnen de Unie en met de andere internationale organisaties en geldschieters bevorderen - Een goede coördinatie binnen de Unie is van groot belang, niet alleen voor de onderlinge samenhang tussen de verschillende communautaire instrumenten voor samenwerking, maar ook voor de samenhang tussen de acties inzake samenwerking op energiegebied van de Commissie en die van de lidstaten. Doel van het in deze mededeling voorgestelde referentiekader is de coördinatie ook op mondiaal niveau te versterken, zoals het Initiatief voor energie van de Europese Unie (zie punt B) bedoeld is om de coördinatie op een meer specifiek niveau te bevorderen.

Op internationaal niveau zijn er tal van organisaties die zich bezighouden met het vraagstuk van energie in de ontwikkelingslanden, maar veelal zonder onderlinge coördinatie of samenhang. Hierbij gaat het met name om de Verenigde Naties (het Ontwikkelingsprogramma van de Verenigde Naties, het Milieuprogramma van de Verenigde Naties), de Wereldbank, het Internationaal Energieagentschap en de Wereldenergieraad (WEC). Algemeen gesproken zou het een goede zaak zijn wanneer de dialoog met de organisaties die verantwoordelijk zijn voor de coördinatie op energiegebied zou worden geïntensiveerd op internationaal en vooral op regionaal niveau. Zo hebben, wat Latijns-Amerika betreft, OLADE (de vergadering van energieministers), CEPAL (de regionale economische commissie van de Verenigde Naties) en BID (de Inter-Amerikaanse ontwikkelingsbank) een ruime ervaring op dit gebied en bestaat er een dialoog tussen deze organisaties en de Europese Commissie. Intensivering van de coördinatie zal ook positieve gevolgen hebben voor de Poverty Reduction Strategy Papers. Een gezamenlijk 'focal point' voor de analyse en het beheer van de statistische gegevens inzake de energiesituatie in de ontwikkelingslanden zou bijzonder nuttig zijn. Het zou wenselijk zijn wanneer een bestaande internationale organisatie met de vereiste ervaring deze taak op zich zou nemen. Met name zou onderzocht moeten worden welke rol het Internationaal Energieagentschap in dit verband zou kunnen spelen.

Het Initiatief voor energie van de Europese Unie biedt een extra mogelijkheid om te komen tot betere coördinatie tussen het optreden van de Unie en dat van de andere internationale donors.

B) Het Initiatief voor energie van de Europese Unie

Met het oog op een betere samenwerking in de energiesector tussen de EU en de ontwikkelingslanden en rekening houdend met de eerder vermelde acties voor de lange termijn zal de Unie in Johannesburg een Initiatief voor energiepartnerschap lanceren (EU Energy Initiative). Dit initiatief was reeds aangekondigd in de mededeling van de Commissie over de externe dimensie van de duurzame ontwikkeling (COM (2002) 82, februari 2002) :

"In 2002 moet in het kader van de armoedebestrijding een initiatief van de Europese Unie inzake samenwerking op het punt van energie en ontwikkeling worden goedgekeurd, waarbij de aandacht wordt toegespitst op betrouwbare energiebronnen, meer energie-efficiëntie (inclusief energiebesparingen), schone technologieën en de ontwikkeling van duurzame energiebronnen (inclusief capaciteitsopbouw en institutionele versterking)."

De lidstaten hebben hun steun aan dit voorstel bevestigd in de Raadsconclusies die zijn aangenomen tijdens de Raad Ontwikkeling van 30 mei 2002:

"De EU zal tijdens de WDO een initiatief op energiegebied uitwerken en presenteren waarin de nadruk ligt op het terugdringen van de armoede via verbeterde toegang tot adequate duurzame energiediensten in (semi)plattelandsgebieden en stedelijke agglomeraties. Daarbij zal een breed scala aan technische en institutionele opties in aanmerking genomen worden, waaronder elektriciteitsnetten voor het platteland, gedecentraliseerde energiesystemen, bevordering van het gebruik van hernieuwbare energiebronnen (zoals waterkracht [34], getijde- en golfenergie, windenergie, biomassa, zonne-energie en geothermische energie), alsmede instrumenten ter verbetering van de energie-efficiëntie (waaronder schonere, efficiëntere technologieën voor fossiele brandstoffen en technologieën voor efficiëntere toepassingen en een doelmatiger gebruik van traditionele biomassa).

[34] Indien verenigbaar met de principes van geïntegreerd waterbeheer, zoals die worden gepromoot via het EU-waterinitiatief, dat eveneens in Johannesburg zal worden gelanceerd.

Kern van het initiatief is de ontwikkelingslanden, via de ontwikkeling van partnerschappen, steun te verlenen voor de opbouw van institutionele capaciteit en ze technische bijstand te bieden met het oog op de uitwerking van adequate beleidsmaatregelen op energiegebied. Ontwikkelingsbanken, investeerders en de particuliere sector zullen uitgenodigd worden deel te nemen in de financiering."

De Europese Raad van Sevilla van 21 en 22 juni 2002 heeft de conclusies van de Raad Ontwikkeling in herinnering geroepen en aangegeven dat de EU bij de tenuitvoerlegging van het initiatief bijzondere aandacht zal besteden aan Afrika teneinde een impuls te geven aan het NEPAD-initiatief. Het Initiatief zal echter openstaan voor alle ontwikkelingslanden en op een regionale basis uitgevoerd kunnen worden.

De doelstelling van het Initiatief is aangegeven in de conclusies van de Raad Ontwikkeling van 30 mei 2002:

"De EU bevestigt haar vaste voornemen om de verwezenlijking van de millenniumontwikkelingsdoelstelling om in de periode tot 2015 het aantal mensen dat in extreme armoede leeft, te halveren, en van de overige millenniumontwikkelingsdoelstellingen te vergemakkelijken, door te zorgen voor adequate en betaalbare duurzame energiediensten."

Via overleg met de partners zullen activiteiten, hetzij op nationale, hetzij op regionale basis, worden ontwikkeld. Met name dient aandacht te worden besteed aan de voordelen van regionale activiteiten. De kernactiviteiten op partnerschapsbasis in het kader van dit initiatief kunnen het volgende omvatten: opbouw van een institutionele structuur, overdracht van kennis en vaardigheden; technische samenwerking; marktontwikkeling, inclusief facilitering van passende vormen van publiek/private partnerschappen en facilitering van samenwerking met financiële instellingen, naast een intersectorale aanpak van de energieproblematiek.

Via het Initiatief zullen partnerschappen gestimuleerd worden tussen de regeringen en de voor ontwikkeling en energie verantwoordelijke organisaties in ontwikkelingslanden enerzijds en de corresponderende instanties en instellingen van de Europese Commissie en de lidstaten anderzijds. Relevante particuliere ondernemingen en financiële instellingen, NGO's en/of andere betrokkenen zullen uitgenodigd worden deel te nemen aan het Initiatief. De Commissie is bereid bij te dragen tot de instelling van een klein secretariaat ten behoeve van de coördinatie van het Initiatief. Zij zal mechanismen ontwikkelen die moeten zorgen voor de nodige samenhang en coördinatie tussen de verschillende instrumenten en programma's met een energiecomponent in de diverse ontwikkelingslanden/regio's

Gezien het vrijwillig karakter van het Initiatief en de noodzaak de activiteiten te laten aansluiten bij de nationale ontwikkelingsprogramma's is het succes van het Initiatief grotendeels afhankelijk van de ontwikkelingslanden zelf. In de dialoog met deze landen moet bijzondere nadruk worden gelegd op de mogelijke bijdrage die energie-efficiëntie en beheersing van de vraag naar energie alsmede hernieuwbare energiebronnen tot de ontwikkeling van hun energiesystemen kunnen leveren. Het Initiatief voor energie van de Europese Unie zou meer ruimte moeten creëren voor het inzetten en combineren van de beschikbare middelen en voorzover mogelijk, uitgaande van de bestaande tenuitvoerleggingsmechanismen, moeten leiden tot een verhoging van het voor de energiesector gereserveerde deel van de ontwikkelingshulp. Gezien het belang van de ontwikkelingshulp van de EU is een specifiek initiatief van de EU op energiegebied op zijn plaats. Dit initiatief sluit evenwel op geen enkele manier steunverlening door de EU aan andere initiatieven uit waarmee dezelfde of vergelijkbare doelstellingen worden nagestreefd, hetzij op nationaal niveau, hetzij in het kader van de Verenigde Naties.

Bijlagen

Energieverbruik in de verschillende regio's in de wereld in vergelijking tot het wereldwijd energieverbruik

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

NB. 1 : De cijfers hebben betrekking op de situatie in 1999, het laatste jaar waarover op dit moment gegevens beschikbaar zijn; dit geldt niet voor de cijfers betreffende elektriciteit (1998).

NB. 2 : Interpretatie van de tabel: het percentage olie voor Afrika (3 %) bijv. geeft aan wat het aandeel van Afrika is in het wereldwijd verbruik van olie (namelijk 3 % van 3417 Mtoe (miljoen ton olie-equivalent)).

Verbruik van hernieuwbare energie en prognoses voor 2030

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

NB. 1 : Bron: model "PRIMES" (voor de EU) en "POLES" (niet gepubliceerde resultaten), scenario bij ongewijzigd beleid.

NB. 2 : Het percentage geeft het aandeel weer van verbruikte energie afkomstig van hernieuwbare bronnen.