Advies van het Economisch en Sociaal Comité over het "Voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad betreffende de EG-typegoedkeuring van landbouw- of bosbouwtrekkers en aanhangwagens, getrokken verwisselbare uitrustingsstukken, systemen, onderdelen en technische eenheden daarvan" (COM(2002) 6 def. — 2002/0017 (COD))
Publicatieblad Nr. C 221 van 17/09/2002 blz. 0005 - 0007
Advies van het Economisch en Sociaal Comité over het "Voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad betreffende de EG-typegoedkeuring van landbouw- of bosbouwtrekkers en aanhangwagens, getrokken verwisselbare uitrustingsstukken, systemen, onderdelen en technische eenheden daarvan" (COM(2002) 6 def. - 2002/0017 (COD)) (2002/C 221/02) De Raad heeft op 12 februari 2002 besloten, overeenkomstig de bepalingen van art. 95 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, het Economisch en Sociaal Comité te raadplegen over het voornoemde voorstel. De afdeling "Interne markt, productie en consumptie", die met de voorbereiding van de desbetreffende werkzaamheden was belast, heeft haar advies op 8 mei goedgekeurd. Rapporteur was de heer Levaux. Het Economisch en Sociaal Comité heeft tijdens zijn 391e zitting (vergadering van 29 mei 2002) het volgende advies uitgebracht, dat met algemene stemmen is goedgekeurd. 1. Doelstellingen van het voorstel 1.1. In het kader van de harmonisatie van de goedkeuringsprocedures dienen de bepalingen van Richtlijn 74/150/EEG van de Raad van 4 maart 1974 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen van de lidstaten betreffende de goedkeuring van landbouw- of bosbouwtrekkers op wielen in overeenstemming te worden gebracht met die van Richtlijn 70/156/EEG van de Raad van 6 februari 1970 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen van de lidstaten betreffende de goedkeuring van motorvoertuigen en aanhangwagens daarvan, en met die van Richtlijn 92/61/EEG van de Raad van 30 juni 1992 betreffende de goedkeuring van twee- of driewielige motorvoertuigen. 1.2. Het onderhavige voorstel voor een richtlijn vormt de tweede fase van de herziening van Richtlijn 74/150/EEG, met als voornaamste doel het toepassingsgebied ervan tot specifiekere categorieën trekkers en tot aanhangwagens en getrokken verwisselbare uitrustingsstukken daarvan uit te breiden. 1.3. De Commissie benadrukt dat zij bij de voorbereiding van het voorstel uit het oogpunt van doeltreffendheid en transparantie ernaar heeft gestreefd overtollige regelgeving te schrappen en de tenuitvoerlegging van de wetgeving te vereenvoudigen. 1.4. Met het voorstel om de nationale goedkeuringen te vervangen door één Europese EG-goedkeuring pleit de Commissie in feite voor een volledige communautaire harmonisatie. 1.5. Bij de opstelling van het voorstel is tevens rekening gehouden met bepaalde internationale voorschriften, zoals die van de Economische Commissie voor Europa van de Verenigde Naties, of die van de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling. 1.6. Tot slot meent de Commissie dat de voorgestelde richtlijn de administratieve stappen zal versnellen die de fabrikanten moeten ondernemen om hun producten in de handel te kunnen brengen. 1.7. Dankzij de richtlijn zullen de fabrikanten ook geen technische varianten meer moeten maken die nu nog nodig zijn om te voldoen aan de uiteenlopende nationale voorschriften. Bovendien hoeven zij dan maar in één lidstaat hun nieuwe voertuigtypen te onderwerpen aan een communautaire, uniforme goedkeuringsprocedure. 2. Algemene opmerkingen 2.1. De voorgestelde richtlijn betreft een omvangrijke sector in het bedrijfsleven, waarvan de omzetcijfers door de Europese Unie worden geraamd op 16 miljard EUR. 2.2. Deze sector verschaft rechtstreeks werk aan 140000 personen in 5000 ondernemingen, en indirect aan 150000 anderen in distributie en verkoop. 2.3. Er zij op gewezen dat de productie op de lange termijn een licht stijgende lijn vertoont, terwijl ook het handelsverkeer binnen en buiten de EU toeneemt (hoofdzakelijk met de VS en Midden-Europa). 2.4. Het Comité stelt met genoegen vast dat de Commissie voor de tenuitvoerlegging van de voorgestelde richtlijn uitgaat van termijnen die de fabrikanten in staat stellen zich aan de nieuwe geharmoniseerde procedures aan te passen. 3. Bijzondere opmerkingen 3.1. Het Comité stelt vast dat het toepassingsgebied van Richtlijn 74/150/EEG zich beperkte tot landbouw- en bosbouwtrekkers op wielen. Het richtlijnvoorstel heeft een grotere reikwijdte aangezien er in het algemeen sprake is van trekkers, ongeacht op wielen of op rupsbanden, aanhangwagens en getrokken verwisselbare uitrustingsstukken. 3.2. Het Comité merkt op dat de gedragen verwisselbare uitrustingsstukken niet in het voorstel worden genoemd. Om de tekst beter te kunnen begrijpen en beter leesbaar te maken, is het volgens het Comité aan te raden om in de "overwegingen" bij het richtlijnvoorstel op te nemen dat deze uitrusting onder een andere richtlijn valt. 3.3. Daarom stelt het Comité voor in de overwegingen bij het voorstel een lid 2 bis toe te voegen met de volgende inhoud: "Het gebruik van gedragen verwisselbare uitrustingsstukken in de land- of bosbouw is, wat de veiligheidsaspecten van het werk betreft, vastgelegd in Richtlijn 98/37/EG betreffende machines(1)". 3.4. Het Comité heeft kennis genomen van de door de Commissie verrichte impactstudie. Het stelt vast dat het richtlijnvoorstel tegelijkertijd betrekking heeft op grote ondernemingen die tractoren fabriceren, en het midden- en kleinbedrijf dat uitrustingsstukken levert. Beide soorten ondernemingen zijn gelijkmatig verspreid over het gehele EU-grondgebied. Dankzij de EU- typegoedkeuring zullen deze ondernemingen hun producten gemakkelijker kunnen uitvoeren. 3.5. Ook al is het belang van de harmonisatie van de procedures en de Europese EG-goedkeuring gelegen in een dynamischer interne markt, dient dit namelijk ook een gelegenheid te zijn om de export buiten de Gemeenschap te stimuleren, met name buiten de landen van Midden-Europa, waarvan er ondertussen al vele kandidaat zijn voor toetreding. 3.6. Het Comité steunt de Commissie in haar streven om de procedures te harmoniseren en een uniforme EG-goedkeuring tot stand te brengen die de fabrikanten op termijn in staat stelt hun activiteiten in een transparant en stabiel concurrentieklimaat uit te oefenen doordat zij beschikken over gemeenschappelijke wetgeving, met name t.a.v. de veiligheid op het werk bij gebruik van landbouw- of bosbouwtrekkers en de bijbehorende uitrustingsstukken. 3.7. Het Comité stemt in met de doelstellingen van de Commissie, die in de conclusie van de toelichting van het richtlijnvoorstel opmerkt: "De voorgestelde richtlijn (zal) ertoe bijdragen de administratieve stappen die de fabrikanten moeten ondernemen om hun producten in de handel te kunnen brengen, te vereenvoudigen en te versnellen." 3.8. Na bestudering van de procedures, de vrijstellingen, de bijzondere gevallen en de bijlagen bij de voorgestelde richtlijn plaatst het Comité echter kanttekeningen bij de complexiteit van de regeling, die tot nu toe naar meer dan 43 bijzondere richtlijnen verwijst, die in bijlage II, hoofdstuk B, deel I zijn opgenomen, de "lijst van de bijzondere richtlijnen". 3.9. Onder de huidige omstandigheden meent het Comité dat de regeling complex blijft, ondanks de pogingen tot verheldering, en dat de administratieve procedures voor de fabrikanten zeker niet veel vlotter verlopen. 3.10. Het Comité stelt vast dat de Commissie in artikel 21 heeft bepaald dat zij wordt bijgestaan door een gespecialiseerd comité voor aanpassing aan de technische vooruitgang, dat bestaat uit vertegenwoordigers van de lidstaten. Dit comité zou bijvoorbeeld in kunnen gaan op problemen in verband met de classificatie, in elke categorie, van nieuwe machines, met name de recentelijk op de markt gebrachte "Quads". 3.11. Volgens het ESC is het betreurenswaardig dat de bijdrage van dit comité beperkt is tot aanpassingen aan de technische vooruitgang, en dat het niet de daadwerkelijke gevolgen van de nieuwe procedures voor vereenvoudiging en versnelling van het administratieve proces kan evalueren. Aangezien het om een belangrijke doelstelling gaat waarmee de Commissie het nut van het richtlijnvoorstel wil onderstrepen, meent het Comité dat wildgroei van comités of waarnemingscentra moet worden voorkomen en dat dit "comité voor aanpassing", drie jaar na oprichting, de verbeteringen zou moeten beoordelen die vereenvoudiging en versnelling van de administratieve stappen beogen welke soms verband houden met de technische vooruitgang. 3.12. Het Comité heeft vastgesteld dat artikel 23 van de voorgestelde richtlijn bepaalt dat de lidstaten hun wetgeving moeten aanpassen vóór 31 december 2004 en dat de nieuwe voorschriften in werking treden vanaf 1 januari 2005. 3.13. Het Comité merkt tevens op dat volgens artikel 24 de vervanging van de nationale door de Europese EG-goedkeuring - hetgeen het streven is van de voorgestelde richtlijn - per categorie voertuigen plaatsvindt zodra de desbetreffende bijzondere richtlijnen zijn aangepast. Uit de tabel bij bijlage II, hoofdstuk B, deel I, "Lijst van de bijzondere richtlijnen", van het richtlijnvoorstel blijkt dat nu al voor tal van voertuigtypen de huidige bijbehorende bijzondere richtlijnen gelden. Bijgevolg zal voor deze voertuigtypen de EG-typegoedkeuring van toepassing zijn zodra de nieuwe bepalingen in werking treden, dus vanaf 1 januari 2005, overeenkomstig artikel 23. 3.14. Voor de voertuigcategorieën die onder de huidige bijzondere richtlijnen vallen die gewijzigd moeten worden of die er nog niet zijn, stelt de Commissie voor de invoering van de EG-typegoedkeuring uit te stellen tot: - drie jaar na de datum van inwerkingtreding van de laatste bijzondere richtlijn, die nog moet worden vastgesteld voor nieuwe voertuigtypen; - zes jaar na de datum van inwerkingtreding van de laatste bijzondere richtlijn, die nog moet worden vastgesteld voor alle voertuigen. 3.15. Aangezien er niets bekend is over de uiterste datum van bekendmaking van de laatste bijzondere richtlijnen, die nog moeten worden vastgesteld, vraagt het Comité zich af wanneer de voorgestelde richtlijn daadwerkelijk in haar geheel ten uitvoer wordt gelegd en zodoende alle verwachte positieve effecten kan sorteren. 3.16. Het Comité acht het noodzakelijk dat er redelijke termijnen komen voor de fabrikanten om zich te kunnen aanpassen, en voor de lidstaten om zich te kunnen voorbereiden, maar gezien de urgentie en het belang voor de fabrikanten om voor de export over één typegoedkeuring te beschikken, zou het graag zien dat de vermelde termijnen van drie en zes jaar worden teruggebracht tot respectievelijk twee en vier jaar. 4. Conclusies 4.1. Het Comité steunt de aanzet van de Commissie tot harmonisatie van de bepalingen inzake de Europese EG-typegoedkeuring van landbouw- of bosbouwtrekkers en stemt in met dit richtlijnvoorstel. 4.2. Het Comité hoopt dat de vaststelling van de richtlijn wordt aangegrepen om de export van deze innoverende en concurrerende sector te bevorderen. Het stelt de Commissie daarom voor een economisch prospectieonderzoek voor te leggen naar de nieuwe mogelijkheden waarover de Europese fabrikanten zullen beschikken na de implementatie van de voorschriften van deze EG-typegoedkeuring door de lidstaten. 4.3. Het Comité zou gaarne zien dat de Commissie een precies tijdpad vastlegt voor de data van bekendmaking van de laatste bijzondere richtlijnen en dat zij de termijnen voor de tenuitvoerlegging van de EG-typegoedkeuring na de vaststelling verkort. Aan de hand van een duidelijk beeld kunnen de fabrikanten zich dan beter op de markt voorbereiden. 4.4. Het Comité betreurt dat het richtlijnvoorstel, dat vereenvoudiging en versnelling van het administratieve proces beoogt, in dit verband niet voorziet in een evaluatie van de effecten van de nieuwe bepalingen. Om de taken van de Commissie te verlichten en om de oprichting van nieuwe structuren te vermijden, zou deze evaluerende rol toegekend moeten worden aan het in art. 21 vermelde comité voor aanpassing aan de technische vooruitgang, waarvoor de lidstaten geschikte kandidaten aan kunnen wijzen. Brussel, 29 mei 2002. De voorzitter van het Economisch en Sociaal Comité G. Frerichs (1) PB L 207 van 23.7.1998.