52001SC1343

Mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement overeenkomstig artikel 251, lid 2, tweede alinea, van het EG-Verdrag over het gemeenschappelijk standpunt van de Raad met het oog op de aanneming van een verordening van het Europees Parlement en de Raad betreffende de versnelde invoering van eisen inzake dubbelwandige uitvoering of gelijkwaardig ontwerp voor enkelwandige olietankschepen, waarbij Verordening (EG) Nr. 2978/94 van de Raad wordt ingetrokken /* SEC/2001/1343 def. - COD 2000/0067 */


MEDEDELING VAN DE COMMISSIE AAN HET EUROPEES PARLEMENT overeenkomstig artikel 251, lid 2, tweede alinea, van het EG-Verdrag over het gemeenschappelijk standpunt van de Raad met het oog op de aanneming van een verordening van het Europees Parlement en de Raad betreffende de versnelde invoering van eisen inzake dubbelwandige uitvoering of gelijkwaardig ontwerp voor enkelwandige olietankschepen, waarbij Verordening (EG) Nr. 2978/94 van de Raad wordt ingetrokken

2000/0067 (COD)

MEDEDELING VAN DE COMMISSIE AAN HET EUROPEES PARLEMENT overeenkomstig artikel 251, lid 2, tweede alinea, van het EG-Verdrag over het gemeenschappelijk standpunt van de Raad met het oog op de aanneming van een verordening van het Europees Parlement en de Raad betreffende de versnelde invoering van eisen inzake dubbelwandige uitvoering of gelijkwaardig ontwerp voor enkelwandige olietankschepen, waarbij Verordening (EG) Nr. 2978/94 van de Raad wordt ingetrokken

1. Achtergrond

Datum van indiening van het voorstel bij het EP en de Raad (document COM(2000)142 def. - 2000/0067 COD): 22.03.2000

Datum van het advies van het Economisch en Sociaal comité: 19.10.2000

Datum van het advies van het Comité van de Regio's: 21.09.2000

Datum van het advies van het Europees Parlement, eerste lezing: 30.11.2000

Datum van indiening van het gewijzigd voorstel (COM(2000)848 def.): 13.12.2000

Datum van aanneming van het gemeenschappelijk standpunt: 07.08.2001

2. Doelstelling van het voorstel van de commissie

De oorspronkelijk voorgestelde maatregel beoogt de data voor het geleidelijk uit de vaart nemen van enkelwandige olietankers vroeger te stellen dan die in het MARPOL-verdrag van 73/78 [1] en ze gelijk te schakelen met de data in de Amerikaanse OPA 90 [2]. Tevens wordt het toepassingsgebied van MARPOL uitgebreid tot de kleinere schepen die daar nu nog buiten vallen.

[1] Internationaal verdrag ter voorkoming van verontreiniging door schepen, 1973, als gewijzigd bij het protocol van 1978, met de wijzigingen daarvan.

[2] Oil Pollution Act van 1990.

Met name stelde de Commissie oorspronkelijk een verordening voor die:

- voorziet in een plan voor snellere invoering en toepassing van eisen inzake de dubbelwandige uitvoering of gelijkwaardig ontwerp dan waarin voorzien is door het MARPOL-verdrag 73/78;

- voorziet in een systeem van financiële stimulansen ter ondersteuning van het plan dat op differentiële heffing van haven- en loodsrechten is gebaseerd;

- Verordening (EG) Nr. 2978/94 betreffende de toepassing van tonnagemeting op de ballastruimten in tankers met gescheiden-ballasttanks intrekt;

- geldt voor olietankers van 600 ton massa en meer;

- geldt voor onder de vlag van lidstaten varende olietankers;

- geldt voor olietankers die zich in de haven of de binnenwateren van een lidstaat begeven, ongeacht hun vlag.

De Commissie heeft in haar gewijzigd voorstel het advies van het Parlement gevolgd en de verordening als volgt gewijzigd:

- het oorspronkelijke plan voor het uit de vaart nemen wordt vervangen door een plan voor het geleidelijk uit de vaart nemen van enkelwandige olietankers volgens het ontwerp-tijdschema dat door de 45e vergadering van het Commissie voor de bescherming van het mariene milieu van de Internationale Maritieme Organisatie is voorgesteld;

- de tankers van de categorie 3 en 4 worden in één groep, categorie 3 genaamd, ondergebracht en de minimumtonnage van deze tankers wordt verhoogd van 600 ton massa tot 3.000 ton massa;.

- de ter ondersteuning van het plan ingestelde stelsel van financiële stimulansen dat op differentiële heffing van haven- en loodsrechten is gebaseerd wordt afgeschaft;

- voor tankers van de categorie 1 en 2 wordt de bepaling ingevoerd dat zij ook na 2005 en 2010 mogen blijven varen tot de datum waarop zij definitief uit de vaart worden genomen, maar alleen op voorwaarde van naleving van een speciale inspectieregeling, waarvoor in de nieuwe bijlage I criteria worden gegeven;

- de tankers van categorie 1 mogen langer dan 25 jaar varen tot de datum waarop zij definitief uit de vaart worden genomen, alleen op voorwaarde dat zij beschikken over zijtanks of dubbele bodemruimtes die niet worden gebruikt voor het vervoer van olie, dan wel hydrostatisch gebalanceerd beladen varen.

3. Commentaar op het gemeenschappelijk standpunt

3.1. Algemene opmerkingen

Het advies in eerste lezing van het Parlement en het gewijzigd voorstel van de Commissie beoogden de inhoud van het ontwerp voor een nieuw voorschrift 13G van bijlage I bij MARPOL in deze verordening te verwerken. Hierbij werd afgesproken dat, indien nodig, de tekst van deze verordening zou worden veranderd en aangepast aan voorschrift 13G van MARPOL 73/78 en de keuringsregeling in haar definitieve versie, zoals die is goedgekeurd op de 46e vergadering van het Comité voor bescherming van het mariene milieu (MEPC) van de Internationale Maritieme Organisatie (IMO) van 23-27 april 2001. Voorwaarde hierbij was echter, zoals duidelijk is gesteld door de Vervoersraad van 20 december 2000, dat de in de IMO bereikte overeenkomst aanvaardbaar zou zijn voor de lidstaten van de EU. Deze strategie is verder ook duidelijk verwoord in amendement 12 van het Parlement. In de conclusies van de Raad werd verder het belang benadrukt van de data voor het definitief uit de vaart nemen. Met dit mandaat is door de lidstaten van de EU die op IMO MEPC 46 aanwezig waren over de slottekst onderhandeld.

Namens de lidstaten van de EU, die ook allemaal partij zijn bij het MARPOL-verdrag heeft het Zweedse voorzitterschap voorts op de slotzitting van MEPC 46 verklaard dat de lidstaten van de EU de tekst aanvaardbaar vonden en dat zij "paragraaf 8b van het herziene voorschrift 13G van bijlage I bij MARPOL zullen toepassen om de in paragraaf 5 van datzelfde voorschrift bedoelde olietankers de toegang tot havens of offshore terminals binnen de Gemeenschap te weigeren na de verjaringsdatum van deze tankers in 2015, met volledige inachtneming van de voorwaarden van paragraaf 8b" [3].

[3] Verslag van de Commissie voor de bescherming van het mariene milieu van de 46e vergadering MEPC 46/23, blz. 22, paragraaf 2.62.

Het gemeenschappelijk standpunt van de Raad weerspiegelt derhalve het resultaat van MEPC 46, met name van Resolutie MEPC.95(46) met "amendementen op voorschrift 13G van bijlage I bij MARPOL 73/78 en het supplement bij het IOPP-certificaat" en Resolutie MEPC.94(46) getiteld "Inspectieregeling", beide goedgekeurd op 27 april 2001. De Commissie aanvaardt het gemeenschappelijk standpunt, aangezien hierin de nieuwe internationale regeling van MARPOL 73/78 naar behoren vervat is.

3.2. Specifieke opmerkingen

De Commissie constateert dat de overwegingen op een aantal punten veranderd zijn, en dat deze veranderingen een correcte verwoording vormen van de nieuwe internationale context waarin deze verordening nu moet worden gezien. De veranderde structuur en de nieuwe data voor het uit de vaart nemen van schepen in artikel 4, alsmede de betreffende definities (artikel 3) komen ook overeen met de formuleringen in herzien Voorschrift 13 van bijlage I van MARPOL, hetgeen de duidelijkheid van de tekst ten goede komt.

Verder zijn zijn er een aantal redactionele wijzigingen van de Raad met het oog op een strikte rechtstreekse toepassing van de verordening. Met hetzelfde oogmerk is het artikel inzake de tenuitvoerlegging (voorheen artikel 9) weggelaten. De Commissie aanvaardt deze wijzigingen, in het bijzonder daar de verordening oorspronkelijk bedoeld was om rechtstreeks te worden toegepast en de strekking van het voormalige artikel 9 behouden blijft door de toevoeging van de aanmeldingsvereisten ter zake van door de lidstaten toegestane vrijstellingen (artikel 8). Bovendien beantwoorden deze veranderingen aan het streven de wetgeving te vereenvoudigen.

De Commissie aanvaardt voorts de laagste minimumtonnage van 5.000 ton massa (artikel 2), aangezien dit de internationale afspraak weergeeft.

De Raad stelt verder uitsluiting voor van specifieke niet voor commerciële diensten gebruikte schepen, zoals oorlogschepen en marinehulpschepen (artikel 2). De Commissie stemt met deze wijziging is, aangezien:

- zij volledig in overeenstemming is met de toepassing van artikel 3, lid 3, van MARPOL, en dat derhalve het nieuwe herziene Voorschrift 13G van bijlage I bij MARPOL op internationaal vlak niet op deze schepen van toepassing is

- zij volledig strookt met het precedent dat is geschapen door de onlangs aangenomen richtlijn van het Parlement en de Raad op het gebied van zeevervoer [4]

[4] PB L 332 van 28.12.2000, blz. 81. Richtlijn 2000/59/EG van het Europees Parlement en de Raad van 27 november 2000 betreffende havenontvangstvoorzieningen voor scheepsafval en ladingresiduen.

De Commissie is vooral blij dat de verordening is aangescherpt om ervoor te zorgen dat de lidstaten van de EU zich ook strikt aan het herziene voorschrift 13G houden ten aanzien van onder hun eigen vlag varende schepen (Artikelen 4, 5 en 7).

De Commissie is er ook mee ingenomen dat het principe om na 2015 tankers van de categorieën 2 en 3 de toegang tot EU-havens te weigeren duidelijk is vastgelegd in een artikel van deze verordening (artikel 7).

De Commissie aanvaardt ook de aanpak van de Raad om de toepassing van de inspectieregeling (CAS) bindend te maken in specifieke artikelen (artikelen 5 en 6), en signaleert het belang van een specifieke verwijzing naar de wijzigingsprocedure met betrekking tot de keuringsregeling scheepvaart (CAS) (artikel 11).

De Commissie stemt ook in met de mogelijkheid voor de lidstaten om van de verordening af te wijken in het geval van olietankers die in nood verkeren of hersteld moeten worden, mits hierbij aan strikte voorwaarden wordt voldaan en dat de uitvoeringsmaatregelen naar behoren aan de Commissie worden medegedeeld (artikel 8).

De kennisgevingsprocedures (artikel 9) zijn overeenkomstig de eisen van herzien voorschrift 13G van bijlage I bij MARPOL, en volgen het precedent dat is geschapen door vroegere communautaire wetgeving wat betreft kennisgeving van de vaststelling van communautaire maatregelen aan de IMO [5].

[5] PB L 034 van 9.2.1998, blz. 1. Richtlijn 97/70/EG van de Raad van 11 december 1997 betreffende de invoering van een geharmoniseerde veiligheidsregeling voor vissersvaartuigen waarvan de lengte 24 meter of meer bedraagt.

De Commissie stemt er tenslotte mee in om de intrekking van Verordening (EG) Nr. 2978/94 (Artikel 12) uit te stellen tot eind 2007, om ervoor te zorgen dat er enkele financiële ontmoedigingsmaatregelen met betrekking tot de exploitatie van enkelwandige tankers van kracht blijven tot tenminste de einddatum waarop tankers van de categorie 1 onder de jurisdictie van de lidstaten vallende havens en offshore terminals mogen aandoen. De Commissie merkt echter op dat het nodig kan zijn kleine wijzigingen aan te brengen in genoemde verordening via de comitéprocedures, met het oog op de in internationale instrumenten aangebrachte wijzigingen, vooral in bijlage I van MARPOL 73/78. De Commissie gaat tevens akkoord met de wijziging van de titel van de verordening, waarin thans de intrekking van bovengenoemde verordening wordt vermeld.

4. Conclusies

De Commissie aanvaardt het gemeenschappelijk standpunt, aangezien het inhoudelijk overeenstemt met het oorspronkelijke voorstel van de Commissie en de internationale overeenkomst weerspiegelt zoals die is goedgekeurd door IMO MEPC 46 van 23-27 april 2001, een overeenkomst die zal leiden tot het wereldwijd versneld uit de vaart nemen van enkelwandige olietankers, waardoor het risico van olieverontreiniging door aan de grond gelopen of in aanvaring gekomen schepen niet alleen in Europese wateren maar in de hele wereld zal worden verminderd