Gewijzigd voorstel voor een Verordening van de Raad tot vaststelling van een algemeen kader voor communautaire activiteiten ter vergemakkelijking van de totstandbrenging van een Europese justitiële ruimte in burgerlijke zaken (door de Commissie overeenkomstig artikel 250, lid 2 van het EG-verdrag ingediend) /* COM/2001/0705 def. - CNS 2001/0109 */
Publicatieblad Nr. 051 E van 26/02/2002 blz. 0390 - 0398
Gewijzigd voorstel voor een VERORDENING VAN DE RAAD tot vaststelling van een algemeen kader voor communautaire activiteiten ter vergemakkelijking van de totstandbrenging van een Europese justitiële ruimte in burgerlijke zaken (door de Commissie overeenkomstig artikel 250, lid 2 van het EG-verdrag ingediend) TOELICHTING 1. Achtergrond Op 15 mei 2001 heeft de Commissie een voorstel voor een verordening van de Raad goedgekeurd tot vaststelling van een algemeen kader voor communautaire activiteiten ter vergemakkelijking van de totstandbrenging van een Europese justitiële ruimte in burgerlijke zaken. Bedoeld voorstel werd op 15 mei 2001 toegezonden aan het Europees Parlement en de Raad. Het Europees Parlement verwees het voorstel door naar zijn commissie Vrijheden en rechten van de burger (LIBE), de ter zake bevoegde commissie, alsook aan de Begrotingscommissie en de Commissie Juridische zaken en Interne markt met het oog op het inwinnen van hun advies. De Begrotingscommissie keurde haar verslag op 13 september 2001 goed. De Commissie Juridische zaken en Interne markt besloot op 10 juli 2001 geen advies te verstrekken. De LIBE-commissie keurde haar verslag goed op 10 oktober 2001. Op zijn voltallige zitting van 23 oktober 2001 heeft het Europees Parlement zijn goedkeuring gehecht aan zijn advies, waarbij het voorstel van de Commissie met zes amendementen werd goedgekeurd, en verzocht het de Commissie haar voorstel te wijzigen overeenkomstig artikel 250, lid 2, van het EG-Verdrag. 2. Het advies van het Europees Parlement In het onderstaande wordt het standpunt van de Commissie uiteengezet met betrekking tot de door het Europees Parlement voorgestelde amendementen. De Commissie kan vier amendementen geheel of gedeeltelijk aanvaarden. Deze amendementen werden opgenomen in de tekst van het oorspronkelijke voorstel en werden ter verduidelijking onderstreept. 2.1. Geheel of gedeeltelijk aanvaarde amendementen 2.1.1. Amendementen 1 en 6 - nieuwe overweging 6a, nieuw artikel 6, lid 4a In overeenstemming met amendement 1 kan de Commissie aanvaarden een overweging betreffende de actie Robert Schuman toe te voegen omdat deze actie ook deel uitmaakt van vorige acties op het gebied van justitie en binnenlandse zaken. Wat amendement 6 betreft, kan de Commissie aanvaarden aan artikel 6 een definitie van de termen "beoefenaars van juridische beroepen" toe te voegen die lichtjes gewijzigd is om een grondige definitie te vermijden en aan te sluiten bij de bewoordingen die worden gebruikt in het programma Grotius-civiel. Omdat de termen "beoefenaars van juridische beroepen" in artikel 6, lid 3, voorkomt, geeft de Commissie er de voorkeur aan de nieuwe tekst daarin op te nemen. 2.1.2. Amendementen 2 en 3 - nieuwe overwegingen 16a en 16b De Commissie kan beide amendementen aanvaarden, waarbij twee overwegingen worden toegevoegd, en wel inzake financiële vooruitzichten en huishoudelijke uitgaven, zulks met een lichte aanpassing van amendement 2 met het oog op duidelijkheid, terwijl deze nieuwe overwegingen worden ingevoegd tussen de bestaande overwegingen 13 en 14. 2.2. Niet-aanvaarde amendementen 2.2.1. Amendement 4 - aanpassing van artikel 2, lid 1, onder a) Door dit amendement wordt de aanpassing van artikel 2, lid 1, onder a), voorgesteld ter beklemtoning van de rechten van de verdediging bij de bevordering van justitiële samenwerking die erop is gericht rechtszekerheid te garanderen, een van de specifieke doelstellingen van het voorstel. Een en ander sluit nauw aan bij de conclusies van Tampere, en bij de algemene doelstelling van het voorstel, die erin bestaat de ontwikkeling en de tenuitvoerlegging van een beleid op dit gebied te ondersteunen en aldus bij te dragen tot de totstandbrenging van een Europese justitiële ruimte in burgerlijke zaken. Het voorstel is niet bedoeld om een nieuw actieplan tot stand te brengen, doch eerder om de beleidsdoeleinden te ondersteunen die reeds zijn vastgelegd door de Europese Raad en de Raad. Om deze redenen kan de Commissie dit amendement niet aanvaarden. 2.2.2. Amendement 5 - aanpassing van artikel 5, lid 2 Door het amendement worden de criteria voor toekenning van steun voor de activiteiten van niet-gouvernementele organisaties versoepeld, en wel door vermindering van het aantal lidstaten dat bij dergelijke organisaties betrokken moet zijn, van twee derde tot een derde van de lidstaten. De Commissie kan dit amendement niet aanvaarden. Het doel van de actie in kwestie bestaat erin enkel organisaties met een echte Europese dimensie te steunen. Verlaging van de criteria tot een derde zou meebrengen dat organisaties met een regionaal bereik en karakter ook voor steun in aanmerking zouden komen. Bovendien moet het criterium van twee derde ook haalbaar zijn in een situatie met meer dan 15 lidstaten in de Europese Unie. 2001/0109 (CNS) Gewijzigd voorstel voor een VERORDENING VAN DE RAAD tot vaststelling van een algemeen kader voor communautaire activiteiten ter vergemakkelijking van de totstandbrenging van een Europese justitiële ruimte in burgerlijke zaken DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE, Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, inzonderheid op artikel 61, onder c), Gezien het voorstel van de Commissie [1], [1] PB C 213 E van 31.7.2001, blz. 271. COM(2001) 221 def. van 15.5.2001. Gezien het advies van het Europees Parlement [2], [2] PB C Gezien het advies van het Economisch en Sociaal Comité [3], [3] PB C Overwegende hetgeen volgt: (1) De Europese Unie heeft zich tot doel gesteld de Unie te handhaven en te ontwikkelen als een ruimte van vrijheid, veiligheid en rechtvaardigheid waarin vrij verkeer van personen gewaarborgd is. Hiertoe moet de Gemeenschap onder meer maatregelen nemen op het gebied van justitiële samenwerking in burgerlijke zaken die nodig zijn voor de goede werking van de interne markt. (2) Op 3 december 1998 heeft de Raad een Actieplan van de Raad en de Commissie aangenomen over hoe de bepalingen van het Verdrag van Amsterdam inzake een ruimte van vrijheid, veiligheid en rechtvaardigheid het beste kunnen worden uitgevoerd (het Actieplan van Wenen) [4]. [4] PB C 19 van 23.1.1999, blz. 1. (3) De Europese Raad van Tampere van 15 en 16 oktober 1999 heeft de conclusies "Naar een Unie van vrijheid, veiligheid en rechtvaardigheid: de mijlpalen van Tampere" aangenomen. (4) Op 30 november 2000 heeft de Raad een gezamenlijk programma van de Commissie en de Raad aangenomen van maatregelen voor de uitvoering van het beginsel van wederzijdse erkenning van beslissingen in burgerlijke en handelszaken [5]. [5] PB C 12 van 15.1.2001, blz. 1. (5) Bij Gezamenlijk optreden 96/636/JBZ van de Raad [6] is voor het tijdvak 1996-2000 een stimulerings- en uitwisselingsprogramma voor beoefenaars van juridische beroepen (Grotius) vastgesteld. [6] PB L 287 van 8.11.1996, blz. 3. (6) Bij Verordening (EG) nr. 290/2001 [7] is het stimulerings- en uitwisselingsprogramma voor beoefenaars van juridische beroepen op civielrechtelijk gebied (Grotius-civiel) voor een overgangsperiode van slechts één jaar verlengd, zulks in afwachting van de uitkomsten van een diepgaande analyse van de wijze waarop communautaire acties en steun in de toekomst op bepaalde gebieden zouden worden geconcentreerd. [7] PB L 43 van 14.2.2001, blz. 1. (6a) Door Besluit 1496/98/EG van het Europees Parlement en de Raad van 22 juni 1998 werd een actieprogramma vastgesteld ter verbetering van de bekendheid van de juridische beroepskringen met het Gemeenschapsrecht (actie Robert Schuman), en wel voor een periode van drie jaar. (7) Een soepel en doeltreffend algemeen kader voor activiteiten op het gebied van het burgerlijk recht is nodig, willen de ambitieuze doelstellingen van het EG-Verdrag, het Actieplan van Wenen en de conclusies van Tampere worden verwezenlijkt. (8) Het kader voor activiteiten moet overeenkomstig het subsidiariteitsbeginsel voorzien in initiatieven van de Commissie, in acties ter ondersteuning van organisaties en organen die justitiële samenwerking in burgerlijke zaken bevorderen en vergemakkelijken, alsmede in acties ter ondersteuning van specifieke projecten. (9) Er zal een aantal acties voor de verdere ontwikkeling van een Europese justitiële ruimte vereist zijn en deze acties moeten derhalve op communautair vlak worden ondernomen; het zal de planning en de tenuitvoerlegging van deze acties ten goede komen, wanneer zij in een algemeen kader voor activiteiten worden samengebracht. (10) Een kader voor activiteiten ter verbetering van de wederzijdse kennis van de rechtsstelsels en de gerechtelijke apparaten van de lidstaten zal bijdragen tot verlaging van de hinderpalen voor de justitiële samenwerking in burgerlijke zaken, wat de werking van de interne markt zal verbeteren. (11) Maatregelen met het oog op de juiste tenuitvoerlegging en toepassing van de communautaire instrumenten op het gebied van justitiële samenwerking in burgerlijke zaken zijn nodig en zullen des te doeltreffender zijn wanneer zij binnen een algemeen kader voor activiteiten worden gecoördineerd. (12) Overeenkomstig het subsidiariteitsbeginsel en het evenredigheidsbeginsel, zoals neergelegd in artikel 5 van het EG-Verdrag, kunnen de doelstellingen van het voorgenomen optreden niet voldoende door de lidstaten worden verwezenlijkt en kunnen zij derhalve, gezien de Europese dimensie die nodig is voor de verwezenlijking van de betrokken doelstellingen, de verwachte schaalvergroting en de cumulatieve effecten van de beoogde acties, beter door de Gemeenschap worden verwezenlijkt. De onderhavige verordening beperkt zich tot het vereiste minimum om deze doelstelling te bereiken en gaat niet verder dan hiertoe nodig is. (13) De deelneming aan dit kader voor activiteiten door de kandidaat-lidstaten zal een nuttige voorbereiding op hun toetreding opleveren, in het bijzonder wat het vermogen van deze staten betreft om het acquis communautaire toe te passen. (13a) Het financieel kader voor dit raamwerk voor activiteiten moet verenigbaar zijn met het huidige maximum bij rubriek 3 van de financiële vooruitzichten, waarbij geen beperkingen worden opgelegd op andere momenteel gefinancierde programma's. (13b) De huishoudelijke uitgaven worden uit toewijzingen in het kader van rubriek 5 gedekt binnen het kader van besluiten die moeten worden genomen bij de jaarlijkse begrotingsprocedure. (14) Overeenkomstig artikel 2 van Besluit 1999/468/EG van de Raad van 28 juni 1999 tot vaststelling van de voorwaarden voor de uitoefening van de aan de Commissie verleende uitvoeringsbevoegdheden [8], dienen de nodige maatregelen ter uitvoering van de onderhavige verordening volgens de raadplegingsprocedure van artikel 3 van genoemd besluit te worden vastgesteld. [8] PB L 184 van 17.7.1999, blz. 23. (15) Het Verenigd Koninkrijk en Ierland nemen, overeenkomstig de artikelen 1 en 2 van het Protocol betreffende de positie van het Verenigd Koninkrijk en Ierland dat is gehecht aan het Verdrag betreffende de Europese Unie en het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, niet aan de vaststelling van deze verordening deel, en zijn derhalve niet door haar gebonden en dienen haar evenmin toe te passen. (16) Denemarken neemt, overeenkomstig de artikelen 1 en 2 van het Protocol betreffende de positie van Denemarken dat is gehecht aan het Verdrag betreffende de Europese Unie en het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, niet aan de vaststelling van deze verordening deel, en is derhalve niet door haar gebonden en dient haar evenmin toe te passen, HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD: HOOFDSTUK I doelstellingen en activiteiten Artikel 1 Voorwerp 1. Bij deze verordening wordt voor 1 januari 2002 tot 31 december 2006 een algemeen kader voor communautaire activiteiten vastgesteld ter vergemakkelijking van de totstandbrenging van een Europese justitiële ruimte in burgerlijke zaken. 2. Deze verordening is niet van toepassing op Denemarken, Ierland en het Verenigd Koninkrijk. Artikel 2 Doelstellingen Het kader voor activiteiten heeft de volgende doelstellingen: (1) de bevordering van justitiële samenwerking, in het bijzonder: (a) ter verzekering van de rechtszekerheid en verbetering van de toegang tot de rechter, (b) ter bevordering van de wederzijdse erkenning van rechterlijke beslissingen en vonnissen, c) ter bevordering van de nodige harmonisering van de wetgeving, of d) ter wegneming van hinderpalen die zijn ontstaan door verschillen in burgerlijk recht en burgerlijke rechtsvordering, (2) de bevordering van de wederzijdse kennis van de rechtsstelsels en gerechtelijke apparaten van de lidstaten, (3) de waarborging van de juiste tenuitvoerlegging en toepassing van de communautaire instrumenten op het gebied van justitiële samenwerking in burgerlijke zaken, en (4) de verbetering van de voorlichting van het grote publiek inzake de toegang tot de rechter, justitiële samenwerking en rechtsstelsels van de lidstaten. Artikel 3 Soorten activiteiten De op grond van dit kader voor activiteiten gesteunde of uitgevoerde activiteiten moeten ten minste gericht zijn op een van de in artikel 2 genoemde doelstellingen, en moeten bestaan uit: (1) door de Commissie ondernomen acties, of (2) acties waarbij financiële steun wordt verleend ter dekking van de werkingskosten van Europese niet-gouvernementele organisaties, zulks onder de in artikel 5 uiteengezette voorwaarden, of (3) acties voor financiële ondersteuning van specifieke projecten van communautair belang onder de in artikel 6 uiteengezette voorwaarden. Artikel 4 Deelneming van derde landen Dit kader voor activiteiten moet openstaan voor deelneming van: (1) de kandidaat-lidstaten in Midden- en Oost-Europa (LMOE), overeenkomstig de voorwaarden in de Europa-overeenkomsten, de aanvullende protocollen daarbij en in de besluiten van de respectie Associatieraden, (2) Cyprus, Malta en Turkije op de grondslag van met deze landen te sluiten bilaterale overeenkomsten, en (3) andere landen, wanneer overeenkomsten en procedures zulks mogelijk maken. Artikel 5 Activiteiten van niet-gouvernementele organisaties Financiële steun voor de in artikel 3, punt 2, bedoelde acties kan worden toegekend ter ondersteuning van activiteiten van Europese niet-gouvernementele organisaties die aan de volgende criteria voldoen: (1) zij mogen geen winstoogmerk hebben, (2) zij moeten activiteiten met een Europese dimensie verrichten , en bij de organisaties moeten, als algemene regel, ten minste twee derde van de lidstaten zijn betrokken, (3) zij moeten als hoofddoel hebben de bevordering van de justitiële samenwerking in burgerlijke zaken. Artikel 6 Specifieke projecten 1. De in artikel 3, punt 3, bedoelde projecten behelzen het volgende: (a) opleiding, (b) uitwisselingen en plaatsing voor het opdoen van werkervaring, (c) studies en onderzoek, (d) vergaderingen en studiebijeenkomsten, (e) verspreiding van gegevens. 2. Ook kan financiële steun worden verleend voor projecten die bedoeld zijn voor de oprichting van nieuwe organisaties waarbij het in de bedoeling ligt te voldoen aan de in artikel 5 gestelde criteria. 3. Projecten kunnen worden voorgelegd door instellingen en openbare of particuliere organisaties, waaronder beroepsorganisaties, onderzoeksinstellingen en instituten waar beoefenaars van juridische beroepen een opleiding of vervolgopleiding op het gebied van juridische en gerechtelijke aangelegenheden krijgen. De termen "beoefenaars van juridische beroepen" hebben betrekking op rechters, officieren van justitie, advocaten, procureurs, academisch en wetenschappelijk personeel, departementale ambtenaren, ambtenaren van de gerechtelijke politie, gerechtsdeurwaarders, gerechtstolken en andere beroepsbeoefenaars die op justitieel terrein op het gebied van burgerlijk recht werkzaam zijn. 4. Om voor medefinanciering in aanmerking te komen moeten bij de projecten ten minste drie landen betrokken zijn die aan dit kader voor activiteiten deelnemen. Bij de projecten kunnen ook beoefenaars van juridische beroepen worden betrokken uit Denemarken, Ierland en het Verenigd Koninkrijk, uit de kandidaat-lidstaten, wanneer dit tot hun voorbereiding op de toetreding zou bijdragen, of uit andere landen die niet aan dit kader voor activiteiten deelnemen, wanneer deelneming de doelstellingen van de projecten dient. HOOFDSTUK II financiering, tenuitvoerlegging en procedures Artikel 7 Financiering 1. De jaarlijkse kredieten worden door de begrotingsautoriteit binnen de grenzen van de financiële vooruitzichten goedgekeurd. 2. Medefinanciering van activiteiten op grond van dit kader voor activiteiten mag niet samengaan met enige andere financiering op grond van een ander door de begroting van de Europese Gemeenschappen gefinancierd programma. 3. Het percentage van de financiële steun uit de communautaire begroting mag in beginsel niet meer dan 50% bedragen van de werkingskosten voor de in artikel 3, punt 2, bedoelde acties, of van de uitgaven voor de in artikel 3, punt 3, bedoelde projecten. Artikel 8 Tenuitvoerlegging 1. De Commissie publiceert, zo mogelijk vóór 30 juni van elk jaar, een jaarlijks werkprogramma met de prioritaire doelstellingen en soorten activiteiten voor het volgende jaar, waaronder een beschrijving van de selectie- en toekenningscriteria alsook de procedures voor de indiening en goedkeuring van de voorstellen. 2. De Commissie stelt het jaarlijkse werkprogramma vast overeenkomstig de in artikel 12, lid 2, bedoelde procedure. 3. De Commissie besteedt bij de beoordeling en de selectie van de voorstellen bijzondere aandacht aan de volgende criteria: (a) de geschiktheid tot het bereiken van de in artikel 2 genoemde doelstellingen bij te dragen , (b) het gericht zijn op de oplossing van problemen, (c) de Europese dimensie, (d) de voorgenomen maatregelen ter waarborging van de verspreiding van de resultaten, (e) de complementariteit met andere eerdere, lopende of toekomstige activiteiten, en (f) de omvang van de actie, in het bijzonder ten aanzien van schaalvergroting en kostendoelmatigheid . 4. De Commissie stelt de te nemen maatregelen vast overeenkomstig de in artikel 12, lid 2, bedoelde procedure. Artikel 9 Financieringsbesluiten 1. In aansluiting op de op grond van artikel 3, punten 2 en 3, genomen financieringsbesluiten van de Commissie worden tussen de Commissie en de begunstigden subsidieovereenkomsten gesloten. 2. De financieringsbesluiten en -contracten die daaruit voortkomen, zijn onderworpen aan de financiële controle door de Commissie en aan accountantsonderzoeken door de Rekenkamer. Artikel 10 Toezicht 1. De Commissie draagt zorg voor het regelmatige toezicht op en de regelmatige supervisie over de tenuitvoerlegging van de door de Gemeenschap gefinancierde acties. Een en ander gebeurt op grond van verslagen volgens door de Commissie en de begunstigde overeengekomen procedures; daarbij kan het ook gaan om controles ter plaatse door middel van steekproeven. 2. De begunstigden leggen de Commissie voor elke actie binnen drie maanden na de voltooiing ervan een verslag voor. De Commissie stelt de vorm van dit verslag vast, met inbegrip van de soort gegevens die het moet bevatten. 3. De begunstigden van financiële bijstand houden gedurende een periode van vijf jaar na de laatste betaling betreffende een actie alle bewijsstukken van uitgaven ter beschikking van de Commissie. Artikel 11 Verspreiding van informatie 1. De Commissie zorgt voor de jaarlijkse bekendmaking van een lijst van de begunstigden en de acties die op grond van het onderhavige kader voor activiteiten worden gefinancierd, waaronder een vermelding van het steunbedrag. 2. Wanneer bij op grond van artikel 3, punt 3, gefinancierde projecten niet in verspreiding van de resultaten is voorzien, en wanneer dit tot het bereiken van een van de in artikel 2 genoemde doelstellingen zou bijdragen, kan de Commissie dergelijke maatregelen nemen. 3. Aan het begin van elk jaar verstrekt de Commissie het in artikel 12, lid 1, ingestelde Comité gegevens over de in het vorige jaar op grond van artikel 3, punt 1, verrichte activiteiten. Artikel 12 Comité 1. De Commissie wordt bijgestaan door een Comité, bestaande uit vertegenwoordigers van de lidstaten en voorgezeten door de vertegenwoordiger van de Commissie. 2. In de gevallen waarin naar dit lid wordt verwezen, is de raadplegingsprocedure van artikel 3 van Besluit 1999/468/EG met inachtneming van artikel 7 van dat besluit van toepassing. Artikel 13 Sancties 1. De Commissie kan de voor een activiteit verleende financiële steun verlagen, opschorten of terugvorderen wanneer zij onregelmatigheden ontdekt, of verneemt dat de activiteit, zonder haar goedkeuring, aanzienlijk is gewijzigd, zodat zij met de doelstellingen van de overeengekomen uitvoeringsregelingen onverenigbaar is. 2. Wanneer de termijnen niet worden nageleefd, of wanneer uit de stand van tenuitvoerlegging van een activiteit blijkt dat slechts het gebruik van een gedeelte van de toegekende kredieten gerechtvaardigd is, verzoekt de Commissie de betrokken begunstigde binnen een bepaalde termijn hierover uitleg te verstrekken. Indien het antwoord van de begunstigde niet bevredigend is, kan de Commissie het resterende gedeelte van de financiële steun intrekken en onmiddellijke terugbetaling van de reeds betaalde bedragen eisen. 3. Alle onverschuldigd betaalde bedragen worden aan de Commissie terugbetaald. Alle niet tijdig terugbetaalde bedragen kunnen worden verhoogd met een achterstandsrente. Artikel 14 Verslaglegging en beoordeling 1. De Commissie legt het Europees Parlement en de Raad uiterlijk op 30 juni 2004 een verslag over de tenuitvoerlegging van dit kader voor activiteiten voor, waarin de resultaten van de controle, de verslagen en het toezicht op de activiteiten zijn vervat. 2. De Commissie legt het Europees Parlement en de Raad een beoordelingsverslag over dit kader voor activiteiten voor, dat tijdig beschikbaar moet zijn met het oog op een mogelijke verlenging van het kader, of uiterlijk op 31december 2005. Dit verslag bevat een beoordeling van de kostendoelmatigheid alsmede een beoordeling, op de grondslag van resultaatsindicatoren, van de mate waarin de beoogde doelstellingen zijn bereikt. Artikel 15 Inwerkingtreding Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen. Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat overeenkomstig het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap. Gedaan te Brussel, Voor de Raad De Voorzitter