Voorstel voor een besluit van de Raad tot vaststelling van een kaderprogramma op basis van titel VI van het Verdrag betreffende de Europese Unie - Politiële en justitiële samenwerking in strafzaken /* COM/2001/0646 def. - CNS 2001/0262 */
Publicatieblad Nr. 051 E van 26/02/2002 blz. 0345 - 0348
Voorstel voor een BESLUIT VAN DE RAAD tot vaststelling van een kaderprogramma op basis van titel VI van het Verdrag betreffende de Europese Unie - Politiële en justitiële samenwerking in strafzaken (door de Commissie ingediend) TOELICHTING 1. INLEIDING Op 31 december 2002 lopen de vijf tweejarige financieringsprogramma's af die vallen onder titel VI van het Verdrag betreffende de Europese Unie, te weten: * Besluit 2001/512/JBZ van 28.06.2001 tot vaststelling van een tweede fase van het programma voor stimulering, uitwisselingen, opleiding en samenwerking voor beoefenaars van juridische beroepen (Grotius - Strafrechtelijk II); * Besluit 2001/513/JBZ van 28.06.2001 tot vaststelling van een tweede fase van het programma voor stimulering, uitwisselingen, opleiding en samenwerking tussen de rechtshandhavingsinstanties van de lidstaten van de Europese Unie (Oisin II); * Besluit 2001/514/JBZ van 28.06.2001 tot vaststelling van een tweede fase van het programma voor stimulering, uitwisselingen, opleiding en samenwerking voor personen die verantwoordelijk zijn voor acties tegen mensenhandel en seksuele uitbuiting van kinderen (Stop II); * Besluit 2001/515/JBZ van 28.06.2001 tot vaststelling van een programma voor stimulering, uitwisselingen, opleiding en samenwerking op het gebied van criminaliteitspreventie (Hippokrates); * Gemeenschappelijk optreden 98/245/JBZ van 19 maart 1998 tot vaststelling van een uitwisselings-, opleidings- en samenwerkingsprogramma voor personen die verantwoordelijk zijn voor de bestrijding van georganiseerde criminaliteit (Falcone). Voor deze programma's is voor een periode van twee jaar een financieel referentiebedrag uitgetrokken van respectievelijk 4 miljoen EUR (Grotius), 4 miljoen EUR (Stop), 8 miljoen EUR (Oisin) en 2 miljoen EUR (Hippokrates). Voor Falcone bedraagt de vijfjaarlijkse toewijzing 10 miljoen EUR, met een gemiddelde van 2 miljoen per jaar. Jaarlijkse werkprogramma's - waarin de doelstellingen en thematische prioriteiten naast de desbetreffende procedures werden vastgelegd en de organisatoren werden verzocht projecten in te dienen die in aanmerking kunnen komen voor medefinanciering - werden elk jaar goedgekeurd en in het Publicatieblad gepubliceerd. Talrijke projecten - meer dan 720 voor de vijf programma's in de loop van vijf jaar - kwamen voor medefinanciering in aanmerking. In de loop van de uitvoeringsperiode kwamen de comités, die werden ingesteld om de Commissie bij te staan bij het beheer van de programma's en die bestonden uit vertegenwoordigers van elke lidstaat, doorgaans tweemaal per jaar bijeen om met name te discussiëren en hun mening te kennen te geven over de jaarlijkse programma's en over de voorstellen van de Commissie met betrekking tot de projecten die eventueel in aanmerking kwamen voor medefinanciering. Uit een externe evaluatie [1] is gebleken dat de doeltreffendheid van de programma's ten opzichte van de ingeschakelde middelen bevredigend was. De beoogde doelstellingen werden bereikt en op Europees niveau werd een positieve bijdrage geleverd op het gebied van rechtshandhaving, preventie en justitiële samenwerking op strafrechtelijk gebied. [1] Franklin Advisory Services S.A. van 31 maart 2000. Uit deze evaluatie bleek evenwel ook dat soms andere pistes moeten worden gevolgd om het effect van de medegefinancierde projecten te verbeteren, zoals minder studiebijeenkomsten en conferenties en meer uitwisselingen en opleidingsmethodologieën, een betere voorbereiding van de projecten en een ruimere verspreiding van de resultaten. Er werd zowel bij de besluitneming over de verlenging van de programma's als in dit voorstel rekening gehouden met deze conclusies. Uit het onderzoek van de resultaten van de huidige programma's blijkt dat een strategische reorganisatie noodzakelijk is van alle programma's die worden uitgevoerd ter ondersteuning van acties op het gebied van preventie, rechtshandhaving en samenwerking op politieel en strafrechtelijk gebied. De structuur van deze instrumenten werd bevestigd door de recente ontwikkelingen op het gebied van justitie en binnenlandse zaken, alsook door de in Tampere vastgestelde prioriteiten. In aansluiting op de goedkeuring van het actieplan van de Europese Unie inzake drugsbestrijding (2000-2004) door de Europese Raad van Feira in juni 2000, is een nieuw begrotingsonderdeel ingesteld voor acties ter voorbereiding van een programma inzake drugsbestrijding (B5 831). Dit begrotingsonderdeel is ook opgenomen in het kaderprogramma waarbij rekening werd gehouden met het belang van het specifiek op drugsbestrijding afgestemde gedeelte. Daarom heeft de Commissie besloten om de totstandbrenging van één enkel kaderprogramma voor te stellen dat valt onder het bepaalde in titel VI en bedoeld is om de hierboven genoemde bestaande instrumenten te vervangen. Dit voorstel is in overeenstemming met de algemene beleidslijnen van de Commissie, d.w.z. dat de inspanningen meer worden toegespitst op programma's op grotere schaal. Een en ander zou ertoe moeten leiden dat de beschikbare middelen beter worden gebruikt. Een dergelijk kaderprogramma is ook bedoeld om de begrotingsprocedures te vereenvoudigen, de zichtbaarheid van de werkzaamheden te bevorderen en de synergie te versterken tussen de vijf, door titel VI bestreken programma's die momenteel afzonderlijk worden uitgevoerd. Het Europees Parlement is tot dezelfde conclusie gekomen. Het heeft, na een gunstig advies te hebben uitgebracht over de verlenging van de programma's, bij de Commissie erop aangedrongen om vóór eind 2001 een voorstel voor een geconsolideerd programma in te dienen [2]. [2] Rapport-Kessler, goedgekeurd tijdens de voltallige vergadering van het Europees Parlement van 5.4.2001 (EP 303.051). Ook de Raad heeft de Commissie verzocht vóór eind 2001 een voorstel voor een kaderprogramma in de dienen om de bestaande programma's te vervangen wanneer zij zijn afgelopen, met inbegrip van voorstellen over de uitoefening van de uitvoeringsbevoegdheden [3]. [3] Verklaring van de Raad van 28.6.2001 (Interinstitutioneel dossier 2000/0339 (CNS) 9311/1/01 REV. 1). 2. VOORSTELLEN VOOR RAADSBESCHIKKINGEN: ONTWIKKELINGEN De strategische heroriëntatie van alle programma's van titel VI betreft de vijf lopende programma's. De bedoeling is deze programma's te groeperen en alle acties die vallen onder titel VI van het Verdrag betreffende de Europese Unie te versmelten in een geharmoniseerde wetgevende en operationele context om een betere samenhang en een nog groter effect van de ondersteunde acties te garanderen. De programma's hebben hoofdzakelijk tot doel een hoog beschermingsniveau te bieden aan de burgers, de criminaliteit te voorkomen en te bestrijden en bij te dragen tot de totstandbrenging van een Europese ruimte van vrijheid, veiligheid en rechtvaardigheid. De programma's Grotius, Oisin, Stop, Hippokrates en Falcone zijn hoofdzakelijk gericht tot gespecialiseerde beroepsbeoefenaars, zoals rechters, officieren van justitie, beoefenaars van juridische beroepen, politie- en douanediensten, ambtenaren bij ministeries en personen/diensten die belast zijn met slachtofferhulp. Maar ook opleidingsinstellingen, universiteiten, onderzoekscentra, beroepsverenigingen uit de particuliere sector en niet-gouvernementele organisaties mogen projecten indienen. Het kaderprogramma streeft ook de doelstellingen van de bovengenoemde programma's na, maar tegelijkertijd moet worden gezorgd voor meer rationalisatie, interactie en schaalvergroting en moeten de beleidsprioriteiten van de Europese Unie op een soepelere wijze ten uitvoer worden gelegd. Het is de bedoeling de samenwerking te verbeteren tussen de beoefenaars van juridische beroepen en tussen de diensten voor preventie en repressie van criminaliteit in de lidstaten, en tussen deze diensten en andere partners uit de overheidssector, de civiele maatschappij en de bedrijfswereld, met name wat betreft de preventie en bestrijding van bepaalde vormen van criminaliteit. Ten slotte is het programma ook gericht op het bevorderen van acties op het gebied van slachtofferhulp. De voorgestelde instrumenten zijn: - opleidingsacties op het gebied van wetgeving, operationele procedures en beproefde methoden in de lidstaten, inclusief de opleiding van magistraten; - uitwisselings- en mobiliteitsprogramma's binnen diverse organen van de lidstaten; - studiebijeenkomsten, colloquia en conferenties; - onderzoek en studie inzake wetgeving en nieuwe samenwerkingsmethoden; - acties op het gebied van verspreiding van informatie en exploitatie van de resultaten. De voorgestelde structuren weerspiegelen de ontwikkeling van de communautaire programma's in het algemeen en de gedurende vijf jaar op het terrein opgedane ervaring. De herstructurering, die aansluit bij de besluiten van 2001, heeft het tevens mogelijk gemaakt nieuwe terminologie en nieuwe soorten acties in te voeren: - het voorstel maakt gewag van een jaarlijks werkprogramma waarbij de mogelijkheid wordt geboden om projecten te ontwikkelen die tot twee jaar kunnen duren; - het voorstel voorziet in specifieke acties en aanvullende maatregelen op in het jaarlijks werkprogramma vermelde gebieden; - het voorstel bevat duidelijkere criteria voor de evaluatie en de selectie van de acties. Door de groeiende belangstelling voor de op dit gebied uitgevoerde samenwerkingsacties en de meer ambitieuze doelstellingen van het kaderprogramma is een adequatie financiële toewijzing noodzakelijk. Enerzijds moet rekening worden gehouden met de wens van het Europees Parlement om de Commissie meer budgettaire steun te verlenen voor acties in verband met de totstandbrenging van de ruimte van vrijheid, veiligheid en rechtvaardigheid. Anderzijds werd vastgesteld dat voor de vorige programma's slechts gemiddeld 25% van de ingediende projecten in aanmerking is gekomen voor communautaire medefinanciering en dat daardoor interessante projecten moesten worden afgewezen wegens gebrek aan financiële middelen. De geplande toewijzing moet het tevens mogelijk maken om rekening te houden met de ontwikkelingen op het gebied van politiële en instutionele samenwerking. De medefinanciering van de acties is beperkt tot een maximum van 70% (maar kan ook lager liggen), behalve voor de specifieke acties en de aanvullende maatregelen die tot 100% kunnen worden gefinancierd: het is de bedoeling tot een betere raming te komen van de kosten van de organisatoren en nationale medefinanciering van het programma aan te moedigen. De deelneming van de kandidaat-lidstaten aan de in het kader van dit programma georganiseerde acties is ook een van de belangrijkste doelstellingen bij de voorbereiding van de uitbreiding, waarvan de eerste fase normaliter zal plaatsvinden tijdens de uitvoering van het programma. Intussen moeten de organisaties en openbare diensten van de kandidaat-lidstaten worden aangemoedigd om als partners aan de projecten deel te nemen. Voorts stelt de Commissie voor specifieke acties (zie hieronder) uit te voeren op gebieden waarvoor de kandidaat-lidstaten uitdrukkelijk belangstelling hebben betoond. Een orgaan van een lidstaat zal evenwel formeel verantwoordelijk blijven voor de indiening van een voorstel en de eigenlijke uitvoering van de goedgekeurde actie. Om de kandidaat-lidstaten volledig op de hoogte te kunnen houden van de prioriteiten van het jaarlijks programma, stelt de Commissie voor om ten behoeve van de vertegenwoordigers van die landen voorlichtingsvergaderingen te organiseren (artikel 7, lid 3, van het besluit) die zouden plaatsvinden na de officiële vergaderingen van het voor het beheer van het programma ingestelde comité. Ook zal een beroep kunnen worden gedaan op deskundigen uit die landen (artikel 8 van het reglement van orde van de bestaande comités). Hierdoor zal de voorbereiding worden vergemakkelijkt van de overeenkomsten die met elke kandidaat-lidstaat in verband met hun bijdrage tot de begroting van het programma moeten worden gesloten. Uit de ervaring die is opgedaan bij de tenuitvoerlegging van de vorige programma's blijkt dat er soms leemtes voorkomen wat de onderwerpen betreft die in de bij de Commissie ingediende voorstellen aan bod komen. Hierbij gaat het bv. om de door de Unie vastgestelde beleidsprioriteiten en de thematische prioriteiten van de jaarlijkse programma's. Er zullen ook gerichte acties worden voorgesteld om op bijzondere gebieden in specifieke behoeften te voorzien. Daarom wordt voorgesteld dat in het kader van het werkprogramma specifieke acties worden aangegeven waarbij de aard van de acties (voorlichtingscampagne, conferenties, opleiding, uitwisselingsprogramma's, onderzoek, evaluatie van de wetgevingsinstrumenten), de te behandelen onderwerpen en de te bereiken doelstellingen nader worden toegelicht. Deze specifieke acties kunnen voor 100% worden gefinancierd. De in dit kader ontvangen voorstellen zullen worden beoordeeld op basis van de criteria die ook voor de andere voorstellen gelden. Uit de door de Commissie opgedane ervaring en de conclusies van de externe evaluatie blijkt dat het in het kader van het programma aanvullende maatregelen moeten worden genomen om de doelstellingen van het programma op een efficiënte wijze te verwezenlijken. Deze maatregelen zullen de acties ondersteunen die reeds in het kader van het programma worden medegefinancierd. Dit betekent dat de Commissie in haar jaarlijks werkprogramma onderwerpen en thema's zal kunnen opnemen die tot 100% kunnen worden gefinancierd (zoals de ontwikkeling van websites of databases die informatie bevatten over de acties van het programma of de organisatie van vergaderingen van op een bepaald gebied gespecialiseerde deskundigen). Het voorstel beperkt het percentage van de jaarlijkse kredieten die voor de specifieke acties kunnen worden gebruikt, tot 10% van de jaarlijkse begroting. Dit is tevens het geval voor de aanvullende maatregelen. De wijze waarop de uitvoeringsbevoegdheden door de Commissie worden uitgeoefend bij de tenuitvoerlegging van het programma is gebaseerd op het besluit van de Raad van 28 juni 1999 [4] (het zogeheten "comitologiebesluit"). Hoewel de toepassing van dit besluit van 1999 enkel verplicht is voor de comités die werkzaam zijn binnen de communautaire sfeer van de Verdragen, werden de daarin vervatte procedures, die in dit voorstel zijn overgenomen, reeds door de Commissie voorgesteld en door de Raad aangenomen bij de goedkeuring van de besluiten tot verlenging van de programma's in 2001. [4] PB L 184 van 17.7.1999, blz. 23 tot 26. Er wordt voorgesteld de maatregelen tot uitvoering van het programma volgens twee verschillende procedures goed te keuren: de beheersprocedure en de raadplegingsprocedure. Bij de goedkeuring van het jaarlijks werkprogramma, de specifieke acties en de aanvullende maatregelen wordt de beheersprocedure toegepast, omdat prioritaire thema's moeten worden vastgesteld voor de eventueel in aanmerking komende entiteiten en omdat de tenuitvoerlegging van het programma moet worden begeleid. Bij toepassing van de beheersprocedure kan de Commissie de maatregel uitstellen wanneer het comité zich daartegen bij gekwalificeerde meerderheid verzet; in dat geval wordt het project aan de Raad voorgelegd. De medefinancieringsbesluiten worden genomen volgens de raadplegingsprocedure: de Commissie is belast met het selecteren van de projecten en verzoekt het comité over elk project advies uit te brengen. Wanneer de raadplegingsprocedure wordt toegepast dient de Commissie zoveel mogelijk rekening te houden met het door het comité uitgebracht advies en zij moet het comité op de hoogte brengen van de wijze waarop zij zich van die taak heeft gekwijt. 3. VOORSTEL VOOR EEN BESLUIT VAN DE RAAD: ARTIKELEN Artikel 1 In artikel 1 wordt het programma vastgesteld en wordt aangegeven dat het een looptijd heeft van vijf jaar, te rekenen vanaf 1 januari 2003, en dat het kan worden verlengd. Artikel 2 In artikel 2 worden de doelstellingen van het programma nader toegelicht. Er wordt daarbij verwezen naar het nauw verband met de algemene, in het Verdrag van Amsterdam vastgestelde doelstelling en derhalve ook met de actieplannen die gericht zijn op de totstandbrenging van een ruimte van vrijheid, veiligheid en rechtvaardigheid. Vervolgens worden in het kader van deze algemene doelstelling de specifieke doelstellingen van het programma vastgesteld. Ook wordt op specifieke wijze de deelneming van de lidstaten onderstreept. Artikel 3 In artikel 3 wordt vastgesteld welke entiteiten uit hoofde van het programma in aanmerking komen voor medefinanciering. Vervolgens worden de organisaties opgesomd waarvan de activiteiten onder het toepassingsgebied van het programma vallen alsmede de doelgroepen. Tevens wordt aangegeven wat wordt begrepen onder "Europese dimensie" en hoeveel partners uit de verschillende lidstaten of kandidaat-lidstaten aan het programma moeten deelnemen. Artikel 3 voorziet tevens in specifieke acties en aanvullende maatregelen die tot 100% kunnen worden gefinancierd zodat de doelstellingen van het programma volledig kunnen worden verwezenlijkt binnen een maximum van 10% van de jaarlijkse begroting die is toegekend aan het programma voor elk van beide categorieën. Artikel 4 In artikel 4 worden de acties van het programma vastgesteld alsmede de acties in het kader waarvan het huidige programma ten uitvoer wordt gelegd. Artikel 5 Het eerste lid van artikel 5 heeft betrekking op de begrotingsregels die van toepassing zijn op het programma, terwijl in de daarop volgende leden de basisbeginselen voor de financiering van de acties zijn aangegeven. Artikel 6 Artikel 6 is gewijd aan de tenuitvoerlegging van het programma. In lid 1 wordt bepaald dat de Commissie en de lidstaten moeten samenwerken bij de uitvoering van het programma. In de twee volgende leden wordt de basisregel gedefinieerd en worden de drie fasen vastgesteld. Ook wordt gepreciseerd dat de projecten tot twee jaar kunnen duren. In lid 4 wordt bepaald welke maatregelen het bij artikel 7 opgerichte comité moet onderzoeken en over welke maatregelen het advies moet uitbrengen. In lid 5 worden de algemene criteria voor de evaluatie en de selectie van de uit hoofde van het programma te financieren acties vastgesteld. De Commissie heeft criteria overgenomen die reeds eerder zijn toegepast en nuttig zijn gebleken: zij is van mening dat het belangrijk is dat de organisatoren die een aanvraag indienen, weten op welke basis hun voorstellen worden geëvalueerd (doorzichtigheidscriterium). Artikel 7 Het eerste lid van artikel 7 bepaalt dat de Commissie bij het beheren van het programma wordt bijgestaan door een uit vertegenwoordigers van de lidstaten bestaand comité. Lid 2 heeft betrekking op het reglement van orde en lid 3 voorziet in de mogelijkheid voor de Commissie om vertegenwoordigers van de kandidaat-lidstaten op informatievergaderingen uit te nodigen. Artikel 8 In artikel 8 wordt de raadplegingsprocedure beschreven. In artikel 6, lid 4, wordt gepreciseerd dat deze procedure wordt toegepast bij de goedkeuring van de acties die worden voorgesteld door de in artikel 3 opgesomde organisatoren. Artikel 9 In artikel 9 wordt de beheersprocedure omschreven. In artikel 6, lid 4, wordt gepreciseerd dat deze procedure wordt toegepast bij de goedkeuring van een jaarlijks werkprogramma en bij de goedkeuring in het kader van dit programma, van de in artikel 3, lid 4, bedoelde specifieke acties en aanvullende maatregelen. Artikel 10 In artikel 10 wordt bepaald dat de acties moeten aansluiten bij en een aanvulling vormen op de andere communautaire beleidslijnen. Artikel 11 In artikel 11 wordt de Commissie belast met de follow-up, de evaluatie en de controle van het programma. Tevens wordt bepaald dat de Commissie jaarlijks over de resultaten van deze activiteiten verslag moet uitbrengen bij het Europees Parlement en de Raad. Artikel 12 In artikel 12 wordt bepaald dat het besluit tot vaststelling van het programma in werking treedt op de dag van de publicatie ervan in het Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen. 2001/0262 (CNS) Voorstel voor een BESLUIT VAN DE RAAD tot vaststelling van een kaderprogramma op basis van titel VI van het Verdrag betreffende de Europese Unie - Politiële en justitiële samenwerking in strafzaken DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE, Gelet op het Verdrag betreffende de Europese Unie, inzonderheid op artikel 31 en artikel 34, lid 2, punt c), Gezien het voorstel van de Commissie [5], [5] PB C ... Gezien het advies van het Europees Parlement [6], [6] PB C ... Overwegende hetgeen volgt: (1) Uit hoofde van artikel 29 van het Verdrag betreffende de Europese Unie heeft de Unie tot doel burgers in een ruimte van vrijheid, veiligheid en rechtvaardigheid een hoog niveau van zekerheid te verschaffen door de ontwikkeling van een gezamenlijk optreden van de lidstaten op het gebied van politiële en justitiële samenwerking in strafzaken en door voorkoming en bestrijding van racisme en vreemdelingenhaat. (2) In de conclusies van de Europese Raad van Tampere wordt opgeroepen om de samenwerking ter voorkoming en bestrijding van criminaliteit te intensiveren, met inbegrip van die waarbij gebruik wordt gemaakt van de nieuwe informatie- en communicatietechnologieën teneinde een echte Europese ruimte van rechtvaardigheid tot stand te brengen. (3) In het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie [7] wordt de bescherming bevestigd van alle politieke, economische, sociale en burgerrechten van de Europese burgers alsmede van alle personen die op het grondgebied van de Europese Unie verblijven. [7] PB C 364 van 18.12.2000, blz. 1. (4) De Europese dimensie van de projecten moet worden uitgebreid tot drie lidstaten of twee lidstaten en een kandidaat-lidstaat teneinde de vorming van partnerschappen en de uitwisseling van informatie en nationale werkmethoden te bevorderen. (5) De programma's Grotius II Strafrechtelijk [8], Stop II [9], Oisin II [10], Hippokrates [11] en Falcone [12] die door de Raad werden vastgesteld, hebben bijgedragen tot de versterking van de samenwerking tussen de gerechtelijke en politiediensten van de lidstaten en een verbetering van het inzicht in de politiële, gerechtelijke, juridische en administratieve stelsels van de andere lidstaten. [8] PB L 287 van 8.11.1996, blz. 3 (Grotius) en PB L 186 van 7.7.2001, blz. 1 (Grotius II Strafrechtelijk). [9] PB L 322 van 12.12.1996, blz. 7 (Stop) en PB L 186 van 7.7.2001, blz. 7 (Stop II). [10] PB L 7 van 10.1.1997, blz. 7 (Oisin) en PB L 186 van 7.7.2001, blz. 4 (Oisin II). [11] PB L 186 van 7.7.2001, blz. 11. [12] PB L 287 van 8.11.1996, blz. 3. (6) Naar aanleiding van de goedkeuring van het actieplan van de Europese Unie inzake drugsbestrijding (2000-2004) door de Europese Raad van Feira in juni 2000 zijn in het kaderprogramma ook acties opgenomen ter bestrijding van de illegale drugshandel. (7) De uitwerking van één enkel kaderprogramma, waarom het Europees Parlement [13] en de Raad uitdrukkelijk hadden verzocht bij de goedkeuring van de vorige programma's, zal het mogelijk maken deze samenwerking te verbeteren door een gecoördineerde en multidisciplinaire aanpak waarbij de verschillende personen die in de Europese Unie verantwoordelijk zijn voor preventie en bestrijding van criminaliteit zullen worden betrokken. [13] Door het Europees Parlement op 5.4.2001 goedgekeurde wetgevingsresolutie. Nog niet gepubliceerd in het PB. (8) Het is wenselijk dat de continuïteit van de door het programma ondersteunde acties wordt gegarandeerd door hun coördinatie in één enkel referentiekader waardoor de rationalisering van de procedures, een beter beheer en meer schaalvoordelen mogelijk worden. (9) Het kaderprogramma moet worden opengesteld voor de kandidaat-lidstaten als partners en deelnemers aan de in het kader van het programma ondersteunde projecten. (10) De voor de tenuitvoerlegging van dit besluit noodzakelijke maatregelen moeten worden goedgekeurd volgens de daarin vastgestelde procedures en met de hulp van een comité. (11) Teneinde de meerwaarde van de in het kader van dit besluit ten uitvoer gelegde acties te versterken dienen deze acties en de andere communautaire maatregelen de nodige samenhang te vertonen en elkaar aan te vullen. (12) Een follow-up en een regelmatige evaluatie van dit programma is noodzakelijk om de doeltreffendheid van de uitgevoerde acties te beoordelen in het licht van de doelstellingen en de eventuele bijstelling van de prioriteiten. BESLUIT: Artikel 1 - Vaststelling van het programma 1. Dit besluit stelt een kaderprogramma vast dat betrekking heeft op de politiële en justitiële samenwerking in strafzkaen in het kader van de ruimte van vrijheid, veiligheid en rechtvaardigheid. 2. Het programma wordt vastgesteld voor een periode die loopt van 1 januari 2003 tot en met 31 december 2007, na welke looptijd het kan worden verlengd. Artikel 2 - Doelstellingen van het programma 1. Het programma draagt bij tot de algemene doelstelling de burgers in een ruimte van vrijheid, veiligheid en rechtvaardigheid een hoog niveau van zekerheid te verschaffen. In dit kader is het programma gericht op: a) de ontwikkeling, tenuitvoerlegging en evaluatie van het Europees beleid op dit gebied; b) het aanmoedigen en bevorderen van netwerkvorming, wederzijdse samenwerking in het kader van algemene thema's die van gemeenschappelijk belang zijn voor de lidstaten, uitwisseling en verspreiding van informatie; ervaringen en beproefde methoden, plaatselijke en regionale samenwerking, verbetering en aanpassing van de opleidingen en wetenschappelijk en technisch onderzoek; c) het stimuleren van een intensievere samenwerking van de lidstaten met de kandidaat-lidstaten, andere derde landen en de bevoegde internationale en regionale organisaties. 2. Het programma ondersteunt projecten op de volgende gebieden: a) algemene en strafrechtelijke justitiële samenwerking, met inbegrip van de voortdurende opleiding van magistraten; b) de samenwerking tussen de rechtshandhavingsdiensten; c) de samenwerking tussen deze diensten en andere particuliere of overheidsorganen in de lidstaten die betrokken zijn bij de preventie en bestrijding van al dan niet georganiseerde criminaliteit; d) bijstand aan slachtoffers van criminele activiteiten. Artikel 3 - Toegang tot het programma 1. Het programma medefinanciert projecten ten behoeve van de in lid 2 vermelde doelgroepen die een looptijd hebben van ten hoogste twee jaar en die worden voorgedragen door particuliere of overheidsorganen, met inbegrip van beroepsorganisaties, niet-gouvernementele organisaties, verenigingen, organisaties die de bedrijfswereld vertegenwoordigen, onderzoeksinstellingen, instellingen voor initiële en voortgezette opleiding en de rechtshandhavingsinstanties van de lidstaten en van de kandidaat-lidstaten. 2. Het programma is gericht op de volgende doelgroepen: a) beoefenaars van juridische beroepen: rechters, officieren van justitie, advocaten, ambtenaren bij ministeries, ambtenaren van de gerechtelijke politie, gerechtsdeurwaarders, deskundigen, gerechtstolken en andere beroepsbeoefenaars op justitieel terrein; b) ambtenaren en andere personeelsleden van de rechtshandhavingsdiensten: overheidsorganen die in de lidstaten overeenkomstig de nationale wetgeving bevoegd zijn op het gebied van preventie, opsporing en bestrijding van criminaliteit; c) ambtenaren bij andere openbare instanties en vertegenwoordigers van verenigingen, beroepsorganisaties, de onderzoekssector, de bedrijfswereld die betrokken zijn bij de preventie en de bestrijding van al dan niet georganiseerde criminaliteit; d) vertegenwoordigers van de diensten die belast zijn met slachtofferhulp, met inbegrip van de overheidsdiensten die verantwoordelijk zijn op het gebied van immigratie en sociale diensten. 3. Om voor medefinanciering in aanmerking te komen moeten bij de projecten tenminste drie of twee lidstaten en een kandidaat-lidstaat worden betrokken en moeten de projecten de in artikel 2 genoemde doelstellingen nastreven. 4. In het kader van het programma kunnen ook worden gefinancierd: a) specifieke projecten die zijn voorgedragen overeenkomstig lid 1 en die van bijzonder belang zijn ten aanzien van de prioriteiten van het programma of de samenwerking met de kandidaat-lidstaten; b) aanvullende maatregelen zoals studiebijeenkomsten, vergaderingen van deskundigen of andere acties voor de verspreiding van de in het kader van het programma verkregen resultaten. Artikel 4 - Acties van het programma Het programma omvat de volgende soorten acties: a) opleiding; b) het opzetten en opstarten van uitwisselingsprogramma's en stages; c) studies en onderzoeken; d) verspreiding van de in het kader van het programma verkregen resultaten; e) ondersteuning van netwerkvorming; f) conferenties en studiebijeenkomsten. Artikel 5 - Financiering van het programma 1. De jaarlijkse kredieten worden door de begrotingsautoriteit toegestaan binnen de grenzen van de financiële vooruitzichten. 2. De medefinanciering van een project in het kader van het programma is niet verenigbaar met enige andere financiering door een ander programma dat door de begroting van de Europese Gemeenschappen wordt gefinancierd. 3. De financieringsbesluiten leiden tot de opstelling van financieringsovereenkomsten tussen de Commissie en de organisatoren. Deze besluiten en overeenkomsten worden onderworpen aan de financiële controle van de Commissie en aan de controle van de Rekenkamer. 4. De financiële steun uit de algemene begroting van de Europese Gemeenschappen kan niet meer bedragen dan 70% van de totale kosten van het project. 5. De in artikel 3, lid 4, bedoelde specifieke projecten en aanvullende maatregelen kunnen evenwel voor 100% worden gefinancierd, binnen de grens van 10% van de jaarlijkse kredieten die voor het programma worden toegekend voor elk van beide categorieën. Artikel 6 - Tenuitvoerlegging van het programma 1. De Commissie is verantwoordelijk voor het beheer en de tenuitvoerlegging van het programma, zulks in samenwerking met de lidstaten. 2. Het programma wordt door de Commissie beheerd overeenkomstig het financieel reglement dat van toepassing is op de algemene begroting van de Europese Gemeenschappen. 3. Voor de tenuitvoerlegging van het programma zorgt de Commissie voor het volgende: a) zij bereidt een jaarlijks werkprogramma voor met specifieke doelstellingen, thematische prioriteiten en eventueel een lijst van specifieke projecten en aanvullende maatregelen; b) zij evalueert en selecteert de voorgedragen projecten en staat in voor het beheer van die projecten. 4. De voorgedragen projecten worden onderzocht overeenkomstig de in artikel 8 bedoelde raadplegingsprocedure. Het onderzoek van het werkprogramma, de specifieke projecten en de aanvullende maatregelen gebeurt overeenkomstig de in artikel 9 bedoelde beheersprocedure. 5. Voor zover in overeenstemming met het dienovereenkomstige beleid evalueert en selecteert de Commissie de projecten die door de organisatoren overeenkomstig de volgende criteria zijn voorgedragen: a) de overeenstemming met doelstellingen van het programma; b) de Europese dimensie en de openstelling voor de kandidaat-lidstaten; c) de verenigbaarheid met de werkzaamheden die in het kader van de beleidsprioriteiten van de Europese Unie aan de gang zijn of worden overwogen op het gebied van justitiële samenwerking in het algemeen en op strafrechtelijk gebied; d) de complementariteit met andere samenwerkingsprojecten die reeds zijn uitgevoerd, aan de gang zijn of op stapel staan; e) de capaciteit van de organisator om het project ten uitvoer te leggen; f) de eigen kwaliteit van het project met betrekking tot conceptie, organisatie, presentatie en verwachte resultaten; g) het voor het programma gevraagde subsidiebedrag en de volledige overeenstemming daarvan met de verwachte resultaten; h) het effect van de verwachte resultaten op de doelstellingen van het programma. Artikel 7 - Comité 1. De Commissie wordt bijgestaan door een comité dat bestaat uit vertegenwoordigers van de lidstaten en wordt voorgezeten door de vertegenwoordiger van de Commissie, hierna genoemd het "comité". 2. Het comité keurt zijn reglement van orde goed op voorstel van zijn voorzitter en op basis van het model reglement van orde dat werd gepubliceerd in het Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen. 3. De Commissie kan de vertegenwoordigers van de kandidaat-lidstaten uitnodigen op informatievergaderingen na de vergaderingen van het comité. Artikel 8 - Raadplegingsprocedure 1. Ingeval naar dit artikel wordt verwezen legt de vertegenwoordiger van de Commissie een ontwerp voor van de te nemen maatregelen. Het comité brengt, binnen een termijn die de voorzitter kan vaststellen naargelang van de urgentie van de materie, advies uit over dit ontwerp, zonodig door middel van een stemming. 2. Het advies wordt in de notulen opgenomen; voorts heeft iedere lidstaat het recht te verzoeken dat zijn standpunt in de notulen wordt opgenomen. 3. De Commissie houdt zoveel mogelijk rekening met het door het comité uitgebrachte advies. Zij brengt het comité op de hoogte van de wijze waarop zij met dit advies rekening heeft gehouden. Artikel 9 - Beheersprocedure 1. Ingeval naar dit artikel wordt verwezen legt de vertegenwoordiger van de Commissie het comité een ontwerp voor van de te nemen maatregelen. Het comité brengt zijn advies uit binnen een termijn die de voorzitter kan vaststellen naar gelang van de urgentie van de materie. Het advies wordt met het in artikel 205, lid 2, van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap bedoelde meerderheid uitgebracht voor de goedkeuring van de besluiten die de Raad dient te nemen op voorstel van de Commissie. Bij de stemmingen binnen het comité worden de stemmen van de vertegenwoordigers gewogen op de in voornoemd artikel omschreven wijze. De voorzitter neemt niet aan de stemming deel. 2. De Commissie stelt de maatregelen vast die onmiddellijk van toepassing zijn. Indien zij evenwel niet in overeenstemming zijn met het door het comité uitgebrachte advies, worden deze maatregelen onmiddellijk door de Commissie aan de Raad medegedeeld. In dit geval kan de Commissie de toepassing van de door haar genomen maatregelen uitstellen gedurende een periode van drie maanden te rekenen vanaf de datum van deze mededeling. 3. De Raad kan met gekwalificeerde meerderheid van stemmen een afwijkend besluit nemen gedurende de in lid 3 genoemde periode. Artikel 10 - Samenhang en complementariteit De Commissie waarborgt, in samenwerking met de lidstaten, de samenhang en complementariteit met andere communautaire beleidslijnen. Artikel 11 - Follow-up en evaluatie 1. De Commissie zorgt voor een regelmatige follow-up van dit programma en dient bij het Europees Parlement en de Raad: a) uiterlijk op 30 juni 2005 een tussentijds evaluatieverslag in over de tenuitvoerlegging van dit programma, b) uiterlijk op 30 september 2006 een mededeling in over de voortzetting van het huidige programma, eventueel vergezeld van een voorstel terzake, c) uiterlijk op 30 juni 2008 een definitief evaluatieverslag in over het gehele programma. 2. De Commissie brengt elk jaar bij het Europees Parlement en de Raad verslag uit over de tenuitvoerlegging van het programma. Het eerste verslag wordt uiterlijk op 30 juni 2005 voorgelegd. Artikel 12 - Inwerkingtreding Dit besluit treedt in werking op de dag van de publicatie ervan in het Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen. Gedaan te Brussel, Voor de Raad De Voorzitter FINANCIEEL MEMORANDUM BIJ HET BESLUIT Beleidsgebied(en): Justitie en binnenlandse zaken (JBZ) Activiteit(en): Samenwerking op het gebied van politie, douane, georganiseerde criminaliteit en justitiële samenwerking in strafzaken. Benaming van de actie: Voorstel voor een besluit van de Raad tot vaststelling van een kaderprogramma op basis van titel IV van het Verdrag betreffende de Europese Unie - Politiële en justitiële samenwerking in strafzaken 1. BEGROTINGSPLAATS(EN) + OMSCHRIJVING(EN) B5-820 2. ALGEMENE CIJFERS 2.1 Totale toewijzing voor de actie (deel B): miljoen EUR aan VK: 65 (vijfenzestig) 2.2 Duur: 2003-2007 2.3 Meerjarenraming van de uitgaven: a) Tijdschema vastleggingskredieten/betalingskredieten (financiering uit de begroting) (cf. punt 6.1.1) in miljoen EUR (tot op 3 decimalen nauwkeurig) >RUIMTE VOOR DE TABEL> b) Ondersteuningsuitgaven (cf. punt 6.1.2) >RUIMTE VOOR DE TABEL> >RUIMTE VOOR DE TABEL> c) Financiële gevolgen in verband met de personele middelen en andere huishoudelijke uitgaven (cf. punten 7.2 en 7.3) >RUIMTE VOOR DE TABEL> >RUIMTE VOOR DE TABEL> 2.4 Verenigbaarheid met de financiële programmering en de financiële vooruitzichten |X| Voorstel verenigbaar met de bestaande financiële programmering | | Dit voorstel vereist een herprogrammering van de betrokken rubriek van de financiële vooruitzichten, | | inclusief, in voorkomend geval, een beroep op de bepalingen van het interinstitutioneel akkoord. 2.5 Financiële gevolgen voor de ontvangsten |X| Geen enkele financiële implicatie (betreft technische aspecten in verband met de tenuitvoerlegging van een maatregel) OF | | Financiële gevolgen - het effect op de ontvangsten is als volgt: - NB: alle opmerkingen en toelichtingen met betrekking tot de methode waarmee de gevolgen voor de ontvangsten worden berekend, moeten op een afzonderlijk blad worden toegevoegd aan dit financieel memorandum in miljoen EUR (tot op 1 decimaal nauwkeurig) >RUIMTE VOOR DE TABEL> 3. BEGROTINGSKENMERKEN >RUIMTE VOOR DE TABEL> 4. RECHTSGRONDSLAG Artikelen 31 en 34 VEU 5. BESCHRIJVING EN MOTIVERING 5.1 Doel van het communautaire optreden 5.1.1 Doelstellingen De bestaande programma's Grotius, Oisin, Stop, Falcone en Hippocrates zijn reeds begonnen met de voorbereiding van de doelgroep op de totstandbrenging van de ruimte van vrijheid, veiligheid en rechtvaardigheid. Uit de op het terrein opgedane ervaring is gebleken dat in de lidstaten steeds meer behoefte is aan opleiding, informatie en communicatie tussen de beoefenaars van juridische beroepen en de politie vooral met het oog op de bestrijding van de georganiseerde criminaliteit die steeds meer een grensoverschrijdend karakter krijgt. Voorts heeft de uitwisseling van ervaringen resultaten opgeleverd op de door titel VI VEU bestreken gebieden, ook wat betreft algemene of kleinschalige criminaliteit. Dit is een terrein waarop de nationale aanpak doorslaggevend is. Het komt slechts zelden voor dat magistraten, juristen en ambtenaren van een lidstaat de wetgeving op strafrechtelijk en politieel gebied van tenminste een andere lidstaat kennen of vertrouwd zijn met de talen en de gespecialiseerde juridische en administratieve terminologie. Ongeveer 3% van het personeelsbestand bij de gerechtelijke autoriteiten en de politie in de lidstaten (ongeveer 90.000 personen in de EU) beschikken - gedeeltelijk - over dit soort vergelijkende kennis. Ervan uitgaande dat vier van de vorige programma's in de eerste vijfjarenfase hebben bijgedragen tot de medefinanciering van ongeveer 720 projecten waarvan elk project gemiddeld een eerder beperkt aantal deelnemers en specialisten heeft bereikt, kan worden aangenomen dat tussen 50.000 en 100.000 personen kennis hebben genomen van de resultaten van de programma's; hierbij wordt geen rekening gehouden met de voor een algemener publiek bestemde publicaties. Naar raming zullen in de tweede fase (2001-2002) ongeveer 300 projecten worden medegefinancierd waarbij nog eens 45 000 tot 50 000 personen zullen betrokken zijn. In het licht van de bovengenoemde situatie en de behoeften van de beoefenaars van juridische beroepen, politie en andere instellingen en organisaties, met inbegrip van de kandidaat-lidstaten die in 2004 tot de Unie zullen toetreden, kan worden geraamd dat in het kader van het programma 900 tot 1.000 projecten (met 120 000 tot 150 000 nieuwe deelnemers) zullen worden medegefinancierd. Het zou dus mogelijk moeten zijn om het percentage van de doelgroep dat momenteel op Europese schaal op verschillende terreinen van de justitiële en politiële samenwerking en de preventie en bestrijding van criminaliteit wordt opgeleid, te verdubbelen, d.w.z. van 3 tot 6%. Op die manier kan worden bijgedragen tot de verwezenlijking van de doelstellingen die door de Europese Raad van Tampere op het gebied van de totstandbrenging van een Europese justitiële ruimte en de voorkoming en bestrijding van al dan niet georganiseerde criminaliteit zijn vastgesteld. Door de toename van het aantal deskundigen op het gebied van justitiële en politiële samenwerking en preventie en bestrijding van criminaliteit zal het mogelijk worden om op een efficiëntere wijze daders op het gebied van mensenhandel, seksuele uitbuiting van kinderen, informatica, criminaliteit, racisme en vreemdelingenhaat te vervolgen en zal worden bijgedragen tot het voorkomen van deze misdaden. De samenwerking op dit gebied zou moeten leiden tot een daling van het aantal misdaden op Europees niveau, maar momenteel zijn geen ramingen mogelijk. Na de goedkeuring van het actieplan van de Europese Unie inzake drugsbestrijding (2000-2004) door de Raad van Feira in juni 2000 werd een nieuw begrotingsonderdeel gecreëerd voor de voorbereidende acties met het oog op een programma voor de bestrijding van drugshandel (B5 831). Dit tijdelijk begrotingsonderdeel dat na 2002 niet meer noodzakelijk zal zijn, is eveneens opgenomen in het kaderprogramma waarbij rekening is gehouden met het belang van het deel dat specifiek betrekking heeft op de bestrijding van de illegale drugshandel. In het kader van het programma zal het ten slotte mogelijk zijn om bekendheid te geven aan de nieuwe, door de Commissie en de lidstaten goedgekeurde of voorgestelde wetgevingsmaatregelen en deze te testen zoals bijvoorbeeld het Europees aanhoudingsmandaat, de bestrijding van terrorisme, de Europese politieacademie en het Europees netwerk voor juridische opleiding. Op die manier zou hun tenuitvoerlegging worden vergemakkelijkt. Het programma past in het kader van de volgende beleidsinstrumenten: - het actieplan van de Raad en de Commissie dat op 11 en 12 december 1998 aan de Europese Raad van Wenen werd voorgesteld betreffende de optimale wijzen van tenuitvoerlegging van de bepalingen van het Verdrag van Amsterdam betreffende de totstandbrenging van een ruimte van vrijheid, veiligheid en rechtvaardigheid. In lid 84 ervan «vraagt de Europese Raad dat bijzondere aandacht wordt besteed aan de totstandbrenging van een Europese justitiële ruimte overeenkomstig het Verdrag van Amsterdam waarbij, wat dit betreft, de instrumenten moeten worden geschapen om te komen tot een doeltreffende justitiële en politiële samenwerking...»; - de conclusies van de Europese Raad van Tampere van 15 en 16 oktober 1999; in het kader van deel C: de bestrijding van de criminaliteit op het niveau van de Unie en met name in lid 42 wordt bepaald dat «er moet worden gezorgd voor het ontwikkelen van de uitwisseling van de beste praktijken, het versterken van het netwerk van de bevoegde nationale autoriteiten op het gebied van de preventie van criminaliteit alsook de samenwerking tussen de op dit gebied gespecialiseerde nationale organen...». 5.1.2 Maatregelen die onder de evaluatie ex ante vallen De evaluatie ex ante is hoofdzakelijk gebaseerd op de evaluatieverslagen van de programma's die jaarlijks bij het Europees Parlement en de Raad worden ingediend en het door de Franklin Advisory Services op 31 maart 2000 voorgelegd extern verslag dat kan worden verkregen bij DG JBZ. Bij deze evaluatie werd tevens rekening gehouden met de richtsnoeren en besprekingen van de programmacomités, die bestaan uit nationale deskundigen en leden van de permanente vertegenwoordigingen van de lidstaten, alsmede met het advies van de commissie Vrijheden en rechten van de burgers van het Europees Parlement over de verlenging van de programma's. De versmelting van de vijf bestaande programma's is het belangrijkste resultaat van deze evaluaties. Het is de bedoeling de financieringen te concentreren op de politieke prioriteiten van de Europese Unie, de financiële middelen te combineren met het oog op een efficiëntere toekenning van de subsidies en een grotere impact op de in de lidstaten bestaande systemen alsmede schaalvergrotingen te creëren door het samenvoegen van de personele middelen en de rationalisering van het beheer van de programma's. Door de versmelting van de programma's kunnen de bij de organisatie van de vorige programma's vastgestelde tekortkomingen op doeltreffende wijze worden verholpen. De fusie zal worden aangevuld met maatregelen inzake interne organisatie om het beheer nog meer te rationaliseren in overeenstemming met de hervorming van de financiële circuits van DG JBZ die sedert 15 juni 2001 van kracht is. 5.1.3 Naar aanleiding van de evaluatie ex post genomen maatregelen Wat de evaluatie ex post betreft, werd rekening gehouden met de in het Franklin-verslag gedane aanbevelingen om het aantal studiebijeenkomsten en conferenties te beperken die in het verleden twee derden van de acties in beslag namen. Deze activiteiten zijn in een eerste fase nuttig, maar moeten voortaan geleidelijk worden ondersteund door structurele maatregelen met een grotere meerwaarde zoals: mobiliteit van de betrokkenen (uitwisselingen, detacheringen, studiebezoeken), onderzoeksacties en studies, oprichting van netwerken, gerichte acties op het gebied van opleiding en verspreiding van resultaten. Voorts werden de procedures voor de selectie van de projecten vastgesteld op basis van transparantiecriteria: op de website worden immers handleidingen voor de kandidaten en modelformulieren voor de verzoeken en de evaluaties ter beschikking gesteld. Ook zullen nationale deskundigen bij de evaluatie worden betrokken. De contractualisering van de projecten, de controle en de follow-up worden toevertrouwd aan operationele eenheden die worden gesteund en gecontroleerd door financiële deskundigen die vanaf het begin worden betrokken bij de evaluatie van de projecten om een constante controle op het volledige project te garanderen. 5.2 Voorgenomen acties en wijze van financiering uit de begroting Bij het beheer van de vorige programma's is onder meer opgevallen dat er relatief minder operationele acties op het gebied van de opleiding van de deelnemers werden georganiseerd dan conferenties en studiebijeenkomsten. Het kaderprogramma zal worden aangepast om het aandeel van de conferenties en studiebijeenkomsten te beperken, d.w.z. dat ernaar zal worden gestreefd om deze activiteiten vanaf de eerste twee jaren van het beheer van het programma op minder dan 50% van alle acties te brengen en aan het einde van het programma op 40%. Tegelijkertijd zou de mobiliteit van de deskundigen (uitwisselingen, detacheringen, enz.) die bij het beheer van de vorige programma's praktisch niet aan bod is gekomen, geleidelijk op 15% van de gefinancierde acties moeten worden gebracht. Bovendien moet ook zoveel mogelijk de tenuitvoerlegging worden vergemakkelijkt van operationele projecten (zoals b.v. gemeenschappelijke douaneacties, politieoefeningen) en van proef- en opleidingsprojecten die aan het einde van de looptijd ten minste 25% van de acties zouden moeten vertegenwoordigen. Andere acties met grote meerwaarde zoals specifieke opleidingsacties, netwerkvorming, studies en onderzoek zullen samen 20% van de jaarlijkse toewijzing vormen. Toch dient erop te worden gewezen dat het kaderprogramma, zoals de vorige programma's, moet gericht zijn op de financiering van experimentele projecten die zouden moeten uitlopen op wetgevingsteksten, samenwerkingsacties of geharmoniseerde nationale praktijken. Specifieke doelstellingen: - een betere kennis van de juridische taal en een beter inzicht in de justitiële en politiële terminologie van de andere lidstaten en de kandidaat-lidstaten; - een beter inzicht in de gemeenschappelijk waarden van de op het gebied van preventie en bestrijding van criminaliteit in de lidstaten bestaande systemen; - meer vertrouwd raken met de gerechtelijk, justitiële en politiële instellingen van de andere lidstaten en de kandidaat-lidstaten; - werkrelaties tot stand brengen en wederzijds vertrouwen scheppen tussen de personen die op alle niveaus bij de preventie en de bestrijding van criminaliteit zijn betrokken; - discussies bevorderen over de verbetering van de politiële en gerechtelijke samenwerking en over experimenten op het gebied van de werkmethoden; - de tendensen vergelijken op het gebied van de hervorming van de systemen inzake preventie en bestrijding van criminaliteit en op dat van de uitvoering van de sancties; - de tenuitvoerlegging vergemakkelijken van door de Raad goedgekeurde samenwerkingsinstrumenten; - meer communicatie en uitwisseling van gegevens tussen de deskundigen van de lidstaten en de kandidaat-lidstaten. Doelgroep: Het programma is bestemd voor: - entiteiten die betrokken zijn bij de preventie van al dan niet georganiseerde criminaliteit en de bestrijding van dit verschijnsel, met name terrorisme, mensenhandel en misdaden tegen kinderen, illegale drugshandel, wapenhandel, corruptie en fraude, jeugd-delinquentie en stedelijke criminaliteit; - beoefenaars van juridische beroepen: rechters, officieren van justitie, advocaten, ambtenaren bij ministeries, ambtenaren van de gerechtelijke politie, gerechtsdeurwaarders, deskundigen, tolken, andere beroepsoefenaars op justiteel terrein alsmede onderzoekers; - rechtshandhavingsdiensten: de overheidsorganen die in de lidstaten uit hoofde van de nationale wetgeving bevoegd zijn om criminaliteit te voorkomen, op te sporen en te bestrijden; - personen en diensten die belast zijn met slachtofferhulp, met inbegrip van de overheidsdiensten die verantwoordelijk op het gebied van immigratie, en de sociale diensten. Noodzaak van communautaire begrotingssteun, in bijzonder in verband met het subsidiariteitsbeginsel: De totstandbrenging van een ruimte van vrijheid, veiligheid en rechtvaardigheid waarmee de Unie is belast uit hoofde van het Verdrag betreffende de Europese Unie, betekent dat problemen moeten worden aangepakt waarvan de grensoverschrijdende dimensie vaak overheersend is (criminaliteit in verband met illegale handel in personen of goederen). De respons op zuiver nationaal niveau van zowel politiële als gerechtelijke instanties is vaak ontoereikend en door de verschillen tussen de wetgevingen of systemen op het gebied van misdaadbestrijding kunnen de misdadigers ontsnappen aan vervolging door de overheidsinstanties. De doeltreffendheid van de betrokken diensten wordt bevorderd door uitwisseling van informatie of ervaringen tussen de lidstaten en ook de harmonisatie van de methoden wordt geleidelijk vergemakkelijkt zonder dat afbreuk wordt gedaan aan de huidige, justitiële, politiële en wetgevingssystemen in de lidstaten. De door het programma ondersteunde samenwerkingsacties zijn dus gerechtvaardigd in het kader van de subsidiariteit zowel wat de wenselijkheid als de proportionaliteit ervan betreft. Keuze van de methoden en middelen: * voordelen ten opzichte van alternatieve maatregelen (vergelijkende voordelen): de tenuitvoerlegging van financieringsprogramma's waardoor subsidies kunnen worden verstrekt aan samenwerkingsprojecten is de enige doeltreffende methode om de in het VEU vermelde samenwerkingsacties en de conclusies van de Europese Raad van Tampere te verwezenlijken. * analyse van vergelijkbare acties die eventueel op communautair of nationaal niveau worden ondernomen: op communautair niveau zijn er geen andere specifieke acties en op nationaal niveau zijn de acties beperkt door gebrek aan een algemeen kader zodat de effecten van de netwerkvorming en de verspreiding van beproefde werkmethoden in de Europese ruimte zich niet doen gevoelen. * afgeleide effecten en verwachte multiplicatoren: synergie en meerwaarde op Europese schaal. Belangrijkste onzekerheidsfactoren die van invloed kunnen zijn op de specifieke resultaten van de actie: Uit de ervaring met de vorige acties blijkt dat deze factoren niet bestaan. Daartegenover staat dat bij instellingen, diensten, openbare en particuliere organisaties een steeds grotere vraag ontstaat en dat op Europees niveau steeds meer belangstelling is voor dit soort acties met het oog op de totstandbrenging van een ruimte van vrijheid, veiligheid en rechtvaardigheid in Europa. 5.3 Tenuitvoerlegging De acties worden door de Commissie (rechtstreeks beheer) met statutair personeel ten uitvoer gelegd. 6. FINANCIËLE GEVOLGEN 6.1 Totale financiële gevolgen voor deel B (voor de gehele programmeringsperiode) 6.1.1 Financiering VK in miljoen EUR (tot op 3 decimalen nauwkeurig) >RUIMTE VOOR DE TABEL> >RUIMTE VOOR DE TABEL> 6.2. Berekening van de kosten per overwogen maatregel in deel B (voor gehele programmeringsperiode) [14] [14] Zie het afzonderlijk oriëntatiedocument voor meer informatie. VK in miljoen EUR (op 3 decimalen nauwkeurig) >RUIMTE VOOR DE TABEL> 7. GEVOLGEN VOOR HET PERSONEELSBESTAND EN DE ADMINISTRATIEVE UITGAVEN 7.1. Gevolgen voor de personele middelen >RUIMTE VOOR DE TABEL> 7.2 Algemene financiële gevolgen in verband met de personele middelen >RUIMTE VOOR DE TABEL> De bedragen stemmen overeen met de totale uitgaven gedurende 12 maanden. 7.3 Andere huishoudelijke uitgaven die uit de actie voortvloeien >RUIMTE VOOR DE TABEL> De bedragen stemmen overeen met de totale uitgaven gedurende 12 maanden. (1) De aard van het comité en de groep waar het deel van uitmaakt, vermelden. I. Jaartotaal (7.2 + 7.3) II. Duur van de actie III. Totale kosten van de actie (I x II) // EUR Jaren EUR 8. TOEZICHT EN EVALUATIE 8.1 Follow-upsysteem - Prestatie-indicatoren * output-indicatoren (het meten van de activiteiten): 1) aantal uitgevoerde projecten, 2) aantal personen die een opleiding hebben gekregen met betrekking tot de nieuwe maatregelen inzake justitiële en politiële samenwerking, het inzicht in politiële en justitiële systemen van de lidstaten, met inbegrip van specifieke terminologie, vormen van communicatie en sensibilisering voor een beter begrip van de verschillende nationale praktijken en denkwijzen, 3) aantal gepubliceerde documenten, 4) aantal personen dat de resultaten heeft ontvangen, 5) aantal nieuwe netwerken, 6) aantal personen dat betrokken is bij mobiliteitsprojecten, 7) aantal voltooide studies en onderzoekswerkzaamheden. * invoering van methoden voor het verzamelen van gegevens. 1) het opzetten van een gegevensbank voor de follow-up en controle van de projecten (met vermelding van de organisatoren, partners, deelnemers en doelgroepen, resultaten, eindverslagen, uitgaven, vastleggingen en betalingen,), 2) het opzetten van een gegevensbank voor de resultaten van de projecten (documenten, informatiedragers, te verspreiden publicaties), 3) bijdrage tot de website voor het doorgeven van informatie aan de netwerken, de mailing lists van de deskundigen in de lidstaten. 8.2 Procedure en periodiciteit van de voorgeschreven evaluatie - Jaarlijkse op de uitgevoerde projecten gebaseerde interne evaluatie met regelmatige follow-up en controle en aanpassing van de doelstellingen en de middelen in het jaarlijks programma dat is goedgekeurd door het programmacomité en werd bekendgemaakt in het Publicatieblad. - Indiening bij de Commissie, de Raad en het Europees Parlement van een jaarlijks verslag over de resultaten van het programma. - Tussentijdse onafhankelijke externe evaluatie (halverwege het programma) en opstelling van een verslag ten behoeve van het Europees Parlement en de Raad. - Definitieve onafhankelijke externe evaluatie aan het einde van het programma en opstelling van een verslag ten behoeve van het Europees Parlement en de Raad. 9. FRAUDEBESTRIJDINGSMAATREGELEN (Artikel 3, lid 4, van het Financieel Reglement: «De Commissie verstrekt, om het risico van fraude en onregelmatigheden te voorkomen, in het financieel memorandum inlichtingen over de voorgenomen of bestaande preventieve of beschermende maatregelen».) In het informatiedocument over de financieringen van de Europese Unie en in de handleiding over het beheer van de subsidies wordt informatie verstrekt aan de organisatoren van de projecten. Voorts wordt in de richtsnoeren inzake het beheer van de projecten en het contractuele formulier informatie verstrekt over de bestaande beschermingsmaatregelen. Zo verbindt de begunstigde zich bijvoorbeeld ertoe om het personeel van de Commissie op passende wijze toegang te verlenen tot de terreinen of gebouwen waar de actie wordt uitgevoerd en tot alle documenten met betrekking tot het technisch en financieel beheer van de actie. De begunstigde stemt ermee in dat de Commissie en de Rekenkamer van de Europese Gemeenschappen gedurende de gehele looptijd van de overeenkomst en tot vijf jaar na het aflopen van de overeenkomst controle uitoefenen op de besteding van de subsidie. De Commissie kan steekproefsgewijze controles ter plaatse verrichten.