52001PC0417

Voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Richtlijn 83/477/EEG van de Raad betreffende de bescherming van werknemers tegen de risico's van blootstelling aan asbest op het werk /* COM/2001/0417 def. - COD 2001/0165 */

Publicatieblad Nr. 304 E van 30/10/2001 blz. 0179 - 0183


Voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van richtlijn 83/477/EEG van de Raad betreffende de bescherming van werknemers tegen de risico's van blootstelling aan asbest op het werk

(door de Commissie ingediend)

TOELICHTING

1. INLEIDING

Asbest is een bijzonder gevaarlijk agens dat bij de blootgestelde personen ernstige ziekten kan veroorzaken (long- en longvliesfibrose, long-, borstvlies- en buikvlieskanker) en dat in verschillende vormen in een groot aantal situaties op het werk kan worden aangetroffen. In 1983, toen asbest nog op veel grotere schaal werd toegepast dan tegenwoordig, heeft de Raad op voorstel van de Commissie Richtlijn 83/477/EEG [1] betreffende de bescherming van werknemers tegen de risico's van blootstelling aan asbest op het werk goedgekeurd, die later is bijgewerkt en gewijzigd bij de richtlijnen 91/382/EEG [2] en 98/24/EG [3].

[1] PB L 263 van 24.9.1983, blz. 25.

[2] PB L 206 van 29.7.1991, blz. 16.

[3] PB L 131 van 5.5.1998, blz. 11.

a) Achtergrond

- In september 1996 heeft de Commissie, na de tenuitvoerlegging van Richtlijn 83/477/EEG in de lidstaten van de Europese Unie te hebben geëvalueerd en met hen overleg te hebben gepleegd, een mededeling ter zake uitgebracht [4].

[4] COM(96) 426 def. van 5.9.1996.

De Commissie is toen tot de conclusie gekomen dat de maatregelen waarin de bestaande communautaire wetgeving voorziet nog steeds hun waarde bewijzen in het totale kader van de bescherming van de gezondheid van werknemers die aan asbest worden blootgesteld. Richtlijn 90/394/EEG van de Raad betreffende de bescherming van de werknemers tegen de risico's van blootstelling aan carcinogene agentia op het werk, waarin beschermende maatregelen worden vastgesteld die soms strenger zijn, vult de asbestrichtlijn immers op sommige punten doeltreffend aan. Derhalve zou een volledige herziening van Richtlijn 83/477/EEG volgens de Commissie alleen noodzakelijk zijn na een radicale verandering in het beleid ten aanzien van het op de markt brengen van asbesthoudende producten, met andere woorden als op communautair niveau besloten zou worden het verbod op het gebruik van asbest uit te breiden. In dat geval zou de Richtlijn zich kunnen concentreren op de specifieke, beperkte situatie waarin het waarschijnlijk is dat werknemers nog aan asbest worden blootgesteld.

- De Raad heeft in 1997 nota genomen van de mededeling van de Commissie en in 1998 conclusies over dit onderwerp vastgesteld [5].

[5] PB C 142 van 7.5.1998, blz. 1.

Onverminderd eventuele verdere maatregelen om het in de handel brengen en het gebruik van chrysotiel te verbieden, waarmee rekening dient te worden gehouden, verzocht de Raad de Commissie onder andere voorstellen tot wijziging van Richtlijn 83/477/EEG in te dienen, en daarbij meer bepaald rekening te houden met de vraag of:

- beschermende maatregelen vooral gericht moeten zijn op de werknemers die momenteel het grootste risico lopen;

- ervoor moet worden gezorgd dat de risicobeoordeling inspeelt op de verschillende risico's van werkzaamheden waarbij blootstelling aan asbest een inherent dan wel een incidenteel karakter draagt;

- moet worden benadrukt dat blootstelling kan worden voorkomen of tot een minimum kan worden beperkt door een reeks maatregelen;

- de blootstellingsniveaus moeten worden herzien en de methode voor de beoordeling van asbestvezels in de lucht opnieuw moet worden bezien.

- In 1997 besloot het Economisch en Sociaal Comité een advies over asbest op te stellen.

In aansluiting op werkzaamheden van de afdeling "Werkgelegenheid, sociale zaken, burgerschap" heeft het Comité in maart 1999 een advies [6] goedgekeurd met een reeks voorstellen voor actie van de Europese Unie.

[6] PB C 138 van 18.5.1999, blz. 24.

Hoewel dit advies in de eerste plaats was bedoeld om een maatregel te ondersteunen om het eerste gebruik van alle asbestsoorten volledig te verbieden, spreekt het Comité, in de lijn van de conclusies van de Raad, zijn verontrusting uit over de werknemers die momenteel het grootste risico lopen.

Volgens het Comité worden werknemers bij reparatie, sloop, onderhoud, renovatie en verwijdering vaak toevallig blootgesteld aan asbesthoudend materiaal dat vaak in slechte staat verkeert.

Daarom verzocht het Comité de Commissie om de wetgeving inzake de bescherming van werknemers te herzien en nieuwe maatregelen te nemen om het gevaar voor werkenden te verkleinen. Deze voorstellen zouden onder meer betrekking moeten hebben op strengere grenswaarden voor blootstelling aan asbest en grondige scholingsacties.

- In april 1999 heeft een gedachtewisseling plaatsgevonden tussen de rapporteur van het Economisch en Sociaal Comité en de betrokken diensten van de Commissie, waarbij de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken van het Europees Parlement [7] de benadering van het Economisch en Sociaal Comité heeft ondersteund, maar wel geopperd heeft om hierover in de toekomst een diepgaander debat te voeren.

[7] Vergadering van de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken van 22 april 1999.

- In juli 1999 heeft de Commissie na jarenlange discussie haar goedkeuring gehecht aan Richtlijn 1999/77/EG van de Commissie tot zesde aanpassing aan de technische vooruitgang van bijlage I bij Richtlijn 76/769/EEG van de Raad betreffende de onderlinge aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen der lidstaten inzake de beperking van het op de markt brengen en van het gebruik van bepaalde gevaarlijke stoffen en preparaten (asbest) [8].

[8] PB L 207 van 6.8.1999, blz. 18.

Zoals gewijzigd door Richtlijn 1999/77/EG van de Commissie, verbiedt deze richtlijn van de Raad ten laatste op 1 januari 2005 het op de markt brengen en het gebruik van chrysotiel (het type asbest waarvan het gebruik nog niet was verboden) en producten waaraan het opzettelijk is toegevoegd, met één uitzondering, namelijk membranen in elektrolyse-installaties, die de Commissie vóór 1 januari 2008 opnieuw zal onderzoeken.

Er moet voorts op worden gewezen dat de lidstaten vanaf 27 augustus 1999 (de inwerkingtreding van Richtlijn 1999/77/EG van de Commissie) tot en met 31 december 2004 nieuwe toepassingen van chrysotiel op hun grondgebied niet meer mogen toestaan.

b) Motivering van de communautaire actie

Richtlijn 83/477/EEG van de Raad vormde een zeer belangrijk vertrekpunt voor de harmonisering van de normen voor de bescherming van werknemers die aan asbest worden blootgesteld. Ondanks deze richtlijn en de andere richtlijnen inzake milieu en de interne markt die tot nu toe zijn goedgekeurd, blijft asbest op de werkplek echter een reëel probleem vormen.

Hoewel strengere preventieve maatregelen het optreden van een groot aantal asbestgebonden ziekten in de komende jaren niet kunnen voorkomen aangezien deze het gevolg zijn van de sterke blootstelling tijdens de jaren 1945-1980, zou een aanscherping van de huidige voorschriften ontegenzeglijk een vooruitgang voor de preventie betekenen.

Nu het verbod op het eerste gebruik van asbest op communautair niveau ook geldt voor chrysotiel, de enige soort asbest die nog niet onder het verbodsstelsel viel, ook al wordt deze maatregel pas begin 2005 volledig van kracht, wordt het duidelijk dat de preventieve maatregelen op situaties van reële blootstelling moeten worden gericht.

Bij werkzaamheden in gebouwen na sloop, onderhoudswerkzaamheden, reparatiewerkzaamheden, elektriciteits- en loodgieterswerkzaamheden kunnen werknemers soms onverwacht worden blootgesteld. Daarom zijn vergelijkbare preventieve maatregelen in de lidstaten noodzakelijk.

Een modernisering van Richtlijn 83/477/EEG, die overigens al door de verschillende communautaire instellingen is overwogen, zou aan deze behoeften voldoen en zou het mogelijk maken om de preventieve maatregelen en de maatregelen voor de bescherming van de werknemers aan te passen aan de vooruitgang van de wetenschappelijke kennis en de technologie.

Deze actie moet noodzakelijkerwijs vergezeld gaan van andere maatregelen, met name voorlichting over veiligere vervangingsproducten of de risico's die aan het gebruik van deze producten zijn verbonden.

Deze actie is ook van groot belang in het licht van de toetreding van nieuwe landen tot de Europese Unie, aangezien in veel kandidaat-lidstaten blootstelling aan asbest nog aanzienlijke gevolgen heeft voor de gezondheid van werknemers. De modernisering van de richtlijn zal het uitwerken van nieuwe maatregelen op dit gebied vergemakkelijken en de ontwikkeling van een beter preventiebeleid mogelijk maken.

c) Subsidiariteit

Het voorstel doet geen afbreuk aan het subsidiariteitsbeginsel, daar alleen door optreden van de Gemeenschap kan worden gewaarborgd dat in alle lidstaten een minimumniveau geldt voor de bescherming van de werknemers tegen de risico's van blootstelling aan asbest. Ook kan zo elke vorm van concurrentieverstoring worden vermeden doordat een niet-uniforme toepassing van minimumvoorschriften inzake de bescherming van de werknemers in een lidstaat wordt voorkomen.

Bovendien zal dit voorstel een grotere flexibiliteit betreffende de grensoverschrijdende werkgelegenheid stimuleren, omdat de werknemers erop kunnen vertrouwen dat in alle lidstaten ten minste dezelfde minimumvoorschriften voor de bescherming van hun veiligheid en gezondheid gelden. De werkgevers van hun kant kunnen er zeker van zijn dat de voorwaarden voor de ondernemingen in alle lidstaten hetzelfde zijn en de productiekosten niet buitensporig zullen worden beïnvloed als gevolg van verschillen in de bescherming van de gezondheid en veiligheid op het werk.

d) Evenredigheid

Het voorstel is ook in overeenstemming met het evenredigheidsbeginsel; de gewijzigde bepalingen inzake gezondheid en veiligheid voldoen aan de vereisten voor aanvaardbare minimumnormen zonder dat zij voor de werkgevers een onnodige belasting vormen. Ook worden beperkingen vermeden die de oprichting en ontwikkeling van kleine en middelgrote ondernemingen zouden belemmeren.

2. Voornaamste specifieke aspecten van het voorstel tot wijziging van Richtlijn 83/477/EEG

a) Werkingssfeer

Door de goedkeuring van Richtlijn 89/391/EEG van de Raad betreffende de tenuitvoerlegging van maatregelen ter bevordering van de verbetering van de veiligheid en de gezondheid van de werknemers op het werk [9], die van toepassing is op alle particuliere en openbare sectoren, is het noodzakelijk geworden om dezelfde principes toe te passen op alle wetsteksten op het gebied van de veiligheid en gezondheid op het werk. Daarom moet de uitzondering die in de asbestrichtlijn gemaakt wordt voor de zeescheepvaart en de luchtvaart worden geschrapt, zodat voortaan voor alle werknemers eenzelfde beschermingsniveau geldt.

[9] PB L 183 van 29.6.1989, blz. 1.

b) Definitie van de verschillende soorten vezelachtige silicaten

Om de betrokken vezels eenduidig te definiëren worden zij zowel uit mineralogisch opzicht als aan de hand van hun CAS-nummer (Chemical Abstract Service) opnieuw gedefinieerd.

c) Vereenvoudiging van de bepalingen in geval van geringe blootstelling

Om de bepalingen van bureaucratische aard (artikelen 4 en 16) en met grote economische consequenties (artikelen 7 en 13, artikel 14, lid 2, en artikel 15) af te zwakken in gevallen waarin de blootstelling van de werknemers aan asbest duidelijk onder de grenswaarde ligt, was in de oorspronkelijke richtlijn een actieniveau vastgelegd op een aanzienlijk lager niveau, namelijk een kwart van de grenswaarde voor andere vezels dan crocidoliet; bij de eerste wijziging door middel van Richtlijn 91/382/EEG werd eenzelfde aanpak gevolgd.

Met de nu voorgestelde lage grenswaarde zou een eventueel actieniveau zo laag worden dat dit met de huidige bemonsterings- en bepalingstechnieken moeilijk te meten zou zijn.

Daarom wordt voorgesteld in plaats van het actieniveau van de oorspronkelijke richtlijn de specifieke werksituaties te vermelden waarin de blootstelling van de werknemers onbetekenend geacht mag worden in verhouding tot de voorgestelde grenswaarde.

d) Meting van het asbestgehalte in de omgevingslucht

Gezien de vooruitgang die is geboekt bij het meten van de vezelconcentraties in de werkplekatmosfeer en om de metingen beter vergelijkbaar te maken wordt voorgesteld bij voorkeur gebruik te maken van de door de Wereldgezondheidsorganisatie aanbevolen methode voor het bemonsteren en tellen van de vezels [10].

[10] Determination of airborne fibre number concentrations. A recommended method, by phase-contrast optical microscopy (membrane filter method), WHO, Genève, 1997 (ISBN 92 4 154496 1).

In deze methode wordt onder andere aangegeven dat het zinvol is een fasecontrastmicroscoop te gebruiken en de kenmerken van de betrokken vezels in aanmerking te nemen.

Voorts worden de objectieve omstandigheden aangegeven waaronder de controle van de vezelconcentratie in de lucht kan uitblijven, dit om de werkgevers niet onnodig te belasten.

In het betrokken artikel zijn de relevante bepalingen van bijlage I van de oorspronkelijke richtlijn in vereenvoudigde vorm opgenomen; de bijlage zelf wordt geschrapt.

e) Blootstellingsgrenswaarden voor de werknemers

Hoewel uit wetenschappelijke gegevens is gebleken dat het fibrogeen en carcinogeen vermogen van asbest verschilt al naar het type vezel, wordt in dit voorstel één enkele blootstellingsgrenswaarde voor de werknemers aangegeven in plaats van de twee van de oorspronkelijke richtlijn. Hiervoor zijn twee redenen. In de eerste plaats zijn de asbestsoorten uit de amfiboolgroep al sinds jaren van de Europese markt verdwenen en is er voor de werkgevers dus vrijwel uitsluitend een risico van blootstelling aan chrysotiel (met slechts enkele uitzonderingen als gevolg van nog aanwezige buizen van asbestcement met grote diameter). Ten tweede is het met de in de huidige tekst voorgestelde methoden voor het meten van de vezelconcentratie in de omgevingslucht moeilijk om concentraties van minder dan 0,1 vezel/cm3 te meten, wat voor amfibolen nodig zou zijn aangezien die gevaarlijker voor de menselijke gezondheid gebleken zijn. De voorgestelde grenswaarde ligt een stuk lager dan de vorige (0,6 vezel/cm3 voor chrysotiel en 0,3 vezel/cm3 voor andere asbestsoorten).

f) Opsporing van asbest in gebouwen

Tegenwoordig zullen de werknemers voornamelijk bij sloop- en onderhoudswerkzaamheden aan asbest blootgesteld worden, vooral doordat niet bekend is dat er asbest of asbesthoudend materiaal aanwezig is; daarom wil dit voorstel de werkgever verplichten om na te gaan of asbesthoudend materiaal aanwezig is alvorens met sloop- of onderhoudswerkzaamheden wordt begonnen. De eigenaren en huurders van de gebouwen moeten hen daarbij helpen.

g) Verantwoordelijkheid van de bedrijven

Algemeen wordt erkend dat de verwijdering van asbest de grootste gevaren voor de gezondheid van de werknemers oplevert; daarom zou asbest dat nog in goede staat verkeert niet moeten worden verwijderd, omdat dat wellicht meer gevaren oplevert dan wanneer men het gewoon laat zitten. Bij de verwijdering moet er ook voor worden gezorgd dat er geen asbest buiten het gebouw of de werkplek terechtkomt; dit aspect valt onder goede arbeidshygiënische praktijken en dus onder artikel 137, lid 2, van het Verdrag.

Wordt het asbest wel verwijderd, dan is het essentieel dat dat op een zo veilig mogelijke wijze wordt gedaan en daarom moeten de bedrijven die hiervoor worden ingeschakeld over de nodige bekwaamheid en uitrusting beschikken. Daarom is in dit voorstel opgenomen dat deze bedrijven hun bekwaamheid moeten aantonen, eventueel door certificering op nationaal niveau.

h) Opleiding van de werknemers

Opleiding van de werknemers wordt van oudsher beschouwd als een belangrijke pijler van het arbobeleid en dat wordt ook in alle communautaire richtlijnen ter zake onderstreept.

Gezien het specifieke karakter en het grote risico van blootstelling aan asbest wordt in dit voorstel een - niet noodzakelijk volledige - reeks punten opgesomd die bij de opleiding van de werknemers absoluut aan de orde moeten komen voordat zij aan eventuele inademing van asbeststof worden blootgesteld.

i) Bijhouden van registers en gezondheidsdossiers

Volgens de oorspronkelijke richtlijn moesten de werkgevers, of indien zij hun werkzaamheden beëindigen de bevoegde instanties, de blootstellingsregisters en de individuele gezondheidsdossiers ten minste 30 jaar bewaren.

Gezien de lange latentietijd voor het optreden van kanker door asbest en om de bepalingen in overeenstemming te brengen met de overige communautaire wetgeving betreffende de preventie van beroepsgebonden kanker, met name Richtlijn 90/394/EEG van de Raad [11], wordt deze periode in dit voorstel verlengd tot 40 jaar.

[11] PB L 196 van 26.7.1990, blz. 1.

j) Praktische aanbevelingen voor de klinische keuring van de werknemers

Over het medisch toezicht op aan asbest blootgestelde werknemers zijn de afgelopen tien jaar tal van discussies op nationaal en internationaal niveau gevoerd. Het belangrijkste discussiepunt was het nut van dit toezicht voor de preventie en vroegtijdige opsporing van ziekten, in het bijzonder kanker, als gevolg van blootstelling aan asbest.

Hoewel dit medisch toezicht zijn beperkingen heeft, mag het belang ervan voor de preventie van door asbest veroorzaakte ziekten zeker niet worden onderschat. Daarom wordt de bijlage bij Richtlijn 83/477/EEG, die praktische aanbevelingen voor dit toezicht bevat, door middel van dit voorstel gewijzigd en beter afgestemd op de tegenwoordige stand van de diagnostiek.

3. Raadpleging

Overeenkomstig artikel 137, lid 2, van het Verdrag moeten het Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's worden geraadpleegd.

2001/0165 (COD)

Voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van richtlijn 83/477/EEG van de Raad betreffende de bescherming van werknemers tegen de risico's van blootstelling aan asbest op het werk

(Voor de EER relevante tekst)

HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, en met name op artikel 137, lid 2,

Gezien het voorstel van de Commissie, opgesteld na raadpleging van de sociale partners en het Raadgevend Comité voor de veiligheid, de hygiëne en de gezondheidsbescherming op de arbeidsplaats [12],

[12] PB C

Gezien het advies van het Economisch en Sociaal Comité [13],

[13] PB C

Gezien het advies van het Comité van de Regio's [14],

[14] PB C

Volgens de procedure van artikel 251 van het Verdrag [15],

[15] PB C 340 van 10.11.1997, blz. 1.

Overwegende hetgeen volgt:

(1) In de conclusies van de Raad van 7 april 1998 betreffende de bescherming van werknemers tegen de risico's van blootstelling aan asbest [16] wordt de Commissie verzocht voorstellen tot wijziging van Richtlijn 83/477/EEG [17] in te dienen, en daarbij meer bepaald rekening te houden met de vraag of beschermende maatregelen vooral gericht moeten zijn op de werknemers die momenteel het grootste risico lopen.

[16] PB C 142 van 7.5.1998, blz. 1.

[17] PB L 263 van 24.9.1983, blz. 25. Richtlijn laatstelijk gewijzigd bij Richtlijn 98/24/EG (PB L 131 van 5.5.1998, blz. 11).

(2) Het Economisch en Sociaal Comité vraagt de Commissie in zijn initiatiefadvies over asbest [18] nieuwe maatregelen te nemen om het gevaar van blootstelling voor werkenden te verkleinen.

[18] PB C 138 van 18.5.1999, blz. 24.

(3) Het verbod op het op de markt brengen en het gebruik van chrysotiel met ingang van 1 januari 2005, ingevoerd bij Richtlijn 76/769/EEG van de Raad [19], zoals gewijzigd bij Richtlijn 1999/77/EG van de Commissie [20], zal bijdragen aan een belangrijke vermindering van de blootstelling van de werknemers aan asbest.

[19] PB L 262 van 27.9.1976, blz. 201. Richtlijn laatstelijk gewijzigd bij Richtlijn 1999/77/EG van de Commissie (PB L 207 van 6.8.1999, blz. 18).

[20] PB L 207 van 6.8.1999, blz. 18.

(4) Alle werknemers moeten worden beschermd tegen de risico's in verband met de blootstelling aan asbest en dientengevolge moeten de uitzonderingen voor de sectoren zeevaart en luchtvaart worden geschrapt.

(5) Om de betrokken vezels eenduidig te definiëren moeten zij zowel uit mineralogisch opzicht als aan de hand van hun CAS-nummer (Chemical Abstract Service) opnieuw worden gedefinieerd.

(6) Onverminderd de toepassing van andere communautaire bepalingen inzake het in de handel brengen en het gebruik van asbest, zal een beperking van de activiteiten die een blootstelling aan asbest tot gevolg hebben bij de preventie van ziekten in verband met deze blootstelling een zeer belangrijke rol spelen.

(7) De meldingsregeling voor werkzaamheden waarbij blootstelling aan asbest voorkomt, moet worden aangepast aan de nieuwe werksituaties.

(8) Rekening houdende met de recentste technische kennis moeten de bemonsteringsmethodologie voor het meten van het asbestgehalte in de lucht en de methode voor het vaststellen van het aantal vezels beter worden gedefinieerd.

(9) Hoewel het niveau van blootstelling aan asbest waaronder dit geen risico op kanker met zich meebrengt nog niet is vastgesteld, moet de grenswaarde voor blootstelling aan asbest op het werk worden verlaagd.

(10) De personen die voor gebouwen verantwoordelijk zijn, moeten worden verplicht om vóór de aanvang van het asbestverwijderingsproject aan te geven of er asbest in de gebouwen of installaties aanwezig is of kan zijn en deze informatie meedelen aan anderen die door gebruik, onderhoud of andere werkzaamheden in of aan het gebouw hieraan kunnen worden blootgesteld.

(11) Er moet voor worden gezorgd dat de sloopwerkzaamheden of de werkzaamheden voor het verwijderen van asbest worden verricht door ondernemingen die op de hoogte zijn van alle voor de bescherming van de werknemers te nemen voorzorgsmaatregelen.

(12) De werknemers die aan asbest blootgesteld worden of kunnen worden, moeten een specifieke opleiding krijgen teneinde de risico's die aan deze blootstelling verbonden zijn, aanzienlijk te beperken.

(13) De blootstellings- en medische dossiers zoals bepaald in Richtlijn 83/477/EEG moeten in overeenstemming gebracht worden met de dossiers als bedoeld in Richtlijn 90/394/EEG van de Raad van 28 juni 1990 betreffende de bescherming van de werknemers tegen de risico's van blootstelling aan carcinogene agentia op het werk (zesde bijzondere richtlijn in de zin van artikel 16, lid 1, van Richtlijn 89/391/EEG) [21].

[21] PB L 196 van 26.7.1990, blz. 1. Richtlijn laatstelijk gewijzigd bij Richtlijn 1999/38/EG (PB L 138 van 1.6.1999, blz. 66).

(14) Het is wenselijk de praktische aanbevelingen voor de klinische keuring van de blootgestelde werknemers bij te werken, rekening houdende met de recentste medische kennis, teneinde de met asbest verband houdende ziekten in een vroeg stadium te kunnen opsporen.

(15) In overeenstemming met het evenredigheidsbeginsel is het noodzakelijk en passend Richtlijn 83/477/EEG in de hier aangegeven zin te wijzigen teneinde de doelstellingen van die richtlijn te bereiken. Overeenkomstig artikel 5, derde alinea, van het Verdrag gaan deze wijzigingen niet verder dan wat nodig is om de doelstellingen te bereiken.

(16) De wijzigingen in deze richtlijn vormen een concreet onderdeel van de verwezenlijking van de sociale dimensie van de interne markt.

(17) Deze wijzigingen zijn tot een minimum beperkt teneinde de oprichting en ontwikkeling van kleine en middelgrote ondernemingen niet onnodig te belemmeren.

(18) Krachtens Besluit 74/325/EEG [22] moet het Raadgevend Comité voor de veiligheid, de hygiëne en de gezondheidsbescherming op de arbeidsplaats door de Commissie worden geraadpleegd voor het uitwerken van voorstellen op dit gebied,

[22] PB L 185 van 9.7.1974, blz. 15. Besluit laatstelijk gewijzigd bij de Akte van Toetreding van Oostenrijk, Finland en Zweden.

(19) Derhalve dient Richtlijn 83/477/EEG dienovereenkomstig gewijzigd te worden,

HEBBEN DE VOLGENDE RICHTLIJN VASTGESTELD:

Artikel 1

Richtlijn 83/477/EEG wordt als volgt gewijzigd:

1) artikel 1, lid 2, wordt geschrapt;

2) artikel 2 wordt vervangen door:

"Artikel 2

Voor de toepassing van deze richtlijn wordt onder "asbest" de volgende vezelachtige silicaten verstaan:

- actinoliet, CAS-nummer 77536-66-4*,

- bruine asbest (amosiet), CAS-nummer 12172-73-5*,

- anthofylliet, CAS-nummer 77536-67-5*,

- chrysotiel, CAS-nummer 12001-29-5*,

- crocidoliet, CAS-nummer 12001-28-4*,

- tremoliet, CAS-nummer 77536-68-6*.

* Registratienummer van de Chemical Abstract Service (CAS).";

3) artikel 3, lid 3, wordt vervangen door:

"3. Mits de totale blootstellingsduur van de werknemers niet langer is dan twee uur per periode van zeven dagen en uit risicobeoordeling krachtens lid 2 blijkt dat de blootstellingsgrenswaarde voor asbest niet zal worden overschreden, zijn de artikelen 4, 15 en 16 niet van toepassing wanneer:

a) wordt gewerkt met asbestbeplating, asbestisolatie of asbesthoudende isolatiebeplating, of

b) het werk bestaat uit monitoring van de lucht, inspectie voor vrijgave of het verzamelen van bulkmonsters om vast te stellen of een bepaald materiaal asbest is.";

4) artikel 4 wordt als volgt gewijzigd:

a) lid 2 wordt vervangen door:

"2. De melding wordt door de werkgever, overeenkomstig de nationale wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen, gedaan aan de verantwoordelijke autoriteit van de lidstaat. De melding moet tenminste een beknopte beschrijving bevatten van:

a) de plaats waar de werkzaamheden worden verricht;

b) de verwerkte types en hoeveelheden asbest;

c) de verrichte werkzaamheden en toegepaste procédés;

d) de vervaardigde producten.

Wanneer asbest wordt verwijderd, wordt bij deze melding ook informatie verstrekt over de periode waarin het asbestverwijderingsproject zal worden uitgevoerd en over de maatregelen die zullen worden genomen om de blootstelling van de betrokken werknemers aan asbest te beperken. De melding wordt gedaan voordat met het asbestverwijderingsproject wordt begonnen.";

b) lid 4 wordt vervangen door:

"4. "Telkens wanneer zich ten opzichte van de oorspronkelijke melding een belangrijke verandering in de arbeidsomstandigheden voordoet die kan leiden tot een veranderde blootstelling aan asbeststof of asbesthoudende materialen, dient een nieuwe melding te worden gedaan.";

5) artikel 6 wordt vervangen door:

"Artikel 6

Bij alle in artikel 3, lid 1, bedoelde werkzaamheden moet de blootstelling aan asbeststof of asbesthoudende materialen op het werk tot een minimum worden beperkt en in ieder geval lager zijn dan de in artikel 8 vastgestelde grenswaarde, in het bijzonder door middel van de volgende maatregelen:

1. Het aantal werknemers dat aan asbeststof of asbesthoudende materialen blootgesteld wordt of kan worden, moet zo klein mogelijk zijn.

2. De werkprocédés moeten in principe zodanig ontworpen zijn dat het vrijkomen van asbeststof in de lucht wordt vermeden.

3. Alle ruimten en uitrustingen die dienen voor behandeling van asbest, moeten doeltreffend en regelmatig kunnen worden gereinigd en onderhouden.

4. Asbest en materialen waaruit asbestvezels vrijkomen worden opgeslagen en vervoerd in geschikte gesloten verpakkingen.

5. Afvalstoffen moeten worden verzameld en zo spoedig mogelijk van de werkplek worden afgevoerd in geschikte gesloten verpakkingen waarop aangegeven staat dat zij asbest bevatten. Deze maatregel is niet van toepassing op mijnbouwwerkzaamheden.

De in de eerste alinea genoemde afvalstoffen worden vervolgens behandeld overeenkomstig Richtlijn 91/689/EEG van de Raad*.

*PB L 377 van 31.12.1991, blz. 20.";

6) artikel 7 wordt vervangen door:

"Artikel 7

1. Afhankelijk van de resultaten van de eerste risico-evaluatie kan de concentratie van de asbestvezels in de werkplekatmosfeer worden gemeten teneinde de inachtneming van de in artikel 8 vastgestelde grenswaarde te waarborgen.

2. De bemonstering moet representatief zijn voor de persoonlijke blootstelling van de werknemer aan asbeststof of asbesthoudende materialen.

3. De bemonstering wordt uitgevoerd na raadpleging van de werknemers en/of hun vertegenwoordigers in de onderneming.

4. De bemonstering wordt uitgevoerd door personeel met de vereiste beroepsbekwaamheid. De daaropvolgende monsteranalyse wordt uitgevoerd in laboratoria die toegerust zijn voor deze analyses en ervaring hebben met de vereiste identificatietechnieken.

5. De bemonsteringsduur moet zo worden gekozen dat, hetzij door meting hetzij door een tijdgewogen berekening, de representatieve blootstelling voor een achturige referentieperiode (één ploeg) kan worden vastgesteld.

6. De telling van de vezels gebeurt voorzover mogelijk met een fasecontrastmicroscoop overeenkomstig de in 1997 door de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) aanbevolen methode [23].

[23] Determination of airborne fibre number concentrations. A recommended method, by phase-contrast optical microscopy (membrane filter method), WHO, Genève, 1997 (ISBN 92 4 154496 1).

Bij het meten van de asbestconcentratie in de lucht, zoals vermeld in de eerste alinea, worden alleen vezels met een lengte groter dan vijf micrometer en een lengte-breedteratio groter dan 3:1 in aanmerking genomen.";

7) artikel 8 wordt vervangen door:

"Artikel 8

De werkgevers zorgen ervoor dat geen enkele werknemer aan een asbestconcentratie in de lucht wordt blootgesteld die groter is dan 0,1 vezel per cm3, berekend als tijdgewogen gemiddelde over een periode van acht uur.";

8) artikel 9, lid 1, wordt geschrapt;

9) artikel 10 wordt als volgt gewijzigd:

a) lid 1, eerste alinea, wordt vervangen door:

"Wanneer de in artikel 8 vastgestelde grenswaarde wordt overschreden, moeten de oorzaken voor deze overschrijding worden opgespoord en moeten zo snel mogelijk passende maatregelen worden getroffen om deze situatie te verhelpen.";

b) lid 3 wordt vervangen door:

"3. Wanneer de blootstelling niet met andere middelen kan worden beperkt en het dragen van persoonlijke ademhalingsapparatuur noodzakelijk blijkt, mag dit niet blijvend zijn en moet de duur ervan voor iedere werknemer tot het strikt noodzakelijke worden beperkt.";

10) het volgende artikel wordt ingevoegd:

"Artikel 10 bis

Alvorens te beginnen met sloop- of onderhoudswerkzaamheden moeten de voor de werkruimten verantwoordelijke werkgevers, indien van toepassing na het opvragen van informatie bij de eigenaren, alle nodige maatregelen nemen om de materialen te identificeren waarvan wordt vermoed dat ze asbest bevatten.

Indien er onzekerheid bestaat over de aanwezigheid van asbest in een materiaal of constructie, worden de voorschriften en procedures voor asbestverwijderingswerkzaamheden gevolgd.";

11) artikel 11, lid 1, wordt vervangen door:

"1. Voor bepaalde werkzaamheden, zoals sloop of verwijdering, waarbij kan worden verwacht dat de in artikel 8 vastgestelde grenswaarde wordt overschreden ondanks de toepassing van preventieve technische maatregelen ter beperking van het asbestgehalte van de lucht, stelt de werkgever de maatregelen vast om de werknemers tijdens deze werkzaamheden te beschermen, in het bijzonder:

a) krijgen de werknemers passende ademhalingsapparatuur en andere persoonlijke beschermingsmiddelen waarvan het dragen verplicht is;

b) worden er waarschuwingsborden aangebracht om erop te wijzen dat een overschrijding van de in artikel 8 vastgestelde grenswaarde kan worden verwacht;

c) wordt de verspreiding van stof van asbest of asbesthoudende materialen buiten de ruimten/werkplek waar de activiteiten plaatsvinden, voorkomen.";

12) artikel 12, lid 2, eerste en tweede alinea, wordt vervangen door:

"2. In het in lid 1 bedoelde plan moeten maatregelen worden opgenomen die nodig zijn voor de veiligheid en de gezondheid van de werknemers op het werk.

In het plan moet met name worden bepaald:

- dat het asbest en/of de asbesthoudende materialen worden verwijderd voordat de slooptechnieken worden toegepast;

- dat zo nodig persoonlijke beschermingsmiddelen als bedoeld in artikel 11, lid 1, sub a), worden verstrekt.";

13) het volgende artikel wordt ingevoegd:

"Artikel 12 bis

1. De werkgevers bieden alle werknemers die aan asbesthoudend stof worden blootgesteld of kunnen worden blootgesteld een opleiding aan. De opleiding moet op gezette tijden worden gegeven en voor de werknemers gratis zijn.

2. De opleiding moet voor de werknemers eenvoudig te begrijpen zijn en hen onder andere op de hoogte stellen van:

a) de eigenschappen van asbest en de invloed van asbest op de gezondheid, met inbegrip van het synergetische effect van roken;

b) de typen producten of materialen die waarschijnlijk asbest bevatten;

c) de handelingen die zouden kunnen leiden tot blootstelling aan asbest en het belang van preventieve controles om het risico op blootstelling te minimaliseren;

d) veilige werkwijzen, controles en beschermingsmiddelen;

e) de geëigende rol, keuze en selectie, beperkingen en het juiste gebruik van ademhalingsbeschermingsmiddelen;

f) de noodprocedures;

g) de ontsmettingsprocédés;

h) de verwijdering van afvalstoffen;

i) de vereisten inzake medische onderzoeken.

3. Op communautair niveau worden praktische richtsnoeren voor de opleiding van werknemers die asbest verwijderen.";

14) het volgende artikel wordt ingevoegd:

"Artikel 12 ter

Voor werkzaamheden waarbij asbest wordt gesloopt of verwijderd, dienen de bedrijven hun bekwaamheid op dit gebied aan te tonen. ";

15) artikel 14, lid 2, sub b), wordt vervangen door:

"b) indien de resultaten de in artikel 8 vastgestelde grenswaarde overschrijden, de betrokken werknemers, alsmede hun vertegenwoordigers in de onderneming of vestiging, zo spoedig mogelijk in kennis worden gesteld van deze overschrijdingen en van de oorzaak daarvan, en de werknemers en/of hun vertegenwoordigers in de onderneming of vestiging worden geraadpleegd over de te nemen maatregelen of, in spoedgevallen, worden ingelicht over de getroffen maatregelen.";

16) artikel 16, lid 2, wordt vervangen door:

,2. de in punt 1 bedoelde registers en de in artikel 15, punt 1, bedoelde individuele gezondheidsdossiers moeten ten minste 40 jaar na het einde van de blootstelling worden bewaard, overeenkomstig de nationale wetgeving en/of praktijk.";

17) aan artikel 16 wordt het volgende lid toegevoegd:

"3. De in lid 2 bedoelde bescheiden worden, overeenkomstig de nationale wetgeving en/of praktijk, aan de bevoegde nationale autoriteit overhandigd op het moment dat de onderneming haar activiteiten beëindigt";

18) bijlage I wordt geschrapt.

19) bijlage II, punt 3, wordt vervangen door:

"3. Het gezondheidsonderzoek van de werknemers dient te geschieden overeenkomstig de beginselen en de gebruiken van de arbeidsgeneeskunde. Het moet de volgende maatregelen omvatten:

- het aanleggen van een dossier met de medische voorgeschiedenis en het beroepsverleden van de werknemer;

- een persoonlijk gesprek;

- een klinisch onderzoek van de borstkas;

- longfunctietests (spirometrie en flow-volumecurve).

De arts en/of de voor het toezicht op de gezondheid verantwoordelijke autoriteit moeten op grond van de jongste inzichten op het terrein van de arbeidsgeneeskunde in elk individueel geval een besluit nemen over verder onderzoek, zoals cytologisch onderzoek van het sputum, röntgenonderzoek van de borstkas of computertomografie.".

Artikel 2

1. De lidstaten doen de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in werking treden om uiterlijk op 31 december 2004 aan deze richtlijn te voldoen. Zij stellen de Commissie daarvan onverwijld in kennis.

Wanneer de lidstaten deze bepalingen aannemen, wordt in die bepalingen naar deze richtlijn verwezen of wordt hiernaar verwezen bij de officiële bekendmaking van de bepalingen. De regels voor deze verwijzing worden vastgesteld door de lidstaten.

2. De lidstaten delen de Commissie de tekst van de bepalingen van intern recht mede die zij op het onder deze richtlijn vallende gebied vaststellen.

Artikel 3

Deze richtlijn is gericht tot de lidstaten.

Gedaan te Brussel, [...]

Voor het Europees Parlement Voor de Raad

De Voorzitster De Voorzitter

EFFECTBEOORDELINGSFORMULIER EFFECT VAN HET VOORSTEL OP HET BEDRIJFSLEVEN, MET NAME OP HET MIDDEN- EN KLEINBEDRIJF (MKB)

Titel van het voorstel

Voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Richtlijn 83/477/EEG van de Raad betreffende de bescherming van werknemers tegen de risico's van blootstelling aan asbest op het werk

Referentienummer van het document

..................

1. Voorstel

Waarom is, gelet op het subsidiariteitsbeginsel, communautaire wetgeving op dit gebied noodzakelijk en wat zijn de voornaamste doelstellingen-

Er bestaat sinds 1983 een richtlijn van de Raad (Richtlijn 83/477/EEG [24]) betreffende de bescherming van de werknemers tegen asbest; deze richtlijn is bijgewerkt en gewijzigd bij de richtlijnen 91/382/EEG [25] en 98/24/EG [26] van de Raad*.

[24] PB L 263 van 24.9.1983, blz. 25.

[25] PB L 206 van 29.7.1991, blz. 16.

[26] PB L 131 van 5.5.1998, blz. 11.

De Raad [27], het Economisch en Sociaal Comité [28] en het Europees Parlement [29] hebben in de jaren 1998-99 herhaaldelijk gewezen op de noodzaak de beschermingsmaatregelen vooral te richten op de werknemers die voortaan het meest blootgesteld zijn, teneinde de blootstelling tot een minimum te beperken.

[27] PB C 142 van 7.5.1998, blz. 1.

[28] PB C 138 van 18.5.1999, blz. 24.

[29] Vergadering van de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken van 22 april 1999.

Op het ogenblik namelijk zijn er, vergeleken met de jaren 70-80, nog maar weinig producten die asbest bevatten, en dan nog alleen wit asbest (chrysotiel) omdat het gebruik van de andere soorten asbest verboden is. Deze situatie zal uiterlijk 1 januari 2005 nog verbeteren omdat op die datum Richtlijn 1999/77/EG van de Commissie [30] omgezet moet zijn, die het op de markt brengen en het gebruik van chrysotiel en producten waaraan dat opzettelijk is toegevoegd, verbiedt, met als enige uitzondering elektrolysemembranen, waarin het gebruik van asbest op 1 januari 2008 zal zijn beëindigd.

[30] PB L 207 van 6.8.1999, blz. 18.

De beroepsgroepen die op het ogenblik het meest aan asbest zijn blootgesteld, worden aangetroffen bij herstel-, onderhouds-, renovatie- en sloopwerkzaamheden. In die gevallen is de blootstelling aan asbest vaak onverwacht. Bij onderhouds- of verwijderingswerkzaamheden dient met behulp van een risicobeoordeling zorgvuldig te worden nagegaan wat de voor- en nadelen zijn als men asbest dat in goede staat verkeert gaat verwijderen dan wel het laat zitten. Bij deze werkzaamheden doet zich namelijk vaker een risico op sterke blootstelling aan asbestvezels voor en moeten er ingrijpender beschermingsmaatregelen worden genomen.

De meeste lidstaten beschikken al over een strengere wetgeving dan op grond van Richtlijn 83/477/EEG van de Raad verplicht is, met name ten aanzien van de grenswaarden voor beroepsmatige blootstelling. Hetzelfde geldt voor het verbod op het op de markt brengen en het gebruik van producten die asbest bevatten, dat al in de meeste lidstaten van kracht was nog voordat genoemde Richtlijn 1999/77/EG in werking was getreden.

Hoewel strengere preventieve maatregelen het optreden van een groot aantal asbestgebonden ziekten (en met name van mesotheliomen, die soms meer dan 30 jaar na de blootstelling aan asbest optreden) in de komende jaren niet kunnen voorkomen aangezien deze het gevolg zijn van de sterke blootstelling tijdens de jaren 1945-1980, zou een aanscherping van de huidige voorschriften ontegenzeglijk een vooruitgang voor de preventie betekenen.

De voorgestelde wijzigingen in Richtlijn 83/477/EEG houden rekening met de vooruitgang in de wetenschappelijke kennis en de technologie op het betrokken gebied en zijn afgestemd op de veranderende werkomgeving voor de groepen die het grootste risico lopen.

Deze actie is ook van groot belang in het licht van de toetreding van nieuwe landen tot de Europese Unie, aangezien in veel kandidaat-lidstaten blootstelling aan asbest nog aanzienlijke gevolgen heeft voor de gezondheid van werknemers. De modernisering van de richtlijn zal het uitwerken van nieuwe maatregelen op dit gebied vergemakkelijken en de ontwikkeling van een beter preventiebeleid mogelijk maken.

Zoals in de inleiding van de toelichting al is opgemerkt, is het voorstel in overeenstemming met het subsidiariteitsbeginsel: alleen door een optreden van de Gemeenschap kan worden gewaarborgd dat de bescherming van de werknemers tegen de risico's van blootstelling aan de uiterst gevaarlijke stof asbest in alle lidstaten, mede gelet op de komende uitbreiding van de Europese Unie, op een vergelijkbaar peil staat.

2. Effect op het bedrijfsleven

a) Waarop is het voorstel van invloed:

- welke bedrijfstakken-

Op grond van het geleidelijke verdwijnen van asbestvezels van de markt, de bestaande documentatie en de studies die met het oog op het asbestverbod zijn verricht, kan worden geconcludeerd dat het voorstel van invloed is op de volgende sectoren:

- de vervaardiging van producten van asbestcement, op dit moment nog op 15 locaties in Spanje, Portugal en Griekenland; Spanje neemt daarbij 68% van de productie voor zijn rekening;

- de verwerkende industrie, voor de productie van speciale remvoeringen, bekledingen voor hogetemperatuurovens, speciale bekledingen en pakkingen, en elektrolysefilters.

Afgezien van deze twee sectoren, die hun activiteiten geleidelijk zullen terugbrengen en uiteindelijk geheel staken naarmate er steeds meer vervangingsproducten voor asbest voor alle resterende toepassingen worden ontwikkeld, worden de bouw en de scheepsbouw, de spoorwegen, enz., nog steeds geconfronteerd met onderhouds- of sloopwerkzaamheden van constructies waarin al asbest aanwezig is.

- welke bedrijfsomvang-

In de productie van materiaal van asbestcement en de verwerkende industrie gaat het meestal om grotere bedrijven.

Uit de beschikbare gegevens blijkt dat het aantal direct betrokken werknemers bij de productie van asbestcement ongeveer 2500 bedraagt.

In de bouwnijverheid betreft het daarentegen eerder kleine en middelgrote bedrijven en tijdelijke, mobiele bouwplaatsen waar doorgaans een klein aantal personen (minder dan 10) werkt. Aangezien men zich tegenwoordig sterker bewust is van de risico's van blootstelling aan asbest wordt er in de lidstaten steeds vaker asbest verwijderd uit allerlei constructies, zoals gebouwen of schepen, waardoor moeilijk aan te geven is hoeveel werkgevers hierbij direct zijn betrokken (wellicht in de orde van 80 000-100 000).

- welke geografische gebieden-

Zoals al is gezegd, kunnen de betrokken geografische gebieden worden aangegeven voor de vervaardiging van producten van asbestcement (Spanje, Portugal en Griekenland).

Voor de verwerkende industrie, de bouwnijverheid, de scheepsbouw en de spoorwegen kan geen specifiek geografisch gebied worden aangegeven.

b) Wat moeten de bedrijven doen om aan de voorgestelde wetgeving te voldoen-

De voorgestelde wijzigingen van Richtlijn 83/477/EEG zijn vooral bedoeld om de aandacht van de werkgevers te richten op de werknemers die de grootste risico's lopen en de bij voorkeur te treffen preventiemaatregelen. De voorgestelde wijzigingen zullen, zoals hierna wordt uiteengezet, leiden tot een wijziging van de prioriteiten bij het inzetten van de personele en financiële middelen die al voor de bescherming van de veiligheid en gezondheid van de werknemers zijn uitgetrokken. Afgezien van artikel 8 en de verlaging van de blootstellingsgrenswaarden zullen de wijzigingen waarschijnlijk niet tot extra kosten leiden, aangezien zij overeenkomen met bepalingen uit bestaande richtlijnen waar de werkgevers zich nu al aan moeten houden. De wijzigingen zijn namelijk mede bedoeld om al deze bepalingen in één wetgevingsbesluit zichtbaarder te maken.

Een punt dat voor de werkgevers wel van belang zal zijn is de verlaging van de blootstellingsgrenswaarden (artikel 8).

Een verlaging van de blootstellingsgrenswaarde zoals in dit voorstel is opgenomen, kan in beperkte mate tot extra kosten leiden in verband met de technische bewaking van de werkplekken, de aanpassing daarvan en eventueel de aanschaf van extra persoonlijke beschermingsmiddelen.

Nu is het wel zo dat de bedrijven sinds de goedkeuring van Richtlijn 83/477/EEG alle tijd gehad hebben om een technische infrastructuur op te zetten waarmee de concentratie asbestvezels in de werkplekatmosfeer kan worden teruggebracht.

Daar de in Richtlijn 83/477/EEG beschreven meetmethode met behulp van optische microscopie in het voorstel is gehandhaafd, al wordt nu verwezen naar de door de WHO (Wereldgezondheidsorganisatie) in 1997 aanbevolen methode [31], levert dit voor het bedrijfsleven geen extra belasting op.

[31] Determination of airborne fibre number concentrations. A recommended method, by phase-contrast optical microscopy (membrane filter method), WHO, Genève, 1997 (ISBN 92 4 154496 1).

Een ander belangrijk onderdeel van het voorstel is de opsporing van asbest en asbesthoudende materialen (artikel 10 bis) in gebouwen en andere constructies voordat met onderhouds- of sloopwerkzaamheden wordt begonnen. Ook in dit geval gaat het erom de risico-evaluatie die de werkgevers op grond van alle communautaire wetgeving inzake gezondheid en veiligheid op het werk moeten uitvoeren, beter te richten op één specifiek aspect.

Hetzelfde geldt voor de opleiding van de werknemers (artikel 12 bis). Dit wijzigingsvoorstel preciseert slechts de voorwaarden en de inhoud van deze bepaling, die in alle richtlijnen op het gebied van de gezondheid en veiligheid op het werk een essentieel onderdeel van de preventie is.

De registers en gezondheidsdossiers (artikel 16) van de werknemers moeten volgens dit voorstel 40 jaar bewaard worden in plaats van 30, waardoor de bepalingen betreffende blootstelling aan asbest op één lijn worden gebracht met die voor andere carcinogene agentia, zoals geregeld bij Richtlijn 90/394/EEG. Dit is ingegeven door de lange latentietijd tussen blootstelling aan asbest en het optreden van mesothelioom, de door asbestvezels veroorzaakte vorm van kanker met de slechtste prognose.

c) Welke economische gevolgen zal het voorstel waarschijnlijk hebben:

- voor de werkgelegenheid-

Het voorstel zal geen rechtstreeks effect op de werkgelegenheid in de sector hebben.

- voor de investeringen-

Het voorstel zal geen rechtstreeks effect op de investeringen in de sector hebben.

- voor het concurrentievermogen van de bedrijven-

Het voorstel zal noch op korte, noch op lange termijn rechtstreeks effect hebben op het concurrentievermogen van het Europese bedrijfsleven.

d) Bevat het voorstel maatregelen om rekening te houden met de bijzondere situatie van kleine en middelgrote bedrijven (minder zware of andere eisen, enz.)-

Het voorstel bevat geen uitzonderingen of specifieke maatregelen voor het MKB. Het is echter in feite wel grotendeels op kleinere bedrijven gericht.

3. Raadpleging

Geef een overzicht van de organisaties die over het voorstel zijn geraadpleegd en zet hun standpunten in grote lijnen uiteen.

De raadpleging over dit voorstel heeft op drie fronten plaatsgevonden:

(1) informeel overleg (drie vergaderingen in de periode november 1998-juni 1999) met de vertegenwoordigers van de lidstaten, waarbij overeenstemming is bereikt over de grote lijnen om zo goed mogelijk tegemoet te komen aan de conclusies van de Raad van 7 april 1998;

(2) tweetraps-raadpleging van de sociale partners (beëindigd in augustus 2000, respectievelijk april 2001) overeenkomstig artikel 138, leden 2 en 3, van het Verdrag. Geraadpleegd zijn de 43 organisaties die zijn vermeld in de bijlage bij de mededeling van de Commissie over de bevordering van de sociale dialoog [32];

[32] COM(1998) 322 def. van 20.5.1998.

(3) raadpleging van het Raadgevend Comité voor de veiligheid, de hygiëne en de gezondheidsbescherming op de arbeidsplaats, die is afgesloten met de plenaire vergadering van 19 december 2000.

Alle geraadpleegde partijen waren het in grote lijnen eens over de belangrijkste zaken die in aanmerking moesten worden genomen bij de herziening van de richtlijn teneinde de maatregelen te richten op de werknemers die op dit moment het sterkst blootgesteld zijn; dit waren met name inventarisering van nog aanwezig asbest, bewustmaking, voorlichting en opleiding van de betrokken werknemers, de opstelling van richtsnoeren, en ten slotte een verdere verlaging van de grenswaarde voor beroepsmatige blootstelling en één enkele methode voor het meten van het asbestvezelgehalte van de lucht.

Op de vraag van de Commissie of de sociale partners op grond van het in het raadplegingsdocument beschreven voorstel het onderhandelingsproces als bedoeld in artikel 138, lid 4, en artikel 139 van het Verdrag wilden inleiden, hebben zij geantwoord dat het wetgevingsinititatief van de Commissie in hun ogen gegrond was en de voorkeur verdiende.