52001PC0217

Advies van de Commissie overeenkomstig artikel 251, lid 2, onder c) van het EG-Verdrag, over de amendementen van het Europees Parlement op het gemeenschappelijk standpunt van de Raad inzake het voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad betreffende speciale voorschriften voor voertuigen bestemd voor het vervoer van passagiers, met meer dan acht zitplaatsen, die van de bestuurder niet meegerekend, en tot wijziging van de Richtlijnen 70/156/EEG et 97/27/EG houdende wijziging van het voorstel van de Commissie overeenkomstig artikel 250, lid 2 van het EG-verdrag /* COM/2001/0217 def. - COD 1997/0176 */


ADVIES VAN DE COMMISSIE overeenkomstig artikel 251, lid 2, onder c) van het EG-Verdrag, over de amendementen van het Europees Parlement op het gemeenschappelijk standpunt van de Raad inzake het voorstel voor een RICHTLIJN VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD betreffende speciale voorschriften voor voertuigen bestemd voor het vervoer van passagiers, met meer dan acht zitplaatsen, die van de bestuurder niet meegerekend, en tot wijziging van de Richtlijnen 70/156/EEG et 97/27/EG HOUDENDE WIJZIGING VAN HET VOORSTEL VAN DE COMMISSIE overeenkomstig artikel 250, lid 2 van het EG-verdrag

1. Voorgeschiedenis

Overeenkomstig artikel 95 van het EG-Verdrag is het voorstel COM(97) 276 def. - 1997/0176 (COD) op 17 oktober 1997 voorgelegd aan de Raad (PB C 17 van 20.1.1998, blz. 1).

Het Economisch en Sociaal Comité heeft op 25 februari 1998 advies uitgebracht (PB C 129 van 27.4.1998, blz. 5).

In het kader van de medebeslissingsprocedure heeft het Europees Parlement tijdens de plenaire zitting van 18 november 1998 in eerste lezing advies uitgebracht (PB C 379 van 7.12.1998, blz. 80). Daarbij werden 12 amendementen ingediend, die waren gebaseerd op een radicale aanpak met schrapping van de technische bijlagen. De Commissie achtte deze aanpak niet aanvaardbaar en heeft daarom haar voorstel niet gewijzigd.

Het gemeenschappelijk standpunt van de Raad werd op 28 september 2000 met eenparigheid van stemmen aangenomen, in overeenstemming met artikel 251 van het Verdrag (PB C 370 van 22.12.2000, blz. 1), maar ging vergezeld van zeven stemverklaringen. De Commissie heeft het gemeenschappelijk standpunt overgenomen.

Op 14 februari 2001 heeft het Europees Parlement in tweede lezing acht amendementen op het gemeenschappelijk standpunt van de Raad aangenomen.

2. Advies van de Commissie over de door het Parlement voorgestelde amendementen

2.1. Samenvatting van het standpunt van de Commissie

Van de acht amendementen die het Parlement in tweede lezing heeft voorgesteld, zijn er drie in hun huidige vorm aanvaardbaar, terwijl de vijf andere in principe ook aanvaardbaar zijn.

De Commissie kan de amendementen 1, 7 en 8 in hun huidige vorm aanvaarden.

De amendementen 2, 3 en 5, die op de toelaatbare helling van de lage vloer over de assen van bussen betrekking hebben, zijn in beginsel aanvaardbaar. Er dient een overgangsperiode te worden vastgesteld voor de toelating van deze maximaal toelaatbare helling van de vloer. Er wordt een overgangsperiode van vijf jaar vanaf de inwerkingtreding van deze richtlijn voorgesteld.

Amendement 4 geeft een nadere bepaling van bepaalde categorieën van personen die in hun mobiliteit beperkt zijn. De definitie in het gemeenschappelijk standpunt zou algemener moeten zijn. De Commissie wijst er met nadruk op dat het van belang is dat deze definitie strikt identiek is aan die, welke op internationaal niveau (en met name bij de Economische Commissie voor Europa van de Verenigde Naties) wordt gehanteerd.

Amendement 10 betreffende het model van de referentierolstoel werd vóór de goedkeuring ervan samengevoegd met een ontwerp-amendement 6. In het amendement wordt gerefereerd aan ISO-norm 7193. Dit amendement is in beginsel aanvaardbaar. Wel moet worden gepreciseerd dat bij het gebruik van deze norm moet worden uitgegaan van de rolstoel met inbegrip van de rolstoelganger.

Het voorstel van de Commissie wordt dientengevolge als volgt gewijzigd:

* Invoeging van twee nieuwe overwegingen:

Overweging 6 bis (amendement nr. 1)

(6 bis) Om rekening te houden met de vooruitgang die al is geboekt bij de verbetering van de toegankelijkheid van voertuigen van klasse I en II voor personen met een mobiliteitshandicap, moet worden toegestaan dat in bestaande types voertuigen gedeeltes van het gangpad een steilere helling hebben dan in nieuwe types voertuigen.

Overweging 7 bis (amendement nr. 2)

(7 bis) Om een onderscheid te maken tussen bestaande en nieuwe types voertuigen moet worden verwezen naar Richtlijn 76/756/EEG van de Raad van 27 juli 1976 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der Lid- Staten betreffende de installatie van verlichtings- en lichtsignaalinrichtingen van motorvoertuigen en aanhangwagens daarvan1, laatstelijk gewijzigd bij Richtlijn 97/28/EG van de Commissie2.

1 PB L 262 van 27.9.1976, blz. 1. 2 PB L 171 van 30.6.1997, blz. 1.

* Invoeging van een nieuw artikel 2, lid 1 bis (amendement nr. 3)

(1 bis) Lid 1 geldt eveneens voor voertuigen van klasse I en II met een lage vloer die voor [1 oktober 2001] een typegoedkeuring hebben ontvangen overeenkomstig Richtlijn 76/756/EEG en die daarom een gangpadhelling van 12,5% als bedoeld in punt 7.7.6.3 bis van bijlage I mogen hebben.

* Vervanging van punt 2.21 van bijlage I (amendement nr. 4)

2.21. " passagier met een mobiliteitshandicap": iedereen die moeilijkheden heeft met het gebruik van openbaar vervoer, zoals gehandicapten (waaronder mensen met zintuiglijke en geestelijke gebreken en rolstoelgebruikers), mensen met gebreken aan de ledematen, zeer kleine mensen, mensen met zware bagage, bejaarden, zwangere vrouwen, mensen met roltassen en mensen met jonge kinderen);

* Nieuw punt 7.7.6.3 bis in bijlage I (amendement nr. 5)

7.7.6.3 bis. 12,5% voor voertuigen met een lage vloer van klasse I of II als bedoeld in artikel 2, lid 1 bis, voor wat het betreft het binnenste gedeelte van het gangpad, 2 meter aan beide kanten van de hartlijn van de tweede as en, voorzover van toepassing, van de derde as voor een totale lengte van 2 meter.

* Vervanging van figuur 21 van bijlage III (amendement nr. 10)

Vervang deze afbeelding door een diagram van een rolstoel met vier wielen van het type dat wordt afgebeeld in de internationale norm ISO 7193, waarbij bij de maten rekening wordt gehouden met de rolstoelganger.

* Vervanging van punt 3.5 van bijlage VII (amendement nr. 7)

De helling van gangpaden, toegangen of vloeren tussen gereserveerde plaatsen of rolstoelruimten en ten minste één ingang en één uitgang of een gecombineerde in- en uitgang mag niet meer dan 8% bedragen. Dergelijke hellingen moeten zijn voorzien van een antislipoppervlak.

* Vervanging van punt 3.6.2 van bijlage VII (amendement nr. 8)

Er moet minstens één deur zijn waar rolstoelgebruikers door kunnen. Bij voertuigen van klasse I moet ten minste één deur voor rolstoelgebruikers een bedrijfsdeur zijn. De deur voor rolstoelgebruikers moet voorzien zijn van een instaphulpmiddel dat voldoet aan de bepalingen van de punten 3.11.2 (knielsysteem) van deze bijlage, waarbij ook rekening is gehouden met de bepalingen van punt 3.11.3 (lift) of 3.11.4 (oprijplaat), tenzij in de exploitatiezone door de plaatselijke infrastructuur al toegang op gelijk niveau wordt gegarandeerd, waardoor alle personen met een mobiliteitshandicap, onder wie rolstoelgebruikers, veilig kunnen instappen.

3. Conclusies

Overeenkomstig artikel 250, lid 2, van het EG-Verdrag wijzigt de Commissie haar voorstel in bovengenoemde zin.