Advies van het Comité van de Regio's over "De bescherming van geografische aanduidingen en oorsprongsbenamingen van landbouwproducten en levensmiddelen"
Publicatieblad Nr. C 107 van 03/05/2002 blz. 0019 - 0020
Advies van het Comité van de Regio's over "De bescherming van geografische aanduidingen en oorsprongsbenamingen van landbouwproducten en levensmiddelen" (2002/C 107/07) HET COMITÉ VAN DE REGIO'S, gezien het besluit van het bureau d.d. 13 februari 2001 om, overeenkomstig artikel 265, alinea 5, van het EG-Verdrag, commissie 2 "Landbouw, plattelandsontwikkeling, visserij" te belasten met het opstellen van een initiatiefadvies over "De bescherming van geografische aanduidingen en oorsprongsbenamingen van landbouwproducten en levensmiddelen"; gezien Verordening (EEG) nr. 2081/92(1) van de Raad van 14 juli 1992 inzake de bescherming van geografische aanduidingen en oorsprongsbenamingen van landbouwproducten en levensmiddelen; gezien Verordening (EEG) nr. 2082/92(2) van de Raad van 14 juli 1992 inzake de specificiteitscertificering voor landbouwproducten en levensmiddelen; gezien de aanpassingen aan de WTO-Akkoorden in een voorstel voor een Raadsverordening (EG) houdende wijziging van Verordening (EEG) nr. 2081/92 van de Raad van 14 juli 1992 inzake de bescherming van geografische aanduidingen en oorsprongsbenamingen van landbouwproducten en levensmiddelen; (dit punt zal worden behandeld, als het voorstel van de Commissie op tijd wordt voorgelegd); gezien het op 9 oktober 2001 door commissie 2 goedgekeurde ontwerpadvies over "De bescherming van geografische aanduidingen en oorsprongsbenamingen van landbouwproducten en levensmiddelen" (CDR 58/2001 rev. 2) (rapporteurs: de heren Sanz Alonso, voorzitter van de regering van de Autonome Gemeenschap van La Rioja, E/EVP, en Rumpf, staatssecretaris b.d. voor EU-aangelegenheden van de deelstaat Rijnland-Palts, D/ELDR); gezien het ontwerp "Communautaire richtsnoeren betreffende steunmaatregelen van de lidstaten voor promotie en reclame voor landbouwproducten die onder bijlage I van het EG-Verdrag vallen"; overwegende - dat Verordening (EEG) nr. 2081/92 een nuttig instrument is om, met name in de meest benadeelde regio's, het gemeenschappelijk landbouwbeleid toe te passen, het inkomen van de landbouwers te verbeteren en te voorkomen dat de bevolking uit deze gebieden wegtrekt; - dat de Europese Unie en alle lidstaten die bij de WTO zijn aangesloten hun wetgeving met het oog op de toepassing van de WTO-Akkoorden dienen aan te passen; - dat in de meest benadeelde regio's de productie- en afzetstructuur is toegesneden op kleine eigenaren die hun producten, overeenkomstig de doelstellingen van Verordening (EEG) nr. 2081/92 - waartoe ook de ontwikkeling van het MKB hoort - op de regionale en nationale markt verkopen; - dat de regionale economie, die een grote invloed heeft op de ecologie, de regionale structuur, het milieu en de consumenten, dient te worden versterkt en dat ook kleine en middelgrote bedrijven die hun producten weliswaar in eigen regio of lidstaat afzetten, maar wel aan de hierboven vermelde voorwaarden voldoen, voor steun in aanmerking moeten komen; - dat de bepalingen van Verordening (EEG) nr. 2081/92 de nationale regels inzake bescherming van geografische aanduidingen en oorsprongsbenamingen vervangen; dat krachtens artikel 5 van deze verordening alleen groeperingen van bij hetzelfde landbouwproduct of levensmiddel betrokken marktdeelnemers gerechtigd zijn een aanvraag voor registratie van een in artikel 2, lid 2, punten a) en b) omschreven "BOB" of "BGA" in te dienen; dat deze bepaling van artikel 5 moet worden gewijzigd teneinde groeperingen, bestaande uit andere organisaties en/of bij meerdere landbouwproducten of levensmiddelen betrokken marktdeelnemers de mogelijkheid te bieden een dergelijke aanvraag in te dienen; - dat het voor kleine marktdeelnemers in achterstandsgebieden - die overeenkomstig Verordening (EEG) nr. 2081/92 in hun ontwikkeling gesteund moeten worden - erg moeilijk is om de kosten die met de toepassing van deze verordening gepaard gaan, te dragen; - dat de marktdeelnemers de nodige economische instrumenten en middelen moeten krijgen om de kwaliteit van hun producten te garanderen en de consument tegen misbruik te beschermen; dat marktdeelnemers die bij de productie en/of verwerking van verscheidene landbouwproducten of levensmiddelen betrokken zijn, de mogelijkheid moeten krijgen zich in één groepering te verenigen - waardoor zij hun kosten kunnen drukken en waardoor de afzet van hun producten wordt vergemakkelijkt; - dat naast de overeenkomstig Verordeningen (EEG) nr. 2081/92 en (EEG) nr. 2082/92 geproduceerde levensmiddelen, ook producten die niet onder deze verordeningen vallen, maar die even belangrijk zijn voor de plattelandsontwikkeling en het inkomen van kleine boeren, in aanmerking moeten worden genomen; dat ook de afzet van deze producten dient te worden bevorderd, op voorwaarde dat bij de productie, verwerking en afzet de jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen, alsmede de communautaire regelgeving in aanmerking worden genomen; dat, aangezien ook deze producten grotendeels worden afgezet in de regio waar ze zijn geproduceerd, het mogelijk moet zijn om met overheidssteun reclame voor deze producten te maken; dat dit de enige manier is waarop kleine boeren de aandacht van de consument op hun producten kunnen vestigen, heeft tijdens zijn 41e zitting van 14 en 15 november 2001 (vergadering van 14 november) het volgende advies uitgebracht. Aanbevelingen Het Comité van de Regio's 1. vraagt de Europese Commissie de Verordeningen (EEG) nr. 2081/92 en (EEG) nr. 2082/92 in het licht van de voorgaande overwegingen te herzien en om, waar nodig, de aanbevelingen van dit advies over te nemen in het voorstel voor een verordening houdende wijziging van Verordening (EEG) nr. 2081/92 van de Raad van 14 juli 1992 inzake de bescherming van geografische aanduidingen en oorsprongsbenamingen van landbouwproducten en levensmiddelen; 2. is van mening dat in het voorstel houdende wijziging van Verordening (EEG) nr. 2081/92 de definitie van "groepering" moet worden uitgebreid; waar tot dusverre enkel producenten en/of verwerkers van hetzélfde landbouwproduct of levensmiddel zich in een groepering mochten verenigen, daar moeten krachtens de nieuwe regeling marktdeelnemers die bij de productie en/of verwerking van verscheidene, in Verordeningen (EEG) nr. 2081/92 en (EEG) nr. 2082/92 beschreven producten zijn betrokken, ook deze mogelijkheid krijgen; 3. stelt voor dat de Commissie voor de afzet van speciale, in een bepaalde lidstaat en/of regio geproduceerde landbouwproducten en levensmiddelen, zoals omschreven in artikel 2, lid 2, punten a) en(EEG) nr. b) van Verordening (EEG) nr. 2081/92, het gebruik van een oorsprongsmerk toestaat; deze producten hebben namelijk een hoog kwaliteitsniveau, waarop wordt toegezien; 4. vraagt dat bij eventuele registratie van dergelijke geografische aanduidingen de beschermingsclausules van artikelen 13 en(EEG) nr. 14 van Verordening (EEG) nr. 2081/92 in acht worden genomen; 5. vraagt de Commissie om in paragraaf 4.1, punt 38 van de "Communautaire richtsnoeren betreffende steunmaatregelen van de lidstaten voor promotie en reclame voor landbouwproducten die onder bijlage I van het EG-Verdrag vallen" het principieel verbod op regionale of nationale overheidssteun voor reclame te schrappen, wanneer het agro-alimentaire producten betreft die aan de communautaire regelgeving en jurisprudentie voldoen; 6. wijst erop dat de voorbereidingskosten voor de erkenning van landbouwproducten en levensmiddelen als "BGA" of "BOB", met name in gebieden die onder het cohesiebeleid vallen, zouden moeten worden gefinancierd met middelen uit de plattelandsontwikkelingsprogramma's. Brussel, 14 november 2001. De voorzitter van het Comité van de Regio's Jos Chabert (1) PB L 208 van 24.7.1992, blz. 1. (2) PB L 208 van 24.7.1992, blz. 9.