52001IE1487

Advies van het Economisch en Sociaal Comité over het onderwerp "Nieuwe randvoorwaarden voor de mondiale economie: nieuwe uitdagingen voor het economisch beleid van de Europese Unie"

Publicatieblad Nr. C 048 van 21/02/2002 blz. 0079 - 0082


Advies van het Economisch en Sociaal Comité over het onderwerp "Nieuwe randvoorwaarden voor de mondiale economie: nieuwe uitdagingen voor het economisch beleid van de Europese Unie"

(2002/C 48/19)

Het Economisch en Sociaal Comité heeft tijdens zijn zitting van 28 en 29 november 2001 overeenkomstig artikel 23, lid 3, van zijn reglement van orde besloten, een advies op te stellen over het onderwerp "Nieuwe randvoorwaarden voor de mondiale economie: nieuwe uitdagingen voor het economisch beleid van de Europese Unie".

De afdeling "Economische en Monetaire Unie - economische en sociale samenhang", die met de voorbereiding van de desbetreffende werkzaamheden was belast, heeft haar advies op 12 november 2001 goedgekeurd. Rapporteur was mevrouw Konitzer.

Het Economisch en Sociaal Comité heeft tijdens zijn 386e zitting van 28 en 29 november 2001 (vergadering van 28 november) het volgende advies uitgebracht, dat met 46 stemmen vóór, bij 3 onthoudingen, werd goedgekeurd.

1. Uitgangssituatie

1.1. De economische ontwikkeling van de EU in het jaar 2000 was de gunstigste in 10 jaar. Het BBP groeide met een kleine 3,5 % en de werkgelegenheid nam fors toe (1,7 %), waarmee de werkloosheid in vergelijking met 1999 met een volle punt daalde tot 8,3 % van de beroepsbevolking. Daarmee nam het maximale werkloosheidspercentage van 1994 (11,1 %) weer af tot vrijwel het niveau van vóór de recessie van 1992/1993. Ondanks de hoge olieprijzen bedroeg de inflatie nauwelijks meer dan 2 % en was de handel met derde landen in evenwicht.

1.2. Deze gunstige cijfers waren te danken aan zowel duurzame structuurmaatregelen om het functioneren van de goederen-, diensten-, arbeids- en kapitaalmarkten te verbeteren, als de significante vooruitgang die sinds de laatste recessie, met name ook met de verwezenlijking van de Economische en Monetaire Unie (EMU) in het vizier, werd geboekt bij de versterking van de macro-economische randvoorwaarden voor groei en werkgelegenheid(1).

1.3. De hoop, om deze positieve tendens, die voor het terugdringen van de werkloosheid binnen de EU geboden is, gedurende een aantal jaren ononderbroken te kunnen voortzetten, liep in de loop van 2001 evenwel op een teleurstelling uit.

1.4. In het najaar van 2001 werd duidelijk dat het BBP van de Unie in de zomer niet meer was gegroeid of zelfs was afgenomen en dat voor heel 2001 rekening moet worden gehouden met een economisch-groeipercentage dat beduidend onder de 2 % zal liggen(2). Dit betekent ook dat het werkloosheidspercentage niet meer daalt en in 2001 en 2002 wellicht zelfs weer zal toenemen.

1.5. De oorzaken van deze negatieve trend liggen hoofdzakelijk buiten de Gemeenschap, maar de omvang ervan en de afhankelijkheid van de Unie van mondiale economische ontwikkelingen werden onderschat. In dit verband moeten de volgende factoren worden genoemd: de koopkracht binnen de EU daalde door de gestegen olieprijzen (hetgeen nog werd versterkt door de dure dollar) en de plotselinge krachtige stijging van de levensmiddelenprijzen. Voorts liep de export terug als gevolg van de scherpe groeivertraging in de VS en de wereldwijd afzwakkende groei. Deze dalende tendens werd verder aangewakkerd door de directe gevolgen, zowel binnen de VS als wereldwijd, van de aanslagen van 11 september 2001 (men denke aan luchtvaartmaatschappijen, toerisme, verzekeringen en hogere kosten van veiligheidsmaatregelen). Ten slotte nam ook nog eens het vertrouwen van consumenten en ondernemingen af. Het valt niet uit te sluiten dat dit vertrouwen door de strijd tegen het terrorisme, met alle onzekerheden van dien, nog verder zal afnemen.

1.6. Voor de Europese volkshuishoudingen is het nu van het grootste belang, deze met verlies aan vertrouwen gepaard gaande malaise zo spoedig mogelijk te boven te komen en koers te zetten naar het hogere groeipad dat de Europese Raad met de strategie waartoe hij in het voorjaar van 2000 in Lissabon heeft besloten, zich ten doel heeft gesteld.

2. Mogelijkheden en beperkingen van economisch beleid

2.1. De beschreven factoren zijn in beginsel slechts tijdelijk van aard en vormen geen bedreiging voor de substantiële vooruitgang die in de jaren '90 bij het gezondmaken van de Europese economie werd geboekt. Toch dient er ondubbelzinnig op te worden gewezen dat verwezenlijking van volledige werkgelegenheid weer een stuk verder uit het gezichtsveld is geraakt.

2.2. We moeten ons daarom afvragen, hoe met behulp van economisch beleid meer vaart achter het oplossen van de huidige problemen kan worden gezet. Daarbij mogen we ons evenwel geen illusies maken: economisch beleid kan niet alle externe schokken volledig dempen en evenmin kan het groei en werkgelegenheid bij wijze van spreken bij decreet afdwingen. Verder gaat het er niet om, vraagtekens te plaatsen bij structuurmaatregelen en de fundamentele oriëntatie van het macro-economisch beleid op prijsstabiliteit en behoud van het macro-economische evenwicht. Wél is het zaak, is na te gaan

- hoe de macro-economische beleidsmix het beste op de nieuwe situatie kan worden toegesneden;

- of de procedures voor coördinatie van het economisch beleid, zowel mondiaal als binnen de EU en de eurozone, verbeterd kunnen worden ten behoeve van een optimale "policy mix".

3. Een beter op de nieuwe situatie toegesneden macro-economische beleidsmix

3.1. In de huidige situatie komt het er in wezen op aan, de interne en de internationale vraag binnen de groeiende capaciteitsruimte aan te zwengelen, zonder echter prijs- en kostenontwikkelingen negatief te beïnvloeden en de voor duurzame groei (en daarmee tevens voor volledige werkgelegenheid) onontbeerlijke middellange-termijnconsolidering van de nationale begrotingen in gevaar te brengen. Daarbij dienen de uitgangspunten voor het economisch beleid te berusten op een duidelijke integrale analyse van zowel de wereldeconomie als de situatie binnen de EG en de EMU. Verder spreekt het voor zich dat uitgangspunten en bijbehorende maatregelen geëigend dienen te zijn om het vertrouwen van consumenten en bedrijven in de toekomstige economische ontwikkelingen snel te herstellen.

3.2. De speelruimte op de afzonderlijke gebieden van het macro-economisch beleid (monetair en begrotingsbeleid en loonvorming) is beperkt.

3.2.1. Mits de inflatiedreiging afzwakt, kan het monetair beleid worden versoepeld om het algemeen economisch beleid te ondersteunen (artikel 105, lid 1, van het EG-Verdrag). Tot op zekere hoogte is dit, ook in internationaal verband, overigens reeds gebeurd. Of verder nog maatregelen worden genomen, hangt vooral af van de verwachtingen betreffende het effect van het begrotingsbeleid en de loonontwikkeling.

3.2.2. De moeizaam verworven geloofwaardigheid op middellange termijn van het begrotingsbeleid mag niet in gevaar worden gebracht. Dit is onder meer van belang voor de ontwikkeling van de lange-termijnrente en het evenwicht tussen besparingen en investeringen in het groeiproces op de middellange termijn, dat onontbeerlijk is voor de verwezenlijking van volledige werkgelegenheid. Wordt aan deze voorwaarde voldaan, dan kan in de huidige, in ieder geval per land verschillende, situatie ook via de automatische stabilisatoren toch nog voor een stabielere economische ontwikkeling in EG en EMU worden gezorgd. Naast de bijdrage van de stabilisatoren zou tot op zekere hoogte meer in b.v. infrastructuur kunnen worden geïnvesteerd (eventueel via public/private partnerships) en heffingen kunnen worden verlaagd. Die maatregelen moeten echter wel in het nagestreefde groeiproces voor de middellange termijn passen. De bijdrage van het begrotingsbeleid tot de macro-economische beleidsmix in EG en EMU stuit evenwel op een bijkomende moeilijkheid: in tegenstelling tot het monetair beleid is het begrotingsbeleid in de EG en de EMU om weloverwogen redenen niet gecentraliseerd, maar in handen van de lidstaten gelaten. De bijdrage van het begrotingsbeleid tot de totale "policy-mix" van de EMU blijft echter een aangelegenheid van Gemeenschapsbelang, dat volgens het Comité momenteel in de Unie onvoldoende aandacht krijgt.

3.2.3. Ook de mogelijkheden voor de sociale partners om via de loonvorming tot het macro-economisch beleid bij te dragen zijn in wezen beperkt. Overeenkomstig per lidstaat en bedrijfstak uiteenlopende verschillende procedures besluiten de sociale partners over zowel de kostenontwikkeling als de lonen in hun lidstaat. Zij oefenen daarmee doorslaggevende invloed uit op de nationale concurrentiekracht, de rendabiliteit en de consumptieve vraag. Ondanks de in het kader van het proces van Keulen opgestarte macro-economische dialoog, wordt onvoldoende rekening gehouden met de invloed hiervan op de macro-economische mix van EG en EMU. In dit verband moet de macro-economische dialoog op Raadsniveau beter worden georganiseerd en dient meer aandacht aan het EG-belang te worden geschonken.

3.3. Meer aandacht voor het EG-belang en een redelijke mate van wederzijds vertrouwen in stabiliteit en rationaliteit van de beleidsmakers op monetair en begrotingsgebied, alsook in de sociale partners zijn onontbeerlijk voor een macro-economisch pakket waarmee EG en EMU het hoofd kunnen bieden aan de huidige groeiverzwakking en de loerende recessie. Hier spelen belangrijke kwesties met betrekking tot inhoud en efficiënte coördinatie van economisch beleid.

4. Inhoud en efficiënte coördinatie van het economisch beleid in EG en EMU

4.1. Ondanks de vooruitgang die bij het herstel van de economie van de Gemeenschap is geboekt en niettegenstaande de verscheidenheid aan, overigens deels bureaucratische, coördinatieprocedures en "processen" heeft de EG bij de samenstelling van de juiste macro-economische mix en de aanpassing aan de veranderende interne en externe omstandigheden met fundamentele probleem te kampen. Aangetoond kan namelijk worden dat de recessie van 1992/1993 in ruime mate te wijten was aan inschattingsfouten bij de samenstelling van de mix (verkeerde beoordeling van de beurscrash van 1987, oververhitting in 1988/1989 en financieringsfouten bij de Duitse eenwording) en dat ontoereikend resp. te laat met een aanpassing van het pakket werd gereageerd op de groeivertragingen van 1995/1996 (Mexicaanse crisis, een onvoldoende geloofwaardig begrotingsbeleid in een aantal lidstaten, valutaturbulenties) en 1999 (de Azië- en Ruslandcrisis). In de VS werd en wordt het monetair en het begrotingsbeleid daarentegen vlotter en beter op veranderende situaties afgestemd. Dit is één van de hoofdredenen waarom gedurende de jaren '90 de groei binnen de EU ver bij die in de VS achterbleef.

4.2. Met betrekking tot de huidige, mondiale, daling van de groei moet worden getracht de fouten uit het verleden zo min mogelijk te herhalen. De verwezenlijking van EMU, waarmee een dam tegen interne valutaschokken werd opgeworpen, komt in dit verband overigens zeer van pas. Ondanks de diversiteit aan procedures en organen blijven er evenwel op de volgende gebieden cruciale lacunes bestaan:

a) de op de behoeften van de EMU toegesneden evaluatie en raming van de economische ontwikkeling, alsmede de openbare discussie over de opties voor het economisch beleid van Gemeenschap en Monetaire Unie blijven voor verbetering vatbaar;

b) de positie van de Commissie moet worden versterkt waar het gaat om het doen van uitgebreide voorstellen voor het economisch beleid in het algemeen en de macro-economische beleidsmix in het bijzonder. Deze voorstellen mogen namelijk niet worden bepaald door belangen of ideologieën van lidstaten of groepen, maar moeten uitsluitend het EG-belang en een optimale economische ontwikkeling binnen de EMU dienen. Dit geldt vooral ook voor de bijdrage van het budgettair beleid en de loonvorming tot de mix; hierbij mogen de soevereiniteit van de lidstaten en de autonomie van de cao-partners niet in het gedrang komen;

c) de dialoog tussen de beleidsmakers dient te worden geïnstitutionaliseerd en transparanter te worden gemaakt. Hierbij moet niet alleen worden gedacht aan de regelmatige bijeenkomsten van de ECB-president, de vertegenwoordigers van de eurozone en de bevoegde commissaris, maar ook aan de inhoudelijke verbetering van de macro-economische dialoog. In beide verbanden dient de positie van de Commissievertegenwoordiger als behartiger van het Gemeenschapsbelang te worden versterkt. Verder is het Comité in staat om actief aan de macro-economische dialoog deel te nemen, en dient het te worden geraadpleegd wanneer daartoe aanleiding bestaat.

5. De volgende stappen

Het Comité acht het noodzakelijk dat:

a) de Commissie de komende weken met concrete voorstellen komt voor bijstelling van het economisch beleid en de macro-economische beleidsmix in het licht van de veranderde mondiale economische randvoorwaarden. Daarbij dient ze verder te gaan dan de Verklaring van de Europese Raad van Gent en duidelijk aan te geven, welke bijdrage van de afzonderlijke actoren wordt verwacht;

b) de openbare discussie over en de behandeling door de Raad van de mededeling van de Commissie van 7 februari 2001(3) over "De verbetering van de coördinatie van het economisch beleid in het eurogebied" weer wordt aangezwengeld, zodat er in dit verband pragmatische en efficiënte verbeteringen kunnen worden aangebracht;

c) de komende tijd wordt besproken hoe, in het kader van de Verdragsherzieningen met het oog op de uitbreiding, de bepalingen betreffende het economisch beleid en de Gemeenschapsbelangen dienaangaande kunnen worden aangescherpt.

Brussel, 28 november 2001.

De voorzitter

van het Economisch en Sociaal Comité

G. Frerichs

(1) PB C 139 van 11.5.2001, blz. 51 (ECO/041); PB C 139 van 11.5.2001, blz. 60 (ECO/042); PB C 139 van 11.5.2001, blz. 72 (ECO/046); PB C 139 van 11.5.2001, blz. 79 (ECO/054); PB C 221 van 7.8.2000, blz. 177 (ECO/065).

(2) De Commissie zal haar nieuwe ramingen op 21.11.2001 publiceren.

(3) COM(2001) 82 def.