52001IE0239

Advies van het Economisch en Sociaal Comité over "Coördinatie van de economische politiek in de EMU"

Publicatieblad Nr. C 139 van 11/05/2001 blz. 0060 - 0072


Advies van het Economisch en Sociaal Comité over "Coördinatie van de economische politiek in de EMU"

(2001/C 139/13)

Op 2 maart 2000 heeft het Economisch en Sociaal Comité overeenkomstig art. 23.3 van zijn reglement van orde besloten, een advies op te stellen over het voornoemde thema.

De afdeling "Economische en monetaire Unie, economische en sociale samenhang", die met de voorbereidende werkzaamheden was belast, heeft haar advies op 12 december 2000 goedgekeurd. Rapporteur was de heer Nyberg.

Tijdens zijn 379e zitting van 28 februari en 1 maart 2001 (vergadering van 1 maart 2001) heeft het Economisch en Sociaal Comité het volgende advies uitgebracht dat met 87 stemmen vóór en 1 stem tegen werd goedgekeurd.

1. Inleiding

1.1. Dankzij de interne markt en de invoering van de euro is het proces van economische integratie in de EU in een stroomversnelling gekomen. Ook zijn hierdoor nieuwe mogelijkheden voor economische groei geschapen. Nu de gevolgen van deze politieke besluiten voelbaar beginnen te worden, komen echter ook de nog resterende problemen duidelijker naar voren. Hoe kan ervoor worden gezorgd dat interne markt en euro optimaal effect sorteren op groei en werkgelegenheid?

1.2. Het ESC brengt bij monde van zijn Waarnemingspost voor de interne markt op gezette tijden advies uit over de ontwikkeling van de interne markt. Voorwaarde voor het welslagen van het beleid is dat de interne markt eindelijk wordt voltooid. In diverse adviezen is het ESC voorts ingegaan op verschillende aspecten m.b.t. de euro. Het heeft de moeilijkheden geschetst die zijn ontstaan tijdens het convergentieproces (o.m. werkloosheid of uitgebleven groei), maar ook gewezen op de geboekte vooruitgang bij het verminderen van inflatie en begrotingstekorten. Dit laatste biedt uitstekende mogelijkheden voor langdurige economische groei en meer werkgelegenheid. De voortdurende wisselkoersschommelingen behoren voor de inmiddels 12 eurolanden tot het verleden en hebben een positief effect op de samenhang, maar daarvoor in de plaats is een discussie over de ontwikkeling van de wisselkoers van de euro gekomen. Met dit advies wil het ESC zijn voorgaande adviezen aanvullen door met name in te gaan op de als gevolg van de invoering van de euro toegenomen behoefte aan coördinatie van de macro-economische politiek.

1.3. In zijn adviezen van maart 1998(1) en maart 2000(2) behandelde het ESC de koersfluctuaties t.o.v. de dollar en de yen: "De afgelopen 20 jaar heeft de koers van de ecu t.o.v. de dollar enorme fluctuaties vertoond, met een factor van 1,7 tot 0,6 punten waaruit kan worden afgeleid dat de recente ontwikkeling verre van uitzonderlijk is". Onderstaand diagram geeft een beeld van de fluctuaties van de euro t.o.v. de dollar. Hoewel de orde van grootte van de stijging van de dollarwaarde zeker niet uniek is, is de stijging toch heel snel geweest. Hierop zal echter in dit advies niet worden ingegaan.

Diagram 1: Waarde van de euro t.o.v. de Amerikaanse dollar

>PIC FILE= "C_2001139NL.006002.EPS">

Bron:

ECB Monthly Bulletin (oktober 2000).

1.3.1. Een ander aspect dat vermeld werd in het advies uit 1998 was het volgende: "Positief in de monetaire Unie is in ieder geval dat de externe afhankelijkheid van de lidstaten sterk zal verminderen aangezien het leeuwendeel van de handel tussen de deelnemende landen in euro's zal luiden. De externe waarde van de euro zal dus een veel minder probleem zijn dan tot nog toe...". Dit werd ook gezegd in een advies over de economische situatie in 2000(3): "Er zij voorts op gewezen dat de eurozone wordt gekenmerkt door een sterke afhankelijkheid van de interne vraag, die goed is voor maar liefst 90 % van het BBP." Dit thema werd verder uitgewerkt in een advies over "Europa als economische eenheid: een politieke uitdaging"(4).

1.3.2. In het advies van maart 2000(5) wordt ook gesteld dat het beleid van de ECB ter bestrijding van de inflatie "de conjuncturele verbetering die in sommige landen nog maar net op gang is gekomen, zou kunnen vertragen." Dit is het uitgangspunt voor de discussie inzake het belang van coördinatie van de economische politiek. Ook de volgende uitspraak zal nader worden uitgewerkt: "De werkloosheid blijft de grootste zorg van het Comité en het heeft al vaker opgemerkt dat gestreefd moet worden naar een groeipercentage van minstens 3,5 % op de middellange termijn om de werkloosheid tot een aanvaardbaar niveau te kunnen terugdringen"(6). Over het belang van coördinatie van de politieke processen(7) heeft het Comité het volgende gezegd: "Een adequate mix van begrotingsbeleid, monetair beleid en inkomensbeleid zou gepaard moeten gaan met (...) (met het doel om) een vertrouwensklimaat te creëren om consumptie en investeringen te stimuleren en daardoor een blijvend hoog werkgelegenheidsniveau te creëren"(8).

1.3.3. In een advies over de gevolgen van de EMU voor de samenhang(9) werd gesteld dat de scherpere concurrentie in de EU zeker tot een stijging van de productiviteit zal leiden, en dat zulks wel eens banenverlies zou kunnen betekenen, "maar indien de spelers op het Europese toneel erin slagen de verschillende economische beleidsonderdelen te coördineren zal een en ander in een adequate stijging van de vraag kunnen resulteren. Dan kan het netto-resultaat voor de werkgelegenheid positief zijn". Een gevolg van de EMU waardoor de lidstaten meer ruimte krijgen om een dergelijk actief beleid te voeren, is dat de lagere rente de rentelast vermindert en de situatie van de overheidsfinanciën daardoor verbetert.

2. Context

2.1. Uitgangspunt in dit advies is dat de EMU nu een onomkeerbaar feit is. Er wordt niet ingegaan op mogelijke veranderingen in het huidige bestel noch op de machtsverdeling tussen ECB, Ministerraad en Parlement. Uitgaande van de regels en convergentiecriteria van het Verdrag van Maastricht aangevuld met het Stabiliteits- en groeipact, zal worden onderzocht hoe economische beleidscoördinatie de positieve effecten van de EMU kan versterken(10). Van belang in dit verband zijn ook het Verdrag van Amsterdam en de Top van Lissabon.

2.2. Overeenkomstig het Verdrag wordt het rentebeleid door de ECB gevoerd. In de praktijk betekent dit dat de korte rente door de ECB wordt beïnvloed. Bij het bepalen van deze rente moet gekeken worden naar de inflatie maar ook naar groei, en werkgelegenheid(11), waarbij het hoofddoel, prijsstabiliteit, niet in gevaar mag komen.

2.2.1. Het ESCB(12) beschikt over het gemeenschappelijke deel van de valutareserves en daarmee over de instrumenten om de wisselkoers van de euro te beïnvloeden, maar over het inzetten van dit instrument moet de Raad (Euro-12) worden geïnformeerd. Hoe dit in de praktijk zijn beslag krijgt, kan het voorwerp zijn van een aparte discussie.

2.2.2. Om tot de derde fase van de EMU te kunnen komen, nl. invoering van de gemeenschappelijke munt, zijn convergentiecriteria aangenomen waaraan de landen zich moesten houden. Deze criteria gelden grotendeels nog altijd voor de lidstaten die nog niet zijn overgegaan tot de derde fase.

2.3. Voor de 12 landen die de euro hebben ingevoerd, geldt echter dat renteniveau en inflatie niet langer deel uitmaken van de nationale beleidsdoelstellingen, aangezien deze uitgaande van gemiddelde waarden door de ECB worden vastgesteld. Volgens de ECB dient de inflatie beneden de 2 % te blijven. Het is de verantwoordelijkheid van de Raad om de koersontwikkeling van de euro te bewaken. De lidstaten moeten zich nog houden aan de convergentiecriteria betreffende overheidstekort en staatsschuld. Deze aspecten zijn geregeld in het Stabiliteits- en groeipact. Voor de staatsschuld geldt een maximum van 60 % van het BBP. Wat de begroting betreft, zijn de eisen aanzienlijk verscherpt. Weliswaar blijft het hoogst toelaatbare tekort bestaan (minder dan 3 % van het BBP), maar in het pact wordt de wens uitgesproken dat toegewerkt wordt naar een situatie van begrotingsevenwicht of -overschot. Het motief hiervoor is duidelijk, nl. om over voldoende middelen te kunnen beschikken voor economische stimuli in komende tijden van laagconjunctuur zonder het risico te lopen dat de benedengrens (- 3 %) wordt overschreden. In feite geeft de EU geen echte begrotingsdoelstellingen, maar wordt ernaar gestreefd om voldoende middelen vrij te maken voor economische stimulansen in tijden van laagconjunctuur.

2.4. Overeenkomstig art. 99 van het Verdrag zijn de lidstaten verplicht hun economisch beleid te coördineren: "De lidstaten beschouwen hun economisch beleid als een aangelegenheid van gemeenschappelijk belang en coördineren het in het kader van de Raad." Bij het door de lidstaten gevoerde anti-cyclische beleid is er in feite alleen maar een benedengrens (- 3 % van het BBP) met sanctiemogelijkheden als er geen sprake is van een uitzonderlijke daling van het BBP. Bij begrotingsoverschotten zou ernaar moeten worden gestreefd om, zodra de economische situatie zulks toelaat, de benodigde financiële reserves op te bouwen. Hier gelden geen vaste criteria of sancties, noch in het Verdrag, noch in het pact. De voor het volgende jaar gewenste ontwikkeling wordt geformuleerd met behulp van de Globale richtsnoeren voor het economisch beleid. Dit zijn geen formeel bindende regels, maar wel is al gebleken dat hiervan een grote invloed uitgaat op het te voeren economisch beleid.

3. De actoren en hun beïnvloedingsmogelijkheden

3.1. Met de inwerkingtreding van het Verdrag van Maastricht werd de Ecofin-raad de belangrijkste actor op het gebied van het economisch beleid van de EU. De eisen voor deze twee beleidsterreinen zijn terug te vinden in de convergentiecriteria. De EU-beleidsinstrumenten zijn de globale richtsnoeren voor het economisch beleid en de daarbij behorende convergentie- en stabiliteitsprogramma's. De nationale regeringen beschikken over economische beleidsinstrumenten, nl. hun inkomsten en uitgaven; deze beïnvloeden echter niet alleen de economische ontwikkeling, maar worden hierdoor op hun beurt ook beïnvloed. Dit kan tot gevolg hebben dat het met het oog op deze programma's gevoerde beleid het doel niet haalt of juist te ver doorschiet, afhankelijk van de economische conjunctuur.

3.2. Met ingang van 1 januari 1999 heeft de ECB alle verantwoordelijkheden met betrekking tot de monetaire politiek overgenomen; daarmee is dit beleid formeel EU-beleid geworden. Het belangrijkste instrument is de korte rente. De verantwoordelijkheid voor de wisselkoersontwikkeling blijft evenwel een gedeelde beleidstaak. Verderop in dit advies wordt nader ingegaan op de "macht" van de ECB met betrekking tot de rente en de economische ontwikkeling.

3.3. Het derde aspect van het macro-economisch beleid is het inkomensbeleid; de beleidsvorming op dit gebied berust bij de nationale arbeidsmarktpartners, soms in samenwerking met hun regering. Er zijn diverse voorbeelden van lidstaten waarin b.v. via sociale pacten een solide basis is gelegd voor werkgelegenheid en groei. Ook op EU-niveau zijn er tekenen die erop wijzen dat de sociale partners voor het eerst iets aan coördinatie doen. Hoewel het inkomensbeleid nationaal tot stand komt, hebben ook de Europese organisaties een belangrijke rol te spelen in het kader van discussies met ECB, Ecofin-raad en Europees Parlement. Met het proces van Keulen, waarin sprake is van een dialoog op zowel technisch als politiek niveau, heeft deze discussie een formeel karakter gekregen.

3.4. De loonontwikkeling in de buurlanden is thans van groter belang dan in het verleden. Een goede coördinatie in de onderhandelingen tussen de verschillende actoren op nationaal niveau is niet langer toereikend, want er moet ook worden gekeken naar de ontwikkeling in Europees verband.

3.4.1. Nu een gemeenschappelijk monetair beleid wordt gevoerd, moet de loonvorming, wanneer de conjuncturele ontwikkeling in een land afwijkt, flexibeler worden. Er zijn voorbeelden van situaties waarin de sociale partners afspraken hebben gemaakt over de overheveling van beschikbare loonruimte tijdens goede jaren naar een speciaal fonds waaruit kan worden geput tijdens minder goede jaren. Als de overheidsfinanciën bovendien op orde zijn, is er nóg een mogelijkheid: de overheid kan via tijdelijke subsidiëring van het sociale-verzekeringsstelsel ten behoeve van de sociale partners ertoe bijdragen dat het loonpeil ook in tijden van laagconjunctuur in stand wordt gehouden.

3.4.2. Bij langdurigere veranderingen in het concurrentievermogen van een land kon vroeger naar het devaluatiewapen gegrepen worden. Nu deze mogelijkheid niet langer bestaat, moet aan nieuwe oplossingen worden gedacht. Het is bijvoorbeeld mogelijk om loonstijgingen lager te laten uitvallen dan in andere landen. In een omgeving met een gemeenschappelijke munt heeft dit echter dezelfde negatieve effecten als een devaluatie: de aanpassingslast wordt nl. voor een deel afgewenteld op andere landen. Als dit medicijn in diverse landen met concurrerende lage lonen wordt toegepast met het doel om het concurrentievermogen te herstellen, doet zich weer een situatie voor die te vergelijken is met die van vroeger, nl. "competitive devaluation". Dit moet ten koste van alles worden voorkomen.

3.5. Om de groei op langere termijn veilig te stellen, moet het loonbeleid zowel dynamisch als verantwoord zijn. De productiviteitsontwikkeling is dan ook het enige goede criterium voor de loonvorming. Een grotere productiviteitsverbetering dan het gemiddelde in de eurozone is een reden om de lonen meer te laten stijgen. Een minder gunstige productiviteitsontwikkeling op langere termijn moet daarentegen ook haar neerslag krijgen in de loonontwikkeling ten opzichte van de andere landen. Maatregelen die de productiviteit stimuleren, zijn in dat verband natuurlijk wenselijk. Belangrijke onderdelen van een dergelijk beleid zijn maatregelen ten behoeve van beroepsopleidingen, alsook een toeneming van de investeringsactiviteit. Tegen deze achtergrond, en gelet op de hogere mate van beleidscoördinatie die vereist is naarmate de volkshuishoudingen van de EU-landen naar elkaar toegroeien, lijkt een meer gedecentraliseerde loonvorming zeker niet de juiste weg.

4. EMU en rentepolitiek

4.1. Rente en maatschappelijke geldhoeveelheid zijn van invloed op de effectieve vraag. De centrale bank beïnvloedt de vraag door het rentepeil te wijzigen. Hoe hoger de rente, hoe lager de vraag, en andersom. De belangrijkste maatstaf die de ECB hanteert ten aanzien van de economische bedrijvigheid is het inflatieniveau. Met de sterke stijging van de olieprijzen dit jaar is voor de ECB een dilemma ontstaan, omdat nl. de totale inflatie niet langer in verhouding staat tot de interne bedrijvigheid.

4.2. Afgezien van het rechtstreekse effect van rentewijzigingen op de interne bedrijvigheid, kunnen ook buitenlandse beleggers worden gelokt door de hoge rente en dus het hoge rendement. Daartoe kopen zij euro's, waardoor de wisselkoers van deze munt stijgt. Het omgekeerde gebeurt wanneer de rente daalt in verhouding tot andere valutazones. In die zin hangt ook de wisselkoers samen met de rente en de geldhoeveelheid. Indien de maatschappelijke geldhoeveelheid te groot is, ontstaan inflatoire spanningen met als gevolg dat de marktactoren van hun eurovoorraad af willen, waardoor de wisselkoers weer daalt. De productiefactor arbeid, goederen en diensten worden goedkoper voor het buitenland, maar tegelijkertijd stijgen de invoerprijzen.

4.3. Nominale prijzen en lonen zijn op korte termijn weinig flexibel. Daarentegen kan het herfinancieringstarief van de ECB op doeltreffende wijze worden ingezet om de effectieve vraag te stimuleren dan wel te beperken, aangezien dit tarief rechtstreeks van invloed is op de korte rente. Zoals uit onderstaand diagram blijkt, bestaat er een sterke correlatie tussen de herfinancieringsrente en de korte rente.

Diagram 2: Korte rente en herfinancieringstarief van de ECB

>PIC FILE= "C_2001139NL.006301.EPS">

* de geldmarktrente per 01/99 en 04/99 is een jaargemiddelde. Het cijfer voor 09/00 betreft de herfinancieringsrente tot en met 6 september en de marktrente tot en met 8 september.

Bron:

ECB Monthly Bulletin (september 2000).

4.4. De lange rente wordt beïnvloed door verwachtingen omtrent de toekomstige korte rente en de toekomstige economische politiek. Onderstaand diagram geeft aan dat tussen het herfinancieringstarief en de lange rente niet hetzelfde verband bestaat als hierboven beschreven. In bepaalde maanden is de lange rente zelfs gedaald terwijl de herfinancieringsrente werd verhoogd. Kennelijk heeft de financiële markt geanticipeerd op een aanscherping van het monetair beleid i.v.m. eventuele inflatoire tendensen. Daarmee werden de risicopremie en de rente lager dan het geval zou zijn geweest indien een expansiever monetair beleid, met een groter risico van inflatie en oververhitting, was verwacht.

Diagram 3: Lange rente en herfinancieringstarief van de ECB

>PIC FILE= "C_2001139NL.006401.EPS">

* De geldmarktrente per 01/99 en 04/99 is een jaargemiddelde. De gegevens betreffende 09/00 hebben betrekking op de herfinancieringsrente tot en met 6 september en de marktrente tot en met 8 september.

Bron:

ECB Monthly Bulletin (september 2000).

4.5. Hoewel de ECB formeel onafhankelijk is, is zij niet geheel "zelfstandig" in haar optreden. De mondiale valutamarkten worden gedomineerd door de Amerikaanse dollar; kapitaal, overal ter wereld, kan onmiddellijk worden verplaatst. Een verschil in beleggingsopbrengsten tussen Europa en de VS heeft onmiddellijk gevolgen voor de kapitaalstromen. Om die reden kan de ECB zich in haar rentebeleid niet alleen maar laten leiden door de economische situatie binnen de EU. Een lagere rente en kapitaalopbrengst in de EU t.o.v. de VS betekent dat kapitaal naar de VS wordt verplaatst(13). Onderstaand diagram geeft een beeld van de verschillen in de reële rente tussen de VS en de eurozone in de afgelopen jaren. De gevolgen van de sterke internationale afhankelijkheid van de financiële markt moeten gecompenseerd worden om de economie via een lage rente te kunnen stimuleren, en daarvoor is investeringskapitaal nodig.

Diagram 4: Reële rente in de Eurozone t.o.v. de VS

>PIC FILE= "C_2001139NL.006501.EPS">

Bron:

Economic Outlook 67, OESO 2000.

4.5.1. Wat in de dagelijkse statistieken zichtbaar is en aanleiding geeft tot de grootste zorg, is de impact op de wisselkoers. Deze is van belang voor zowel de algemene concurrentiepositie als de inflatie (hogere invoerprijzen). In het verleden zijn er periodes geweest waarin de fluctuaties tussen de Amerikaanse dollar en de Europese valuta's nog sterker waren dan in 1999-2000. Dit betekent dat de schommelingen doorgaans groot zijn en snel van richting kunnen veranderen, maar ook dat de gevolgen ervan voor de inflatie aanzienlijk kunnen zijn.

4.5.2. Een en ander houdt in dat de mogelijkheden van de ECB om de economische bedrijvigheid te sturen, beïnvloed worden door de economische situatie en de economische politiek in andere landen, vooral in de VS. M.a.w. er zijn dus geen drie, maar minstens vier spelers - ECB, Ecofinraad, sociale partners en hun tegenhangers in de VS. Er gaan steeds meer stemmen op voor het nemen van maatregelen om de economieën minder kwetsbaar voor de heftige schommelingen op de internationale financiële markt te maken.

4.6. Het renteniveau is echter niet alleen bepalend voor de toekomstige inflatie; ook de economische bedrijvigheid in het algemeen hangt ervan af. Inflatie en conjunctuur hangen nauw samen. Zouden alle lidstaten dezelfde inflatie hebben en zich in dezelfde conjunctuurfase bevinden, dan zou een rentebeleid waarmee de inflatie op het gewenste niveau wordt gehouden, ook stroken met het conjunctuurbeleid van de verschillende lidstaten.

4.6.1. Zo is het echter niet. Uiteenlopende inflatiecijfers en conjunctuurfasen in de verschillende lidstaten zijn er vooral debet aan dat de EMU met een gemeenschappelijk monetair beleid niet optimaal kan functioneren zonder een gelijktijdige coördinatie van de economische politiek. Een gecoördineerde economische politiek is juist nodig om het gemeenschappelijk monetair beleid uit conjunctuurpolitiek oogpunt te corrigeren. Tot welk beleid een dergelijk coördinatie dient te leiden, hangt volledig af van de verschillen tussen de landen op dat moment.

4.6.2. Het grote verschil met vroeger is dat het monetair beleid - dat nu immers gemeenschappelijk wordt gevoerd - niet langer op het nationale inflatieniveau wordt gebaseerd, maar op het gemiddelde inflatieniveau (gewogen naar het BBP van de verschillende landen).

4.6.3. De slechtst denkbare coördinatie zou zijn dat voor de economische politiek een gemeenschappelijk beleid voor alle landen zou worden vastgesteld. Een dergelijke harmonisatie zou de problemen die het gemeenschappelijk monetair beleid bij uiteenlopende inflatiecijfers en conjunctuurfases veroorzaakt, alleen maar verergeren.

4.6.4. Coördinatie moet juist inhouden dat overeenstemming wordt bereikt over het aanbrengen van verschillen tussen de economische politiek van de lidstaten waarmee de negatieve effecten van een gemeenschappelijk monetair beleid voor "afwijkende" landen het best kunnen worden tegengegaan. Zou ieder land, bij een gegeven monetaire politiek van de EU, vrij worden gelaten in zijn beleid, dan zouden waarschijnlijk conflicten ontstaan: het door het ene land gevoerde beleid heeft, gelet op de nauwe economische banden binnen de EU, immers ook gevolgen voor andere volkshuishoudingen. Coördinatie moet daarom betekenen dat men accepteert dat voor elk land specifieke aanbevelingen worden geformuleerd en dat daarbij ook de waarschijnlijke gevolgen daarvan voor de overige landen worden meegewogen. Het te voeren beleid moet erop zijn gericht om, naast samenwerking op puur vrijwillige basis, een stap verder te zetten in de richting van meer echte coördinatie.

5. De grote betekenis van de interne markt

5.1. Zowel Commissie, Raad als ESC hebben erop gewezen dat het BBP van de EU voor ongeveer 90 % intern tot stand komt; na de uitbreiding zal de externe handel van de EU als percentage van het BBP zelf nog verder teruglopen. Op lange termijn is de ontwikkeling van het internationale concurrentievermogen - dat bepalend is voor de 10 % handel met de rest van de wereld - van doorslaggevende betekenis voor de EU. Op kortere termijn daarentegen bieden zich wat de overige 90 % betreft, mogelijkheden aan om via het economisch beleid bepaalde effecten van het gemeenschappelijk monetair beleid te corrigeren.

5.1.1. De Commissie heeft voor de eurozone berekeningen gemaakt (Economisch Jaarverslag 1999) waaruit de openheid t.o.v. de rest van de wereld en de wederzijdse afhankelijkheid van de elf eurolanden bleek. Hierbij zij opgemerkt dat de vier landen die zich in 1999 nog buiten de eurozone bevonden, gerekend worden tot de "rest van de wereld". Van het totale BBP van de eurolanden ging 13 % naar de handel met de rest van de wereld. Een even groot percentage ging naar de handel tussen de elf landen, hetgeen uit het oogpunt van de eurolanden als interne handel is te beschouwen. De verschillen tussen de landen waren echter aanzienlijk. De afhankelijkheid van de interne handel is dan ook veel meer een EU- dan een euro-fenomeen.

5.2. De afhankelijkheid van de totale interne EU-handel is zeer groot. Binnen de EU-zone is de interne grensoverschrijdende handel goed voor ongeveer 16 % van de uitvoer en 15 % van de invoer. Deze verhoudingen variëren sterk van lidstaat tot lidstaat, waarbij de meeste kleinere landen om logische redenen de grootste aandelen hebben.

Tabel 1: EU-interne handel, in % van het BBP

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

Bron:

European Economy, nr. 69.

5.3. De combinatie van externe onafhankelijkheid en interne afhankelijkheid leidt ertoe dat het door een EU-land gevoerde economische beleid maar heel weinig gevolgen heeft voor de rest van de wereld. Wat het handelspatroon betreft, is de externe invloed van de meeste landen eveneens gering. Maar aan de andere kant heeft het economisch beleid van een EU-land grote gevolgen voor de andere EU-landen.

5.4. Om een indruk te krijgen van de omvang van dit verschijnsel, heeft het ESC de Deense "Erhvervsrådet"(14) verzocht, zijn gereputeerde econometrische model toe te passen op de eurozone. In onderstaande tabel wordt dan ook aangegeven wat de gevolgen zijn van een toeneming van de openbare investeringen met 1 % van het BBP.

Tabel 2: Toeneming van de overheidsinvesteringen

Gecumuleerde effecten in het derde jaar (2000-2002)

(Oostenrijk, Ierland, Portugal en Luxemburg zijn niet meegenomen in het model)

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

Bron:

Economisch Onderzoeksinstituut van de Deense Federatie van Werknemersorganisaties LO.

De cijfers geven een beeld van de effecten op het BBP en de werkgelegenheid na drie jaar. Helaas konden slechts zeven van de thans twaalf eurolanden in het onderzoek worden meegenomen. Als alle twaalf landen waren meegenomen, waren de effecten groter geweest. Wanneer elk land individueel optreedt, dan staat in deel A van de tabel aangegeven wat het effect daarvan is op het eigen land. Deel B laat vervolgens de gevolgen van de investeringstoename zien in elk van de overige zes landen. Een Duitse investeringstoename b.v. leidt tot een stijging van het BBP in de overige landen met gemiddeld 0,2 %. In deel C ten slotte zijn cijfers opgenomen voor een gecoördineerde expansie, wanneer alle zeven landen tegelijkertijd hun openbare investeringen opvoeren. De effecten op het BBP zijn dan ongeveer twee keer zo sterk als wanneer slechts één land maatregelen zou hebben genomen.

5.5. Hoewel misschien niet al te veel waarde moet worden gehecht aan de juistheid van de cijfers, laat de tabel toch duidelijk zien hoe de doeltreffendheid van het beleid toeneemt door gecoördineerde maatregelen. De tabel laat ook zien dat de economische politiek van een land gunstig kan uitvallen voor andere landen die zich in dezelfde conjunctuurfase bevinden, maar bezwarend kan zijn voor landen die zich in een andere conjunctuurfase bevinden.

6. De coördinatie neemt snel toe

6.1. De Europese Raad heeft herhaaldelijk gepleit voor versterking van de coördinatie van de economische politiek. Aangezien de EU-begroting zeer beperkt is in procenten van het totale BBP, biedt zij zo goed als geen enkele ruimte voor economische stabiliseringsmaatregelen. Toch zijn er situaties waarin de EU landen met ernstige economische problemen kan helpen(15).

6.2. Sedert de Europese Raad van Helsinki (december 1999) zijn de grondbeginselen voor de coördinatie van het nationale beleid: 1) subsidiariteit - hoewel het begrotingsbeleid moet stroken met het Verdrag en het Stabiliteits- en groeipact, is er toch ruimte voor nationale beleidskeuzes. 2) De diverse actoren - ECB, sociale partners en regeringen - zijn onafhankelijk. 3) De lidstaten zijn verplicht hun economisch beleid als een aangelegenheid van gemeenschappelijk belang te beschouwen (art. 99).

6.3. De coördinatie beperkt zich tot de hoofdlijnen van het beleid en houdt tevens in dat schadelijke concurrentie moet worden vermeden. Aan de andere kant is "best practice" een belangrijk onderdeel van het proces waarbij men leert van elkaars successen en mislukkingen.

6.4. Een keur van coördinatiemethoden staat reeds ter beschikking: uitwisseling van informatie, discussie over "best practice", gemeenschappelijke grondregels voor het beleid, "peer review" en gemeenschappelijke maatregelen. Voor welke optie uiteindelijk wordt gekozen, hangt af van het desbetreffende beleidsterrein. Waar het echter aan schort, is een gemeenschappelijke beleidsoriëntatie waarmee een meer samenhangende aanpak van de verschillende maatregelen mogelijk is.

6.5. Volgens artikel 99 van het Verdrag zijn de globale richtsnoeren het uitgangspunt voor de coördinatie op het gebied van het economisch beleid. In deze richtsnoeren moeten ook andere processen worden meegenomen (Luxemburg, Cardiff en Keulen), waarbij gezorgd moet worden voor continuïteit van het beleidsproces van het ene naar het volgende jaar. In de afgelopen jaren zijn de globale richtsnoeren concreter geworden en zijn zij meer toegespitst op structurele vraagstukken. De rapporten e.d. die door de Commissie in samenhang met al deze processen worden gepubliceerd, met name vóór de vaststelling van de globale richtsnoeren, leveren al een goed uitgangspunt voor de wijze waarop aan economische beleidscoördinatie kan worden gedaan. Betere en snellere aanlevering van economische gegevens van de kant van de lidstaten is echter nodig om dit draagvlak voor het beleid te versterken.

6.6. Naast de in het Verdrag en het pact vastgelegde formele bepalingen wisselen de twaalf euro-ministers regelmatig van gedachten over het begrotingsbeleid. Het ESC is van mening dat de rol van de twaalf euro-minsters als instantie voor het sturen van dat beleid duidelijker moet worden uitgewerkt.

6.7. De resultaten van het proces van Cardiff worden verwerkt in de globale richtsnoeren, en sedert 2000 is de coördinatie van de werkzaamheden van de ministers voor werkgelegenheid met betrekking tot het proces van Luxemburg al zo ver uitgebouwd dat ook deze ministers zich nu over de globale richtsnoeren buigen. Via de macro-economische dialoog zijn discussiemogelijkheden gecreëerd waardoor een betere coördinatie van het monetair, economisch en inkomensbeleid tot stand kan komen. Daarnaast heeft de Europese Raad van Lissabon, waar besloten werd om elk jaar een top te houden over vooral de werkgelegenheid en de kennismaatschappij, ook voor een impuls gezorgd.

6.8. De Ecofin-raad heeft in een rapport aan de Europese Raad van Helsinki verschillende stappen beschreven om tot een betere coördinatie te komen, o.m. met behulp van indicatoren en benchmarking. De eerste stap daarbij is dat meer tijd wordt besteed om tot een gemeenschappelijk inzicht te komen in de cyclische en structurele onderdelen van het begrotingsbeleid. Voorwaarde daarvoor is echter dat de gegevens betrouwbaarder zijn.

6.9. De volgende stap wordt gevormd door concretere globale richtsnoeren, die bovendien meer gericht zijn op lange-termijndoelstellingen, en waarin meer aandacht wordt besteed aan implementatie. De concrete plannen voor ieder land moeten gedetailleerd en vergelijkbaar worden, zodat de tenuitvoerlegging ervan gecontroleerd kan worden. Als de presentatie van de nationale begrotingen niet samenvalt met de indiening van de convergentie- en stabiliteitsplannen, moet er toch voor worden gezorgd dat de begrotingen zo nauw mogelijk aansluiten bij deze plannen. De gevolgen van de vergrijzing moeten ook worden meegenomen in deze plannen en in de begrotingen. Een effectieve coördinatie moet voorts gebaseerd zijn op openheid en bereidheid om aanbevelingen over te nemen en het beleid bij te stellen.

6.10. Deze aanbevelingen zijn van wezenlijk belang om over effectieve methoden te kunnen beschikken ten einde monitoring van het beleid in de verschillende landen mogelijk te maken.

7. Cyclische faseverschillen

7.1. In de discussie over de vraag welke problemen kunnen ontstaan binnen een gebied met een gemeenschappelijke munt, worden vooral "asymmetrische schokken" genoemd(16). Natuurlijk is dit mogelijk, maar de ervaringen van de afgelopen tientallen jaren wijzen uit dat schokken (b.v. olieprijsstijgingen) doorgaans de meeste landen treffen, dat zij dus symmetrisch zijn met geringe verschillen per land. Het wegvallen van de Russische markt waarmee Finland te maken kreeg, is eigenlijk de enige schok die als asymmetrisch kan worden getypeerd. Voor extreme situaties waarin één of enkele landen voor ernstige problemen staan, maar de overige landen niet, is er een veiligheidsvoorziening in de vorm van EU-steun in het kader van bovengenoemd artikel 100.2.

7.2. Asymmetrische schokken komen dus maar weinig voor, maar cyclische discrepanties tussen de lidstaten zijn van des te groter belang. Hier ligt juist de kern van de behoefte aan economische beleidscoördinatie in een situatie van gemeenschappelijk monetair beleid. Om te kunnen bepalen welke vorm van coördinatie nodig en het meest doeltreffend is, moet er meer inzicht komen in het feitelijke verloop van de conjunctuur in de lidstaten.

7.3. Het ESC heeft de cyclische faseverschillen tussen de EU-landen in de afgelopen jaren bestudeerd. Bij een dergelijk onderzoek kan men b.v. nagaan in hoeverre verschillen als normaal kunnen worden beschouwd, of het om grote dan wel kleine verschillen gaat, maar ook kan worden geconstateerd in hoeverre de diverse landen qua conjunctuur ten opzichte van elkaar variëren. Zijn het altijd bepaalde landen die vooraan liggen in de conjunctuurcyclus, zijn er bepaalde landen die altijd het meest van de andere afwijken? Er zijn verschillende manieren denkbaar om de conjuncturele situatie in een land te meten. Hier is gekozen voor de eenvoudigste maatstaf, namelijk veranderingen in het BBP.

7.4. Onderstaande diagrammen (gebaseerd op cijfers van de OESO) laten zien dat de economische cycli in de eurolanden de afgelopen jaren een convergerende tendens vertonen. Er zijn echter een aantal landen waar dat niet het geval is, b.v. Ierland, Finland en, in samenhang met de hereniging, Duitsland. Deze tendens hangt waarschijnlijk samen met de interne markt en de convergentiecriteria, hetgeen aantoont hoe belangrijk deze zijn voor het voeren van toekomstig economisch beleid waarbij coördinatie tot meer groei en werkgelegenheid kan leiden.

Diagram 5a: Reële veranderingen van het BNP

>PIC FILE= "C_2001139NL.006901.EPS">

Diagram 5b: Reële veranderingen van het BNP

>PIC FILE= "C_2001139NL.006902.EPS">

Bron:

OESO.

8. Automatische stabilisatoren

8.1. Zelfs indien in een land met een afwijkende conjuncturele ontwikkeling geen nieuwe beleidsmaatregelen worden genomen, zou de volkshuishouding van dat land zich dank zij een ingebouwd aanpassingsmechanisme langzamerhand aanpassen aan de ontwikkeling in de overige landen. Het probleem is dat dit proces te lang duurt en ongewenste neveneffecten kan hebben. In een fase van hoogconjunctuur leidt een intensievere economische bedrijvigheid tot inflatie. Door de internationale afhankelijkheidsfactoren wordt dan het concurrentievermogen aangetast, wat geleidelijk aan tot effect zal hebben dat de economische bedrijvigheid weer afneemt. In de EU-landen vindt dit aanpassingsproces vooral via de interne markt plaats. Bovendien zou een aanpassing via de prijsniveaus in de eurolanden tot gevolg hebben dat een aanvullend en restrictiever monetair beleid zal worden gevoerd, hetgeen de economische bedrijvigheid over de gehele linie zal afremmen.

8.2. Aangezien dit aanpassingsmechanisme via de prijzen niet zonder negatieve gevolgen blijft voor werkgelegenheid en groei, en de effecten sterk doorwerken in andere landen, is een dergelijk aanpassingsproces niet aanvaardbaar. Klassiek in dit geval is dat dan wordt overgegaan tot verhogingen of verlagingen van de inkomsten en uitgaven van de overheidssector ten einde het proces te versnellen en de conjunctuurcyclus tot een "normale" ontwikkeling te dwingen. Onze economische stelsels zijn evenwel uitgerust met diverse ingebouwde stabilisatoren die, indien zij volledig tot hun recht kunnen komen, automatisch zorgen voor aanpassing bij kleinere conjuncturele veranderingen. Hieronder volgen een aantal belangrijke voorbeelden:

- Werkloosheidsuitkeringen. Het feit dat werklozen gedurende periodes van werkloosheid een deel van hun vroeger beschikbare inkomen behouden, beperkt de negatieve gevolgen voor de vraag bij toenemende werkloosheid.

- Arbeidsmarktprogramma's die werklozen ertoe aanzetten hun vaardigheden op peil te houden, compenseren de negatieve gevolgen voor de markt in tijden van werkloosheid. Een toereikend aanbod van goed geschoolde arbeidskrachten is een fundamentele voorwaarde voor economische groei. Er moeten dus maatregelen worden genomen om het aanbod van arbeidskrachten op peil te houden met het oog op een conjunctuuromslag.

- Progressieve belastingen en een sociaal vangnet verminderen uitsluitingsverschijnselen en daarmee ook koopkrachtdaling. In tijden van hoogconjunctuur wordt de vraag in toom gehouden doordat middelen naar de overheid vloeien.

- Inkomensafhankelijke uitkeringen en b.v. lage bijdragen voor kinderopvang dragen er eveneens toe bij dat de koopkracht in perioden van laagconjunctuur in stand wordt gehouden en dat de overheidsuitgaven in tijden van hoogconjunctuur dalen.

- Opleidingsniveau. Bij structurele veranderingen is het voor hoogopgeleide arbeidskrachten gemakkelijker om zich om te scholen voor beroepen waar een tekort aan arbeidskrachten bestaat; zo kan ervoor worden gezorgd dat er in tijden van hoogconjunctuur een toereikend aanbod van goed opgeleide arbeidskrachten voorhanden is.

- Bufferfondsen, zoals die in Finland bestaan (onder regie van de sociale partners) zijn bedoeld om middelen bijeen te brengen in goede tijden en deze weer uit te geven in slechtere tijden. Dit gebeurt door een deel van de loonruimte aan te wenden voor het opbouwen van fondsen in tijden van hoogconjunctuur met het doel om een deel van de loonkosten in perioden van laagconjunctuur hieruit te financieren. Voordeel van een dergelijk systeem is dat men een in de tijd gelijkmatigere stijging van de reële lonen krijgt zonder het gevaar van inflatoire spanningen.

9. Wat economisch goed is, is politiek niet altijd mogelijk

9.1. Binnen de EMU wordt het rentebeleid niet beïnvloed door op handen zijnde algemene verkiezingen. Een conjunctureel correct rentebeleid is nauwelijks mogelijk indien dit beleid niet vrij is van de invloed van dagelijkse politieke factoren, vooral wanneer algemene verkiezingen op komst zijn. Vallen algemene verkiezingen in een periode van hoogconjunctuur, dan heeft een regering vrijwel geen mogelijkheid om via haar economisch beleid restricties door te voeren die met het oog op de conjuncturele situatie geboden kunnen zijn. Politici vinden het belangrijker om de verkiezingen te winnen dan om juist economisch beleid te voeren en de verkiezingen te verliezen. Oppositiepartijen die in een dergelijke situatie geen gebruik zouden maken van de kans om het restrictieve economische beleid te bekritiseren, zijn nauwelijks te vinden. Indien daarentegen alle verkiezingen in tijden van laagconjunctuur zouden vallen, zou het politiek wenselijke ook altijd het economisch beste zijn. De werkelijkheid is evenwel anders. Nu diverse EU-landen een begroting in evenwicht hebben of zelfs overschotten, kan het uit politiek oogpunt aanlokkelijk zijn om kort vóór algemene verkiezingen belastingverlagingen door te voeren zonder daarbij rekening te houden met de algemene economische situatie. Daarom zouden van de Raad meer impulsen moeten komen die aangeven wat op dat moment als wenselijke beleidsontwikkeling moet worden beschouwd.

9.2. Na de Top van Lissabon heeft de Commissie een aantal mogelijke economische beleidsregels voor de huidige economische situatie gepresenteerd. Daarvóór is lange tijd gesproken over de wenselijkheid van belastingverlagingen. In deze regels zegt de Commissie dat de economische situatie op dit moment wellicht niet de gunstigste is om een dergelijke verandering door te voeren, maar als dergelijke plannen toch bestaan, dan dienen sommige van de door de Commissie gegeven richtlijnen te worden gevolgd. In de huidige gunstige conjuncturele situatie verdragen de volkshuishoudingen geen krachtige stimulans zonder dat dit tot inflatie leidt. Thans is er veel voor te zeggen om op lange termijn financiële reserves op te bouwen ten einde in een latere minder gunstige conjuncturele situatie economische stimulansen te kunnen geven. Ook in een andere economische situatie moeten met name verlagingen van de inkomensbelasting beoordeeld worden in het licht van de staatsschuld en de toekomstige demografische ontwikkeling. Dergelijke veranderingen op het fiscale vlak kunnen alleen in samenhang met een hervorming van het sociale-zekerheidsstelsel worden doorgevoerd. Zo luiden de hoofdpunten van het verslag van de Commissie inzake de overheidsfinanciën dat op het moment waarop dit advies wordt opgesteld, nog niet formeel door de Raad is behandeld.

10. Richtsnoeren voor de coördinatie

10.1. Er zijn dus vele motieven voor een versterkte coördinatie van de economische politiek, en er moeten gemeenschappelijke basisbeginselen worden vastgelegd voor de verschillende coördinatiemethoden. Volgens het ESC dient deze coördinatie op de volgende beginselen te berusten:

10.2. In de eerste plaats is het minder relevant welke maatregelen precies worden genomen, maar is veeleer de "richting" ervan - restrictief of expansief - van wezenlijk belang. Bij een gelijke conjuncturele situatie kan een verandering in de overheidsinkomsten zowel economisch als politiek de juiste maatregel zijn in één land, terwijl een verandering in de overheidsuitgaven in tegengestelde richting meer op haar plaats kan zijn in een ander land. Indien twee landen de voorkeur geven aan belastingverlaging, dan kan het zijn dat in het ene land beter voor een verlaging van de inkomensbelasting kan worden gekozen, terwijl in het andere land de BTW beter kan worden verlaagd. Van primair belang is dus de richting, terwijl de precieze maatregelen op de tweede plaats komen.

10.3. In de tweede plaats moet, na bepaling van de richting, en voordat tot concrete maatregelen wordt besloten, worden gekeken naar de impact die de verschillende maatregelen hebben op de overige lidstaten. De conjuncturele situatie van het moment is bepalend voor de vraag of gekozen wordt voor maatregelen die in andere landen veel of juist weinig doorwerken. Bevindt het merendeel van de landen zich in dezelfde situatie, dan zou de coördinatie gericht moeten zijn op maatregelen die andere landen sterk beïnvloeden. Een wijziging van het BTW-tarief kan dan b.v. effectiever zijn, omdat een verhoging of verlaging van het BTW-tarief rechtstreeks van invloed is op het particuliere verbruik (via het inkomenseffect) en daarmee ook op de invoer uit andere landen. Een wijziging in de meeste overheidsuitgaven daarentegen heeft slechts indirect en ook in mindere mate gevolgen voor het particuliere verbruik en de invoer. Indien aan de andere kant een land "uit fase" is t.o.v. de overige landen, kan beter gekozen worden voor b.v. veranderingen in het uitgavenpatroon die maar geringe gevolgen hebben voor andere landen.

10.4. In de derde plaats moet het de lidstaten, nadat bovenstaande overwegingen de revue zijn gepasseerd, vrij staan om zelf te bepalen welke maatregelen zullen worden genomen. Het uitblijven van gemeenschappelijke besluiten hoeft evenwel niet te betekenen dat geen gemeenschappelijke discussie in de Raad is gehouden. Dergelijke discussies moeten juist de kern gaan uitmaken van de praktische vormgeving van een gecoördineerd economisch beleid. Daar het politiek veel moeilijker is om één en ander door aanvulling van het Verdrag te formaliseren, zou het mogelijk moeten zijn om dit met gebruikmaking van de aanwezige structuren te realiseren. Formele regels zijn van minder belang dan de praktische inhoud van de coördinatie. Daarnaast dient een minimum aan inzichten te worden verzameld over de effectiviteit van de verschillende maatregelen in uiteenlopende conjuncturele situaties, waarbij ook de Ministerraad in zijn discussies lering dient te trekken uit goede en slechte ervaringen in de afzonderlijke landen.

10.4.1. In dat verband dient men voor ogen te houden dat een instrument effectief kan zijn in één land, maar misschien niet in alle andere landen. De economische structuur van het bedrijfsleven, omvang en vorm van de sociale voorzieningen, alsook de grootte van de economische ongelijkheden zijn o.m. factoren die maken dat een maatregel effect sorteert in een bepaald economisch milieu, maar elders niet.

10.5. In de vierde plaats moeten de gevolgen voor de feitelijke conjunctuur centraal staan, aangezien met coördinatie van het economisch beleid wordt beoogd, het gecombineerde effect van monetair en economisch beleid op stabiliteit, groei en werkgelegenheid te versterken. In hoeverre men om andere redenen meer gelijkaardige economische stelsels wil toewerken, mag in de regels voor de jaarlijkse coördinatie van het economisch beleid geen primaire plaats innemen. Hierbij valt te denken aan de belastingdruk, het uitgavenniveau en de verdeling tussen de verschillende belastingen en de verschillende uitgavencategorieën. Wijzigingen hierin zijn in de hier bepleite vaste coördinatiestructuur alleen relevant wanneer zij rechtstreeks samenhangen met het conjunctuurbeleid van het moment.

10.6. Een dergelijke samenhang bestaat wel degelijk: wil men b.v. de verschillen tussen de BTW-tarieven terugbrengen, en daarmee ook de mogelijkheden voor BTW-fraude, dan kan men van cyclische faseverschillen tussen de landen gebruik maken om dat doel gefaseerd te bereiken. Een land dat zich als enige in een situatie van hoogconjunctuur bevindt en waar het BTW-tarief beneden het gemiddelde ligt, zou in dat geval de BTW moeten verhogen. Een land dat zich als enige in een recessiefase bevindt, en een hoog BTW-niveau heeft, zou van dit verschil juist gebruik kunnen maken om de BTW te verlagen. Dergelijke voorbeelden tonen aan dat een gecoördineerd economisch beleid ook lange-termijngevolgen kan hebben voor de totale economische coördinatie en daardoor bijdraagt tot verminderingen van de verschillen die o.m. problemen voor de interne markt kunnen opleveren.

10.6.1. Een terrein waarop verschillen in de economische situatie vooral zouden moeten worden benut om ongelijkheden te verminderen, zijn belastingen waarvan de grondslag gemakkelijk van het ene naar het andere land kan worden verplaatst. Een land dat zich in een periode van hoogconjunctuur bevindt en dat lage belastingen heeft op kapitaalopbrengsten, bedrijfswinsten maar ook milieugevaarlijke activiteiten, zou van de situatie gebruik moeten maken om deze belastingverschillen weg te werken. Aan de andere kant zou een land in een minder gunstige conjuncturele situatie met hoge belastingen van dit soort, de mogelijkheid moeten aangrijpen om die belastingen te verlagen. Dergelijke verschuivingen in het beleid hebben zo een positief neveneffect, nl. een convergerende mededingingssituatie en meer convergerende cyclische schommelingen.

10.7. Tot slot moet er nogmaals op worden gewezen dat bovenstaande opmerkingen over coördinatie van het economisch beleid gebaseerd zijn op de veronderstelling dat in goede economische tijden gematigdheid aan de dag wordt gelegd. Gebeurt dat niet, dan zijn we terug in de jaren '90 toen de noodzakelijke sanering van de overheidsfinanciën het onmogelijk maakte om krachtige anti-recessiemaatregelen te nemen. Deze matiging mag echter evenmin tot in het absurde worden doorgedreven. Groeimogelijkheden in tijden van hoogconjunctuur moeten wel degelijk worden aangegrepen, maar dit moet gebeuren door te streven naar evenwicht tussen gebruikmaking van expansiemogelijkheden en het voorkomen van knelpunten waardoor de inflatoire druk zou toenemen.

10.8. Het Economisch en Sociaal Comité doet een beroep op alle actoren op economisch beleidsgebied - regeringen, ECB, Commissie, sociale partners - om uitgaande van bovenstaande analyse en aanbevelingen de coördinatie van het economisch beleid binnen de EU zodanig vorm te geven dat zij, dank zij de goede voorwaarden die door de EMU zijn geschapen, maximaal effect kan sorteren op groei en werkgelegenheid.

Brussel, 1 maart 2001.

De voorzitter

van het Economisch en Sociaal Comité

G. Frerichs

(1) PB C 157 van 25.5.1998, blz. 65.

(2) PB C 117 van 26.4.2000, blz. 23.

(3) PB C 140 van 18.5.2000, blz. 44.

(4) PB C 284 van 14.9.1998, blz. 60.

(5) PB C 117 van 26.4.2000, blz. 23.

(6) PB C 140 van 18.5.2000, blz. 44.

(7) Het proces van Cardiff betreffende structuurpolitiek, het proces van Luxemburg betreffende arbeidsmarktpolitiek en het proces van Keulen inzake de macro-economische dialoog.

(8) PB C 209 van 22.7.1999, blz. 53.

(9) PB C 368 van 20.12.1999, blz. 87.

(10) Dit pact bestaat formeel uit een Resolutie van de Raad, aangenomen tijdens de Europese Raad van Amsterdam in juli 1997, alsmede uit verordeningen inzake versterking van het toezicht op de begrotingssituatie en het toezicht op en de coördinatie van het economisch beleid (1466/97) alsook de verordening betreffende de procedure bij buitensporige tekorten (1467/97).

(11) Art. 105, lid 1 van het Verdrag luidt als volgt: "Het hoofddoel van het ESCB is het handhaven van prijsstabiliteit. Onverminderd het doel van prijsstabiliteit ondersteunt het ESCB het algemene economische beleid in de Gemeenschap ten einde bij te dragen tot de verwezenlijking van de in art. 2 omschreven doelstellingen van de Gemeenschap."

(12) Europees Stelsel van Centrale Banken.

(13) Zie ook het advies van het ESC over "De EMU: een uitdaging voor de financiële markt", PB C 367 van 20.12.2000.

(14) Economisch Onderzoeksinstituut van de Federatie van Deense Werknemersorganisaties LO.

(15) Artikel 100.2: "Ingeval van moeilijkheden of ernstige dreiging van grote moeilijkheden in een lidstaat, die worden veroorzaakt door buitengewone gebeurtenissen die deze lidstaat niet kan beheersen, kan de Raad op voorstel van de Commissie, met eenparigheid van stemmen, onder bepaalde voorwaarden communautaire financiële bijstand aan de betrokken lidstaat verlenen."

(16) JO C 368 van 20.12.1999.