52001DC0105

Verslag van de Commissie over de tenuitvoerlegging van de globale richtsnoeren voor het economisch beleid 2000 /* COM/2001/0105 def. */


VERSLAG VAN DE COMMISSIE over de tenuitvoerlegging van de globale richtsnoeren voor het economisch beleid 2000

Inhoud

Samenvatting

1. Inleiding

2. Voornaamste beleidsterreinen

2.1 Op groei en stabiliteit gerichte macro-economische politiek

2.2 Versnelling van de begrotingsconsolidatie

2.3 Verbetering van kwaliteit en houdbaarheid van de overheidsfinanciën

2.4 Bevordering van passende loonontwikkelingen

2.5 Stimulering van een op kennis gebaseerde samenleving

2.6 Efficiënt werkende productmarkten

2.7 Bevordering van de kapitaalmarkten door verdere integratie en verdieping

2.8 Activering van de arbeidsmarkten

2.9 Duurzame ontwikkeling

Statistische bijlage

// Samenvatting

Globalisering en nieuwe technologieën zetten EU aan tot een algemene strategie in GREB 2000 // Voortbouwend op de bestaande economische beleidsstrategie waren de GREB 2000 vooral gericht op maatregelen en hervormingen ter bevordering van het economische groeipotentieel en de werkgelegenheid. De GREB 2000 waren de eerste die werden aangenomen na de Europese Raad van Lissabon. Zij reflecteren dan ook de conclusies van die Raad. Dit verslag biedt een algemene beoordeling van de tenuitvoerlegging van de beleidslijnen die werden aangegeven in de GREB 2000. Het gaat vergezeld van een verslag van de diensten van de Commissie waarin de tenuitvoerlegging van de landenspecifieke aanbevelingen uit de richtsnoeren van vorig jaar worden geëvalueerd.

Hierna volgen de voornaamste conclusies van het verslag.

Beste macro-economische prestatie sedert een decennium, maar groei loopt iets terug

// Ondanks de geringe groeivertraging die in de zomer begon als gevolg van de stijging van de aardolieprijzen, heeft de EU in 2000 haar beste groeiresultaten sedert een decennium behaald dankzij een krachtige binnenlandse en buitenlandse vraag. De werkgelegenheid nam in een snel tempo toe, terwijl de werkloosheid verder afnam. De inflatie liep op als gevolg van de stijgende prijzen van ingevoerde goederen, maar de onderliggende inflatie bleef laag tegen de achtergrond van een gunstig binnenlands prijsklimaat.

Spanningsvrije macro-economische beleidsmix // Terwijl de invoerprijzen stegen en de outputgap kleiner werd, verhoogden de monetaire autoriteiten de officiële rentevoeten in de loop van het jaar om de prijsstabiliteit op middellange termijn veilig te stellen. In de EU als geheel was de begrotingskoers neutraal, zoals blijkt uit het ongewijzigde voor de conjunctuur aangepaste primaire overschot, en het loonverloop bleef verenigbaar met prijsstabiliteit en banenschepping.

Begrotingen dicht bij evenwicht, maar vooral dankzij hoge groei en lagere schuldendienst // De begrotingstekorten in de EU als geheel werden verder teruggedrongen tot dicht bij het evenwicht (als rekening wordt gehouden met de eenmalige opbrengsten van de UMTS-licenties was er zelfs een overschot). Deze verbetering van de "officiële" saldi was echter in de eerste plaats te danken aan de krachtige groei en de lagere schuldendienst. Uit het ongewijzigde voor de conjunctuur aangepaste primaire overschot blijkt echter dat de lidstaten over het algemeen geen gebruik hebben gemaakt van de kansen die hen door de krachtige economische groei werden geboden om verbetering te brengen in hun achterliggende begrotingssituatie.

Kwaliteit en houdbaarheid van openbare financiën: meer vooruitgang met belasting- dan met uitgavenhervorming; pensioenhervorming absoluut noodzakelijk // De belastingstelsels zijn doelmatiger en vooral meer werkgelegenheidsvriendelijk gemaakt: in veel lidstaten zijn de belastingen op arbeid verlicht, in sommige waren de maatregelen op de eerste plaats gericht op de laagbetaalden, in andere op de doelmatigheid en doorzichtigheid van het belastingstelsel; in nog andere hadden zij tot doel de belastinggrondslag te verbreden en/of de marginale belastingtarieven te verlagen. Bovendien hebben meer lidstaten belastinghervormingen gepland vanaf 2001. Voorts heeft de Raad (ECOFIN) een overeenkomst over de hoofdpunten van het belastingpakket bereikt om schadelijke belastingconcurrentie te voorkomen en de huidige distorsies op de interne markt te verminderen. Minder vooruitgang is echter geboekt aan de uitgavenzijde: vaak ontbreekt het aan rigoreuze mechanismen voor het in de hand houden van de uitgaven op middellange termijn. Onvoldoende maatregelen werden genomen om de problemen in de sociale zekerheid aan te pakken, hoewel er pogingen zijn geweest om het beheer ervan te verbeteren, de uitkeringsrechten beter te omschrijven en de uitkeringsvoorwaarden streng toe te passen. Slechts in enkele lidstaten zijn in de afgelopen jaren grondige pensioenhervormingen uitgevoerd, terwijl andere lidstaten in 2000 maatregelen hebben genomen om de druk van de toekomstige demografische veranderingen te verlichten. Dit betekent dat de meeste landen nog niet de nodige stappen hebben gezet om de budgettaire uitdagingen van de vergrijzing van de bevolking op te vangen.

Op kennis gebaseerde samenleving: vooruitgang, maar nog achterstand op VS // De overgang van Europa naar een op kennis gebaseerde samenleving is op gang gekomen, maar er is nog een achterstand op de Verenigde Staten als gevolg van de relatief lagere investeringen in menselijk kapitaal, O&O en ICT. De meeste lidstaten hebben maatregelen genomen om het onderwijs en de opleiding in ICT te verbeteren, maar er is nog behoefte aan verhoging van de vaardigheden die nodig zijn voor de met ICT verbonden activiteiten. Maatregelen zijn genomen om de fragmentatie van de O&O-inspanningen in Europa te verhelpen en een bedrijfsklimaat te scheppen dat gunstiger is voor innovatie en technologische vooruitgang, bijvoorbeeld door aanmoedigingsregelingen en stimulering van de concurrentie. De relatie tussen het bedrijfsleven en de wetenschappelijke wereld, en meer bepaald de omzetting van de onderzoeksresultaten in commerciële producten, blijft echter een van de structurele zwaktepunten van Europa. De liberalisatie van de telecomsector heeft bijgedragen tot een verlaging van de kosten van de toegang tot internet, hetgeen samen met meer gerichte maatregelen heeft geleid tot een snelle toename van de internetpenetratie.

Productmarkten: algemene vooruitgang, maar problemen met overheidsaanbestedingen, staatssteun en integratie van dienstenmarkten // Het afgelopen jaar is de werking van de Europese productmarkten verbeterd dankzij een nauwere coördinatie van het nationaal beleid op diverse terreinen, de toegenomen omzetting van de interne-marktrichtlijnen in nationale wetgeving, de uitbreiding van de bevoegdheden van de concurrentieautoriteiten en de liberalisatie van de telecomsector en, in mindere mate, de energiesector. Minder positief zijn echter de vorderingen te noemen op het gebied van overheidsopdrachten, staatssteun, administratieve hervormingen en vermindering van de administratieve formaliteiten voor het bedrijfsleven. De schepping van een werkelijk geïntegreerde Europese markt voor zakelijke diensten, de verdere openstelling van de vervoersector voor de concurrentie en de liberalisatie van de posterijen blijven problemen stellen.

Kapitaalmarkten: betere coördinatie tussen toezichthouders, maar andere maatregelen moeten op snelheid komen // Verschillende lidstaten hebben maatregelen genomen om de coördinatie tussen hun nationale toezichthouders te verbeteren ter vrijwaring van de financiële stabiliteit. Vooruitgang is geboekt met de tenuitvoerlegging van het Actieplan voor financiële diensten en ook met dat voor risicokapitaal, maar wil dit laatste vóór de streefdatum 2003 voltooid zijn, dan zullen de inspanningen moeten worden opgevoerd.

Arbeidsmarkten: dalende werkloosheid, maar achterstand bij hervorming van sociale zekerheid en arbeidsregelingen // De situatie op de arbeidsmarkt is in 2000 verder verbeterd, vooral dankzij de conjunctuuropleving, maar ook door structuurhervormingen op de arbeidsmarkt. De langdurige werkloosheid is sneller afgenomen dan de totale werkloosheid, hetgeen gunstig is voor de sociale cohesie, maar verschillende lidstaten moeten nog de structurele werkloosheid en de ernstige regionale verschillen aanpakken. In het afgelopen jaar is vooruitgang geboekt op het gebied van actieve arbeidsmarktmaatregelen, en verschillende lidstaten hebben maatregelen genomen om de lage participatiegraad van vrouwen te verhogen. De meeste lidstaten hebben problemen in hun belastingstelsel aangepakt, maar dergelijke hervormingen moeten meer worden aangevuld met hervormingen van de sociale zekerheid, vooral om oudere werknemers aan te moedigen om langer actief te blijven. In sommige landen zijn beperkte inspanningen geleverd om de arbeidsmarktvoorschriften en de arbeidsorganisatie te verbeteren.

Duurzame ontwikkeling: enkele marktinstrumenten zijn ingevoerd, maar geen kader voor Europese energiebelasting // Enkele lidstaten zijn overgegaan tot een krachtigere aanpak van de milieuvraagstukken door middel van marktinstrumenten. Als antwoord op de stijgende brandstofprijzen hebben verschillende lidstaten echter het fiscale element in de transportkosten verlaagd. Er werd geen vooruitgang geboekt ten aanzien van een kader voor een Europese energiebelasting.

1. Inleiding

Daar de globalisering en de vooruitzichten van een nieuwe, door kennis aangedreven economie zowel belangrijke uitdagingen als kansen voor de Europese Unie inhouden, heeft de Europese Raad van Lissabon een ambitieuze strategie vastgesteld om de transformatie van de Europese economie te bespoedigen teneinde tegen het jaar 2010 "de meest concurrerende en dynamische kenniseconomie van de wereld te worden die in staat is tot duurzame economische groei met meer en betere banen en een hechtere sociale samenhang".

In vervolg op de conclusies van de Europese Raad van Lissabon werden in de globale richtsnoeren voor het economisch beleid 2000 (GREB) aanbevelingen opgenomen om de gemiddelde werkgelegenheidsgraad tegen het jaar 2010 zo dicht mogelijk bij 70% te brengen en om de absorptiecapaciteit en de werkelijke invoering van nieuwe technologieën te stimuleren. Bovendien werden in de GREB 2000 algemene beleidsprioriteiten inzake macro-economische stabiliteit en structuurhervormingen aangegeven. Voorts bevatten de GREB landenspecifieke aanbevelingen voor alle beleidsterreinen die zijn toegesneden op de bijzondere situatie van elke lidstaat.

Dit verslag bevat een algemene evaluatie van de tenuitvoerlegging van de beleidsaanbevelingen die werden gegeven in de GREB 2000. Het beantwoordt aan twee doelstellingen: in de eerste plaats draagt het verslag bij aan het ononderbroken multilaterale toezicht op het economisch beleid van de lidstaten en de Unie overeenkomstig artikel 99, lid 3, van het Verdrag, en in de tweede plaats levert het materiaal voor de formulering van de volgende GREB.

Bij de opstelling van dit verslag is gebruik gemaakt van de conclusies van de verschillende processen voor de coördinatie van het economisch beleid op het niveau van de Unie, waaraan een algemene evaluatie wordt toegevoegd. De overeengekomen lijst van structurele indicatoren is in dit verband een nuttig instrument voor het vergelijken van de vorderingen. Het verslag gaat vergezeld van een werkdocument van de diensten van de Commissie waarin de tenuitvoerlegging van de landenspecifieke aanbevelingen gedetailleerd wordt onderzocht.

Vooraf dient te worden gewezen op de beperkingen van deze evaluatie. De Raad heeft de GREB 2000, met aanbevelingen voor de middellange termijn, pas in juni 2000 aangenomen. Daar de effecten van sommige van de maatregelen slechts geleidelijk zichtbaar zullen worden en de meeste gegevens van voorlopige aard zijn [1], kan dus nog geen beslissende uitspraak worden gedaan over de mate waarin de GREB ten uitvoer zijn gelegd.

[1] Het verslag is gebaseerd op de gegevens die op 1 maart 2001 beschikbaar waren.

Beleidsstrategie van de GREB

1. Op groei en stabiliteit gerichte macro-economische politiek

2. Bespoediging van de begrotingsconsolidatie

3. Verbetering van kwaliteit en houdbaarheid van de overheidsfinanciën

4. Bevordering van passende loonontwikkelingen

5. Stimulering van een op kennis gebaseerde samenleving

6. Efficiënt werkende productmarkten

7. Bevordering van de kapitaalmarkten door verdere integratie en verdieping

8. Activering van de arbeidsmarkten

9. Duurzame ontwikkeling

2. Belangrijkste beleidsterreinen

2.1 Op groei en stabiliteit gericht macro-economische beleid

Sterke economische groei, maar de opleving verliest aan kracht

In 2000 heeft de EU haar beste economische groeiprestatie sedert 1989 behaald. De krachtige binnenlandse vraag, de sterkeexpansie van de globale economie en het verbeterde prijsconcurrentievermogen van de Europese exporteurs hebben geleid tot een reële groei van naar raming 3,4% van het BBP. Sedert de zomer is de economische bedrijvigheid echter enigszins vertraagd. Tot ver in het jaar 2000 hebben de hoge aardolieprijzen een toenemend negatieve invloed gehad op de winsten en de gezinsinkomens. Meer recent heeft de opkomende vertraging van de wereldeconomie de groei in de EU afgeremd. Dankzij de invoering van de euro en de vorderingen op het gebied van de structuurhervormingen zal de Europese economie de nadelige globale ontwikkelingen echter beter dan in het verleden het hoofd kunnen bieden.

De hoge economische groei heeft bijgedragen tot een aanhoudende en omvangrijke uitbreiding van de werkgelegenheid in de EU met ongeveer 1,5% in 2000. Daardoor is de werkgelegenheidsgraad opgelopen tot ongeveer 63%. Volgens de laatste indicatoren is de banenschepping krachtig gebleven, maar wordt een geringe vertraging verwacht wegens de matigere economische groei. De werkloosheid bleef op het dalende pad dat in 1997 begon. Zij nam met 0,8 procentpunt af tot 8,4% in 2000 en bereikte daarmee het peil van tien jaar geleden.

Als gevolg van de sterk stijgende energieprijzen en de langdurige zwakke positie van de euro is de inflatie in de EU, gemeten met het geharmoniseerde indexcijfer van de consumptieprijzen, in 2000 met ongeveer één procentpunt opgelopen tot 2,1%. De onderliggende inflatie (i.e. exclusief energieprijzen en onverwerkte voedingsmiddelen) nam slechts marginaal toe tot 1,3% in een over het algemeen nog steeds gunstig binnenlands prijsklimaat. Aangezien de energieprijzen hun toppunt schijnen te hebben bereikt en de euro ten opzichte van de USD is gestegen, wordt verwacht dat de inflatie geleidelijk zal afnemen.

Macro-economisch beleid in de eurozone

In de GREB 2000 werd voor de eurozone een passende en spanningsvrije economische beleidsaanpak aanbevolen die bestaat uit (i) een op behoud van prijsstabiliteit gericht monetair beleid, overeenkomstig het Verdrag; (ii) aanhoudende inspanningen door de lidstaten om de huidige begrotingsconsolidatie te versnellen; en (iii) een aanhoudend verantwoordelijk gedrag van de sociale partners.

De beleidsmix in de eurozone was in 2000 spanningsvrij. De ECB reageerde op de risico's voor de prijsstabiliteit en de monetaire omstandigheden bleven gunstig voor de groei. De budgettaire koers was neutraal en het loonverloop bleef verenigbaar met prijsstabiliteit en banenschepping.

Tegen de achtergrond van een kleiner wordende outputgap en bedreiging van de prijsstabiliteit door ingevoerde inflatie verhoogde de ECB in 2000 haar basistarief zesmaal met in totaal 175 basispunten tot een minimumbiedrente van 4,75% vanaf oktober. Niettemin bleven de monetaire condities gunstig voor de groei, maar de combinatie van hogere rentevoeten en een zwakke euro tijdens het grootste gedeelte van 2000 beïnvloede het groeipatroon. Meer recentelijk zijn de monetaire condities iets verstrakt, omdat de wisselkoers van de euro positief reageerde op een gunstige verschuiving in de groeivooruitzichten ten opzichte van de VS en Japan.

De begrotingsconsolidatie is in 2000 dusdanig gevorderd dat de begrotingssaldi in alle landen zijn verbeterd; in de eurozone als geheel daalde het tekort met 0,5 procentpunt tot naar raming 0,7% van het BBP (zonder de eenmalige UMTS-opbrengsten), hetgeen iets beter is dan in de geactualiseerde stabiliteitsprogramma's 1999/2000 was voorzien. De verbetering was echter vooral het gevolg van de hoger dan verwachte groei. Het is duidelijk dat de landen van de eurozone over het algemeen hier geen gebruik van hebben gemaakt om hun onderliggende begrotingssituatie te verbeteren.

Het loonverloop bleef in de eurozone als geheel zoals gewenst, ondanks enkele knelpunten in de cyclisch gevorderde landen en gebrek aan gekwalificeerd personeel in sommige beroepen in vele lidstaten. De stijging van de beloning per werknemer is in 2000 naar raming met 0,5 procentpunt opgelopen tot 2,5%, maar door de productiviteitswinsten bleven de nominale loonstijgingen ten volle verenigbaar met prijsstabiliteit en gezonde banenschepping.

Macro-economisch beleid in de lidstaten buiten de eurozone

De lidstaten buiten de eurozone werd in de GREB 2000 eveneens aanbevolen een gezonde monetaire en budgettaire politiek te voeren om hun wisselkoersverplichtingen te kunnen nakomen (landen die deelnemen aan het WKM 2) of hun inflatiedoelstelling te halen (Zweden en het Verenigd Koninkrijk).

Denemarken bleef in een cyclisch vergevorderde positie. De groei van het BBP trok aan in 2000, de arbeidsmarkt was krap en er was enige binnenlandse druk op de prijzen. De Nationale Bank van Denemarken slaagde erin de kroon zeer dicht bij de spilkoers van 7,44 DKK te houden door de rentecyclus van de ECB te volgen; de spread nam slechts tijdelijk toe in verband met het referendum over de invoering van de euro. De openbare financiën vertoonden ook in 2000 een gezond overschot, hoewel het begrotingsbeleid werd versoepeld.

In Griekenland (dat nog geen lid van de eurozone was toen de GREB 2000 werden aangenomen) nam de reële groei van het BBP toe tot ongeveer 4% in 2000. De outputgap werd kleiner, terwijl de inflatie in bedwang kon worden gehouden. De begrotingsconsolidatie vertoonde een vooruitgang en de begrotingspolitiek werd verstrakt, ook in het licht van de soepelere monetaire condities. De korte rentevoeten, die eind 1999 nog boven 10% lagen, werden geleidelijk verlaagd tot het peil van de eurozone eind december 2000, terwijl de drachme op soepele wijze werd teruggedrongen tot de spilkoers. Deze koers van 340,75 GRD, het gevolg van een revaluatie met 3,5% in januari, is vanaf 1 januari 2001 ook de vaste omrekeningskoers, zoals in juni werd besloten door de Europese Raad van Feira.

Zweden behaalde in 2000 weer een krachtige groei. Het bevindt zich in een cyclisch gevorderde positie, heeft aanzienlijke werkgelegenheidswinsten verwezenlijkt en tot dusver is de inflatie onder controle. Ook al werden de belastingen verlaagd, de krachtige cyclus en de lagere schuldenlast leidden tot een verdere stijging van het gezonde begrotingsoverschot. De Riksbank verhoogde haar basisreporente in februari met 50 basispunten en in december nogmaals met 25 basispunten tot 4%. De stijging van de consumptieprijzen bleef gedurende het gehele jaar in de onderste helft van het tolerantie-interval van 2 procentpunt rond het streefcijfer van de Centrale Bank van 2% inflatie.

In het Verenigd Koninkrijk trok de groei in 2000 aan en functioneerde de economie dicht bij haar potentieel. Het budgettaire en het monetaire beleid waren gericht op macro-economische stabiliteit. Het begrotingsoverschot nam toe, vooral dankzij de krachtigere groei en de lagere rentebetalingen. Bovendien bracht de verkoop van de UMTS-licenties een groot bedrag op, waardoor de staatsschuld verder kon worden verlaagd. Het monetaire beleid bleef verstrakt worden tot februari 2000, toen de reporente 6% bereikte. De inflatiedoelstelling van 2,5% (detailhandelsprijzen, exclusief hypotheekrentebetalingen) werd gemakkelijk gehaald.

2.2 Versnelling van de begrotingsconsolidatie

In de GREB 2000 werd de lidstaten aanbevolen : (i) te profiteren van de budgettaire verbeteringen die te danken zijn aan de beter dan verwachte economische groei, teneinde in 2000 een begrotingssituatie te bereiken die beter is dan de doelstellingen die in de geactualiseerde stabiliteits- en convergentieprogramma's zijn opgenomen; (ii) een begrotingsevenwicht of -overschot eerder trachten te bereiken dan in de geactualiseerde stabiliteits- en convergentieprogramma's is gepland, in de regel in het jaar 2001; (iii) consolidatie-inspanningen te leveren die verder gaan dan het minimum om het stabiliteits- en groeipact na te leven.

In 2000 is de begrotingssituatie van vrijwel alle lidstaten verbeterd ten opzichte van 1999, hetgeen ofwel een kleiner tekort of een hoger overschot en een lagere schuldquote inhoudt. Als de eenmalige opbrengst van de verkoop van de UMTS-licenties buiten beschouwing wordt gelaten, is de begroting van alle EU-landen samen vrijwel in evenwicht gekomen, terwijl het tekort in de eurozone is teruggedrongen van 1,3% van het BBP in 1999 tot 0,7% in 2000. In vrijwel alle landen is het geraamde resultaat van 2000 (exclusief UMTS-opbrengsten) beter dan of gelijk aan wat was verwacht in de geactualiseerde stabiliteits- en convergentieprogramma's 1999. Sommige landen hebben zelfs nog veel beter gepresteerd (België, Ierland, Luxemburg, Nederland, Finland, Zweden en het Verenigd Koninkrijk). Andere (met name Duitsland, Frankrijk en Italië) hebben niet ten volle gebruik gemaakt van de beter dan verwachte groeivoorwaarden om hun consolidatie-inspanningen op te voeren.

Volgens de najaarsprognoses 2000 van de diensten van de Commissie bieden de begrotingsplannen voor 2001 van de meeste lidstaten een impliciete veiligheidsmarge die groot genoeg is om de automatische stabilisatoren vrij te laten functioneren in geval van een conjunctuuromslag, zonder de referentiewaarde van 3% van het BBP te overschrijden. De uitzonderingen zijn Duitsland, in verband met de tenuitvoerlegging van de belastinghervorming, en Portugal. In Frankrijk, Italië en Oostenrijk is de begrotingsruimte nog aan de lage kant en wordt het structurele tekort in 2001 geraamd op ongeveer 1% van het BBP.

De huidige nadruk op belastingverlagingen, waar meestal geen verdere uitgavenbeperkingen tegenover staan, impliceert dat de meer ambitieuze consolidatiedoelstellingen van de geactualiseerde stabiliteits- en convergentieprogramma's 1999/2000 waarschijnlijk niet zullen worden gehaald. Sommige landen (Denemarken, Griekenland, Ierland, Luxemburg, Nederland, Finland en Zweden) hebben ingezien dat de begrotingsconsolidatie verder moet gaan dan het minimum dat in het stabiliteits- en groeipact wordt geëist en hebben zich ten doel gesteld om op middellange termijn een aanzienlijk begrotingsoverschot te bereiken (of te behouden).

2.3 Verbetering van kwaliteit en houdbaarheid van de overheidsfinanciën

In de GREB 2000 werd de lidstaten aanbevolen: (i) de houdbaarheid van hun overheidsfinanciën te verbeteren, voornamelijk door uitgavenbeperkingen; (ii) mechanismen en instellingen in te voeren of te stimuleren die bijdragen tot uitgavenbeheersing; (iii) de overheidsuitgaven te heroriënteren naar investeringen in materieel en menselijk kapitaal, O&O, innovatie en informatiechnologie; (iv) de uitkeringsstelsels te herzien; (v) de belastingdruk te verlagen, vooral die op de laagstbetaalden; (vi) onverwijld de pensioenstelsels en stelsels voor gezondheidszorg te herzien; (vii) de doelmatigheid en doorzichtigheid van de belastingstelsels te verbeteren; (viii) het BTW-stelsel te hervormen; en (ix) de belastingcoördinatie voort te zetten en een overeenkomst te bereiken over het belastingpakket.

Kwaliteit van de begrotingsconsolidatie

In tegenstelling tot het beleid van de jaren '90 dat vooral op belastingverhogingen berustte, zijn de huidige aanpassingsinspanningen vooral gebaseerd op uitgavenbeperkingen. De overheidsontvangsten zijn voor de eerste maal in vele jaren in percent van het BBP gedaald en de uitgavenquote is nog verder teruggelopen (exclusief de UMTS-opbrengsten). Dit is in overeenstemming met de GREB 2000.

Doelmatigheid van de overheidsuitgaven

Weinig vooruitgang is geboekt bij de hervorming van de uitgavenstelsels, ook al komt steeds meer de nadruk te liggen op uitgavenbeheersing. In sommige landen zijn krachtige mechanismen ingevoerd om de overheidsuitgaven te beheersen (Nederland, Finland en Zweden hebben een streng uitgavenkader voor de middellange termijn, het VK past driejaarlijkse budgetten toe voor de discretionaire uitgaven van de centrale overheid en Frankrijk heeft normen voor de middellange termijn wat betreft de uitgaven van de centrale overheid), terwijl in vele andere strenge mechanismen voor de middellange termijn ontbreken.

De overheidsinvesteringen in vaste activa zijn volgens de ramingen in 2000 gestabiliseerd op 2,3% van het BBP. De investeringsuitgaven nemen echter sneller toe dan de overheidsuitgaven in het algemeen, en verwacht wordt dat het aandeel van de overheidsinvesteringen in het BBP geleidelijk zal stijgen. Bovendien hebben verschillende lidstaten (vooral Ierland, Italië, Nederland en Zweden) de uitgaven op meer productieve aanwendingen gericht, vooral op het gebied van de kenniseconomie (zie ook punt 2.5). Verbeteringen zijn waar te nemen wat betreft de toegankelijkheid van levenslang leren en betaalbare kinderopvang, maar in vrijwel alle lidstaten moet nog meer worden gedaan om beroeps- en gezinsleven beter op elkaar af the stemmen.

De hervormingen van de sociale zekerheid ontbrak het aan ambitie. Er zijn enkele inspanningen geleverd (vooral in Denemarken, Finland, Zweden en het Verenigd Koninkrijk) om de uitkeringsvoorwaarden te verscherpen en de participatie aan actieve arbeidsmarktprogramma's te ondersteunen. De verschuiving van passieve naar actieve maatregelen is echter vrij beperkt gebleven. Zeer weinig lidstaten hebben werkgebonden voordelen ingevoerd om de inkomens van de laagstbetaalden te verbeteren (met name het Verenigd Koninkrijk en Ierland). Meer lidstaten (zoals België, Frankrijk, Nederland en Finland) hebben echter het voornemen dit te verwezenlijken.

Pensioenhervorming

In een aantal landen (Denemarken, Ierland, Nederland, Oostenrijk, Zweden en het Verenigd Koninkrijk) zijn enige vorderingen gemaakt bij de hervorming van de pensioenstelsels en Duitsland heeft ambitieuze hervormingsplannen bekendgemaakt. Verdere hervormingen zijn ten zeerste nodig in België, Frankrijk, Griekenland, Spanje, Italië en Portugal. Terwijl dialoog en consensus tussen de sociale partners vereist zijn om de hervormingen te doen slagen, is er in deze landen een verontrustende tendens om ze steeds weer uit te stellen. Nu de naoorlogse babyboom-generatie snel de pensioenleeftijd nadert, kan uitstel de kosten van de hervorming alleen doen stijgen. Sommige lidstaten (België, Spanje, Frankrijk, Ierland en Finland) hebben pensioenreservefondsen gecreëerd, of aangekondigd dat zij dergelijke fondsen tot stand zullen brengen, om de toekomstige stijging van de leeftijdgebonden uitgaven op te kunnen vangen. Dit is een gunstige ontwikkeling, maar de reservefondsen, behalve in Ierland, blijven relatief klein in verhouding tot de budgettaire gevolgen van de vergrijzing en moeten met andere maatregelen worden aangevuld. Waar hervormingen ondernomen zijn is er een tendens om de rechten te beperken eerder dan de premies te verhogen. Dit is een gepaste ontwikkeling, welke vergezeld moet gaan van meer ambitieuze plannen om de fondsformule te bevorderen via een gezond regelgevend en budgettair kader.

Hervorming van de belastingstelsels

Voor de eerste maal sedert de jaren '70 is de algemene belastingdruk aan het afnemen. De belastingstelsels zijn meer doelmatig en vooral meer werkgelegenheidsvriendelijk geworden. Veel lidstaten hebben maatregelen genomen om de druk op de arbeid te verlichten (België, Denemarken, Duitsland, Griekenland, Spanje, Frankrijk, Italië, Oostenrijk, Finland en Zweden), vooral door de werkgeversbijdragen voor de sociale zekerheid te verlagen voor personen aan de onderkant van de loonschaal. Hoewel de meeste hervormingen tot algemene belastingverlagingen hebben geleid, hebben sommige landen ze vooral gericht op laagbetaalde gezinnen met kinderen (Griekenland, Oostenrijk en het Verenigd Koninkrijk).

De doelmatigheid en doorzichtigheid van de personenbelasting zijn verbeterd doordat verschillende landen (Denemarken, Duitsland, Spanje, Frankrijk, Ierland, Italië en het Verenigd Koninkrijk) de belastinggrondslag hebben verbreed en/of de marginale belastingtarieven verlaagd, en voornemens zijn in de komende jaren nog verder te gaan in deze richting. Andere landen (Nederland, Portugal, Finland en Zweden) hebben dergelijke plannen vanaf 2001. Verwacht wordt dat deze hervormingen vooral doelmatig zullen zijn omdat zij hoofdzakelijk betrekking hebben op de directe belastingen, waarvan de verstorende effecten groter zijn.

De geplande of uitgevoerde maatregelen ter hervorming van de BTW zijn in de laatste jaren eerder beperkt gebleven. Omdat zij vreesden belastingopbrengsten te verliezen, hebben verschillende lidstaten niet verder willen gaan met de harmonisatie van de belasting zoals is voorgeschreven door het definitieve systeem dat in 1987 door de Commissie werd voorgesteld.

Derhalve heeft de Commissie in juni 2000 een nieuwe BTW-strategie voorgesteld die vooral gericht is op verbetering van het huidige BTW-stelsel. Voorts werd naar aanleiding van Richtlijn 1999/85/EG van de Raad van 22 oktober 1999 een groot aantal lidstaten gemachtigd op bepaalde categorieën arbeidsintensieve diensten een verlaagd tarief toe te passen; dit heeft, hoewel het slechts van invloed was op een klein deel van de totale belastinggrondslag, in deze landen tot een verlaging van de belasting geleid.

Belastingpakket

Op de ECOFIN-Raad van november 2000 hebben de ministers van Financiën een belangrijke overeenkomst bereikt over de tenuitvoerlegging van het in december 1997 overeengekomen belastingpakket, dat tot doel heeft schadelijke belastingconcurrentie te voorkomen en de huidige distorsies op de interne markt te verminderen. Vorderingen werden gemaakt op alle drie de punten van het belastingpakket: de gedragscode (belastingen op de bedrijven), het voorstel voor een richtlijn over de belasting van spaarinkomsten en het voorstel voor een richtlijn over de betaling van rente en royaltyrechten tussen verbonden ondernemingen.

Wat de gedragscode betreft bevestigden de ministers van Financiën de in 1997 overeengekomen timing voor het terugschroeven van schadelijke maatregelen. Ook kwamen zij overeen na 31 december 2001 geen nieuwe begunstigden toe te laten tot de schadelijke regelingen en, ongeacht of zij voor een vaste periode zijn toegekend of niet, alle baten van de schadelijke maatregelen tegen het einde van 2005 te doen eindigen. Slechts in bijzondere omstandigheden en op uitdrukkelijk besluit van de Raad op individuele basis mogen de effecten van de schadelijke maatregelen nog na die datum worden gecontinueerd. Wat de belasting van de spaarinkomsten betreft keurden de ministers van Financiën de inhoud van de toekomstige richtlijn goed. Ook werd overeengekomen dat het voorzitterschap en de Commissie met belangrijke derde landen besprekingen zullen aangaan over de invoering van gelijksoortige maatregelen in die landen, en werd de lidstaten verzocht vanaf juni 2001 regelmatig verslag uit te brengen van hun besprekingen met gebieden die van hen afhankelijk of met hen geassocieerd zijn om te zorgen dat ook in die gebieden dezelfde maatregelen worden aangenomen. Met betrekking tot de betaling van rente en royalties tussen verbonden ondernemingen bereikten de ministers van Financiën een compromisoplossing over nog alle hangende geschilpunten.

De ECOFIN-Raad heeft de termijn van 31 december 2002 die door de Europese Raad van Feira voor de uiteindelijke overeenkomst over het belastingpakket als geheel was vastgesteld, bevestigd. Binnen dit tijdschema zullen de werkzaamheden op alle drie punten van het pakket worden voortgezet.

2.4 Bevordering van passende loonontwikkelingen

In de globale richtsnoeren voor het economisch beleid 2000 (i) werd aangedrongen op voortgezette, met prijsstabiliteit verenigbare, nominale loonstijgingen ; (ii) gewezen op het belang van de reële loonontwikkelingen voor de werkgelegenheidsschepping; (iii) gevraagd bij de collectieve loononderhandelingen rekening te houden met productiviteitsverschillen; en (iv) aangedrongen op een beleid ter vermindering van de loonverschillen tussen mannen en vrouwen als gevolg van de facto discriminatie.

Algemene loonontwikkelingen

Loonmatiging bleef overheersen, hoewel de nominale loonstijgingen in 2000 iets sneller zijn geweest dan het zeer lage tempo van 1999. De stijging van de lonen bleef in de eurozone stabiel op 3,2 procent in het derde kwartaal van 2000 en er zijn geen tekenen dat de loontrekkenden getracht hebben de verliezen aan koopkracht ten gevolge van de hoge aardolieprijzen goed te maken. Door structurele hervormingen op de arbeidsmarkten zijn de looneisen getemperd, en de ruilvoetschok ten gevolge van de stijging van de energieprijzen werd meestal als tijdelijk beschouwd. Benadrukt mag echter worden dat de loonmatiging in 2000 voor een groot deel toe te schrijven was aan de regelingen die waren getroffen voordat de aardolieprijzen begonnen te stijgen.

De stijging van de uurlonen nam een hoger tempo aan in een derde van de lidstaten (vooral in Ierland, maar ook in België, Denemarken, Luxemburg en Portugal), dit zijn vooral de landen met de krapste arbeidsmarkt. De hoge stijging van de uurlonen in Frankrijk daarentegen was het gevolg van de invoering van de 35-urenweek en zal zich dus waarschijnlijk niet herhalen in 2001. Sommige andere lidstaten met een hoge werkloosheid, zoals Duitsland, Spanje en Italië, hadden een beperkte loonstijging.

Vermoedelijk zal de loonmatiging in 2001 aanhouden doordat de gedeeltelijke omkering van de ruilvoetschok het risico op secundaire effecten verkleint. Hoewel in sommige lidstaten en sectoren arbeidstekorten optreden, schijnt dit niet voldoende te zijn om de huidige tendens van loonmatiging in gevaar te brengen. Ten slotte zullen de looneisen mede worden beperkt door verlagingen van de inkomensbelastingen.

Als gevolg van deze ontwikkelingen zijn de reële arbeidskosten per eenheid product in 2000 gedaald. Vermoedelijk zal zich in 2001 een verdere vermindering van ongeveer 0,5 procent voordoen. In vijf lidstaten (België, Duitsland, Nederland, Portugal en Zweden) zijn de reële arbeidskosten per eenheid product gestegen, in de andere zijn zij gedaald.

Loondifferentiatie en verschillen in beloning tussen mannen en vrouwen

Het verschil in loon volgens vaardigheid of kwalificatie, een belangrijk probleem voor de benedenkant van de loonschaal, is alleen aangepakt door een verlaging van de indirecte arbeidskosten van de laagbetaalden. Er zijn geen belangrijke initiatieven genomen om de wettelijke minimumlonen of het proces van collectieve loononderhandelingen te hervormen. Vrijwel geen hervormingen zijn uitgevoerd om het loonverloop beter af te stemmen op de regionale productiviteitsverschillen (zie ook later onder hervormingen van de arbeidsmarkt).

Uit de gegevens kan niet worden afgeleid of vorig jaar de verschillen in de beloning tussen mannen en vrouwen zijn verkleind. Gemiddeld verdienen de vrouwen 83 procent van het loon van de mannen -waarbij het verschil groter is in de particuliere dan in de openbare sector-, maar dit is het gevolg van een combinatie van factoren, zoals het feit dat veel vrouwen in lager betaalde sectoren werkzaam zijn. De verschillen zijn het grootst in Duitsland, Oostenrijk en het Verenigd Koninkrijk en het kleinst in België, Spanje en Portugal. Hoewel veel lidstaten melding maken van beleidsmaatregelen om de loonverschillen tussen mannen en vrouwen te verminderen, moeten de resultaten nog steeds nauwgezet worden gecontroleerd en geëvalueerd.

2.5 Stimulering van een op kennis gebaseerde samenleving

In de GREB 2000 werd aanbevolen: (i) adequate randvoorwaarden tot stand te brengen om de deelname van de particuliere sector in de financiering van O&O te stimuleren; (ii) de concurrentie op de product- en de kapitaalmarkten aan te moedigen; (iii) te zorgen voor doelmatige en passende openbare financiering van basisonderzoek, de samenwerking tussen onderzoekinstellingen en het bedrijfsleven te stimuleren en te zorgen voor de verspreiding van informatie; (iv) goedkope en snelle toegang tot het internet mogelijk te maken; (v) de versnippering en segmentering van O&O te verminderen; en (vi) krachtigere inspanningen te leveren op het gebied van onderwijs en opleiding.

De overgang van Europa naar een op kennis gebaseerde samenleving is op gang gekomen maar moet worden bespoedigd. Deze late overgang kan in verband worden gebracht met onvoldoende investeringen in menselijk kapitaal, onderzoek en ontwikkeling (O&O) en informatie- en communicatietechnologie (ICT). De Europese Raad van Lissabon noemde innovatie en onderzoek een van de pijlers van de inspanning van de Unie om haar strategische doel van meest

concurrerende, op kennis gebaseerde economie in de wereld te bereiken. Als reactie hebben de lidstaten een belangrijke inhaalbeweging op gang gebracht.

Onderzoek en ontwikkeling (O&O)

Ondanks deze inspanning bedragen de totale uitgaven voor O&O in de Europese Unie slechts 1,8 procent van het BBP. Het beeld is echter heterogeen: Zweden (met bijna 4 procent) en Finland, gevolgd door Duitsland en Frankrijk, zijn kennelijk de meest gevorderde landen, terwijl de zuidelijke lidstaten minder ver staan [2]. Terwijl de overheidsuitgaven voor O&O in percent van het BBP in Europa ongeveer even hoog zijn als in de Verenigde Staten (0,7 procent), zijn de uitgaven van het bedrijfsleven veel lager in Europa (1,2% in 1999) dan in de Verenigde Staten (2,0 procent). In sommige landen zoals Finland en Zweden vertonen de uitgaven van het bedrijfsleven voor O&O de laatste jaren een sterke stijging, maar in de meeste andere EU-lidstaten is het aandeel van de particuliere sector in percent van het BBP niet toegenomen.

[2] In de Verenigde Staten 2,7 procent.

Om de uitgaven van de particuliere sector voor O&O te verhogen, hebben Duitsland, Griekenland, Spanje, Ierland, Nederland, Oostenrijk, Portugal en het Verenigd Koninkrijk nieuwe aanmoedigingsregelingen ingevoerd of de bestaande verbeterd, bijvoorbeeld door gebruik van belastingmaatregelen. Vooruitgang is geboekt bij de tenuitvoerlegging van het actieplan voor risicokapitaal (zie punt 2.7). De maatregelen ter verhoging van de concurrentie op de product- en kapitaalmarkten worden verder uitgevoerd, waardoor een bedrijfsklimaat wordt geschapen dat gunstiger is voor innovatie en technologische vooruitgang (zie punt 2.6).

Ondanks de vooruitgang bij de stroomlijning van de onderzoekinfrastructuur blijft de relatie tussen het bedrijfsleven en de wetenschappelijke wereld, en meer bepaald de omzetting van onderzoeksresultaten in commerciële producten, een van de structurele zwaktepunten van Europa. Hoewel het aandeel van hoogtechnologische producten in de totale Europese uitvoer sterk is gestegen (van 13,5 procent in 1991 tot 19,3 procent in de eerste helft van 2000) [3], is dit aandeel zeer laag in België, Griekenland, Spanje, Italië en Portugal. Veel lidstaten hebben nieuwe maatregelen genomen om de banden tussen openbare onderzoekinstellingen en de zakenwereld te verbeteren. Er is echter nog ruimte voor verbetering van de samenwerkingsmechanismen om te komen tot meer commercieel gerichte technologie-overdrachten.

[3] In de Verenigde Staten 28,7 procent in 1998.

Bijkomende overheidsmiddelen zijn besteed aan O&O in Ierland, Italië, Nederland en Zweden, maar belangrijker is dat de aandacht verschuift naar de oprichting van kenniscentra, innovatieclusters en diverse technologieoverdrachtmechanismen om de commercialisatie van de O&O-resultaten in de hand te werken. Bovendien is een communautaire strategie "Naar een Europese onderzoekruimte" ingevoerd om een eind te maken aan de fragmentatie en segmentering van de O&O-inspanningen in Europa door middel van grensoverschrijdende onderzoeknetwerken en bevordering van de samenwerking. Er is echter nog geen overeenkomst bereikt over een Europees octrooi.

Informatie- en communicatietechnologie (ICT)

De groeiachterstand van Europa op de VS in de tweede helft van de jaren '90 is in verband gebracht met de geringere omvang van de ICT-sector in Europa en de lagere ICT-investeringen in andere sectoren van de economie. In 1999 had de ICT-sector een aandeel van 4,2 procent in het BBP van de EU, terwijl dit in de VS niet minder dan 6,8 procent was. De EU heeft echter een deel van haar achterstand op de VS op het gebied van ICT-verspreiding ingehaald. In 2000 bedroegen de ICT-uitgaven in de Unie 5,8% van het BBP, dus iets meer dan de 5,6 procent van de VS. Dit is

een van de indicatoren van de algemene vooruitgang in de EU op het gebied van de ICT-verspreiding.

Een andere indicator is de internetpenetratie bij de Europese gezinnen, die tussen april en oktober 2000 is gestegen met 10 procentpunt tot 28 procent. Er zijn echter grote verschillen tussen de lidstaten. Sommige lidstaten (Denemarken, Nederland en Zweden) hebben al een hogere internetpenetratie dan de VS, terwijl andere (Griekenland, Frankrijk, Spanje en Portugal) ver achterblijven. De verschillen tussen de landen zijn te verklaren door verschillen in telefoonkosten, bezit van personal computers en de betrouwbaarheid van de serviceproviders. Parallel met de liberalisatie van de telecomsector, vooral door ontkoppeling van het lokale aansluitingsnet, wordt de toegang tot internet sneller en goedkoper door breedbandnetwerken en nieuwe toegangsinstrumenten. Landen als Denemarken, Duitsland, Frankrijk en het Verenigd Koninkrijk breiden ook de toegang tot internet uit door partnerschappen tussen de openbare en de particuliere sector of door verbindingen mogelijk te maken in openbare bibliotheken. Overeenkomstig het actieplan eEurope sluiten alle lidstaten hun scholen op internet aan om de computervaardigheden te verhogen door beter en op grotere schaal gebruik te maken van internet op school. De gevolgen van de verschillen tussen de lidstaten wat betreft de toewijzingsmechanismen voor de UMTS-licenties zijn nog niet duidelijk, maar de gemaakte keuzen kunnen een effect hebben op de verspreiding van de mobiele telefonie van de derde generatie.

De trager dan verwachte acceptatie van de elektronische handel, vooral door de consument, is een bijzonder zorgpunt. Ondanks de aanzienlijke vooruitgang wat betreft regelgeving en de maatregelen om het consumentenvertrouwen te verhogen, hebben slechts 66 procent van de KMO's en 76 procent van de grote bedrijven toegang tot internet en maakt slechts 6 procent gebruik van e-handel. Ook op dit gebied zijn er belangrijke verschillen tussen de landen. De invoering van "meterloze" telefoonkosten in landen als Duitsland, het VK en Spanje geeft het internet-winkelpubliek de mogelijkheid te browsen en te kopen zonder te moeten letten op de kosten per minuut.

Onderwijs- en opleidingsaspecten van de op kennis gebaseerde samenleving

De meeste lidstaten hebben extra inspanningen geleverd op het gebied van ICT-onderwijs en -opleiding in verband met het welbekende tekort aan ICT-geschoold personeel in Europa. Hoewel bijna de helft van de beroepsbevolking op het werk computers gebruikt, heeft minder dan 22 procent een echte computeropleiding gevolgd. Uiteraard speelt ook het algemene onderwijs een belangrijke rol: het is bijvoorbeeld opvallend dat in de noordse landen, waar ICT zich het snelst verspreid heeft, de openbare uitgaven voor onderwijs ook het hoogst zijn in percent van het BBP. Uit de ervaring in de VS blijkt dat de op kennis gebaseerde samenleving het potentieel heeft om overal in de economie banen te scheppen, in tal van sectoren, beroepen en op verschillende kwalificatieniveaus. In de EU werden in de laatste jaren vooral banen geschapen op het niveau "hoger onderwijs" (managers, vaklui, technici), waar meer vraag is naar ICT-vaardigheden. De keerzijde van de medaille is echter dat de schepping van werkgelegenheid ten behoeve van de laaggeschoolden in de EU zeer gering blijft. De onderwijsinitiatieven die op de behoeften van deze groep zijn gericht (zoals verbetering van de algemene basiskennis alsook van de ICT-vaardigheden) zijn wellicht meer beperkt geweest.

2.6 Efficiënt werkende productmarkten

In de GREB 2000 werd aanbevolen: (i) de internemarktwetgeving ten volle en effectief uit te voeren; (ii) de onafhankelijkheid van de mededingingsautoriteiten te verzekeren; (iii) de staatssteun te verminderen; (iv) de liberalisatie van de telecommunicatiesector te voltooien, (v) de liberalisatie in de sectoren energie, posterijen en vervoer te bespoedigen en de communautaire richtlijnen voor de liberalisatie van de nutsvoorzieningen ten volle uit te voeren; (vi) de concurrentie in de dienstensectoren te vergroten; (vii) de administratieve formaliteiten voor het bedrijfsleven te verminderen; (viii) een systematische benadering te ontwikkelen voor het kader van regelgeving voor de diensten; en (ix) toezicht uit te oefenen op de effectieve uitvoering van de diverse regelgevende hervormingen.

In de loop van vorig jaar is de werking van de Europese productmarkten verbeterd dankzij een nauwere coördinatie van het nationale beleid op diverse terreinen, een toegenomen omzetting van internemarktrichtlijnen in nationale wetgeving, de versterking van de bevoegdheden van de mededingingsautoriteiten en de liberalisatie van de telecomsector en, in mindere mate, de energiesectoren. Minder vorderingen zijn gemaakt op de terreinen overheidsopdrachten, staatssteun, administratieve hervormingen en verlichting van de administratieve formaliteiten voor het bedrijfsleven, terwijl de totstandbrenging van een werkelijk geïntegreerde Europese markt voor zakelijke diensten en de liberalisatie van de sectoren vervoer en posterijen problematisch blijven.

Voltooiing van de interne markt

Uit de enquêtes blijkt een toenemende tevredenheid van de bedrijven over de werking van de interne markt. Dit komt overeen met de opmerking dat de omzetting van de internemarktrichtlijnen in nationale wetgeving in de meeste lidstaten aanzienlijk is verbeterd. Het omzettingsverschil tussen Griekenland en de overige lidstaten is echter toegenomen, want in Griekenland moeten nog belangrijke hervormingen worden uitgevoerd. Frankrijk en Portugal hebben op dit gebied beter gepresteerd, maar hun omzettingsachterstand is nog steeds meer dan drie keer zo groot als die van de best presterende landen.

Sommige lidstaten, zoals Spanje en Italië, hebben hun inspanningen om de overheidsopdrachten open te stellen aanzienlijk opgevoerd. Met name zal uitgebreider gebruik worden gemaakt van elektronische publicatie en verspreiding van de offerteaanvragen. Dit kan mede een eind maken aan het structurele probleem van onvoldoende doorzichtige aanbestedingsprocedures, vooral op plaatselijk en regionaal niveau. In percent van het BBP zijn de aanbestedingen die in het Publicatieblad verschijnen nog steeds relatief gering voor Duitsland, Nederland en Oostenrijk. Een snelle goedkeuring en toepassing van het nieuwe regelgevingspakket dat de Commissie in mei 2000 heeft voorgesteld, zal de doorzichtigheid, de openheid en de mededinging op het gebied van de overheidsopdrachten verhogen.

De vorderingen op het gebied van het mededingingsbeleid zijn bemoedigend. De versterking van de bevoegdheden, onafhankelijkheid en middelen van de concurrentieautoriteiten in de meeste lidstaten is een positieve ontwikkeling, ook al zou in sommige landen het institutionele kader sneller kunnen worden verbeterd.

De sectorale en de ad hoc staatssteun nemen geleidelijk af in de meeste lidstaten, maar blijven de concurrentie op de Europese markten verstoren, vooral in België, Duitsland, Frankrijk en Portugal [4], waar deze steunverlening relatief hoog blijft. De Europese Commissie is voornemens een openbaar register van de staatssteun in te voeren en haar eerste scorebord van de staatssteun in de eerste helft van 2001 te publiceren. Het register en het scorebord dienen de doorzichtigheid van de nationale en de communautaire beleidsmaatregelen.

[4] Het hoge bedrag van deze steun in Portugal heeft vooral te maken met de regionale steunregeling voor Madeira - goed voor 0,8 procent van het BBP - die veel kenmerken van een sectorale regeling heeft. Sinds januari 2001 kunnen geen nieuwe aanvragen meer worden ingediend. Momenteel onderzoekt de Commissie het voorstel van Portugal om de regeling te verlengen.

In het laatste decennium zijn de Europese goederenmarkten steeds meer geïntegreerd, met als gevolg een sterkere concurrentie en een geleidelijke prijsconvergentie tussen de lidstaten. De variatie van de consumptieprijzen tussen de lidstaten is afgenomen van 18,2 procent in 1992 tot naar raming 14,4% in 1999. De technische handelsbelemmeringen binnen de EU blijven een probleem, vooral in bepaalde sectoren (met name voeding en drank en motorvoertuigen).

Nutsvoorzieningen

Sommige van de sectorspecifieke economische hervormingen hebben al geleid tot prijsverlagingen voor de consument. De liberalisatie van de telecomsector bijvoorbeeld heeft geleid tot belangrijke prijsverlagingen van de lange-afstandsgesprekken. Ook de technische vooruitgang heeft een rol gespeeld. In België, Spanje, Italië en Oostenrijk echter blijven de interzonale gesprekken relatief duur. De prijzen zijn minder gedaald voor de lokale gesprekken, hetgeen in grote mate (in veel gevallen) toe te schrijven is aan een bijstelling van de tarieven. Dit wijst er echter ook op dat de concurrentie in de lokale netwerken nog moet worden versterkt.

Op de energiemarkt is de vooruitgang iets minder duidelijk. De prijsverlagingen en de verbeteringen in de keuze en kwaliteit van de dienstverlening zijn over het algemeen het grootst in de landen die het verst en het snelst zijn gegaan in de openstelling van hun markten, en daarbij voldoen aan de universele dienstverplichtingen en zorgen voor voldoende concurrentie op de geliberaliseerde markten. De oprichting van onafhankelijke regelgevende instanties heeft bijgedragen tot de consolidatie van de hervormingen in de meeste lidstaten. In Duitsland bijvoorbeeld is de liberalisatie van de energiesector goed gevorderd, maar is nog geen onafhankelijke regelgevende instantie ingesteld, hetgeen een rol heeft gespeeld in de grote regionale verschillen in de vergoeding voor het gebruik van de lokale elektriciteitsnetten. Gestreefd moet thans worden naar een volledige openstelling van de markt met uniform toegepaste regels en vaste termijnen, zowel voor productie als distributie.

De verdere openstelling van de vervoersector voor de concurrentie en de liberalisatie van de posterijen blijven problemen stellen. Voor de posterijen wordt het steeds dringender een overeenkomst over de openstelling van de markt en een regelgevend kader te bereiken. In het spoorvervoer is een overeenkomst bereikt over de openstelling van het internationale vrachtvervoer, maar de uitdaging met betrekking tot het passagiersvervoer en het binnenlandse vrachtvervoer blijft bestaan. In het openbare spoor- en wegvervoer zijn enkele kleine stappen (herziening van het tariefsysteem voor de toegang tot de spoorweginfrastructuur in Frankrijk, wettelijke scheiding van infrastructuurbeheer en de activiteiten zelf in Italië, invoering van een systeem van concessies voor bus-, tram-, en metronetwerken in Nederland, enz.) gezet om de markten in een later stadium open te stellen. In het luchtvervoer moeten dringend verdere maatregelen worden genomen op basis van de aanbevelingen van de groep op hoog niveau voor de hervorming van het luchtvervoer met betrekking tot de vorming van een Europees luchtruim en de herziening van de regels voor de toewijzing van luchthavenslots.

Diensten

Een meerderheid van de grensoverschrijdend werkende dienstbedrijven melden dat hun activiteiten in andere landen nog worden belemmerd. Zakelijke diensten (advocaten, accountants, enz.) zijn nog aan veel toegangsbeperkingen onderworpen in veel lidstaten, zoals Duitsland, Griekenland en Italië. Omdat nog geen sprake is van een werkelijke interne markt voor diensten, heeft de Commissie een nieuwe horizontale strategie voor deze sector vastgesteld. Bovendien zal de concurrentie in de distributiesector baat hebben bij de groei van de B2C e-handel, vooral in Nederland, Zweden en het Verenigd Koninkrijk, landen waar het aandeel van de e-handel in de totale detailhandel vergelijkbaar is met dat in de Verenigde Staten. Deze ontwikkeling is vooral belangrijk voor landen als Zweden en Finland, die het meest hebben geleden onder een onvoldoende concurrentie in de distributie. Deze twee landen dienen echter nog specifieke maatregelen te nemen om dit probleem aan te pakken.

Hervorming van de regelgeving

Verschillende maatregelen (zoals het éénloketsysteem, e-bestuur en hervorming van de belastingen op de bedrijven) zijn genomen om de administratieve formaliteiten voor de ondernemingen te verminderen, waarbij de aandacht vooral ging naar de behoeften van startende bedrijven en andere kleine en middelgrote ondernemingen. Er is echter nog veel ruimte voor vereenvoudiging van de administratieve procedures die het bedrijfsleven in de lidstaten worden opgelegd, vooral in België, Griekenland, Spanje en Frankrijk. De inspanningen om de doelmatigheid van de overheidsdiensten te verbeteren zijn vooral duidelijk in landen met een grote overheidssector, zoals de noordse lidstaten, maar ook in Italië, Nederland en Portugal.

Steeds meer worden marktgoederen en -diensten geleverd door openbare instanties of publiek-private partnerschappen. Daar deze in rechtstreekse concurrentie met de particuliere bedrijven treden, moeten regels worden vastgesteld inzake doorzichtigheid en mededinging om hen op voet van gelijkheid te behandelen. Opdat de mededinging tot goede resultaten zou leiden, moeten de openbare en de particuliere entiteiten onder dezelfde voorwaarden met elkaar kunnen concurreren. In Nederland en Zweden worden specifieke maatregelen overwogen om daarvoor te zorgen.

De Commissie heeft verschillende verslagen uitgebracht over haar toezicht op de tenuitvoerlegging van de hervormingen en hun invloed wat betreft doelmatigheid en baten voor de consument. Op verschillende terreinen van het structuurbeleid wordt steeds meer gebruik gemaakt van benchmarking. In dit verband is de overeengekomen lijst van structurele indicatoren een nuttig instrument voor het vergelijken van de vorderingen.

2.7 Bevordering van de kapitaalmarkten door verdere integratie en verdieping

In de GREB 2000 werd aanbevolen: (i) een "paspoort voor emittenten" op te stellen; (ii) belemmeringen voor beleggingen in en door pensioenfondsen af te schaffen en het onderscheid tussen beroepsbelegger en kleine belegger te verduidelijken; (iii) de integratie van de markten voor overheidspapier verder te bevorderen; (iv) de doelmatigheid van de effectenclearing- en -vereffeningssystemen te verbeteren; (v) de doelmatigheid van grensoverschrijdende betalingen in de detailhandel te vergroten; (vi) de vergelijkbaarheid van de financiële staten van de bedrijven te verhogen; (vii) de ontwikkeling van nieuwe bedrijven en de investeringen in durfkapitaal te stimuleren; (viii) een intensievere samenwerking tussen de regelende en de toezichthoudende instanties van de financiële markten in de EU tot stand te brengen; en (ix) werk te maken van de EU-regelgeving inzake het overnamebod en de herstructurering en liquidatie van kredietinstellingen en verzekeringsmaatschappijen.

Met name de Europese Raad van Lissabon, die wees op de behoefte aan extra inspanningen om een geïntegreerd financieel stelsel in de EU tot stand te brengen, heeft gevraagd om tenuitvoerlegging van het actieplan voor financiële diensten (APFD) tegen 2005 en het actieplan voor risicokapitaal (APRK) regen 2003. Als antwoord op deze opdracht werd in de GREB 2000 aanbevolen snel op te treden op een aantal prioritaire terreinen die in deze programma's zijn aangegeven.

Tenuitvoerlegging van het actieplan voor financiële diensten (APFD)

Op veel van deze prioritaire terreinen zijn vorderingen gemaakt. Zo heeft de Commissie voorstellen ingediend om een volledig operationeel "paspoort" voor beleggingsondernemingen te creëren, het onderscheid tussen beroepsbeleggers en kleine beleggers te verduidelijken, te zorgen dat de pensioenfondsen voldoende vrijheid genieten om een doeltreffend beleggingsbeleid te ontwikkelen, en de normen voor de jaarrekeningen te harmoniseren. De Commissie heeft ook een mededeling over de e-handel en de financiële diensten uitgebracht om de onderhandelingen in de Raad over de ontwerp-richtlijn over de levering van financiële diensten op afstand te bespoedigen. Het richtlijnvoorstel over het overnamebod, dat eind 2000 zou zijn goedgekeurd, zal worden onderworpen aan de bemiddelingsprocedure tussen Parlement en Raad. De richtlijn over de liquidatie van verzekeringsondernemingen is aangenomen, en de onderhandelingen over de ontwerp-richtlijn over de liquidatie van kredietinstellingen zijn goed gevorderd. Om de tenuitvoerlegging van het APFD te vergemakkelijken, werd in juli 2000 de Lamfalussy-groep opgericht met de opdracht verbeteringen van het raamwerk voor de reglementering van de effectenmarkten voor te stellen. Het eindverslag van deze groep, waarin een reeks procedureveranderingen wordt aanbevolen, is op 15 februari 2001 gepubliceerd.

Tenuitvoerlegging van het actieplan voor ricisokapitaal (APRK)

Ook de Europese risicokapitaalmarkt is verder ontwikkeld. Naast de acties in het kader van het APFD die van belang zijn voor de uitvoering van het APRK, zijn vorderingen gemaakt op nationaal vlak.

Nationaal optreden is vooral van belang wat betreft de wettelijke of regelgevende beperkingen op institutionele beleggingen op de aandelenmarkten en in durfkapitaal. Slechts vier lidstaten (Ierland, Nederland, Finland en het Verenigd Koninkrijk) kennen dergelijke beperkingen niet, behalve dan de algemene prudentievereiste. De beperkingen zijn verlicht in België, Zweden, Frankrijk, Italië en Spanje, en de Deense regering stelt om prudentiële overwegingen voor om regels vast te stellen voor institutionele beleggingen in aandelenkapitaal. Finland en het Verenigd Koninkrijk nemen maatregelen om de beleggingen van institutionele beleggers in aandelenkapitaal te stimuleren.

Een tweede belangrijk gebied van nationaal optreden betreft de opheffing van fiscale belemmeringen voor risicokapitaalinvesteringen (te verwezenlijken door aanpassing van de belasting op vennootschapswinsten en vermogenswinsten). De fiscale belemmeringen zijn in verschillende lidstaten aangepakt. België heeft fiscale maatregelen genomen ten voordele van spin-offbedrijven en startende ondernemingen; Frankrijk heeft fiscale stimulansen ingevoerd voor de business angels; Griekenland en Spanje hebben de bestaande belastingverlaging op vermogenswinsten verhoogd; Italië heeft zijn duaal inkomensbelastingsysteem van 1998 versterkt, dat de vermogensfinanciering begunstigt. Anderzijds is echter weinig gedaan om de negatieve effecten van de faillissements- en insolventieprocedures te verlichten, behalve in Italië en Nederland. Ook hebben te weinig landen maatregelen genomen om te zorgen dat de belasting op aandelenbezit en aandelenopties het ondernemerschap niet zou ontmoedigen.

Zoals in het voortgangsverslag van oktober 2000 over het APRK werd aanbevolen, dienen de inspanningen van de lidstaten te worden geïntensiveerd, bespoedigd en uitgebreid wil het APRK tegen de termijn 2003 ten uitvoer zijn gelegd.

Financiële stabiliteit

In de GREB 2000 kwam het vraagstuk van de stabiliteit van het financieel bestel van de EU ter sprake en werd aanbevolen de coördinatie tussen de nationale toezichthouders te verbeteren. Wijzigingen van de bestaande institutionele regelingen werden niet aanbevolen, maar wel dat de praktische werking van deze regelingen zou worden versterkt.

Verschillende lidstaten hebben maatregelen genomen om de coördinatie tussen hun nationale toezichthouders te verbeteren. In Duitsland zijn plannen aangekondigd om de toezichthoudende autoriteiten voor de banksector, de verzekeringen en de aandelenmarkten te integreren. In Frankrijk moeten de toezichthoudende autoriteiten van de banken en de verzekeringen hun coördinatie versterken en moeten die van de aandelenmarkten worden samengevoegd. In Nederland is een formeel adviesorgaan opgericht als forum voor de bespreking van sectoroverschrijdende vraagstukken door de verschillende financiële toezichthouders. In Portugal zal de oprichting van de nationale raad van financiële toezichthouders bijdragen tot de bevordering van de coördinatie tussen de verschillende toezichthouders van het financieel systeem. In verschillende lidstaten zijn ook maatregelen genomen om de uitwisseling van informatie tussen de toezichthouders te verbeteren. Zo hebben de Deense, de Zweedse en de Noorse financiële toezichthoudende autoriteiten een samenwerkingsakkoord ondertekend dat betrekking heeft op de gehele financiële sector. Op deze vorderingen dient te worden voortgebouwd.

2.8 Activering van de arbeidsmarkten

In de GREB 2000 werd aanbevolen: (i) de omschakeling van passieve naar actieve maatregelen te stimuleren; (ii) de belastingen en de sociale zekerheid opnieuw te bezien en te hervormen; (iii) de arbeidsmobiliteit te verhogen; (iv) de organisatie van de arbeid te moderniseren; (v) een effectiever gelijkekansenbeleid voor mannen en vrouwen te voeren; en (vi) tegen eind 2000 een niemand uitsluitende arbeidsmarkt te creëren.

De arbeidsmarktresultaten verbeteren voortdurend. In 2000 is de werkgelegenheid snel uitgebreid (met 1,7%) en is de werkloosheid met bijna één procentpunt gedaald. Dit is voor een groot deel te danken aan de conjunctuuropleving, maar er zijn ook tekenen dat de structurele werkloosheid afneemt als gevolg van de strategie van arbeidsmarkthervormingen en actieve maatregelen ter bevordering van de inzetbaarheid. De langdurige werkloosheid is teruggedrongen van 49% van de totale werkloosheid in 1997 tot 45,7% in 1999. De vooruitgang is echter niet overal gelijk en op sommige arbeidsmarkten zijn er tekenen van verkrapping.

Enkele lidstaten (Denemarken, Nederland en het Verenigd Koninkrijk) plukken de vruchten van hun vroegere veelomvattende arbeidsmarkthervormingen. In alle lidstaten zijn er echter nog problemen. De meeste hebben voor een geleidelijke aanpak gekozen waardoor zij niet ten volle gebruik hebben gemaakt van de mogelijke synergieën tussen de verschillende hervormingen. Over het algemeen hebben de lidstaten niet hun voordeel gedaan met de huidige macro-economische voorwaarden om de structuurhervormingen door te voeren die nodig zijn om de gunstige werkgelegenheidsresultaten van de laatste jaren te bestendigen.

Actief arbeidsmarktbeleid

Een van de terreinen waarop vooruitgang is geboekt is de tenuitvoerlegging van actieve en preventieve maatregelen tegen de langdurige werkloosheid en de werkloosheid bij jongeren. Enkel België, Griekenland en Italië moeten nog belangrijke maatregelen nemen om tegen 2002 de doelstellingen van de werkgelegenheidsrichtsnoeren te halen. Veel lidstaten hebben in de laatste jaren de uitgaven voor actieve maatregelen verhoogd, maar extra inspanningen ter verbetering van het ontwerp en de controle van deze beleidsmaatregelen zijn nodig om de doelmatigheid ervan te verzekeren.

De meeste lidstaten breiden de steun voor jongeren met leerproblemen uit en nemen maatregelen om hen de mogelijkheid te bieden zich aan te passen aan de technologische en economische veranderingen. In alle lidstaten wordt de ICT-apparatuur op de scholen verbeterd. Ook gaat steeds meer aandacht naar de bevordering van levenslang leren, ofschoon alleen Denemarken, Ierland, Nederland, Finland, Zweden en het Verenigd Koninkrijk een algemene aanpak hebben uitgestippeld.

Belastingen en sociale zekerheid

Er blijft nog veel ruimte voor verdere hervorming van de stelsels van belastingen en sociale zekerheid teneinde prikkels te geven om werk te zoeken en te aanvaarden, gezien de nood aan verhoging van het arbeidsaanbod in veel lidstaten. Dit geldt ook voor sommige landen met een zeer laag officieel werkloosheidscijfer, maar grote aantallen "verborgen werklozen" die passieve uitkeringen genieten, zoals Denemarken, Luxemburg, Nederland en het Verenigd Koninkrijk. Het gaat hier onder meer om arbeidsongeschiktheidsuitkeringen en vervroegde pensioenen, die niet afhankelijk zijn van het zoeken naar werk. Sommige lidstaten hebben de uittredingsregelingen hervormd of andere maatregelen genomen om vervroegde uittreding uit de arbeidsmarkt tegen te gaan.

In de jaren '90 hebben enkele lidstaten hun belastingen en sociale zekerheid hervormd, maar slechts in enkele gevallen zijn beide stelsels op een veelomvattende wijze aangepakt. Veel lidstaten hebben de belastingen op de arbeid onlangs verlicht (zie punt 2.3) en verdere hervormingen aangekondigd. In het jaar 2000 is echter weinig sprake geweest van hervorming van de uitkeringsstelsels of algemene belasting- en uitkeringshervormingen, ook al is de totale impact van de belastingen en uitkeringen van cruciaal belang voor de arbeidsaanbodbeslissingen. Verschillende lidstaten (België, Frankrijk, Nederland, Oostenrijk en het Verenigd Koninkrijk) hebben maatregelen genomen of gepland die expliciet betrekking hebben op de gecombineerde stimulerende effecten van belastingen en uitkeringen. Deze arbeidsgebonden voordelen hebben meestal tot doel het inkomen van de laagbetaalden of de gezinnen te verhogen en de negatieve effecten van de hoge marginale belastingtarieven te verkleinen.

Flexibiliteit en modernisering van de arbeidsmarkt

Het gebrek aan arbeidsmarktflexibiliteit is een van de factoren die aan de grondslag liggen van de hoge structurele werkloosheid die nog steeds waar te nemen is in België, Duitsland, Griekenland, Spanje, Frankrijk, Italië en Finland. In de meeste gevallen is bovendien sprake van grote regionale verschillen, maar er is nog weinig gedaan om waar nodig de loonvormingssystemen te hervormen opdat deze beter de lokale productiviteits- en arbeidsmarktvoorwaarden zouden weergeven. Er zijn beperkte maatregelen genomen om de arbeidsmobiliteit te bevorderen, maar ook hier is verdere vooruitgang nodig. De mobiliteit wordt verhinderd door rigiditeiten op de woningmarkt van verschillende lidstaten, alsook door een gebrek aan vooruitgang wat betreft de wederzijdse erkenning van kwalificaties en de overdraagbaarheid van pensioenrechten.

Er is enige vooruitgang bij de modernisering van de arbeidsorganisatie, zoals door vergemakkelijking van deeltijdwerk en meer flexibele arbeidstijdregelingen. De overeenkomsten op deze terreinen hebben wellicht de negatieve effecten van de wettelijke arbeidstijdverminderingen gecompenseerd. De betrokkenheid van de sociale partners is echter teleurstellend geweest. Tenzij de rigiditeiten bij de bestaande arbeidsovereenkomsten worden aangepakt, bestaat bovendien het risico dat de werkgevers hun toevlucht zullen nemen tot tijdelijke contracten, zelfs wanneer langdurige regelingen gepast zouden zijn.

In 2000 is niets gedaan aan de stringente wetgeving op de arbeidsbescherming voor vaste werknemers in Spanje, Frankrijk, Italië en Portugal. In deze landen was de toename van het aantal tijdelijke contracten veel groter dan de uitbreiding van het aantal vaste banen, hetgeen wijst op de behoefte aan meer flexibiliteit.

Gelijke kansen en sociale integratie

Wat de gelijke kansen betreft hebben de meeste lidstaten specifieke maatregelen genomen met betrekking tot de lage participatiegraad van vrouwen, beroepssegregatie en loonverschillen tussen mannen en vrouwen. Deze worden uitvoerig behandeld in het gezamenlijk werkgelegenheidsverslag 2000. Weinig maatregelen werden voorgesteld in twee van de landen met de laagste participatiegraad van vrouwen, Griekenland en Italië. De hervormingen van de belastingen en de sociale zekerheid in sommige lidstaten (zoals Luxemburg en Nederland) schijnen vruchten af te werpen in termen van een hogere participatiegraad van de vrouwen. Bovendien hebben vrijwel alle lidstaten belangrijke maatregelen genomen om de kinderopvang voor werkende ouders te verbeteren.

Wat de sociale integratie betreft is de vooruitgang bij de vermindering van de werkloosheid - vooral de langdurige werkloosheid en de werkloosheid onder de jongeren - in de loop van 2000 bemoedigend geweest. Weinig is echter gedaan om de fundamentele rigiditeiten achter de grote regionale verschillen in de werkloosheid aan te pakken, welke ernstige gevolgen hebben wat betreft de cohesie. Bovendien zijn naarmate de werkloosheid werd teruggedrongen de onevenredige effecten daarvan voor bepaalde gemeenschappen en sociale groepen opvallender geworden. Verschillende lidstaten hebben werkgelegenheidsinitiatieven genomen ten behoeve van achtergestelde streken, alleenstaande ouders en etnische minderheden, om maar drie voorbeelden te noemen. Veel lidstaten hebben de lastendruk op de arbeid vooral verlicht voor de laagbetaalden, deels met het doel de werkgelegenheidsvooruitzichten te verbeteren voor de laaggeschoolden, die ook zwaar oververtegenwoordigd zijn in de werkloosheidscijfers. Er is echter behoefte aan een algemenere aanpak van de sociale integratie door een combinatie van beleidsmaatregelen op verschillende gebieden in het licht van de gemeenschappelijke doelstellingen die op de Europese Raad van Nice werden overeengekomen.

2.9 Duurzame ontwikkeling

In de GREB 2000 werd voor de eerste maal een hoofdstuk over duurzame ontwikkeling opgenomen. De lidstaten werd aanbevolen: (i) op de markt gebaseerde maatregelen in te voeren of te versterken, zoals belastingen, retributies, verzekerings/aansprakelijkheidsregelingen en verhandelbare vergunningen; de EU-doelstellingen in het kader van het Kyotoprotocol te helpen verwezenlijken; bij te dragen tot de verbreking van het verband tussen ecologische druk en economische groei; (ii) sectorale subsidies en belastingvrijstellingen, alsook andere bestaande maatregelen die negatieve milieu-effecten hebben, opnieuw te bekijken en daarbij volledig rekening te houden met andere relevante economische en sociale factoren; (iii) ernaar te streven een akkoord te bereiken over een geschikt kader voor een energiebelasting op Europees niveau.

Enkele lidstaten hebben gekozen voor een meer op de markt gebaseerde aanpak van de milieuvraagstukken. Duitsland ging verder met zijn beleid van verschuiving van de belastingdruk van arbeid naar energie. De pogingen van Frankrijk om hetzelfde te doen door de Taxe générale sur les activités polluantes (TGAP) ook op elektriciteit toe te passen, werden door het grondwettelijk hof afgewezen. Het Verenigd Koninkrijk ging verder met zijn voorbereidingen om een voor de rijksmiddelen neutrale klimaatsveranderingsheffing in te voeren waarvan de opbrengst dient te verlaging van de sociale premies. Denemarken heeft een regeling van verhandelbare vergunningen voor de koolstofdioxide-emissies van de elektriciteitssector ingevoerd. In Nederland werd een verhandelingsregeling voor NOx-emissies van de industrie gekoppeld aan een vrijwillige verbintenis van de industrie de NOx-intensiteit van het energieverbruik en de totale emissies terug te dringen.

Sommige landen hebben onlangs specifieke prikkels voor milieuvriendelijk gedrag ingevoerd.

Een juiste prijszetting voor water om de volledige kosten te dekken is van essentieel belang voor een duurzaam gebruik van deze hulpbron. Overeenkomstig de kaderrichtlijn voor water speelt prijszetting een toenemende rol in het waterbeleid van verschillende lidstaten. Er zijn echter grote verschillen tussen de lidstaten in de systemen die zij toepassen, en in veel gevallen worden de watervoorzieningsvoorwaarden nog sterk door sectorale subsidies bepaald.

Sommige lidstaten blijven bepaalde energiebronnen zoals steenkool, die een negatieve invloed op het milieu hebben, zwaar subsidiëren. Voorts hebben sommige lidstaten als reactie op de stijgende aardolieprijzen accijnsvrijstellingen aangeboden (Frankrijk, Italië en Nederland) of andere maatregelen genomen om de vervoerkosten te verlagen (België, Duitsland en Finland). In Italië is de geplande stapsgewijze verhoging van de accijnzen in het kader van een milieubelastinghervorming (tijdelijk) opgegeven. Het feit dat de betrokken sectoren een verlaging van de brandstofbelasting en vrijstellingen of afwijkingen van de communautaire wetgeving genieten, waardoor de relatieve prijsstijging voor de sectoren die dergelijke afwijkingen niet hebben gekregen groter wordt, is een argument voor een minder genereuze aanpak bij het toestaan van dergelijke maatregelen. Onlangs heeft de Raad ECOFIN op zijn vergadering van februari 2001 nota genomen van het voornemen van de Commissie geen verdere verlenging van de afwijkingen ten voordele van het wegvervoer na 2002 voor te stellen.

Wat betreft de derde aanbeveling, een akkoord te bereiken over een energiebelasting op Europees niveau, zijn geen vorderingen gemaakt.

VERSLAG VAN DE COMMISSIE

over de tenuitvoerlegging van de globale richtsnoeren voor het economisch beleid 2000

Statistische bijlage

inhoud

Grafieken

1 Economische ontwikkelingen in de EU

2. Beleidsmix in de eurozone

3. Uitgaven voor openbaar onderwijs en O&O in 1997

4. Toegang tot internet

5. Overheidsopdrachten en sectorale en ad hoc staatssteun

6. Procentuele verandering van de telecommunicatieprijzen tussen 1997 en 2000

7. Procentuele verandering van de elektriciteitsprijzen tussen januari 1996 en juli 2000

8. Vermogensfinanciering in de EU

9. Arbeidsmarktsituatie in de EU

Tabellen

1 Ramingen van de begrotingssaldi voor 2000

2. Werkelijke en voor conjunctuur gecorrigeerde begrotingssaldi 2000

3. Prognoses van algemeen begrotingsoverschot(+)/tekort(-)

4. Loonontwikkelingen in 2000

>REFERENTIE NAAR EEN GRAFIEK>

>REFERENTIE NAAR EEN GRAFIEK>

>REFERENTIE NAAR EEN GRAFIEK>

>REFERENTIE NAAR EEN GRAFIEK>

>REFERENTIE NAAR EEN GRAFIEK>

>REFERENTIE NAAR EEN GRAFIEK>

>REFERENTIE NAAR EEN GRAFIEK>

>REFERENTIE NAAR EEN GRAFIEK>

>REFERENTIE NAAR EEN GRAFIEK>

>REFERENTIE NAAR EEN GRAFIEK>

>REFERENTIE NAAR EEN GRAFIEK>

>REFERENTIE NAAR EEN GRAFIEK>