52001AE1488

Advies van het Economisch en Sociaal Comité over de "Ontwerpmededeling van de Commissie betreffende het niet opleggen of verminderen van geldboeten in zaken betreffende mededingingsregelingen"

Publicatieblad Nr. C 048 van 21/02/2002 blz. 0082 - 0085


Advies van het Economisch en Sociaal Comité over de "Ontwerpmededeling van de Commissie betreffende het niet opleggen of verminderen van geldboeten in zaken betreffende mededingingsregelingen"

(2002/C 48/20)

Het Economisch en Sociaal Comité heeft op 18 oktober 2001 besloten, overeenkomstig art. 23, lid 2, van zijn rvo, een advies op te stellen over de "Ontwerpmededeling van de Commissie betreffende het niet opleggen of verminderen van geldboeten in zaken betreffende mededingingsregelingen"

De afdeling "Interne markt, productie en consumptie", die met de voorbereiding van de desbetreffende werkzaamheden was belast, heeft haar advies op 21 november 2001 goedgekeurd. Rapporteur was de heer Sepi.

Het Economisch en Sociaal Comité heeft tijdens zijn 386e zitting (vergadering van 29 november 2001) het volgende advies uitgebracht, dat met 52 stemmen vóór en zes stemmen tegen, bij tien onthoudingen, is goedgekeurd.

1. Inleiding

1.1. Het Comité heeft zich gebogen over bovenstaande ontwerpmededeling waarin de Commissie uiteenzet hoe de boeten van ondernemingen die geheime afspraken tussen ondernemingen waarmee de mededingingsregels worden overtreden (kartels) aan de kaak stellen, kunnen worden kwijtgescholden of verlaagd.

1.2. Met dit ontwerp voor een nieuwe mededeling - die in de plaats moet komen van de over dit vraagstuk uitgevaardigde Mededeling van 1996(1) - wil de Commissie bedoelde instrumenten op doeltreffender wijze inzetten tegen een handelwijze die nog steeds als de ernstigste overtreding van de mededingingsregels wordt beschouwd.

2. Grote lijnen van de ontwerpmededeling

2.1. De Commissie is ervan overtuigd dat uit geheime afspraken tussen ondernemingen voortvloeiende mededingingsbeperkende maatregelen op den duur tot prijsverhoging en inkrimping van de keuzemogelijkheden leiden en nadelig zijn voor het Europese bedrijfsleven. Ondernemingen die geheime afspraken maken, ontkomen immers aan de druk van de markt die anders een prikkel tot innovatie zou vormen, drijven de prijzen van grondstoffen op en beïnvloeden de werkgelegenheid in ongunstige zin.

2.2. Volgens de Commissie komt het voor dat bedrijven zich wel aan die afspraken zouden willen onttrekken en van die afspraken bij haar aangifte zouden willen doen, maar daarvan afzien uit beduchtheid voor het risico dat zij hoge boeten krijgen opgelegd. Nu de Mededeling van 1996 inmiddels vijf jaar van toepassing is, beschikt de Commissie over voldoende praktijkervaring om daarop ingrijpende wijzigingen te kunnen voorstellen, waarbij wordt uitgegaan van criteria als transparantie en zekerheid over de voorwaarden, alsook van een nauwer verband tussen de mate waarin de boeten worden verminderd en het belang van de door de betrokken onderneming geboden medewerking. Dergelijke verminderingen zullen uitsluitend worden toegestaan in het geval van ondernemingen die significante bewijsstukken voorleggen.

2.3. Alles welbeschouwd acht de Commissie het voordeel hiervan voor burgers en consumenten groter dan het belang dat de EU heeft bij het beboeten van ondernemingen die het mogelijk maken om illegale praktijken aan het licht te brengen. Daarom heeft de Commissie deze ontwerpmededeling betreffende het niet opleggen of verminderen van geldboeten opgesteld, met dien verstande dat

- deze nieuwe mededeling die van 1996 moet vervangen en dat daarin vervolgens - nadat er lang genoeg praktijkervaring mee is opgedaan - opnieuw wijzigingen kunnen worden aangebracht;

- deze gunstige behandeling in ieder stadium van de procedure weer kan worden gestopt, zodra ondernemingen niet langer aan de gestelde voorwaarden voldoen;

- de mate van samenwerking slechts één van de factoren is waarmee de Commissie rekening zal houden, en dat kortingen op de boeten dus ook om andere redenen kunnen worden toegekend;

- de Commissie over ondernemingen die voor deze gunstige behandeling in aanmerking komen, maar daarom nog niet van hun juridische/wettelijke aansprakelijkheid zijn bevrijd, krachtens art. 81, lid 1, van het Verdrag een besluit neemt waarin precies uit de doeken wordt gedaan welke rol de betrokken onderneming in de onrechtmatige praktijk heeft gespeeld en het niet- opleggen of verlagen van de boete met redenen wordt omkleed.

2.4. Immuniteit tegen geldboeten

2.4.1. De Commissie zal geen boete opleggen in het geval een onderneming een geheime afspraak als eerste bij haar aanmeldt, vermits aan de volgende voorwaarden is voldaan:

- er moeten bewijsstukken worden geleverd en gegevens worden bekend gemaakt waardoor een controle op de naleving van de EU-regelgeving mogelijk wordt;

- de betrokken onderneming mag geen enkel bewijsstuk of gegeven achterhouden;

- de betrokken onderneming moet vanaf het tijdstip van de aangifte iedere deelname aan de geheime kartelafspraak beïndigen;

- de betrokken onderneming mag geen enkele andere onderneming ertoe hebben gedwongen tot het kartel toe te treden.

2.5. Verlaging van de boete

2.5.1. Als de Commissie een onderneming voorwaardelijk immuniteit tegen geldboeten heeft verleend of als bij haar de verdenking van een geheime kartelafspraak bestaat, dan kunnen andere ondernemingen nog in aanmerking komen voor verlaging van boeten. Een onderneming moet daartoe dan bewijsstukken leveren die de Commissie daadwerkelijk een extra wapen in handen geven. Die reële "toegevoegde bewijswaarde" houdt in dat het informatie moet zijn die de doorslag geeft bij het aantonen dat daadwerkelijk sprake is van een geheime afspraak. De verlaging van de verschuldigde boete kan gaan van 20 tot 50 %: de mate waarin het bedrag wordt verlaagd, hangt af van het tijdstip waarop de informatie is gegeven en de grootte van de reële "toegevoegde bewijswaarde" daarvan.

2.6. Procedure

2.6.1. In beide gevallen (immuniteit tegen en verlaging van de geldboete) omvat de te volgen procedure in ieder geval de schriftelijke bevestiging van de ontvangst van de aanvraag, de omschrijving van de vermeende inbreuk, informatie over het aantal bedrijven dat aan het kartel deelneemt en de namen van die bedrijven, en een aanduiding van de omvang van de door de aangemelde geheime afspraak bestreken markt.

3. Algemene opmerkingen

3.1. Het bewijs van een onrechtmatige afspraak is nooit gemakkelijk te leveren. Door het voor ondernemingen mogelijk te maken zich onder kwijtschelding of verlaging van de boete aan illegale praktijken te onttrekken, wordt het opsporen daarvan gemakkelijker gemaakt. Bovendien kan deze maatregel een reden vormen voor andere ondernemingen om van het sluiten van nieuwe geheime afspraken af te zien.

3.1.1. Daarbij moeten het Comité echter twee waarschuwingen van het hart. Ook dringt het aan op de wijziging van de regeling op twee punten waar het aangeven van geheime afspraken juist minder aantrekkelijk wordt gemaakt.

3.1.2. Zo is het in de eerste plaats zaak de "beloning" van overtreders te beperken tot wat absoluut noodzakelijk is om geheime afspraken te kunnen opsporen en tegen te kunnen gaan. Het is immers in het algemeen belang dat overtredingen van de mededingingsregels worden bestraft. Daarom mag de voorgestelde regeling alleen worden toegepast als het uit de school klappende bedrijf werkelijk voldoende bewijsstukken levert om de Commissie in staat te stellen het bestaan van de geheime afspraak aan te tonen en de overtreders te bestraffen.

3.1.3. Daarnaast is het volgens het Comité belangrijk om zorgvuldig na te gaan of de aangiften volledig zijn, c.q. daadwerkelijk alle bewijsstukken bevatten die het uit de school klappende bedrijf ter beschikking staan.

3.2. In vergelijking met de regeling van de Mededeling van 1996 vertoont onderhavig ontwerp enkele lacunes waardoor de nieuwe regeling aan doeltreffendheid kan inboeten.

3.2.1. Zo wordt in dit ontwerp de voorwaarde gesteld dat de Commissie op het tijdstip van aangifte niet op de hoogte is van de onrechtmatige afspraak, terwijl in de Mededeling van 1996 ook het geval genoemd wordt dat de Commissie over onvoldoende gegevens beschikt om het bestaan van het kartel te kunnen aantonen.

3.2.2. Die nieuwe voorwaarde beperkt uiteraard het aantal gevallen van immuniteit, waardoor het voor ondernemingen dus ook minder aantrekkelijk wordt om geheime afspraken aan te geven. Daarom pleit het Comité ervoor dat de versie van de Mededeling van 1996 wordt aangehouden.

3.2.3. Ook de voorwaarde waaronder tot verlaging van de geldboete kan worden overgegaan, is in onderhavig ontwerp stringenter dan in de Mededeling van 1996: terwijl het in die Mededeling voldoende was, "inlichtingen dan wel schriftelijke of andere stukken te verstrekken die bijdragen tot het bewijs van het bestaan van de inbreuk", moet er volgens dit ontwerp "bewijsmateriaal" worden overgedragen. De Commissie geeft evenwel niet aan wat zij precies onder "bewijsmateriaal" verstaat.

3.2.4. Opnieuw zal de prikkel om geheime afspraken aan te geven, dus minder groot worden. Ook hier weer zou volgens het Comité moeten worden vastgehouden aan de versie van de Mededeling van 1996 of zou nader moeten worden aangegeven welke soorten bewijsstrukken moeten worden geleverd om in aanmerking te komen voor een verlaging van de boete.

3.3. Ten slotte moet in de nieuwe mededeling duidelijker worden gewezen op de bereidheid om, àls een geheime afspraak eenmaal na de nodige controles door de Commissie is bekend gemaakt, met het oog op de juridische consequenties daarvan, nuttige gegevens te verschaffen waardoor de onderneming die de geheime afspraak heeft aangegeven, in een betere positie komt te staan tegenover derden die deze onderneming kunnen aanklagen wegens ondervonden schade.

Brussel, 29 november 2001.

De voorzitter

van het Economisch en Sociaal Comité

G. Frerichs

(1) PB C 207 van 18.7.1996, blz. 4.

BIJLAGE

bij het advies van het Economisch en Sociaal Comité

Het hiernavolgende wijzigingsvoorstel is verworpen in weerwil van het feit dat meer dan een kwart van de ingebrachte stemmen vóór dit wijzigingsvoorstel was.

Paragrafen 3.1.2 en 3.1.3

Beide paragrafen schrappen.

Motivering

De suggesties stroken niet met het doel van de nieuwe Commissiemededeling, t.w. de voorspelbaarheid voor ondernemingen te verhogen, waardoor zij eerder bereid zouden zijn om mee te werken aan het onthullen en ontmantelen van kartels. Het is niet helemaal duidelijk wat de bedoeling is met par. 3.1.2, maar wat in 3.1.3 wordt voorgesteld kan onmogelijk door de Commissie worden uitgevoerd c.q. maakt het voor de onderneming onmogelijk te beoordelen of zij kan rekenen op immuniteit of verlaging van de boete wanneer zij overweegt de Commissie in kennis te stellen van een kartel waaraan zij heeft deelgenomen.

Uitslag van de stemming

Vóór: 23, tegen: 28, onthoudingen: 4.