52001AE1318

Advies van het Economisch en Sociaal Comité over het "Voorstel voor een verordening van de Raad houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector schapen- en geitenvlees"

Publicatieblad Nr. C 036 van 08/02/2002 blz. 0048 - 0051


Advies van het Economisch en Sociaal Comité over het "Voorstel voor een verordening van de Raad houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector schapen- en geitenvlees"

(2002/C 36/10)

De Raad heeft op 22 mei 2001 besloten, overeenkomstig de bepalingen van de artikelen 36 en 37 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, het Economisch en Sociaal Comité te raadplegen over het voornoemde voorstel.

De afdeling "Landbouw, plattelandsontwikkeling, milieu", die met de voorbereiding van de desbetreffende werkzaamheden was belast, heeft haar advies op 27 september 2001 goedgekeurd. Rapporteur was de heer de las Heras Cabañas.

Het Economisch en Sociaal Comité heeft tijdens zijn 385e zitting op 17 en 18 oktober 2001 (vergadering van 17 oktober 2001) het volgende advies uitgebracht, dat met 75 stemmen vóór, bij 10 onthoudingen, werd goedgekeurd.

1. Samenvatting van het voorstel van de Commissie

1.1. De Commissie stelt een aantal ingrijpende wijzigingen van de GMO voor, waarvan de belangrijkste betrekking heeft op de gedachte achter de steun aan de producent. De nieuwe premie is niet langer bedoeld ter compensatie of vervanging van het inkomen van de producent, maar bestaat in een vast bedrag dat ongeacht het resultaat van elk verkoopseizoen wordt toegekend.

1.2. De belangrijkste wijzigingen zijn:

1.2.1. Vaststelling van een vaste premie van 21 EUR voor zware ooien en 16,8 EUR voor lichte ooien en geiten (voor vleesproductie), en instandhouding van een verschil van 20 % tussen de premies.

1.2.2. Verhoging van de "plattelandspremie"(1), die wordt omgedoopt tot "aanvullende premie", tot 7 EUR, waardoor het verschil tussen houders van zware en lichte lammeren komt te vervallen. Behalve veehouders in achtergestelde gebieden komen ook bepaalde verweidende producenten voor deze aanvullende premie in aanmerking.

1.2.3. Producenten die melk en melkproducten verkopen komen niet langer in aanmerking voor een premie voor zware lammeren, ook al wordt minstens 40 % van de in hun bedrijf geboren lammeren vetgemest.

1.2.4. Vaststelling van een gegarandeerde minimumhoeveelheid per lidstaat, uitgaande van de som van de individuele rechten die vóór de hervorming van kracht waren.

1.2.5. Behoud van de steun voor particuliere opslag als interventiemaatregel.

2. Algemene opmerkingen·

Algemene marktvisie

2.1. Externe dimensie: de EU voorziet zelf in ongeveer 80 % van de behoefte aan schapen- en geitenvlees, de rest wordt ingevoerd. Het merendeel van de import is vrijgesteld van rechten. Daarvan komt 226700 ton uit Nieuw-Zeeland, 23000 ton uit Argentinië en 18650 ton uit Australië; dit zijn maxima. Toetreding van de landen van Oost-Europa zal geen grote gevolgen hebben voor de GMO, omdat de productie in deze landen sterk is gedaald en zij bovendien ook weinig schapen- en geitenvlees consumeren (met uitzondering van Roemenië en Bulgarije). Bij de toetredingsonderhandelingen zal rekening worden gehouden met het huidige productiepeil van elke kandidaat-lidstaat. De aandacht zal hierbij vooral uitgaan naar Roemenië en Bulgarije omdat deze landen als enige hun contingent voor export naar de EU met vrijstelling van rechten volledig benutten (Roemenië 8050 ton en Bulgarije 7000 ton). De andere kandidaat-lidstaten genieten weliswaar ook vrijstelling van rechten maar benutten hun contingent niet volledig: Polen 9200 ton, Hongarije 14832,5 ton en de Republiek Tsjechië 2150 ton.·

Situatie in de EU

2.2. Volgens de huidige GMO hebben producenten van schapen- en geitenvlees elk verkoopseizoen recht op een compensatie van hun inkomensverlies; deze steun is gebaseerd op de marktprijs binnen de EU. De filosofie hierachter is van fundamenteel belang, omdat de huidige premie de producenten van schapen- en geitenvlees schadeloos stelt voor het eventuele verlies van koopkracht en inkomen bij een daling van de marktprijs. De Commissie stelt nu voor een forfaitaire betaling van 21 EUR per ooi in te voeren, ongeacht de - gunstige of ongunstige - situatie in de sector. Het Comité acht dit bedrag evenwel volstrekt ontoereikend; op deze manier kunnen de inkomsten van de producenten van schapen- en geitenvlees immers onmogelijk op één lijn worden gebracht met die van andere veehouders.

2.3. De producent van schapen- en geitenvlees is er de laatste tien jaar, ondanks de toepassing van de huidige GMO, op achteruit gegaan. Het gemiddelde inkomen in deze sector blijft onder dat van de andere veehouders liggen. Dit inkomensverlies is niet het gevolg van een fout compensatiebeleid, maar wel van het feit dat de middelen om dit beleid ten uitvoer te leggen ontoereikend zijn.

2.3.1. Momenteel wordt de basisprijs jaarlijks berekend aan de hand van de marktsituatie in het desbetreffende jaar, de verwachtingen inzake de ontwikkeling van de productie en de consumptie van schapen- en geitenvlees, de productiekosten, de marktsituatie in de rest van de veehouderij, m.n. de rundvleessector, en de opgedane ervaring. De basisprijs is sinds de goedkeuring van deze GMO, in 1998, niet aangepast; in feite is de prijs al sinds 1993 niet meer gewijzigd. Daardoor is het inkomen van de schapen- en geitenhouders erop achteruit gegaan. De productiviteitsstijging die in andere sectoren voor een - althans gedeeltelijke - compensatie van de kostenstijgingen heeft gezorgd, is in de sector schapen- en geitenvlees immers uitgebleven. Zo is het verschil in opbrengsten tussen deze en andere sectoren nog gestegen, in plaats van afgenomen.

2.3.2. De coëfficiënt die ter reductie van de basisprijs wordt toegepast, en zo'n 7 % bedraagt, is tot op heden ongewijzigd gebleven, waardoor de premie die de veehouder uiteindelijk ontvangt met ongeveer 25 % is gedaald.

2.3.3. Een vergelijking (uitgedrukt in euro/GVE) van de premie voor zoogkoeien met de uniforme premie die de Commissie wil invoeren toont aan dat de schapen- en geitenhouders in 2002 tot 30 % minder zouden krijgen dan de zoogkoeienhouders. Deze vergelijking kan worden gemaakt omdat het productiemodel voor zoogkoeien bijzonder veel gelijkenis vertoont met dat voor schapen en geiten. Komt er geen verandering in deze situatie, dan zal het erg moeilijk zijn om de inkomsten van schapen- en geitenhouders op één lijn te brengen met die van andere veehouders.

2.4. Een passende vergoeding voor deze productiesector, waarmee inkomensverlies wordt tegengegaan, zal ook de industrie en de handel ten goede komen. Het gaat hier tenslotte om een product dat voldoet aan een reeks vereisten waar de consument en de maatschappij in het algemeen steeds sterker op gaan aandringen.

2.5. Het Comité is van mening dat de producenten van lichte lammeren (die voor hun melk worden gehouden) en van geitenvlees recht hebben op de volledige premie die aan producenten van zware lammeren wordt verstrekt. Houders van zoogkoeien ontvangen immers ook een volledige premie, op voorwaarde dat hun melkproductie een jaarlijks door de lidstaat vast te stellen hoeveelheid niet overschrijdt. Voor melkschapen moet een soortgelijke maatregel worden ingevoerd, zodat de producenten tot een maximum aantal dieren in aanmerking komen voor de premie, zonder dat zij hun productie dienen terug te schroeven. Op die manier zou het multifunctionele karakter van dit soort bedrijven worden erkend.

2.6. Gezien de kwetsbaarheid van deze sector zou het verstandig zijn de hoogte van de premie regelmatig te herzien en deze aan te passen aan de situatie in de sector. Het is niet raadzaam de premie al tot in 2006 vast te leggen, omdat het inkomen van de producent dan weer zou gaan teruglopen.

2.7. Een andere interventiemaatregel die de Commissie voorstelt, is het behoud van de steun voor particuliere opslag, waarvan het effect in deze sector tot op heden vrijwel nihil is geweest. Gemiddeld bedroeg deze steun om en nabij de 0,15 % van het budget voor de sector. Dit kan grotendeels worden toegeschreven aan de zelfvoorzieningsgraad, die 80 % bedraagt, en aan het feit dat deze sector nooit rechtstreeks betrokken is geweest bij een voedselcrisis.

2.8. Indien een vaste premie wordt ingevoerd, en er dus niet langer rekening wordt gehouden met eventueel inkomensverlies tijdens het verkoopseizoen, zal de sector moeilijk kunnen inspelen op negatieve marktontwikkelingen: de beoogde premie staat immers los van de prijsschommelingen. De recente voedselcrises gaven echter telkens een abrupte daling van het marktaandeel te zien. Daarom moet, behalve aan de maatregelen die de Commissie in artikel 26 van haar voorstel aanhaalt, worden gedacht aan een mechanisme dat automatisch in werking treedt en waarmee de bestaande premie wordt aangevuld zodra zich een marktsituatie voordoet waarbij de prijs onder een bepaalde grens- of referentiewaarde zakt.

2.9. Er moet meer onderzoek worden verricht naar een identificatie- en registratiesysteem voor alle afzonderlijke dieren, zodat het hele traject van producent tot consument kan worden nagetrokken. Doel hiervan is inzicht te verschaffen in de productie- en verhandelingsmethoden van schapen- en geitenvlees, om zo de consumptie positief te beïnvloeden door het vertrouwen van de consumenten te versterken en mogelijke fraude of misbruik te voorkomen. In zijn meest recente adviezen over voedselveiligheid en traceerbaarheid heeft het Comité daarom gepleit voor het wijdverbreid gebruik van een dergelijk systeem. Het hecht dan ook groot belang aan de tenuitvoerlegging van Richtlijn 92/102/EEG(2), waarmee de identificatie en registratie van dieren - onmisbaar voor de volledige traceerbaarheid - gemakkelijker wordt, mede door het gebruik van nieuwe technologieën (bijvoorbeeld door elektronische identificatie).

2.10. Het Comité stelt voor in de GMO/schapen- en geitenvlees een grotere rol toe te kennen aan de producentenorganisaties, en de veehouders aan te moedigen hun producten via deze organisaties op de markt te brengen. Deze producentenorganisaties kunnen een positief effect hebben op de uitvoering van het beleid voor productkwaliteitsverbetering, de traceerbaarheid van producten bevorderen, milieuvriendelijke praktijken stimuleren en de preventie van epizoötieën verbeteren.·

Plattelandsontwikkeling

2.11. Hoewel het aandeel van schapen- en geitenvlees in de totale vleesproductie weinig significant is (slechts 10 % van de varkensvleesproductie en 12 % van de rundvleesproductie), is deze sector wel van groot belang voor het platteland - en daarin geeft het Comité de Commissie gelijk - omdat de schapen- en geitenhouders zich vooral bevinden in bergachtige en achtergebleven gebieden, waar ongeveer 80 % van de steun naar toe gaat. Om de veehouders ervan te weerhouden uit deze gebieden weg te trekken, zou de aanvullende premie dan ook hoger moeten liggen dan het door de Commissie voorgestelde bedrag.

2.12. De producenten van schapen- en geitenvlees die in deze probleemgebieden actief zijn staan in voor de instandhouding van de plattelandsbevolking, zodat het platteland leefbaar blijft. Zij vervullen een sociale functie die veel verder gaat dan productie alleen. Hun productiewijze zorgt voor de instandhouding van de plattelandsstructuur in gebieden die serieus met leegloop worden bedreigd. De bevolkingsdichtheid in deze EU-regio's bedraagt nog geen 80 inwoners per km2, en in het Middellandse-Zeegebied (waar meer dan 90 % van het geitenvlees en, samen met het Verenigd Koninkrijk, meer dan 80 % van het schapenvlees wordt geproduceerd) zelfs minder dan 25 inwoners per km2. De schragende functie van deze sector, die bovendien de bevolking op peil houdt, moet worden erkend door de aanvullende premie - voorheen "plattelandspremie" - te verhogen. Bovendien is het houden van schapen en geiten in deze regio's van belang voor andere plattelandsactiviteiten, zoals het plattelandstoerisme.·

Milieu

2.13. Milieubehoud speelt een fundamentele rol bij deze extensieve productiemethoden. De schapen- en geitenhouders bewijzen de maatschappij derhalve een dienst en moeten een redelijke vergoeding krijgen voor hun waardevolle bijdrage aan het behoud van het milieu. Het weiden van vee in laag- en hooggebergte zorgt ervoor dat bosbranden zich niet zo gemakkelijk kunnen verspreiden en stimuleert nieuwe aanwas, zonder dat de biodiversiteit verloren gaat. Bovendien kan rationele begrazing ook erosie en verdichting tegengaan, en zo degradatie van de bodem voorkomen.

2.13.1. Het systeem van extensieve productie is niet alleen een milieuvriendelijk productiemodel maar het garandeert ook voedselveiligheid en dierenwelzijn, omdat de schapen en geiten grazen in de natuur en dus niet kunstmatig worden vetgemest. Om het voortbestaan van dit model te garanderen moet de producent een vergoeding ontvangen die is afgestemd op de functie die hij vervult.

2.13.2. Indien het Commissievoorstel ongewijzigd wordt goedgekeurd, loopt het huidige productiesysteem een zeer groot risico te worden ingeruild tegen andere, intensieve systemen, waarbij de producenten voornamelijk kostenverlaging nastreven en alle eerder beschreven doelstellingen aan hun laars lappen.

3. Bijzondere opmerkingen

3.1. Volgens het huidige systeem heeft de veehouder recht op een premie in functie van zijn inkomensverlies, zodat hij op een aanvaardbaar inkomensniveau kan rekenen. Vervanging van dit systeem door een vaste premie heeft een reeks nadelen. Beter zou zijn het huidige systeem te verbeteren door de onvolkomenheden ervan die de voorbij jaren aan het licht zijn gekomen weg te werken. Met een vaste premie alleen is het bijzonder moeilijk inkomensverlies te compenseren, tenzij het om een voldoende hoog bedrag gaat, dat wordt gecombineerd met een vangnet voor crisissituaties.

3.2. Met de invoering van een vaste premie zou de bureaucratische rompslomp beperkt worden en zouden de bevoegde autoriteiten een en ander scherper kunnen controleren. Bovendien zouden de complexe berekeningen wegvallen en zou de veehouder een betere kijk krijgen op het komende verkoopseizoen. Dit alles neemt echter niet weg dat een vangnet nodig zou zijn om het inkomensverlies van de veehouders in crisissituaties te compenseren. De invoering van een vaste premie, die los staat van de marktsituatie, dreigt het inkomen van de producenten in tijden van crisis immers drastisch lager te doen uitvallen.

3.3. De door de Commissie voorgestelde premies zijn ontoereikend in het licht van de huidige situatie in de sector schapen- en geitenvlees. De uitgekeerde bedragen moeten hoog genoeg zijn om het inkomen van de producenten blijvend op één lijn te brengen met het inkomen van de andere veehouders, zodat de algemene doelstelling van samenhang in de achtergebleven plattelandsgebieden weer een stap dichterbij komt.

3.4. Hoewel de WTO geen voorstander is van steun gebonden aan prijzen of productie, mag dat geen voorwendsel zijn om de huidige GMO voor schapen- en geitenvlees te veranderen. Er mag niet aan deze regeling worden geraakt zolang de producenten niet op een behoorlijk inkomen kunnen rekenen.

4. Conclusies

4.1. Het Comité wijst erop dat de sector schapen- en geitenvlees bijzonder kwetsbaar is, wat niet alleen te wijten is aan de marktsituatie, maar ook verband houdt met het feit dat deze productie niet los te denken is van belangrijke vraagstukken als het milieu, plattelandsontwikkeling, voedselveiligheid en het welzijn van dieren. Het gemeenschappelijk landbouwbeleid is het aan zichzelf verplicht dergelijke cruciale waarden te steunen, en wel op een veel doeltreffendere en soepelere manier.

4.2. Het Comité is derhalve van oordeel dat in het kader van de hervorming van de GMO schapen- en geitenvlees de nodige budgettaire middelen moeten worden uitgetrokken om de door de Commissie voorgestelde premies te verhogen. De steunbedragen moeten worden aangepast aan de huidige situatie in de sector en voor de producenten een stimulans vormen om hun activiteiten voort te zetten. Een en ander houdt in dat het inkomen van de schapen- en geitenhouders wordt aangevuld tot een peil dat overeenkomt met de sociale functie die zij vervullen.

4.3. Ten slotte dient in de verordening van de Raad ook te worden verwezen naar de invoering van een vangnet, waardoor de producenten bij een crisis automatisch kunnen rekenen op een inkomenscompensatie. Aangezien het om een toch al kwetsbare sector gaat zou een crisissituatie ertoe kunnen leiden dat een groot aantal veehouders van het toneel verdwijnt, met alle gevolgen van dien.

Brussel, 17 oktober 2001.

De voorzitter

van het Economisch en Sociaal Comité

G. Frerichs

(1) Steun voor producenten in achtergestelde gebieden volgens het bepaalde in Verordening (EEG) nr. 3493/90 van de Raad.

(2) PB L 355 van 5.12.1992 en Verslag van de Commissie over de identificatie en registratie van dieren (COM(98) 207 def.).