52001AE0518

Advies van het Economisch en Sociaal Comité over het "Voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Richtlijn 79/267/EEG van de Raad op het gebied van de solvabiliteitsmargevereisten voor levensverzekeringsondernemingen"

Publicatieblad Nr. C 193 van 10/07/2001 blz. 0021 - 0026


Advies van het Economisch en Sociaal Comité over het "Voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Richtlijn 79/267/EEG van de Raad op het gebied van de solvabiliteitsmargevereisten voor levensverzekeringsondernemingen"

(2001/C 193/04)

De Raad heeft op 13 december 2000 besloten, overeenkomstig artikel 262 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, het Economisch en Sociaal Comité te raadplegen over het voornoemde voorstel.

De afdeling "Interne markt, productie en consumptie", die met de voorbereiding van de desbetreffende werkzaamheden was belast, heeft haar advies op 10 april 2001 goedgekeurd. Rapporteur was de heer Pelletier, corapporteur was de heer Vaucoret.

Het Economisch en Sociaal Comité heeft tijdens zijn 381e zitting van 25 en 26 april 2001 (vergadering van 25 april) het volgende advies uitgebracht, dat met algemene stemmen werd goedgekeurd.

1. Inleiding

1.1. De solvabiliteitsmarge is een van de belangrijkste elementen van het prudentiële toezicht op verzekeringsondernemingen. Deze marge garandeert de financiële soliditeit van de ondernemingen en daarmee ook hun vermogen om aan hun verplichtingen te voldoen in het geval van onvoorziene risico's. De voorschriften inzake de solvabiliteitsmarge behoren tot de oudste onderdelen van de Europese harmonisatie inzake het verzekeringsbedrijf en zijn al terug te vinden in de eerste richtlijnen inzake levens- en schadeverzekering(1). Omdat het inmiddels noodzakelijk is geworden om de desbetreffende bepalingen te moderniseren, heeft de Commissie twee ontwerprichtlijnen ingediend(2).

1.2. Doel van de twee ontwerprichtlijnen is, door aanscherping van de voorschriften inzake de solvabiliteitsmarge van levensverzekeringsondernemingen de verzekeringsnemers een betere bescherming te bieden. Beide voorstellen bevatten tal van gemeenschappelijke bepalingen.

1.3. De ontwerprichtlijnen bevatten uitsluitend beginselen en voorschriften voor het bepalen van de solvabiliteitsmarge; andere elementen die ook bijdragen tot de solvabiliteit van een onderneming in meer algemene zin, zoals conservatief geschatte technische voorzieningen en adequaat belegde activa, komen niet aan de orde.

2. Voorgeschiedenis

2.1. In de eerste schadeverzekeringsrichtlijn van 24 juli 1973 (73/239/EEG) en in de eerste levensverzekeringsrichtlijn van 5 maart 1979 (79/267/EEG) werden solvabiliteitsmargevereisten vastgelegd.

2.2. In Richtlijn 92/49/EEG van 18 juni 1992 (derde schadeverzekeringsrichtlijn)(3) en Richtlijn 92/96/EEG van de Raad van 10 november 1992 (derde levensverzekeringsrichtlijn)(4) zijn de margevereisten niet gewijzigd omdat de vaststelling van de richtlijnen daardoor achterstand zou hebben opgelopen. Aangezien dergelijke wijzigingen toch noodzakelijk zouden kunnen blijken, heeft de communautaire wetgever een bepaling opgenomen in respectievelijk artikel 25 en artikel 26 van beide richtlijnen, waarbij de Commissie ertoe werd verplicht "het comité voor het verzekeringswezen een verslag over te leggen betreffende de noodzaak van verdere harmonisatie van de solvabiliteitsmarge".

2.3. Vervolgens heeft de Conferentie van Verzekeringstoezichthouders van de lidstaten van de Europese Unie onder voorzitterschap van de heer Müller een verslag uitgebracht over de solvabiliteit van verzekeringsondernemingen, het zogeheten "verslag van de groep Müller". In april 1997 heeft de Conferentie van Verzekeringstoezichthouders haar instemming betuigd met dit verslag. In het eindverslag van de Europese Commissie van 24 juli 1997(5), dat sterk gebaseerd was op het verslag van de groep Müller, werd geconcludeerd dat een eventuele verbetering van de solvabiliteitsmarge noodzakelijk was.

2.4. Sedert medio 1997 heeft de Commissie vervolgens gewerkt aan de voorstellen die zij op 25 oktober 2000 heeft voorgelegd.

2.5. Op langere termijn, wanneer de verslagen over de toepassing van de ontwerprichtlijnen beschikbaar zijn, is het de bedoeling om tot een grondige herziening van de modaliteiten voor het analyseren van de algemene financiële situatie van verzekeringsondernemingen over te gaan. Deze exercitie wordt "Solvabiliteit II" genoemd.

3. Algemene opmerkingen

3.1. Het Economisch en Sociaal Comité is van mening dat de Commissie bij de totstandkoming van het "Solvabiliteit I-pakket" wat de consultatie van de beroepsorganisaties betreft op voorbeeldige wijze te werk is gegaan: deze organisaties (o.m. het CEA, de ACME, de AISAM(6) en de Groupe Consultatif van Europese actuarissen) worden namelijk al vanaf februari 1996 consequent geraadpleegd.

3.2. De belangrijkste wijzigingen betreffen de volgende zeven punten:

3.2.1. De nieuwe richtlijnen zullen slechts van toepassing zijn op onderlinge maatschappijen waarvan de jaarlijkse premieontvangsten meer dan 5 miljoen euro bedragen, tegen 0,5 miljoen euro voor levensverzekeringsondernemingen en 1 miljoen euro voor schadeverzekeringsondernemingen nú. Onderlinge maatschappijen waarvan de premieontvangsten beneden deze drempel liggen, zouden niet in aanmerking komen voor een "Europees paspoort" en zouden onderworpen blijven aan de nationale prudentiële voorschriften. Niettemin kunnen maatschappijen waarvan de premieontvangsten beneden deze drempel liggen, maar die voldoen aan de solvabiliteitsvereisten, op hun verzoek onder het toepassingsgebied van de richtlijnen komen te vallen en zo ook in aanmerking komen voor een "Europees paspoort".

3.2.2. Het minimumgarantiefonds wordt opgetrokken en zal in de toekomst aan de inflatieontwikkeling worden aangepast.

3.2.3. Volgens de ontwerprichtlijn krijgen levensverzekeraars het recht om in de beschikbare solvabiliteitsmarge 50 % van de toekomstige winsten in aanmerking te nemen; deze winsten zouden niet langer, zoals thans het geval is, op retrospectieve wijze worden geschat, maar op prospectieve wijze voor de komende zes jaar. Ter rechtvaardiging van de in aanmerking genomen toekomstige winsten moet bovendien een actuarieel verslag worden overgelegd, terwijl de geschatte jaarwinst niet meer mag bedragen dan het rekenkundig gemiddelde van de winsten van de afgelopen vijf boekjaren.

3.2.4. Wat de voor de berekening van de solvabiliteitsmarge in aanmerking komende bestanddelen betreft, wil de Commissie voor cumulatief preferente aandelen, achtergestelde leningen en effecten met een looptijd van onbepaalde duur bepaalde beperkingen introduceren, terwijl inaanmerkingneming van het niet-gestorte deel van het maatschappelijk kapitaal of van het waarborgkapitaal slechts met instemming van de toezichthouders en tot maximaal 50 % is toegestaan. Tevens zouden de ondernemingen niet langer het recht hebben om eigen aandelen die zij rechtstreeks aanhouden, in de solvabiliteitsmarge mee te rekenen; evenmin mogen zij nog langer overgaan tot discontering van technische voorzieningen in het schadeverzekeringsbedrijf (tot nog toe mochten de lidstaten, conform artikel 60, lid 1, sub g) van Richtlijn 91/674/EEG toestemming geven voor een expliciete discontering op basis van de beleggingsopbrengsten)(7). Ook voor de inaanmerkingneming van suppletiebijdragen die onderlinge maatschappijen in het schadeverzekeringsbedrijf van hun leden kunnen eisen, is toestemming van de toezichthouders nodig. Tot slot zij opgemerkt dat de lijst van bestanddelen die voor opneming in de solvabiliteitsmarge in aanmerking komen, voortaan verdeeld zal zijn in drie gesloten categorieën, terwijl tot nog toe sprake was van open categorieën, hetgeen inhoudt dat andere dan de opgesomde bestanddelen mogen worden meegeteld. Ook moet worden vermeld dat het minimumgarantiefonds alleen nog maar mag zijn samengesteld uit bestanddelen van hogere kwaliteit, dus niet langer de toekomstige winst (hoewel deze mag worden meegerekend bij het bepalen van de solvabiliteitsmarge), en het niet-gestorte deel van het maatschappelijk kapitaal of het waarborgkapitaal. Stille reserves mogen daarentegen wel worden meegeteld mits zij ook zijn meegerekend in de solvabiliteitsmarge.

3.2.5. De wijze van berekening van de vereiste solvabiliteitsmarge zal vooral in het schadeverzekeringsbedrijf aanzienlijk veranderen: de Commissie wil de vereiste solvabiliteitsmarge met 50 % verhogen voor de branches 11, 12 en 13, nl. algemene wettelijke aansprakelijkheid, wettelijke aansprakelijkheid luchtvaartuigen en wettelijke aansprakelijkheid zee- en binnenschepen.

3.2.6. Voorts zal de toezichthouder de bevoegdheid krijgen om preventief op te treden, voordat de beschikbare solvabiliteitsmarge beneden de voorgeschreven norm is gedaald, hetgeen immers de rechten van de verzekerden in het gedrang zou kunnen brengen. De bevoegde autoriteiten kunnen dan van de onderneming verlangen dat deze een financieel saneringsplan voorlegt en/of een hogere solvabiliteitsmarge aanhoudt, en de waardering van bepaalde activa neerwaarts bijstelt.

3.2.7. In de ontwerprichtlijn wordt een einde gemaakt aan de onzekerheid die tot nog toe heerste omtrent de vraag of het de lidstaten vrij zou blijven te staan om strengere regels toe te passen op ondernemingen waaraan zij vergunning verlenen. De Commissie wil de lidstaten op dit punt vrijlaten en stelt in feite dus een "minimumharmonisatie" voor.

3.3. In de ontwerprichtlijnen worden de solvabiliteitsvereisten dus geactualiseerd door het optrekken van diverse drempels: de drempel voor de premieontvangsten waarboven de richtlijnen van toepassing zijn op onderlinge verzekeringsmaatschappijen alsook de minimumwaarde van het waarborgfonds, de drempel voor de premieontvangsten in het kader van de splitsing in twee gedeelten waarop het percentage van respectievelijk 18 en 16 % wordt toegepast voor de berekening van de solvabiliteitseis voor schadeverzekeringsondernemingen, alsook de drempel voor schadegevallen in het kader waarvan ook tot splitsing in twee gedeelten wordt overgegaan en waarbij een percentage van respectievelijk 26 en 23 % wordt toegepast voor de berekening van de solvabiliteitseis. In de ontwerprichtlijnen worden voorts ook de solvabiliteitsregels gepreciseerd: er wordt een uitputtende lijst gegeven van de bestanddelen die in aanmerking mogen worden genomen bij de bepaling van de marge, en de wijze van berekening van de solvabiliteitsmarge voor branches met een zeer variabel risicoprofiel wordt bijgesteld. Tot slot bevorderen de ontwerprichtlijnen de bescherming van de verzekerden doordat toezichthouders de bevoegdheid krijgen om vroegtijdig maatregelen te nemen.

3.4. Om deze drie redenen spreekt het Comité zich positief uit over de ontwerprichtlijnen. Er zijn echter een aantal technische punten die het Comité graag gewijzigd zou zien; hierop wordt in de bijzondere opmerkingen ingegaan. Meer in het algemeen schaart het Comité zich achter de inhoud van de voorgestelde tekst, behalve wat het beginsel van "minimumharmonisatie" betreft.

3.5. Minimumharmonisatie

3.5.1. Volgens de voorstellen mogen de lidstaten, gelet op de specifieke kenmerken van hun nationale markt, strengere regels laten gelden voor ondernemingen waaraan zij vergunning verlenen dan die welke in de richtlijnen zijn vastgelegd. Dit staat duidelijk in de 14e overweging van de voorgestelde schadeverzekeringsrichtlijn en in de 11e overweging van de voorgestelde levensverzekeringsrichtlijn.

3.5.2. Het Comité is zich ervan bewust dat een dergelijke benadering een stap kan zijn in de richting van een interne verzekeringsmarkt, maar acht het volstrekt noodzakelijk dat in de toekomst gestreefd wordt naar een verdergaande harmonisatie. Het Comité is bijzonder ingenomen met een aantal bepalingen in de ontwerprichtlijnen die in die richting gaan, b.v. de voorgestelde schrapping van het voordeel voor ondernemingen die de technische voorzieningen disconteren. Krachtens de voorgestelde minimumharmonisatie zouden sommige ondernemingen door hun toezichthouders evenwel aan strengere regels betreffende de solvabiliteitsmarge kunnen worden onderworpen dan verzekeringsondernemingen in andere lidstaten; als zij aan hogere solvabiliteitseisen moeten voldoen, dan zou dat de kosten van hun eigen vermogen verhogen en dus hun rentabiliteit kunnen aantasten. Dit zou dan neerkomen op een vorm van concurrentievervalsing die indruist tegen het beginsel van faire mededinging in de interne markt. Deze zorg zal nog groter worden met de uitbreiding van de interne markt.

3.5.3. Het Comité is dan ook van mening dat verdere stappen moeten worden gezet wanneer de huidige voorstellen zijn goedgekeurd. Daarbij moet gestreefd worden naar een maximale harmonisatie van de mededingingsvoorschriften om te bereiken dat Europese ondernemingen het verzekeringsbedrijf kunnen uitoefenen onder faire mededingingsomstandigheden en de rechten van de verzekerden worden beschermd.

3.6. Bevoegdheid van toezichthouders om preventieve maatregelen te nemen

3.6.1. De artikelen 20bis van de schadeverzekeringsrichtlijn en 24bis, lid 2 van de levensverzekeringsrichtlijn geven de bevoegde autoriteiten het recht om onmiddellijk op te treden wanneer zij van mening dat de rechten van de verzekerden in het gedrang komen. In die gevallen mogen de bevoegde autoriteiten van de betrokken onderneming een financieel saneringsplan verlangen of een hogere margevereiste opleggen.

3.6.2. Het Comité is in beginsel voor een dergelijke maatregel: als toezichthouders in een vroeg stadium kunnen ingrijpen, is het nog relatief gemakkelijk om de financiële positie van de onderneming te herstellen. Met meer risicopreventie zal ook de bescherming van de verzekerden gebaat zijn.

3.6.3. Toch zou het Comité graag zien dat aan dit preventieve ingrijpen een minimum aan objectieve voorwaarden wordt verbonden: er zal nauwkeurig moeten worden aangegeven onder welke omstandigheden het vroegtijdig ingrijpen zou plaatsvinden, want de maatregelen moeten gerechtvaardigd zijn, in verhouding staan tot de omvang van de financiële problemen en ook tot een doeltreffende oplossing ervan leiden.

4. Bijzondere opmerkingen

4.1. Bepalingen die beide ontwerprichtlijnen gemeen hebben

4.1.1. Artikel 17 en 17bis van de schaderichtlijn, artikel 20 en 20bis van de levensverzekeringsrichtlijn: minimumgarantiefonds

4.1.1.1. Krachtens deze artikelen moet de waarde van het minimumgarantiefonds worden opgetrokken tot 3 miljoen euro, zowel voor levensverzekerings- als voor schadeverzekeringsbedrijven voor de branches 10 t/m 15, en tot 2 miljoen euro voor de overige schadeverzekeringsondernemingen. Voorts is het de bedoeling dat de fondsen geïndexeerd worden op basis van de inflatieontwikkeling.

4.1.1.2. Het Comité acht het een goede zaak dat de waarde van de fondsen automatisch wordt aangepast aan het indexcijfer van de consumentenprijzen, omdat de waarde van de minimumgarantiefondsen op die manier gekoppeld wordt aan de economische conjunctuur. Het Comité betreurt echter dat de nieuwe waarden voor de minimumgarantiefondsen en de solvabiliteitsmargevereisten niet op de één of andere manier aan elkaar gekoppeld zijn: met de voorgestelde drempel kan de solvabiliteitsmargevereiste namelijk lager uitvallen dan het vereiste voor het minimumgarantiefonds, hetgeen volledig haaks staat op het doel van deze twee prudentiële vereisten.

4.1.1.3. De in de ontwerprichtlijn vastgelegde bedragen kunnen bijvoorbeeld averechts uitwerken op kleine wederzijdse ondernemingen waarvan de premieontvangsten rond de 5 miljoen euro liggen. Voorbeeld: een voor 50 % herverzekerde wederzijdse onderneming die het schadeverzekeringsbedrijf uitoefent en waarvan de jaarlijkse premieontvangsten 5 miljoen euro bedragen, zou onderworpen worden aan een solvabiliteitsvereiste van maximaal 18 % × 5 miljoen × 50 % is 450000 euro. Volgens artikel 17 van de richtlijn echter mag het garantiefonds van een dergelijke wederzijdse onderneming niet minder bedragen dat 1,5 miljoen euro (2 miljoen euro minus de specifieke reductie die wordt toegekend aan wederzijdse ondernemingen); de eis betreffende het minimumgarantiefonds zou dan boven de vereiste solvabiliteit komen te liggen, hetgeen in strijd is met de definities van deze twee bedragen: het garantiefonds wordt immers gedefinieerd als een derde van de solvabiliteitsmargevereiste. Het is dus zaak dat de diverse drempels worden herzien en op elkaar worden afgestemd.

4.1.1.4. Voorts, om te vermijden dat verhoging van het "entreegeld" het verschijnen van nieuwe ondernemingen in deze sector afremt, stelt het Comité voor om pas opgerichte ondernemingen de mogelijkheid te geven om de extra marge die moet worden aangelegd om het minimumniveau van het garantiefonds te bereiken, uit te smeren over een aantal jaren, met instemming van de toezichthoudende autoriteiten, tot maximaal 5 jaar. Voorbeeld: een pas opgerichte verzekeringsonderneming die in verband met zijn nog geringe omzet geconfronteerd wordt met een margevereiste van 2 miljoen euro en die moet beschikken over een minimumgarantiefonds van 3 miljoen euro, mag de 1 miljoen euro extra in een periode van 5 jaar opbouwen. Deze termijn zou de veiligheid van de verzekerden in geen enkel opzicht in gevaar brengen, aangezien zij samenvalt met de periode van bijzonder toezicht op startende ondernemingen.

4.1.2. Artikel 20bis van de schaderichtlijn en 24bis van de levensverzekeringsrichtlijn, lid 4: Waardering van de herverzekering

4.1.2.1. De vereiste solvabiliteitsmarge wordt momenteel verminderd met het percentage van de risico's die herverzekerd zijn, maar tot een bepaald maximum (50 % in het schadeverzekeringsbedrijf bijvoorbeeld): hoe meer risico's herverzekerd zijn, hoe lager de vereiste solvabiliteitsmarge. Zelfs in het geval van een herverzekeringsfactor die beneden het maximale percentage ligt dat in aanmerking mag worden genomen, zouden de toezichthouders nu de bevoegdheid krijgen om de verlaging van de vereiste solvabiliteitsmarge uit hoofde van herverzekering te beperken wanneer zij van mening zijn dat de kwaliteit van het herverzekeringsprogramma tekortschiet.

4.1.2.2. Het Comité zou graag zien dat deze mogelijkheid tot beperking vergezeld gaat van een mogelijkheid tot verhoging, waarbij óók rekening zou worden gehouden met de kwaliteit van het herverzekeringsprogramma, en in het bijzonder de solvabiliteit van de herverzekeraars. Het in de huidige richtlijnen voorziene plafond van 50 % is nl. willekeurig gekozen en is niet langer op zijn plaats wanneer de potentiële kwaliteit van de herverzekering als optimaal kan worden gewaardeerd. Nu de Commissie echter het begrip "kwaliteit" invoert, wordt het impliciet mogelijk om ook de kwaliteit van de herverzekeraar te beoordelen, en deze mogelijkheid zou dan ook moeten worden gebruikt om het plafond voor de verlaging van de solvabiliteitsmarge op te trekken of juist te verminderen.

4.1.2.3. Deze mogelijkheid zou aan het slot van lid 4 van de richtlijn in de volgende vorm kunnen worden toegevoegd: "De lidstaten dragen er tevens zorg voor dat de autoriteiten de bevoegdheid hebben om de verlaging van de overeenkomstig artikel 19 bepaalde solvabiliteitsmarge op te trekken wanneer zij van oordeel zijn dat de kwaliteit van het herverzekeringsprogramma zulks rechtvaardigt".

4.1.2.4. Het Comité onderstreept dat de herwaardering van het plafond optioneel zou zijn en onderworpen zou worden aan toestemming van de toezichthouders, zowel bij opwaartse als bij neerwaartse bijstelling ervan. Om iedere concurrentievervalsing te voorkomen, moet de kwaliteit van de herverzekering op basis van objectieve criteria kunnen worden beoordeeld. Het Comité zou dan ook graag zien dat het bij de invoering van een controle op herverzekeringen in Europa aan het einde van de rit mogelijk wordt om objectieve en geharmoniseerde criteria uit te werken.

4.1.3. Garantiefonds ten behoeve van de verzekerden

4.1.3.1. Een aantal EU-landen hebben "collectieve" regelingen ingevoerd voor (volledige of gedeeltelijke) overname van verplichtingen jegens verzekerden in geval van liquidatie.

4.1.3.2. Er zijn twee soorten garantiefondsen: particuliere en publieke. De particuliere fondsen zijn bedoeld om alle ondernemingen die zich bij een federatie hebben aangesloten, te beschermen. De publieke of para-publieke fondsen zijn er ten behoeve van de gehele branche en strekken ertoe om verzekerden in geval van eventuele liquidaties in de branche schadeloos te stellen.

4.1.3.3. Noch in de ontwerprichtlijnen, noch in het rapport van de groep Müller wordt op deze kwestie ingegaan. In sommige gevallen is evenwel een oplossing gevonden door toe te staan dat de niet in het garantiefonds gestorte premiereserve (geheel of gedeeltelijk) in aanmerking wordt genomen bij de bepaling van de solvabiliteitsmarge. Het Comité is van mening dat in EU-verband gekeken moet worden naar de behandeling van premiestortingen in het garantiefonds.

4.1.4. "Vervanging"

4.1.4.1. Wanneer een onderlinge verzekeringsmaatschappij al haar verplichtingen "doorverkoopt" aan een ander, betekent dit dat de overnemende onderneming de cedent wat de verplichtingen betreft volledig vervangt. In dat geval zou de berekening van de solvabiliteitsmarge uitsluitend bij de overnemende onderneming moeten kunnen worden verricht. Deze mogelijkheid van "vervanging" werd ingevoerd in artikel 3, lid 2 van Richtlijn 73/239/EEG (schadeverzekering) en kennelijk ook in artikel 3, lid 2 van Richtlijn 79/267/EEG (levensverzekering). Er lijkt evenwel sprake te zijn van een conflict tussen de bepalingen van artikel 3, lid 2 (welke vervanging toestaan) en artikel 16 bis, lid 4 waarin de inaanmerkingneming van herverzekeringen bij de overnemende onderneming beperkt wordt tot 50 %. Tenzij de Commissie met een analyse of een argument komt dat bovengenoemde redenering weerlegt, stelt het Comité voor om de zevende alinea van artikel 16 bis, lid 4, als volgt te beëindigen: "Dit verhoudingsgetal mag in geen geval lager zijn dan 50 %, behalve in het geval van toepassing van artikel 3.2 van onderhavige richtlijn."

4.2. Bijzondere opmerkingen over de levensverzekeringsrichtlijn

4.2.1. Art. 18, lid 4 a): Inaanmerkingneming van de toekomstige winsten

4.2.1.1. De Commissie wil het aantal in aanmerking te nemen jaren voor de toekomstige winsten verminderen van tien tot zes jaar. Bovendien moet voortaan ter rechtvaardiging van de in aanmerking genomen winsten een actuarieel verslag worden overgelegd. Ook mag het jaarlijkse gemiddelde van de toekomstige winsten niet hoger zijn dan de gemiddelde winst in de laatste vijf boekjaren.

4.2.1.2. Het is een goede zaak om de inaanmerkingneming van toekomstige winsten aan een plafond te verbinden: toekomstige winsten kunnen door onvoorziene ontwikkelingen aanzienlijk veranderen en mogen daarom geen te belangrijk bestanddeel zijn van de solvabiliteitsmarge.

4.2.1.3. Toch zou het Comité graag zien dat een wat ruimere benadering zou worden gekozen ten aanzien van de toekomstige winsten; dit wordt evenwel verhinderd door het voorstel om de inaanmerkingneming van de toekomstige winsten aan een plafond te verbinden, namelijk het gemiddelde van de winsten die de laatste vijf boekjaren zijn gemaakt. Een dergelijke bepaling werkt in het nadeel van ondernemingen die, bij een dalende rente, de nodige voorzichtigheid aan de dag hebben gelegd door hun voorzieningen op te voeren, waardoor hun winsten in het verleden werden gedrukt. Dit strijdt met het beginsel dat toekomstige winsten op adequate wijze in aanmerking moeten kunnen worden genomen.

4.2.1.4. Er zou dus een andersoortig plafond, uitgedrukt in procenten van de vereiste marge, kunnen worden overwogen. Overigens, indien er een plafond komt waarbij de berekening van de toekomstige winsten moet worden gerechtvaardigd door een actuarieel verslag, zou het niet langer nodig zijn om het aantal jaren voor de berekening terug te brengen van tien tot zes jaar.

Daarom stelt het Comité voor de eerste alinea onder a) als volgt te lezen:

"een bedrag dat gelijk is aan 50 % van de toekomstige winsten van de onderneming. Het bedrag van de toekomstige winsten wordt geschat aan de hand van de netto geactualiseerde waarde van het totale nettoresultaat van de onderneming voor de komende tien jaar. Dit bedrag kan niet meer bedragen dan 50 % van het totaal van de in dit artikel bedoelde overige bestanddelen van de solvabiliteitsmarge."

4.2.1.5. Hier zou het aan de bevoegde autoriteiten over te leggen actuariële verslag zijn werkelijke nut bewijzen, aangezien dit verslag de rechtvaardiging is voor de berekening van de contante (geactualiseerde) nettowaarde van het totale nettoresultaat. In dit actuariële verslag zou de wijze van berekening van verschillende waarden van de in de komende jaren verwachte winst kunnen worden geëxpliciteerd, en zou ook de toegepaste kapitalisatierente kunnen worden aangegeven.

4.2.2. Artikel 19, lid 2 a): Grondslag voor de berekening van de solvabiliteitsmarge

4.2.2.1. Ten aanzien van de voorgestelde grondslag voor de berekening van de solvabiliteitsmarge zou het goed zijn dat de zinsnede "voorziening voor levensverzekering" duidelijk in de tekst wordt uitgelegd.

4.2.2.2. De term "voorziening voor levensverzekering" lijkt hier de betekenis te hebben van "wiskundige voorziening", maar kan ook worden opgevat als een component die een breder veld bestrijkt dan de "wiskundige voorziening": naast laatstgenoemde voorziening zou de "voorziening voor levensverzekering" alle technische voorzieningen voor levensverzekering kunnen omvatten, namelijk de voorziening voor financiële risico's of de voorziening in verband met het risico van opeisbaarheid van technische verplichtingen. De wiskundige voorzieningen vertegenwoordigen de netto contante waarde van de verplichtingen jegens de verzekerden, terwijl de overige technische voorzieningen voor het levensverzekeringsbedrijf specifieke risico's dekken, b.v. sterke schommelingen op de effectenmarkten. Worden deze technische voorzieningen in aanmerking genomen bij het berekenen van de solvabiliteitsmarge, dan komt dat erop neer dat kapitaal wordt geëist voor risico's waarvoor per definitie al voorzieningen zijn getroffen. Om deze reden pleit het Comité ervoor om de betekenis van de term "voorziening voor levensverzekering" te preciseren; dit kan gebeuren door in de tekst te verwijzen naar de richtlijn inzake geconsolideerde jaarrekeningen van 1991 en door na de uitdrukking "voorziening voor levensverzekering" het volgende toe te voegen: "zoals gedefinieerd in artikel 27 van Richtlijn 19/674/EEG"(8).

5. Conclusies

5.1. Het Comité staat over het geheel genomen achter de ontwerprichtlijn die de Europese Commissie heeft ingediend.

5.1.1. De nieuwe bepalingen zullen, naar het zich laat aanzien, vooral het kwantitatieve niveau van de solvabiliteitsmarge ten goede komen; een andere weg die bewandeld zou kunnen worden bestaat erin om de kwaliteit van deze marge te verbeteren door middel van een nauwkeurigere regeling van de belangrijkste activa die als bestanddeel van de solvabiliteitsmarge mogen worden gebruikt. Het ESC hoopt dat dit in de context van het project "Solvabiliteit II" zal worden onderzocht.

5.2. Een aantal punten dient evenwel te worden gepreciseerd of gewijzigd. Het Comité zou graag zien dat de Commissie rekening houdt met zijn wensen en verlangens ten aanzien van de volgende punten:

- harmonisatie van de bedragen betreffende de vereiste solvabiliteitsmarge en het minimumgarantiefonds voor kleine ondernemingen (4.1.1 e.v.);

- inaanmerkingneming van het herverzekeringsprogramma naar gelang van de kwaliteit hiervan (4.1.2);

- aanwezigheid van een garantiefonds ten behoeve van de verzekerden (4.1.3);

- "vervanging" van ondernemingen (4.1.4);

- inaanmerkingneming van toekomstige winsten (4.2.1);

- grondslag voor de berekening van de solvabiliteitsmarge (4.2.2).

Brussel, 25 april 2001.

De voorzitter

van het Economisch en Sociaal Comité

G. Frerichs

(1) Eerste richtlijn schadeverzekering 73/239/EEG, PB L 228 van 16.8.1973, blz. 3. Eerste richtlijn levensverzekeringen 79/267/EEG, PB L 63 van 13.3.1979, blz. 1.

(2) COM(2000) def. - 2000/0249 (COD) en COM(2000) 634 def. - 2000/0251 (COD), van 25 oktober 2001.

(3) PB L 228 van 11.8.1992, blz. 1.

(4) PB L 360 van 9.9.1992, blz. 1.

(5) Verslag aan het comité voor het verzekeringswezen betreffende de noodzaak van verdere harmonisatie van de solvabiliteitsmarge (COM(97) 398 van 24 juli 1997).

(6) CEA - Comité européen des assurances; ACME - Association des assurances coopératifs et mutualistes européens; AISAM - Association internationale des sociétés d' assurances mutuelles.

(7) Richtlijn 91/674/EEG van de Raad betreffende de jaarrekeningen en de geconsolideerde rekeningen van verzekeringsondernemingen, PB L 374 van 31.12.1991, blz. 7.

(8) Richtlijn 91/674/EEG van de Raad betreffende de jaarrekening en de geconsolideerde jaarrekening van verzekeringsondernemingen, PB L 374 van 31.12.1991, blz. 7.