Mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement overeenkomstig artikel 251, lid 2, tweede alinea, van het EG-Verdrag over het gemeenschappelijk standpunt van de Raad betreffende het voorstel voor een besluit van het Europees Parlement en de Raad betreffende de tenuitvoerlegging van een opleidingsprogramma voor de vakmensen van de Europese audiovisuele-programma-industrie (MEDIA Opleiding - 2001-2005) /* SEC/2000/2108 def. - COD 99/0275 */
MEDEDELING VAN DE COMMISSIE AAN HET EUROPEES PARLEMENT overeenkomstig artikel 251, lid 2, tweede alinea, van het EG-Verdrag over het Gemeenschappelijk standpunt van de Raad betreffende het voorstel voor een besluit van het Europees Parlement en de Raad betreffende de tenuitvoerlegging van een opleidingsprogramma voor de vakmensen van de Europese audiovisuele-programma-industrie (MEDIA Opleiding - 2001-2005) 1. Voorgeschiedenis - Goedkeuring van het voorstel door de Commissie: 14 december 1999 [1] [1] COM (1999) 658 def. - 99/0275 (COD) van 14 december 1999. - Toezending van het voorstel aan het Parlement en de Raad: 28 januari 2000 - Advies van het Economisch en Sociaal Comité: 27 april 2000 [2] [2] CES/2000/470 van 27 april 2000. - Advies van het Europees Parlement in eerste lezing: 6 juli 2000 [3] [3] A5/2000/186. - Advies van het Comité van de Regio's: 14 juni 2000 [4] [4] CDR/2000/19 van 14 juni 2000. - Indiening van het gewijzigde voorstel: 22 september 2000 [5] [5] COM (2000) 579 def. van 21 september 2000. - Vaststelling van het gemeenschappelijk standpunt: 23 november 2000 [6] [6] ...... 2. Doel van het voorstel van de Commissie Op 14 december 1999 heeft de Commissie haar voorstel voor een besluit tot verlenging van het programma MEDIA Opleiding (2001-2005) aangenomen. Deze mededeling heeft tot doel het Europees Parlement in te lichten over het gevolg dat is gegeven aan het ontwerp-besluit van het Parlement en de Raad betreffende het programma MEDIA Opleiding ingevolge de eerste lezing door het Parlement op 6 juli 2000. 3. Commentaar van de commissie op het gemeenschappelijk standpunt 3.1. Algemene opmerkingen De Commissie stelt met voldoening vast dat het gemeenschappelijk standpunt van de Raad in grote lijnen de inhoud en de geest van het voorstel van de Commissie eerbiedigt. Zij constateert dat de Raad de centrale doelstelling van het voorstel deelt, die erin bestaat het concurrentievermogen van de audiovisuele industrie te versterken door middel van een verbetering van de kwaliteit van de bijscholing voor de vakmensen van de Europese audiovisuele-programma-industrie. 3.2 Aan de door het Parlement in eerste lezing voorgestelde amendementen gegeven gevolg Het gemeenschappelijk standpunt van de Raad is gebaseerd op het gewijzigde voorstel van de Commissie na het advies van het Parlement in eerste lezing. De Commissie is verheugd dat het gemeenschappelijk standpunt in grote mate rekening houdt met de door het Parlement voorgestelde en door de Commissie overgenomen amendementen, met name betreffende: - de oprichting van een gemengd comité (raadgevend én belast met het beheer) voor de tenuitvoerlegging van het programma; - de consolidering van de regeling voor de follow-up en de beoordeling van het programma; - het opnemen van maatregelen die de transparantie van de tenuitvoerlegging van het programma moeten verzekeren; - de uitdrukkelijke vermelding van de opleidingen op het gebied van intellectuele eigendomsrechten; - de vermelding van nuttige verduidelijkingen betreffende de vorming van een netwerk van opleidingscentra en de onderlinge uitwisseling van goede praktijken; - het feit dat steeds meer rekening wordt gehouden met de gevolgen van de nieuwe technologieën, met name door hun toepassingsgebied uit te breiden tot de uitzending van audiovisuele programma's; - de uitdrukkelijke vermelding van opleidingen op het gebied van de ontwikkeling van nieuwe soorten audiovisuele programma's. 3.3 Punten waarop het gemeenschappelijk standpunt en het voorstel van de Commissie met elkaar overeenstemmen De Commissie neemt nota van een aantal door de Raad aangebrachte wijzigingen die met name tot doel hebben meer in het bijzonder de volgende aspecten te verduidelijken en nader te omschrijven: - de bepalingen met betrekking tot de complementariteit en de coördinatie van het programma met andere aspecten van het communautair beleid; - de algemene doelstelling van een nauwere samenwerking tussen de verschillende actoren van de industrie; - de mogelijkheid om aan sommige opleidingsacties een meerjarige financiering toe te kennen; - de mogelijkheid om in de ondersteunde opleidingsacties follow-up-activiteiten op te nemen; - de opname van opleiding inzake post-productie in het toepassingsgebied van het programma; - de actualisering van de referenties wat de motieven van het programma betreft (overwegingen met betrekking tot het forum van Helsinki en het seminar van Porto); - de opname in de actiemodaliteiten van de mogelijkheid om taalfaciliteiten te cofinancieren met het oog op een ruimere toegang van vakmensen tot de ondersteunde opleidingsacties. 3.4 Punten waarop het gemeenschappelijk standpunt en het voorstel van de Commissie van elkaar verschillen In deze fase bestaan nog een aantal belangrijke verschillen tussen het gewijzigde voorstel van de Commissie en het gemeenschappelijk standpunt. De Commissie heeft haar voorstel op die punten krachtig verdedigd. Deze punten zullen worden opgenomen in een verklaring van de Commissie die aan de notulen van de vergadering van de Raad zal worden gehecht. - Wat de keuze betreft van de bureaus voor technische bijstand (BTB's) die de Commissie moeten bijstaan bij de tenuitvoerlegging van het programma, heeft de Raad een bepaling goedgekeurd volgens welke het comité met toepassing van de raadplegingsprocedure wordt betrokken bij de uiteindelijke keuze van het of de BTB('s), alsook een bepaling die tot doel heeft een selectiecriterium toe te voegen aan de procedure volgens welke het of de BTB('s) wordt/worden geselecteerd: "de ervaring die met het programma MEDIA II is verworven of andere ervaring op dat gebied". De Commissie kan niet instemmen met deze bepalingen, die niet stroken met de rol van uitvoerder van de begroting die artikel 274 van het Verdrag aan de Commissie verleent, noch met het feit dat de Commissie volgens het financieel reglement de aanbestedende dienst is. De Commissie zal daarover een verklaring afleggen, die zal worden toegevoegd aan het verslag van de Raad. In die verklaring zal ze er tevens aan herinneren dat de Commissie bij de selectie van de consultants en van de bureaus voor technische bijstand nauw zal toezien op de naleving van de relevante bepalingen van Richtlijn 92/50/EEG betreffende overheidsopdrachten voor dienstverlening en van het financieel reglement. - Wat het minimumaandeel aan buitenlandse deelnemers aan door de Gemeenschap ondersteunde opleidingsacties betreft, heeft de Raad het beginsel dat een meerderheid van de deelnemers buitenlander moet zijn, aangepast door (in artikel 4, lid 2) de woorden "in principe" in te voegen en door afwijkingsmogelijkheden op te nemen in de uitvoeringsprocedure (zie punt 2.1, derde alinea van de bijlage). De Commissie meent dat gezien de toegevoegde communautaire waarde en het feit dat het programma een versterkte transnationale samenwerking nastreeft, de deelname van een meerderheid van buitenlanders een strikte verplichting moet zijn. 4. Conclusie Op basis van dit gemeenschappelijk standpunt kan het wetgevingsproces voortgang vinden met de tweede lezing door het Europees Parlement. Onder voorbehoud van wat onder punt 3.4 is vermeld, is de Commissie van mening dat alle positieve elementen aanwezig zijn om tijdig een definitief besluit te kunnen nemen zodat het programma MEDIA Opleiding op 1 januari 2001 operationeel kan worden. 5. Aan het verslag te hechten verklaringen van de Commissie. Wat de wijzigingen betreft die de Raad in artikel 5, lid 2, en in punt 2.3.1. van de bijlage heeft aangebracht met betrekking tot de keuze van het of de bureaus voor technische bijstand, heeft de Commissie bij de goedkeuring van het gemeenschappelijk standpunt verzocht de volgende verklaring op te nemen: "De Commissie is van oordeel dat de tussenkomst van een comité overeenkomstig Besluit 1999/468/EG van de Raad in de keuze van de consultants en van de bureaus voor technische bijstand bedoeld in punt 2.3.1. van de bijlage, niet in overeenstemming is met de rol die artikel 274 van het Verdrag aan de Commissie toekent, met name dat de Commissie de begroting uitvoert, noch met het feit dat de Commissie volgens het financieel reglement de aanbestedende dienst is. Bij de selectie van die consultants en bureaus voor technische bijstand zal de Commissie bovendien nauw toezien op de naleving van de relevante bepalingen van Richtlijn 92/50/CEE betreffende overheidsopdrachten voor dienstverlening en van het financieel reglement."