Gewijzigd voorstel voor een verordening van de Raad betreffende Gemeenschapsmodellen (door de Commissie overeenkomstig artikel 250, lid 2 van het EG-Verdrag ingediend) /* COM/2000/0660 def. - CNS 93/0463 */
Publicatieblad Nr. 062 E van 27/02/2001 blz. 0173 - 0230
Gewijzigd voorstel voor een VERORDENING VAN DE RAAD betreffende Gemeenschapsmodellen (door de Commissie overeenkomstig artikel 250, lid 2 van het EG-verdrag ingediend) TOELICHTING In 1993 legde de Commissie aan de Raad en het Europees Parlement een voorstel voor een verordening betreffende Gemeenschapsmodellen [1] (hierna genoemd "de verordening") en een voorstel voor een richtlijn inzake de rechtsbescherming van modellen [2] (hierna genoemd "de richtlijn") voor. [1] PB C 29 van 31.1.1994, COM (93) 342 def. [2] PB C 345 van 23.12.1993, COM (93) 344 def. Op 6 juli 1994 bracht het Economisch en Sociaal Comité een eerste advies uit [3] en op 22 februari 1995 een vervolgadvies [4]. [3] PB C 388 van 31.12.1994. [4] PB C 110 van 2.5.1995. In 1995 besloot het Europees Parlement om eerst het voorstel voor de richtlijn te bespreken en dit in tweede lezing te behandelen op het ogenblik dat over het voorstel voor een verordening een standpunt werd ingenomen. Dienovereenkomstig werd door het Parlement tijdens de voltallige vergadering van 9 tot en met 13 oktober 1995 een advies aangenomen [5]. [5] PB C 287 van 30.10.1995. Op 21 februari 1996 legde de Commissie haar gewijzigde voorstel voor de richtlijn voor [6]. De Raad stelde vervolgens op 17 juni 1997 zijn gemeenschappelijke standpunt over de richtlijn vast [7]. [6] PB C 142 van 14.5.1996, COM (96) 66 def. [7] PB C 237 van 4.8.1997. Na een bemiddelingsprocedure werd de richtlijn uiteindelijk op 13 oktober 1998 aangenomen [8]. [8] Richtlijn 98/71/EG van het Europees Parlement en de Raad inzake de rechtsbescherming van modellen, PB L 289 van 28.10.1998, blz. 28. Op 21 juni 1999 nam de Commissie een gewijzigd voorstel voor een verordening van de Raad op grond van artikel 308 van het Verdrag aan [9]. [9] COM(1999) 310 def. - CNS 93/0463. Het Economisch en Sociaal Comité nam op 27 januari 2000 een aanvullend advies over het gewijzigde voorstel van de Commissie aan [10]. [10] PB C 75 van 15.3.2000, blz. 35. Het Europees Parlement nam tijdens de vergadering van 16 juni 2000 zijn advies over het gewijzigde voorstel aan [11]. [11] PB C......... Naar aanleiding van de adviezen van het Europees Parlement en het Economisch en Sociaal Comité en rekening houdend met het verloop van de discussies in de Raad heeft de Commissie dit gewijzigde voorstel opgesteld waarin vele van de opmerkingen van deze instellingen zijn verwerkt. Dat geldt met name voor de aanbevelingen in de amendementen 1, 2, 3, 4, 5, 7, 8, 9, 13, 14, 16, 18 en 20 van het Europees Parlement. Voor nadere opmerkingen hierover wordt verwezen naar de toelichting van de overwegingen en artikelen hieronder. Andere amendementen, te weten 10, 11, 21, 22 en 23, zijn niet door de Commissie overgenomen, omdat zij niet geheel in overeenstemming waren met hetgeen in het kader van de richtlijn van 1998 was overeengekomen. De Commissie hecht in dit verband groot belang aan het beginsel dat de verordening niet mag afwijken van de begrippen in de richtlijn. Het Europees Parlement verwijst in zijn advies ook naar de bescherming van modellen van onderdelen van samengestelde voortbrengselen voor reparatiedoeleinden. De amendementen 6 en 12 gaan hierover. In verband met dit vraagstuk werd het zogenoemde "freeze plus"-compromis aangenomen, na langdurige en complexe onderhandelingen hierover in het kader van de bemiddelingsprocedure voor de richtlijn. Volgens dit compromis, dat bij de goedkeuring van de richtlijn werd gesloten, heeft de Commissie zich verplicht om dit vraagstuk verder te bestuderen en om in het kader van de richtlijn uiterlijk vier jaar na de datum van inwerkingtreding ervan met een voorstel te komen. De amendementen van het Europees Parlement komen in wezen neer op de invoering van een reparatieclausule die het mogelijk maakt een model te beschermen bij toepassing op onderdelen van een samengesteld voortbrengsel wanneer het voortbrengsel waarop het model wordt toegepast niet voor reparatiedoeleinden wordt gebruikt. Bovendien zou deze aanpak het ingewikkelde debat over de reparatieclausule weer openbreken, juist nu de Commissie is begonnen met een raadpleging van de belanghebbende partijen over het onderdelenvraagstuk. De Commissie, die tegenover de amendementen van het Europees Parlement een open houding aanneemt, heeft deze intern en ook met de lidstaten in het kader van de Raad besproken. Na deze discussies is de Commissie van mening dat de in artikel 10 bis van haar voorstel van 21 juni 1999 voorgestelde oplossing, die erin bestaat dat onderdelen niet als Gemeenschapsmodel kunnen worden beschermd, de aanpak is waarmee het systeem van Gemeenschapsmodellen zo soepel mogelijk kan worden beheerd, zonder dat wordt vooruitgelopen op de afloop van het debat - in ieder geval totdat overeenstemming is bereikt over een definitieve oplossing. Hierbij moet worden opgemerkt dat deze aanpak door het Economisch en Sociaal Comité wordt gesteund [12]. [12] Punt 2.5 van het advies van het ECOSOC van 27 januari 2000. In dit verband zij eraan herinnerd dat de Commissie zich heeft verplicht om onmiddellijk na de goedkeuring van de richtlijn een raadpleging te houden met het doel om tussen de partijen die het meest hierbij betrokken zijn, tot een vrijwillige overeenkomst te komen over het vrije gebruik van onderdelen voor reparatiedoeleinden en over de bescherming van deze onderdelen. Deze raadpleging loopt inmiddels. Wat het niet-ingeschreven Gemeenschapsmodel betreft, zijn in het gewijzigde voorstel van de Commissie een aantal wijzigingen aangebracht om de draagwijdte van deze vorm van bescherming te verduidelijken en rechtszekerheid te waarborgen. In zijn advies van 27 januari 2000 heeft het Economisch en Sociaal Comité onderschreven dat het belangrijk is dat ook een niet-ingeschreven Gemeenschapsmodel wordt beschermd. Hierdoor wordt gezorgd voor een betere rechtsbescherming van producten met een korte levensduur, zoals textiel en speelgoed. Het Comité verklaarde evenwel dat het begrip "niet-ingeschreven model" en de inhoud daarvan nader moeten worden gepreciseerd. Hiermee rekening houdend en in overeenstemming met amendement 14 van het Europees Parlement heeft de Commissie de verwijzing naar "kwade trouw" in artikel 20, lid 2, geschrapt. Daarnaast is in overweging 22 de draagwijdte van de door een niet-ingeschreven model geboden bescherming verduidelijkt. Deze amendementen moeten duidelijk maken dat de draagwijdte van de bescherming van het niet-ingeschreven Gemeenschapsmodel identiek is aan die van het ingeschreven Gemeenschapsmodel. Het niet-ingeschreven Gemeenschapsmodel geeft de rechthebbende evenwel niet het recht modellen te betwisten die uit een onafhankelijk product van een tweede ontwerper voortvloeien. Wat amendement 15 van het Europees Parlement betreft, is de Commissie het met het Parlement eens dat er een "recht op informatie" moet bestaan. De Commissie behandelt dit vraagstuk echter liever in het kader van de bestrijding van namaak en piraterij. De mededeling van de Commissie over de follow-up van het "groenboek over piraterij en namaak in de interne markt" zal specifiek hierop ingaan. De gedwongen eigendomstoewijzing aan de houder van het model van de inbreukmakende voortbrengselen, zoals in amendement 19 van het Europees Parlement wordt voorgesteld, is volgens de Commissie niet in alle gevallen een goede oplossing. Derhalve heeft de Commissie dit amendement niet overgenomen, te minder daar artikel 93, lid 1, onder d), nationale rechters de mogelijkheid biedt zo nodig dergelijke maatregelen te bevelen. Bovendien zijn op verzoek van het Europees Parlement enkele verduidelijkingen aangebracht met betrekking tot de aanvang en duur van de bescherming (artikel 12), de aanspraken met betrekking tot het recht op een niet-ingeschreven Gemeenschapsmodel (artikel 16) en het vermoeden van geldigheid van een niet-ingeschreven Gemeenschapsmodel (artikel 89). Tot slot is, in overeenstemming met amendement 16 van het Europees Parlement en met de aanbeveling in punt 3.6 van het advies van het Economisch en Sociaal Comité, artikel 27, lid 5, geschrapt waarin werd voorzien in een uitzondering op het unitaire karakter van het Gemeenschapsmodel. de structuur van het voorstel Ter wille van de duidelijkheid en om de bestudering van dit voorstel niet nodeloos ingewikkeld te maken door een nieuwe nummering, is de nummering van de artikelen dezelfde als in vorige voorstellen. Ten gevolge van de schrapping van de oude Titel VI (Beschermingsduur voor het ingeschreven Gemeenschapsmodel) is de nummering van de daaropvolgende titels echter wel aangepast. Overwegingen en artikelen De formulering van overweging 2 is verduidelijkt. In overweging 3 is een verwijzing naar de richtlijn opgenomen. Overweging 4 is afgestemd op amendement 2 van het Europees Parlement, dat van mening was dat de oude tekst van deze overweging onduidelijk en dubbelzinnig was. Ook de verwijzing in overweging 5 naar een communautaire instantie die voor de gehele Gemeenschap bevoegd is, is geschrapt overeenkomstig amendement 3 van het Europees Parlement, omdat een dergelijke instantie reeds bij besluit van de Raad van 29 oktober 1993 werd ingesteld. De tekst van de overwegingen 10 en 11 is aangescherpt in overeenstemming met de amendementen 4 en 5 van het Europees Parlement. Er zijn twee nieuwe overwegingen toegevoegd, 12 en 14, met betrekking tot onderdelen die bij normaal gebruik van een voortbrengsel niet zichtbaar zijn en met betrekking tot het eigen karakter van een model. Deze overwegingen komen overeen met de overwegingen 12 en 13 van de richtlijn. Tot slot is overweging 13 van de verordening inzake het Gemeenschapsmerk betreffende de structuur en de bevoegdheden van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen in de voorgestelde verordening opgenomen als overweging 32. Titel I: algemene bepalingen Artikel 1: Lid 1 is aangepast aan de formulering van artikel 1 van de verordening inzake het Gemeenschapsmerk, waarbij tegemoet wordt gekomen aan het verzoek in amendement 7 van het Europees Parlement. Ook lid 3 is aangepast aan artikel 1 van de verordening inzake het Gemeenschapsmerk. Titel II: Het recht inzake modellen Afdeling 1: Voorwaarden voor bescherming In overeenstemming met de amendementen 8 en 9 van het Europees Parlement zijn artikel 3, onder a), en artikel 4, lid 3, aangepast aan respectievelijk artikel 1, onder a), en artikel 3, lid 4, van de richtlijn. Op soortgelijke wijze is artikel 6, lid 1, onder b), aangepast aan de overeenkomstige bepaling in de richtlijn, namelijk artikel 5, lid 1. Afdeling 2: Draagwijdte en duur van de bescherming In overeenstemming met amendement 13 van het Europees Parlement is de verwijzing naar "inschrijving" in artikel 12, lid 2, geschrapt. Voorts is artikel 54 van het oorspronkelijke voorstel naar deze afdeling overgebracht als een nieuw artikel 13 bis. Bijgevolg is titel VI, die slechts één artikel omvatte, volledig geschrapt. Afdeling 3: Rechthebbenden op het Gemeenschapsmodel De artikelen 14 en 15 van het oorspronkelijke voorstel zijn tot één bepaling samengevoegd. Het oude artikel 15, thans artikel 14, lid 2, is opnieuw geformuleerd om het gezamenlijk recht op een model aan duidelijke regels te binden. Artikel 16 bevat in vergelijking met het oorspronkelijke voorstel een aantal nieuwe kenmerken. De tekst van lid 1 van dit artikel is aangepast om alle onduidelijkheid weg te nemen met betrekking tot situaties waarin degene die werkelijk recht heeft op een niet-ingeschreven Gemeenschapsmodel, in een rechtsvordering aanspraak maakt op rechten, nadat het model door een derde openbaar is gemaakt. Voorts zijn de woorden "of inschrijving is aangevraagd" aan lid 1 toegevoegd, zodat de rechtmatige houder van het recht op een Gemeenschapsmodel aanspraak kan maken op zijn recht, zodra een aanvrage tot inschrijving is ingediend door een persoon die overeenkomstig artikel 14 niet hiertoe gerechtigd is. In lid 3 is een verwijzing opgenomen naar het gerecht dat bevoegd is om aanspraken op het recht op een Gemeenschapsmodel te behandelen, namelijk de nationale gerechten. Tot slot is de verwijzing naar de datum met ingang waarvan rechtsvorderingen mogen worden ingesteld, gewijzigd. De oude referentiedatum was "de datum waarop het Gemeenschapsmodel ontstond"; thans geldt een objectievere datum, namelijk de datum van openbaarmaking voor niet-ingeschreven Gemeenschapsmodellen en de datum van indiening van de aanvrage voor ingeschreven Gemeenschapsmodellen. Voorts is artikel 18 betreffende het vermoeden ten gunste van de ingeschrevene gewijzigd, zodat een dergelijk vermoeden geldt voor alle procedures en niet alleen voor die bij het Bureau. Afdeling 4: Rechtsgevolgen van het Gemeenschapsmodel In overeenstemming met amendement 14 van het Europees Parlement is de zinsnede "te kwader trouw" in artikel 20, lid 2, geschrapt, zodat de door niet-ingeschreven Gemeenschapsmodellen geboden bescherming niet te veel wordt beperkt. Voorts is de draagwijdte van de door het niet-ingeschreven Gemeenschapsmodel geboden bescherming verduidelijkt door de nieuwe tekst van overweging 22, waarin is vastgelegd dat de bescherming die door een niet-ingeschreven Gemeenschapsmodel wordt geboden, zich niet uitstrekt tot voortbrengselen die voortkomen uit een model dat onafhankelijk door een tweede ontwerper is voortgebracht. Wat het recht van voorgebruik met betrekking tot een ingeschreven Gemeenschapsmodel betreft, zou de oude tekst van artikel 25 de onjuiste indruk kunnen wekken dat een voorgebruiker een algemene immuniteit voor alle rechtsgevolgen van het ingeschreven Gemeenschapsmodel geniet in plaats van een beperkte bescherming ten aanzien van het soort gebruik waarmee een aanvang werd gemaakt of waartoe ernstige voorbereidingen werden getroffen. Deze bepaling werd derhalve gewijzigd om de draagwijdte van de bescherming en van de rechten van de voorgebruiker te verduidelijken. Te dien einde is ook een nieuwe overweging 24 opgenomen. Afdeling 5: Nietigheid Artikel 27 bevat een aantal nieuwe kenmerken in vergelijking met het oorspronkelijke voorstel. Lid 1, onder c), heeft een nieuwe en duidelijkere tekst gekregen. De verwijzing naar de lidstaten in de leden 3 en 4 is vervangen door een duidelijkere verwijzing in het nieuwe lid 5. In overeenstemming met amendement 16 van het Europees Parlement is het oude lid 5, waarin een uitzondering op het unitaire karakter van het Gemeenschapsmodel was opgenomen, geschrapt. Tot slot leek het noodzakelijk om in lid 6 naar het Bureau te verwijzen, daar deze instantie overeenkomstig artikel 56 bevoegd is vorderingen tot nietigverklaring te behandelen. Titel III: Gemeenschapsmodellen als vermogensbestanddelen Artikel 33 over faillissementsprocedures en soortgelijke procedures werd aangepast aan de bepalingen van Verordening (EG) nr. 1346/2000 betreffende insolventieprocedures [13]. [13] PB L 160 van 30.6.2000, blz. 1. Lid 1 garandeert de uniforme behandeling van het Gemeenschapsmodel en bepaalt dat een Gemeenschapsmodel alleen in een faillissements- of soortgelijke procedure mag worden betrokken in de lidstaat waar de schuldenaar zijn voornaamste belangencentrum heeft. Deze bepaling is in overeenstemming met de oplossing in de verordening betreffende insolventieprocedures. Deze verordening geldt evenwel niet voor Denemarken. Lid 2 bepaalt dat dezelfde regel geldt voor mede-eigenaren wanneer twee of meer personen eigenaar zijn van een Gemeenschapsmodel. Lid 3 betreft de inschrijving in het register van Gemeenschapsmodellen. Titel IV: Aanvrage om een ingeschreven Gemeenschapsmodel Afdeling 1: Indiening van de aanvragen en de voorwaarden waaraan deze moeten voldoen Overeenkomstig artikel 37, lid 3, stelt het Bureau, zodra het van de centrale dienst voor de industriële eigendom van een lidstaat of van het Benelux-bureau voor tekeningen of modellen een aanvrage heeft ontvangen, de aanvrager hiervan in kennis en vermeldt daarbij de datum van ontvangst door het Bureau. Derhalve wordt het niet nodig geacht dat deze diensten de aanvrager daarna opnieuw in kennis stellen van doorzending van de aanvrage. Artikel 37, lid 2, is dienovereenkomstig gewijzigd. In artikel 39, lid 3, onder c), is een bepaling opgenomen betreffende de identificatie van de vertegenwoordiger. Bovendien zijn de leden van dit artikel opnieuw genummerd. Artikel 40 betreffende meervoudige aanvragen bevat een aantal nieuwe kenmerken in vergelijking met het oorspronkelijke voorstel. Meervoudige aanvragen zijn bedoeld als middel om de indiening van aanvragen te vergemakkelijken voor bedrijfstakken die een groot aantal modellen voortbrengen en voor wie de kosten en administratieve lasten voor het aanvragen van afzonderlijke rechten voor elk van deze modellen te veel zouden oplopen. Afhankelijk van het aantal modellen in de aanvrage moet de aanvrager een bijkomende inschrijvingstaks en een bijkomende publicatietaks betalen, die overeenkomen met een percentage van de basistaksen voor elk bijkomend model. Het nieuwe lid 4 van artikel 40 verduidelijkt dat deze modellen onafhankelijk van elkaar zijn: zij kunnen dus afzonderlijk vernieuwd, nietig verklaard, overgedragen enz. worden en er kan afzonderlijk afstand van worden gedaan. Dit principe wordt bekrachtigd door de laatste zin van overweging 26. Ter wille van een duidelijkere structuur van het voorstel voor de verordening is het oude artikel 46 (gelijkwaardigheid van de aanvrage met een nationale aanvrage) overgebracht naar afdeling 1 van titel IV als artikel 41 bis. Tot slot is in artikel 42 een verwijzing opgenomen naar de versie van de classificatie van Locarno, die door het Bureau zal worden gebruikt. Afdeling 2: Voorrang Het nieuwe lid 1, onder a), van artikel 43 garandeert de verenigbaarheid van de verordening betreffende Gemeenschapsmodellen met artikel 4.E van het Verdrag van Parijs. Titel V: Inschrijvingsprocedure Artikel 48, lid 2, onder d), is geschrapt, daar de verwijzing in hetzelfde lid, onder a) naar de artikelen 39 en 40 voldoende wordt geacht. Aan artikel 48 is een derde lid toegevoegd waarin is vastgelegd dat de voorwaarden voor het onderzoek betreffende de vormvereisten, die geen deel uitmaken van het materieel recht, in de uitvoeringsverordening worden geregeld. De amendementen in artikel 49, lid 3, vloeien voort uit de herstructurering van artikel 48. Artikel 49 bis is gewijzigd om de beperkte draagwijdte van het onderzoek van het Bureau te benadrukken. De laatste volzin van artikel 50 werd opnieuw geformuleerd om ondubbelzinnig vast te stellen welke datum in het register moet worden ingeschreven. De verwijzing naar de afstand van het Gemeenschapsmodel waarvan de publicatie is opgeschort in artikel 52, lid 4, is geschrapt. De afstand van een Gemeenschapsmodel waarvan de publicatie is opgeschort, wordt nu geregeld in artikel 55, lid 2. Ook artikel 52, lid 5, is geschrapt, aangezien een algemene regel betreffende meervoudige aanvragen nu is opgenomen in artikel 40, lid 4. Titel VI: Beschermingsduur voor het ingeschreven Gemeenschapsmodel Titel VI is geschrapt, aangezien zijn enig overblijvende bepaling, artikel 54 over vernieuwing, is verplaatst naar afdeling 2 van titel II (draagwijdte en duur van de bescherming) als artikel 13 bis. De nummering van de onderstaande titels is dienovereenkomstig aangepast. Titel VI (oude titel VII): Afstand en nietigheid van het ingeschreven Gemeenschapsmodel Artikel 55 bevat in vergelijking met het oorspronkelijke voorstel een aantal nieuwe kenmerken. - Lid 1 is aangepast aan artikel 49, lid 2, van de verordening inzake het Gemeenschapsmerk. - In het nieuwe lid 2 is een bepaling opgenomen betreffende de afstand van het Gemeenschapsmodel waarvan de publicatie is opgeschort. Wanneer afstand wordt gedaan van een Gemeenschapsmodel waarvan de publicatie is opgeschort, zijn de rechtsgevolgen nu hetzelfde als wanneer de aanvrage niet voldoet aan de eisen voor publicatie overeenkomstig artikel 52, lid 4. - Het nieuwe lid 3 voorziet in de mogelijkheid om afstand te doen van die kenmerken van het model die niet kunnen worden beschermd, teneinde een eventuele vordering tot gedeeltelijke nietigverklaring overeenkomstig artikel 27, lid 6, te voorkomen. - Tot slot zorgt lid 5 ervoor dat de houder van een mogelijk rechtsongeldig model een gerechtelijke procedure niet kan ontlopen door afstand te doen van zijn model. Artikel 56 (Vordering tot nietigverklaring) is vereenvoudigd en aangepast aan artikel 27, leden 2 tot en met 5. Titel IX (oude titel X): Bevoegdheid en procedure inzake rechtsvorderingen betreffende Gemeenschapsmodellen De nummering van artikel 83 is aangepast en artikel 83 bis wordt nu artikel 83, lid 4. Evenals artikel 56 is artikel 88, lid 2, vereenvoudigd en aangepast aan artikel 27, leden 2 tot en met 5. Artikel 86 (Internationale bevoegdheid) is lichtelijk gewijzigd om rekening te houden met de situatie waarin de gedaagde of eiser in meer dan een lidstaat een vestiging heeft. Artikel 89 (Vermoeden van rechtsgeldigheid, verweer ten gronde) is gewijzigd overeenkomstig amendement 18 van het Europees Parlement. Titel XI (oude titel XII): Aanvulende bepalingen betreffende het Bureau Artikel 116 (Nietigheidsafdelingen), lid 2, is aangepast aan artikel 129 van de verordening inzake het Gemeenschapsmerk. Titel XII (oude titel XIII): Slotbepalingen Daar de comitéprocedure voor de goedkeuring van de uitvoerings verordening en de verordening betreffende de taksen door Besluit 1999/468/EG is gewijzigd, is een nieuw artikel 125 opgesteld en zijn artikel 124, lid 3, en artikel 124 bis dienovereenkomstig gewijzigd. Met hetzelfde doel is een nieuwe overweging 35 toegevoegd. 1993/0463 (CNS) Gewijzigd voorstel voor een VERORDENING VAN DE RAAD betreffende Gemeenschapsmodellen DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE, Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, inzonderheid op artikel 308, Gezien het voorstel van de Commissie [14], [14] PB C 29 van 31.1.1994, blz. 20 en C ..., van ..., blz. .. Gezien het advies van het Europees Parlement [15], [15] PB C ..., van ..., blz. .. Gezien het advies van het Economisch en Sociaal Comité [16], [16] PB C 110 van 2.5.1994 en PB C 75 van 15.3.2000, blz. 35. Overwegende hetgeen volgt: (1) Volgens het Verdrag moet een interne markt tot stand worden gebracht, alsook moeten de hinderpalen voor het vrije verkeer van goederen worden verwijderd en een regime worden ingevoerd waardoor wordt gewaarborgd dat de mededinging binnen de gemeenschappelijke markt niet wordt vervalst. Een eenvormig stelsel ter verkrijging van Gemeenschapsmodellen waaraan overal op het grondgebied van de Gemeenschap dezelfde bescherming met dezelfde rechtsgevolgen wordt verleend, zal derhalve tot deze doelstellingen bijdragen. (2) Daar alleen in de Benelux-landen een eenvormige wet inzake de bescherming van tekeningen of modellen geldt, terwijl de modellenbescherming in alle andere lidstaten op nationale wetgeving berust en telkens tot het grondgebied van de betrokken lidstaat beperkt is, is het mogelijk dat in verscheidene lidstaten gelijke modellen op uiteenlopende wijze en ten behoeve van verschillende houders worden beschermd. Dit leidt onvermijdelijk tot geschillen in het handelsverkeer tussen de lidstaten. (3) De grote verschillen tussen de wetgevingen van de lidstaten inzake modellen belemmeren en vervalsen de mededinging tussen de producenten van beschermde voortbrengselen in de Gemeenschap, omdat in vergelijking met de binnenlandse handel in en de binnenlandse mededinging tussen voortbrengselen waarin een model is verwerkt, de handel en de mededinging in de Gemeenschap worden belemmerd en vervalst door het grote aantal aanvragen, bevoegde diensten, procedures, wettelijke regelingen en nationaal begrensde uitsluitende rechten alsmede door de cumulatie van administratieve kosten, waardoor de uitgaven en te betalen taksen voor de aanvrager sterk oplopen. Richtlijn 98/71/EG van 13 oktober 1998 van het Europees Parlement en de Raad inzake de rechtsbescherming van modellen [17] die de wetgevingen van de lidstaten inzake modellen nader tot elkaar brengt, draagt reeds tot de rechtzetting van deze situatie bij. [17] PB L 289 van 28.10.1998, blz. 28. (4) De territoriale werking van de modellenbescherming in de onderscheiden lidstaten kan, ongeacht of hun wetgevingen al dan niet onderling zijn aangepast, tot gevolg hebben dat de interne markt bij voortbrengselen waarin een model is verwerkt dat is onderworpen aan door diverse rechtssubjecten gehouden rechten, wordt opgesplitst, waardoor het vrije verkeer van goederen wordt belemmerd. (5) Bijgevolg moet een in elke lidstaat rechtstreeks geldend Gemeenschapsmodel worden ingevoerd, omdat het slechts op deze wijze mogelijk zal zijn door middel van één aanvrage bij het Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen) volgens één procedure en krachtens één regeling één recht op een model te verkrijgen dat in één, alle lidstaten omvattend gebied, geldig is. (6) Ter bereiking van deze doelstellingen dient de Gemeenschap derhalve maatregelen vast te stellen, daar deze doelstellingen niet door de lidstaten afzonderlijk, doch wegens de grootschalige gevolgen van de instelling van een communautair modellenrecht en een ter zake bevoegde gemeenschappelijke modelleninstantie slechts door de Gemeenschap kunnen worden verwezenlijkt. (7) Daar hoogwaardige vormgeving een belangrijke troef van de bedrijven in de Gemeenschap in de concurrentiestrijd met die uit andere landen is en in vele gevallen doorslaggevend is voor het commerciële welslagen van een aldus vorm gegeven voortbrengsel, bevordert een betere bescherming van industriële vormgeving niet alleen de bijdrage van individuele ontwerpers tot de vooraanstaande rol van de Gemeenschap op dit gebied, maar moedigt deze ook de innovatie, ontwikkeling van nieuwe voortbrengselen en investering in de productie ervan aan. Bijgevolg is een toegankelijker, aan de vereisten van de interne markt aangepaste regeling van modellenbescherming voor het bedrijfsleven in de Gemeenschap van wezenlijk belang. (8) Er moet eerst een dergelijke modellenbeschermingsregeling zijn, voordat ernaar kan worden gestreefd een overeenkomstige bescherming op de voornaamste uitvoermarkten van de Gemeenschap te verkrijgen. (9) De materiële bepalingen van de onderhavige verordening inzake het modellenrecht moeten op de dienovereenkomstige bepalingen in Richtlijn 98/71/EG worden afgestemd. (10) De technologische innovatie mag niet worden gehinderd door modelbescherming te bieden aan kenmerken die uitsluitend door een technische functie worden bepaald. Hieruit mag niet worden afgeleid dat een model esthetische waarde moet bezitten. Evenmin mag de interoperabiliteit van voortbrengselen van verschillend fabrikaat niet worden gehinderd door de bescherming uit te breiden tot de vormgeving van mechanische samenvoegingen of verbindingen. Bijgevolg mogen kenmerken van een model die om deze redenen van bescherming worden uitgesloten, niet in aanmerking worden genomen bij de beoordeling of andere kenmerken van het model aan de voorwaarden voor bescherming voldoen. (11) Voorzieningen voor mechanische samenvoeging of verbinding bij modulaire voortbrengselen kunnen daarentegen een belangrijk aspect van het innoverende karakter van deze voortbrengselen en een belangrijk verkoopargument vormen en moeten bijgevolg voor bescherming in aanmerking kunnen komen. (12) Bescherming dient zich niet uit te strekken tot die onderdelen die bij normaal gebruik van een voortbrengsel niet zichtbaar zijn, noch tot die kenmerken van een dergelijk onderdeel die onzichtbaar zijn wanneer dat onderdeel op zijn plaats is aangebracht, of die op zich niet aan de vereisten van nieuwheid en eigen karakter zouden voldoen. Met kenmerken van een model die om deze redenen van bescherming worden uitgesloten, mag geen rekening worden gehouden bij het beoordelen of andere kenmerken van het model aan de vereisten voor bescherming voldoen. (13) In het kader van Richtlijn 98/71/EG kon geen volledige harmonisatie van de wetgevingen van de lidstaten inzake het gebruik van beschermde modellen van onderdelen van samengestelde voortbrengselen voor reparatiedoeleinden worden bereikt. Om die reden is de Commissie in het kader van de bemiddelingsprocedure betreffende deze richtlijn de verplichting aangegaan, de gevolgen van de bepalingen van de richtlijn, met name voor de bedrijfstakken die het meest bij de lopende discussies over een reparatieclausule voor onderdelen van samengestelde voortbrengselen zijn betrokken, drie jaar na de inwerkingtreding van de richtlijn aan een onderzoek te onderwerpen. Onder deze omstandigheden is het passend modellen van onderdelen van samengestelde voortbrengselen van bescherming krachtens deze verordening uit te sluiten, totdat de Raad zijn beleid terzake op grond van een voorstel van de Commissie heeft bepaald. (14) Het criterium voor de beoordeling van het eigen karakter van een model moet het duidelijke verschil zijn tussen de algemene indruk die wordt gewekt bij een geïnformeerde gebruiker die het model bekijkt, en die welke bij hem wordt gewekt door het vormgevingserfgoed, met in aanmerkingneming van de aard van het voortbrengsel waarop het model wordt toegepast of waarin het is verwerkt en in het bijzonder van de bedrijfstak waarmee het verbonden is en de mate van vrijheid van de ontwerper bij de ontwikkeling van het model. (15) De bepalingen van deze verordening laten de toepassing van de mededingingsregels van de artikelen 81 en 82 van het Verdrag, in het bijzonder ten aanzien van licentieovereenkomsten, onverlet. (16) Een Gemeenschapsmodel dient zoveel mogelijk tegemoet te komen aan de behoeften van elk van de vele verschillende bedrijfstakken in de Gemeenschap. (17) In sommige van deze bedrijfstakken worden grote aantallen modellen gemaakt voor voortbrengselen met een vaak korte commerciële levensduur, waarbij een niet door een teveel aan inschrijvingsformaliteiten bezwaarlijk gemaakte bescherming een voordeel is en de beschermingsduur van ondergeschikt belang. Anderzijds zijn er bedrijfstakken welke aan de voordelen van een inschrijving belang hechten wegens de daaraan verbonden grotere rechtszekerheid en een langere, met de verwachte commerciële levensduur van de producten overeenstemmende beschermingsduur verlangen. (18) Bijgevolg dienen er twee vormen van bescherming te bestaan, namelijk enerzijds bescherming van korte duur door een niet-ingeschreven model, en anderzijds bescherming van langere duur door een ingeschreven model. (19) Een ingeschreven Gemeenschapsmodel vergt dat een register wordt ingesteld en bijgehouden, waarin alle aanvragen welke aan bepaalde vormvereisten voldoen en waaraan een datum van indiening is toegekend, worden ingeschreven. Om de inschrijvings- en andere formaliteiten voor de aanvrager tot een minimum te beperken, moet het inschrijvingsstelsel in beginsel niet berusten op een aan de inschrijving voorafgaand grondig onderzoek naar het al dan niet voldaan zijn aan de voorwaarden voor bescherming. (20) Een Gemeenschapsmodel dient slechts te kunnen worden geldend gemaakt indien het model nieuw is in die zin dat het niet aan enig ander, eerder voor het publiek beschikbaar gesteld model gelijk is, en het ten opzichte van andere modellen een eigen karakter vertoont. (21) Het is tevens noodzakelijk de ontwerper of zijn rechtverkrijgende de gelegenheid te bieden de voortbrengselen waarin het model is verwerkt, op de markt te testen, alvorens te beslissen of het wenselijk is het model als ingeschreven Gemeenschapsmodel te doen beschermen. Het is derhalve noodzakelijk te bepalen dat het binnen een periode van twaalf aan de indiening van de aanvrage om een ingeschreven Gemeenschapsmodel, voorafgaande maanden bekendheid geven aan het model door de ontwerper of zijn rechtverkrijgende, respectievelijk het op misbruik makende wijze daaraan bekendheid geven, de beoordeling van de nieuwheid of van het eigen karakter van het model niet ongunstig beïnvloedt. (22) Het uitsluitende karakter van het recht dat aan het ingeschreven Gemeenschapsmodel wordt ontleend, gaat met grotere rechtszekerheid ervan gepaard. Aan het niet-ingeschreven Gemeenschapsmodel dient dus alleen het recht te zijn verbonden om namaak te beletten. Dit recht, dat ook de handel in voortbrengselen waarin inbreukmakende modellen zijn verwerkt moet omvatten, dient zich echter niet uit te strekken tot voortbrengselen die voortkomen uit een model dat een tweede ontwerper onafhankelijk heeft is voortgebracht. (23) Het doen naleven van deze rechten dient een zaak van nationaal recht te zijn en het is derhalve noodzakelijk dat in een aantal, voor alle lidstaten gelijke, basissancties wordt voorzien. Deze moeten het mogelijk maken, ongeacht de daartoe aangezochte rechterlijke instantie, de inbreukmakende handelingen te doen staken. (24) Een derde die kan aantonen dat hij te goeder trouw een aanvang heeft gemaakt met tot het gebruik in de Gemeenschap, of daartoe ernstige en daadwerkelijke voorbereidingen heeft getroffen, van een model dat binnen de draagwijdte van de aan het ingeschreven Gemeenschapsmodel verleende bescherming valt en dat geen namaak van dit model is, dient het recht te verkrijgen dit model op beperkte schaal te exploiteren. In dit verband dient onder "gebruik" te worden verstaan het gebruik of ernstige en daadwerkelijke voorbereidingen daartoe, met inbegrip van het gebruik voor commerciële doeleinden, die hun aanvang hebben vóór de datum van indiening van de aanvrage voor het ingeschreven Gemeenschapsmodel. (25) Het is een fundamentele doelstelling dat de procedure voor het verkrijgen van een ingeschreven Gemeenschapsmodel voor de aanvragers zo weinig mogelijk kosten en moeilijkheden meebrengt, zodat het stelsel voor kleine en middelgrote ondernemingen en voor individuele ontwerpers gemakkelijk toegankelijk is. (26) Bedrijfstakken waar in korte tijd grote aantallen modellen met een wellicht korte levensduur worden voortgebracht, waarvan uiteindelijk maar enkele in de handel worden gebracht, zullen baat hebben bij het niet-ingeschreven Gemeenschapsmodel. Daarnaast hebben deze bedrijfstakken behoefte aan een gemakkelijkere toegang tot het ingeschreven Gemeenschapsmodel. De mogelijkheid om een aantal modellen in één, meervoudige, aanvrage samen te voegen, komt dan ook aan deze behoefte tegemoet. De modellen in een meervoudige aanvrage zijn onafhankelijk van elkaar wat nietigverklaring, afstand en het doen naleven van rechten betreft. (27) De normale publicatie na inschrijving van een Gemeenschapsmodel zou in sommige gevallen een commerciële operatie met betrekking tot het model kunnen doen mislukken of in gevaar brengen. De mogelijkheid om gedurende een redelijk tijdvak opschorting van publicatie te verkrijgen, biedt in zulke gevallen een oplossing. (28) Wanneer een procedure voor de behandeling van rechtsvorderingen betreffende de geldigheid van een ingeschreven Gemeenschapsmodel op één plaats geschiedt, bespaart dat kosten en tijd ten opzichte van procedures waarbij verschillende nationale rechtbanken zijn betrokken. (29) Er moet dus in een aantal waarborgen worden voorzien, waaronder het recht bij een kamer van beroep, en in laatste instantie bij het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen, een beroep in te stellen. Een dergelijke procedure zou bijdragen tot de ontwikkeling van een eenvormige uitlegging van de voorwaarden waaraan Gemeenschapsmodellen om rechtsgeldig te zijn moeten voldoen. (30) Het is van wezenlijk belang dat de aan een Gemeenschapsmodel verbonden rechten op het grondgebied van de gehele Gemeenschap doeltreffend kunnen worden gehandhaafd. Daarom dienen specifieke regels inzake geschillen betreffende Gemeenschapsmodellen te worden vastgesteld. Voorts kan een beperking van het aantal nationale rechterlijke instanties dat ten aanzien van rechtsvorderingen wegens inbreuk en rechtsvorderingen tot nietigverklaring bevoegd is, specialisering bij de rechters bevorderen. De lidstaten zouden daartoe Gemeenschapsmodellengerechten moeten oprichten. (31) Het stelsel voor de behandeling van geschillen moet "forum shopping" zoveel mogelijk uitsluiten. Daartoe moeten duidelijke internationale bevoegdheidsregels worden vastgesteld. (32) Krachtens Besluit 88/591/EGKS, EEG, Euratom van de Raad van 24 oktober 1988 tot instelling van een Gerecht van eerste aanleg van de Europese Gemeenschappen [18], laatstelijk gewijzigd bij Besluit 1999/291/EG, EGKS, Euratom [19], oefent dit Gerecht, in eerste aanleg, met name ten aanzien van de beroepen krachtens artikel 230, tweede alinea, van het EG-Verdrag de bevoegdheden uit die door de Verdragen tot oprichting van de Europese Gemeenschappen en door de handelingen ter uitvoering daarvan aan het Hof van Justitie zijn opgedragen, behoudens andersluidende bepaling in de handeling waarbij een orgaan naar Gemeenschapsrecht wordt opgericht. Bijgevolg worden de bij deze verordening aan het Hof van Justitie opgedragen bevoegdheden tot nietigverklaring en herziening van de beslissingen van de kamers van beroep overeenkomstig bovenvermeld besluit in eerste aanleg door het Gerecht uitgeoefend. [18] PB L 319 van 25.11.1988, blz. 1, en rectificatie in PB L 241 van 17.8.1988, blz. 4. [19] PB L 114 van 1.5.1999, blz. 52. (33) Deze verordening dient niet uit te sluiten dat op als Gemeenschapsmodel beschermde modellen wetgeving inzake de industriële eigendom of andere relevante wetgeving van de lidstaten van toepassing is, onder meer die betreffende door inschrijving verworven modellenbescherming of betreffende niet-ingeschreven modellen, alsook betreffende merken, octrooien en gebruiksmodellen, oneerlijke mededinging en burgerrechtelijke aansprakelijkheid. (34) In afwachting van een harmonisatie van het auteursrecht is het belangrijk het beginsel vast te leggen dat de bescherming uit hoofde van het Gemeenschapsmodel en die uit hoofde van het auteursrecht kunnen worden gecumuleerd, waarbij het de lidstaten vrij staat de omvang van de auteursrechtelijke bescherming en de voorwaarden waaronder deze wordt verleend, te bepalen. (35) Daar de nodige maatregelen ter uitvoering van deze verordening maatregelen van algemene strekking zijn in de zin van artikel 2 van Besluit 1999/468/EG van 28 juni 1999 tot vaststelling van de voorwaarden voor de uitoefening van de aan de Commissie verleende uitvoeringsbevoegdheden [20], dienen deze maatregelen volgens de regelgevings procedure van artikel 5 van dat besluit worden vastgesteld. [20] PB L 184 van 17.7.1999, blz. 23. (36) Het Verdrag voorziet voor de vaststelling van de onderhavige verordening niet in andere bevoegdheden dan die welke in artikel 308 zijn voorzien, HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD: TITEL I ALGEMENE BEPALINGEN Artikel 1 Gemeenschapsmodellen 1. Modellen die aan de voorwaarden van deze verordening voldoen, worden hierna "Gemeenschapsmodellen" genoemd. 2. Een model wordt overeenkomstig de bepalingen van deze verordening beschermd als een: a) "niet-ingeschreven Gemeenschapsmodel", indien het op de bij deze verordening bepaalde wijze voor het publiek beschikbaar is gesteld; b) "ingeschreven Gemeenschapsmodel", indien het op de bij deze verordening bepaalde wijze is ingeschreven. 3. Het Gemeenschapsmodel vormt een eenheid: het heeft dezelfde rechtsgevolgen in de gehele Gemeenschap. De inschrijving, overdracht, afstand, vervallen- of nietigverklaring en het verbod op het gebruik ervan zijn slechts voor de gehele Gemeenschap mogelijk. Dit beginsel en de implicaties ervan zijn van toepassing tenzij deze verordening anders bepaalt. Artikel 2 Bureau Het Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen), hierna "het Bureau" genoemd, dat bij Verordening (EG) nr. 40/94 van de Raad [21], hierna de "verordening inzake het Gemeenschapsmerk" genoemd, is ingesteld, voert de taken uit die hem bij deze verordening worden opgelegd. [21] PB L 11 du 14.1.1994, blz. 1. TITEL II HET RECHT INZAKE MODELLEN Afdeling 1 Voorwaarden voor bescherming Artikel 3 Definities In deze verordening wordt verstaan onder: a) "model": de verschijningsvorm van een voortbrengsel of een deel ervan, die wordt afgeleid uit de kenmerken van met name de lijnen, de omtrek, de kleuren, de vorm, de textuur en/of de materialen van het voortbrengsel zelf en/of de versiering ervan; b) "voortbrengsel": elk op industriële of ambachtelijke wijze vervaardigd voorwerp, met inbegrip van onder meer onderdelen die zijn bestemd om tot een samengesteld voortbrengsel te worden samengevoegd, verpakkingen, uitvoering, grafische symbolen en typografische lettertypen, doch niet computerprogramma's; c) "samengesteld voortbrengsel": een voortbrengsel dat bestaat uit meerdere onderdelen die kunnen worden vervangen, zodat het voortbrengsel uit elkaar gehaald en weer in elkaar gezet kan worden. Artikel 4 Beschermingsvoorwaarden 1. Een model wordt als Gemeenschapsmodel beschermd voorzover het nieuw is en een eigen karakter heeft. 2. Een model dat is toegepast op of verwerkt in een voortbrengsel dat een onderdeel van een samengesteld voortbrengsel vormt, wordt slechts geacht nieuw te zijn en een eigen karakter te hebben: a) voorzover het onderdeel, wanneer het in het samengestelde voortbrengsel is verwerkt, bij normaal gebruik van dit laatste zichtbaar blijft; en b) voorzover deze zichtbare kenmerken van het onderdeel als zodanig aan de voorwaarden inzake nieuwheid en eigen karakter voldoen. 3. "Normaal gebruik" in de zin van lid 2, onder a), houdt het gebruik door de eindgebruiker in, met uitzondering van handelingen in verband met onderhoud of reparatie. Artikel 5 Nieuwheid 1. Een model wordt als nieuw beschouwd, indien geen identiek model voor het publiek beschikbaar is gesteld: a) bij een niet-ingeschreven Gemeenschapsmodel, vóór de datum waarop het model waarvoor bescherming wordt aangevraagd voor het eerst voor het publiek beschikbaar is gesteld; b) bij een ingeschreven Gemeenschapsmodel, vóór de datum van indiening van de aanvrage om inschrijving van het model waarvoor bescherming wordt gevraagd of, wanneer aanspraak op voorrang wordt gemaakt, vóór de datum van voorrang. 2. Modellen worden geacht identiek te zijn, indien de kenmerken ervan slechts in onbelangrijke details verschillen. Artikel 6 Eigen karakter 1. Een model wordt geacht een eigen karakter te hebben, indien de algemene indruk die het bij de geïnformeerde gebruiker wekt, verschilt van de algemene indruk die bij die gebruiker wordt gewekt door modellen die voor het publiek beschikbaar zijn gesteld: a) bij een niet-ingeschreven Gemeenschapsmodel, vóór de datum waarop het model waarvoor bescherming wordt aangevraagd voor het eerst voor het publiek beschikbaar is gesteld; b) bij een ingeschreven Gemeenschapsmodel, vóór de datum van indiening van de aanvrage om inschrijving of, wanneer aanspraak op voorrang wordt gemaakt, vóór de datum van voorrang. 2. Bij de beoordeling van het eigen karakter wordt rekening gehouden met de mate van vrijheid van de ontwerper bij de ontwikkeling van het model. Artikel 7 In aanmerking te nemen datum - geschrapt - Artikel 8 Openbaarmaking 1. Voor de toepassing van de artikelen 5 en 6 wordt een model geacht voor het publiek beschikbaar te zijn gesteld, indien dit gepubliceerd is na inschrijving of op andere wijze, of tentoongesteld, in de handel gebracht of anderszins openbaar gemaakt is vóór de in artikel 5, lid 1, onder a) en artikel 6, lid 1, onder a), genoemde datum of de in artikel 5, lid 1, onder b) en artikel 6, lid 1, onder b), genoemde datum, tenzij deze feiten bij een normale gang van zaken redelijkerwijs niet ter kennis konden zijn gekomen van ingewijden in de betrokken sector die in de Gemeenschap werkzaam zijn. Het model wordt echter niet geacht voor het publiek beschikbaar te zijn gesteld, louter omdat het onder uitdrukkelijke of stilzwijgende voorwaarde van geheimhouding aan een derde bekendgemaakt is. 2. Openbaarmaking wordt voor de toepassing van de artikelen 5 en 6 niet in aanmerking genomen, wanneer een model waarvoor op grond van een inschrijving als Gemeenschapsmodel aanspraak op bescherming wordt gemaakt, voor het publiek beschikbaar is gesteld: a) door de ontwerper, zijn rechtverkrijgende of een derde op basis van door de ontwerper of diens rechtverkrijgende verstrekte informatie of genomen maatregelen; en b) gedurende het tijdvak van twaalf maanden voorafgaande aan de datum van indiening van de aanvrage of, indien aanspraak wordt gemaakt op voorrang, aan de datum van voorrang 3. Lid 2 is eveneens van toepassing wanneer het model ten gevolge van misbruik jegens de ontwerper of diens rechtverkrijgende voor het publiek beschikbaar is gesteld. Artikel 9 Door hun technische functie bepaalde modellen en modellen van verbindingen 1. Een Gemeenschapsmodel geldt niet voor de uiterlijke kenmerken van een voortbrengsel die uitsluitend door de technische functie worden bepaald. 2. Een Gemeenschapsmodel geldt niet voor de uiterlijke kenmerken van een voortbrengsel die noodzakelijkerwijs in precies dezelfde vorm en afmetingen gereproduceerd moeten worden om het voortbrengsel waarin het model verwerkt is of waarop het toegepast is, mechanisch met een ander voortbrengsel te kunnen verbinden of om het in, rond of tegen een ander voortbrengsel te kunnen plaatsen, zodat elk van beide voortbrengselen zijn functie kan vervullen. 3. In afwijking van lid 2 kan een model dat tot doel heeft binnen een modulair systeem de meervoudige samenvoeging of verbinding van onderling verwisselbare voortbrengselen mogelijk te maken, onder de in de artikelen 5 en 6 gestelde voorwaarden als Gemeenschapsmodel worden beschermd. Artikel 10 Met de openbare orde of de goede zeden strijdige modellen Een met de openbare orde of goede zeden strijdig model, is niet vatbaar voor bescherming als Gemeenschapsmodel. Artikel 10 bis Overgangsbepaling 1. Zolang deze verordening niet op grond van een voorstel van de Commissie over dit onderwerp is gewijzigd, kan een Gemeenschapsmodel niet bestaan in een model dat is toegepast op of is verwerkt in een voortbrengsel dat een onderdeel is van een samengesteld voortbrengsel waarvan de uiterlijke kenmerken voor het model bepalend zijn. 2. Het in lid 1 bedoelde voorstel van de Commissie wordt ingediend samen met, en rekening houdend met, eventuele wijzigingen die de Commissie overeenkomstig artikel 18 van Richtlijn 98/71/EG dienaangaande zal voorstellen. Afdeling 2 Draagwijdte en duur van de bescherming Artikel 11 Draagwijdte van de bescherming 1. De door een Gemeenschapsmodel verleende bescherming omvat elk model dat bij de geïnformeerde gebruiker geen andere algemene indruk wekt. 2. Bij de beoordeling van de draagwijdte van de bescherming wordt rekening gehouden met de mate van vrijheid van de ontwerper bij de ontwikkeling van het model. Artikel 12 Aanvang en duur van de bescherming van het niet-ingeschreven Gemeenschapsmodel 1. Een model dat aan de in afdeling 1 vastgestelde voorwaarden voldoet, wordt gedurende drie jaar met ingang van de datum waarop het model voor het eerst binnen de Gemeenschap voor het publiek beschikbaar is gesteld, als niet-ingeschreven Gemeenschapsmodel beschermd. 2. Voor de toepassing van lid 1 wordt een model geacht binnen de Gemeenschap voor het publiek beschikbaar te zijn gesteld, indien het op enigerlei wijze is gepubliceerd, of is tentoongesteld, in de handel gebracht of anderszins openbaar gemaakt, tenzij deze feiten bij een normale gang van zaken redelijkerwijs niet ter kennis konden zijn gekomen van ingewijden in de betrokken sector die in de Gemeenschap werkzaam zijn. Het model wordt echter niet geacht voor het publiek beschikbaar te zijn gesteld, louter omdat het onder uitdrukkelijke of stilzwijgende voorwaarde van geheimhouding aan een derde is bekendgemaakt. Artikel 13 Aanvang en duur van de bescherming van het ingeschreven Gemeenschapsmodel Na inschrijving door het Bureau wordt een model dat aan de in afdeling 1 gestelde voorwaarden voldoet, gedurende vijf jaar met ingang van de datum van indiening van de aanvrage als ingeschreven Gemeenschapsmodel beschermd. De houder van het recht kan de beschermingsduur telkens met een of meer tijdvakken van vijf jaar laten verlengen, tot een totale termijn van 25 jaar vanaf de datum van indiening van de aanvrage. Artikel 13 bis Vernieuwing van het ingeschreven Gemeenschapsmodel 1. De inschrijving van het Gemeenschapsmodel wordt op verzoek van de houder van het recht of van eenieder die uitdrukkelijk door hem is gemachtigd vernieuwd, mits de vernieuwingstaks is betaald. 2. Het Bureau stelt de houder van het recht op het ingeschreven Gemeenschapsmodel en elke houder van een ingeschreven recht op het ingeschreven Gemeenschapsmodel, tijdig vóór het verstrijken van de geldigheid van de inschrijving van dat verstrijken in kennis. Het verzuim van kennisgeving valt niet onder de verantwoordelijkheid van het Bureau. 3. De aanvrage om vernieuwing wordt ingediend en de vernieuwingstaks betaald binnen zes maanden voor het verstrijken van de maand waarin de beschermingsperiode eindigt. De indiening van de aanvrage en de voldoening van de taksen kunnen nog binnen een bijkomende termijn van zes maanden na het verstrijken van de in de eerste zin genoemde termijn geschieden, tegen betaling van een toeslag binnen deze bijkomende termijn. 4. De vernieuwing werkt vanaf de dag volgende op de datum waarop de geldigheid van de inschrijving verstrijkt. De vernieuwing wordt ingeschreven. Afdeling 3 Rechthebbenden op het Gemeenschapsmodel Artikel 14 Recht op het Gemeenschapsmodel 1. Het recht op het Gemeenschapsmodel komt toe aan de ontwerper of zijn rechtverkrijgende. 2. Wanneer twee of meer personen gezamenlijk een model hebben ontwikkeld, komt hun het recht op het Gemeenschapsmodel gezamenlijk toe. De voorwaarden voor de uitoefening van dit recht worden in een overeenkomst tussen de mede-eigenaren vastgelegd, of anders: a) bij een ingeschreven Gemeenschapsmodel, door toepassing van het recht van de lidstaat waar de inschrijving overeenkomstig artikel 37 is aangevraagd; b) bij een niet-ingeschreven Gemeenschapsmodel, door verwijzing naar het recht van de lidstaat: i. waar alle ontwerpers op de betreffende datum hun zetel of woonplaats hebben; ii. wanneer punt i) niet van toepassing is, waar alle ontwerpers op de betreffende datum een vestiging hebben; iii. wanneer de punten i) en ii) niet van toepassing zijn, waar het niet-ingeschreven model voor het eerst overeenkomstig artikel 12 voor het publiek beschikbaar is gesteld. 3. Wanneer een model door een werknemer in de uitoefening van zijn functie of volgens de instructies van zijn werkgever wordt ontwikkeld, komt het recht op het Gemeenschapsmodel de werkgever toe, tenzij bij overeenkomst anders is bepaald. Artikel 15 Veelheid van ontwerpers - geschrapt - Artikel 16 Aanspraken met betrekking tot het recht op het Gemeenschapsmodel 1. Wanneer een niet-ingeschreven Gemeenschapsmodel openbaar wordt gemaakt door, of wanneer een ingeschreven Gemeenschapsmodel is ingeschreven of inschrijving is aangevraagd op naam van een persoon die uit hoofde van artikel 14 daarop geen recht heeft, kan de rechthebbende uit hoofde van genoemde bepaling, onverminderd andere door hem te nemen stappen, vorderen dat hij als de rechtmatige houder van het Gemeenschapsmodel wordt erkend. 2. Een persoon die samen met anderen recht op een Gemeenschapsmodel heeft, kan overeenkomstig lid 1 vorderen dat hij als medehouder daarvan wordt erkend. 3. Rechtsvorderingen uit hoofde van de leden 1 en 2 kunnen binnen twee jaar na de datum van publicatie van een ingeschreven Gemeenschapsmodel of de datum van openbaarmaking van een niet-ingeschreven Gemeenschapsmodel, voor een gerecht worden ingesteld. Er is geen termijn voor toepassing, indien de persoon die geen recht op het Gemeenschapsmodel heeft op het tijstip waarop een dergelijk model werd aangevraagd of openbaar gemaakt of aan hem overging, te kwader trouw handelde. 4. In het geval van een ingeschreven Gemeenschapsmodel worden de volgende gegevens in het register opgenomen: a) de vermelding dat overeenkomstig lid 1 een rechtsvordering is ingesteld; b) de in kracht van gewijsde gegane beslissing of een andere beëindiging van de procedure; c) een verandering in de eigendom van het ingeschreven Gemeenschapsmodel ten gevolge van de in kracht van gewijsde gegane beslissing. Artikel 17 Gevolgen van de rechterlijke uitspraak inzake het recht op het ingeschreven Gemeenschapsmodel 1. Wanneer ingevolge een rechtsvordering op grond van artikel 16, zich een volledige verandering in het houderschap van een ingeschreven Gemeenschapsmodel voltrekt, vervallen licenties en andere rechten op het tijdstip waarop de rechthebbende in het register wordt ingeschreven. 2. Wanneer de houder van het ingeschreven Gemeenschapsmodel of een licentiehouder voordat de instelling van een rechtsvordering op grond van artikel 16 in het register is ingeschreven, het model in de Gemeenschap heeft geëxploiteerd of daartoe ernstige en daadwerkelijke voorbereidingen heeft getroffen, mag hij met deze exploitatie voortgaan, mits hij binnen de in de uitvoeringsverordening vastgestelde termijn aan de nieuwe houder, wiens naam in het register wordt ingeschreven, om verlening van een niet-uitsluitende licentie verzoekt. De licentie wordt voor een redelijke tijd en tegen redelijke voorwaarden verleend. 3. Lid 2 is niet van toepassing, indien de houder van het recht of de licentiehouder op het tijdstip waarop hij met de exploitatie van het model of het treffen van de voorbereidingen daartoe begon, te kwader trouw handelde. Artikel 18 Vermoeden ten gunste van de ingeschreven houder van het model De persoon op wiens naam het ingeschreven Gemeenschapsmodel is ingeschreven of, voorafgaande aan de inschrijving, op wiens naam de aanvrage werd ingediend, wordt geacht in alle procedures bij het Bureau en in alle andere procedures rechthebbende te zijn. Artikel 19 Recht van de ontwerper om te worden vermeld De ontwerper heeft ten opzichte van de indiener van een aanvrage om een ingeschreven Gemeenschapsmodel of ten opzichte van de houder van een ingeschreven Gemeenschapsmodel het recht bij het Bureau en in het register als zodanig te worden vermeld. Wanneer het model in teamverband is ontwikkeld, mag in plaats van de afzonderlijke ontwerpers het team worden vermeld. Afdeling 4 Rechtsgevolgen van het Gemeenschapsmodel Artikel 20 Aan het Gemeenschapsmodel verbonden rechten 1. Een ingeschreven Gemeenschapsmodel verleent de houder ervan het uitsluitende recht het te gebruiken en derden aan wie hij daartoe geen toestemming heeft gegeven, te beletten het te gebruiken. Onder dit gebruik wordt met name verstaan het vervaardigen, aanbieden, in de handel brengen, invoeren, uitvoeren of gebruiken van een voortbrengsel waarin het model is verwerkt of waarop het is toegepast, alsmede het voor deze doeleinden in voorraad hebben van dat voortbrengsel. 2. Aan een niet-ingeschreven Gemeenschapsmodel is voor de houder echter alleen het recht verbonden de in lid 1 genoemde handelingen te beletten, wanneer het aangevochten gebruik uit het namaken van het beschermde model voortvloeit. 3. Lid 2 is ook van toepassing op een ingeschreven Gemeenschapsmodel waarvan de publicatie is opgeschort, zolang de relevante inschrijvingen in het register en het dossier niet overeenkomstig artikel 52, lid 4, voor het publiek beschikbaar zijn gesteld. Artikel 21 Aan het ingeschreven Gemeenschapsmodel verbonden rechten - geschrapt - Artikel 22 Beperking van de aan het Gemeenschapsmodel verbonden rechten 1. De rechten op een Gemeenschapsmodel mogen niet geldend worden gemaakt voor handelingen: a) in de particuliere sfeer en voor niet-commerciële doeleinden; b) voor experimentele doeleinden; c) bestaande in de reproductie ter illustratie of voor onderricht, mits deze handelingen verenigbaar zijn met de eerlijke handelsgebruiken, zij niet zonder noodzaak afbreuk doen aan de normale exploitatie van het model en de bron wordt vermeld. 2. De rechten op een Gemeenschapsmodel mogen evenmin geldend worden gemaakt voor: a) de uitrusting van in een derde land geregistreerde vaartuigen en luchtvaartuigen die zich tijdelijk op het grondgebied van de Gemeenschap bevinden; b) de invoer in de Gemeenschap van onderdelen en toebehoren voor de reparatie van dergelijke vervoermiddelen; c) reparaties aan dergelijke vervoermiddelen. Artikel 23 Gebruik van een ingeschreven Gemeenschapsmodel voor herstellingsdoeleinden - geschrapt - Artikel 24 Uitputting van rechten De aan een Gemeenschapsmodel verbonden rechten gelden niet voor handelingen die betrekking hebben op een voortbrengsel waarin een als Gemeenschapsmodel beschermd model is verwerkt of waarop het is toegepast, indien het voortbrengsel door de houder van het Gemeenschapsmodel, of met diens toestemming, in de Gemeenschap in de handel is gebracht. Artikel 25 Recht van voorgebruik met betrekking tot een ingeschreven Gemeenschapsmodel 1. Er bestaat een recht van voorgebruik voor een derde die kan aantonen dat hij vóór de datum van indiening van de aanvrage of, indien aanspraak op voorrang wordt gemaakt, vóór de datum van voorrang, te goeder trouw een aanvang heeft gemaakt met het gebruik in de Gemeenschap, of daartoe ernstige en daadwerkelijke voorbereidingen heeft getroffen, van een model dat binnen de draagwijdte van de aan het ingeschreven Gemeenschapsmodel verleende bescherming valt en dat onafhankelijk van dit laatste is ontwikkeld. 2. Het recht van voorgebruik geeft de derde het recht het model te exploiteren voor het doel waarvoor het gebruik geschiedde, of waarvoor vóór de datum van indiening of voorrang van het ingeschreven Gemeenschapsmodel ernstige en daadwerkelijke voorbereidingen werden getroffen. Het ingeschreven Gemeenschapsmodel kan ten aanzien van een dergelijke exploitatie niet aan de derde worden tegengeworpen. 3. Het recht van voorgebruik strekt zich niet uit tot de verlening van een licentie aan een ander om het model te exploiteren. 4. Het recht van voorgebruik is niet overdraagbaar, behalve, wanneer de derde een onderneming is, samen met het deel van de onderneming waarin de handeling werd verricht of de voorbereidingen daartoe werden getroffen. Afdeling 5 Nietigheid Artikel 26 Nietigverklaring 1. Een ingeschreven Gemeenschapsmodel wordt op vordering bij het Bureau overeenkomstig de procedure in de Titels VI en VII of op een reconventionele vordering door een Gemeenschapsmodellengerecht in een inbreukprocedure door het Bureau nietig verklaard. 2. Een niet-ingeschreven Gemeenschapsmodel wordt door een Gemeenschapsmodellengerecht op vordering bij dat gerecht of op een reconventionele vordering in een inbreukprocedure nietig verklaard. 3. Een Gemeenschapsmodel kan ook na verval of afstand ervan nietig worden verklaard. Artikel 27 Nietigheidsgronden 1. Een Gemeenschapsmodel kan slechts in de volgende gevallen nietig worden verklaard: a) het model is geen model in de zin van artikel 3, onder a); b) het beantwoordt niet aan de voorwaarden van de artikelen 4 tot en met 10 bis; c) de houder van het recht is krachtens een rechterlijke beslissing niet gerechtigd tot het Gemeenschapsmodel uit hoofde van artikel 14; d) het Gemeenschapsmodel is strijdig met een ouder model dat na de datum van indiening van de aanvrage of, wanneer aanspraak op voorrang wordt gemaakt na de datum van voorrang, voor het publiek beschikbaar is gesteld, en dat vanaf een aan deze datum voorafgaand tijdstip wordt beschermd als ingeschreven Gemeenschapsmodel dan wel door een aanvrage om inschrijving als Gemeenschapsmodel of door een ingeschreven model van een lidstaat dan wel door een aanvrage om een zodanig recht; e) in een later model wordt van een onderscheidend teken gebruik gemaakt en het Gemeenschapsrecht of het recht van de lidstaat dat op dat teken van toepassing is, staat de houder van het recht op het teken het recht toe, dat gebruik te verbieden; f) in het model wordt zonder toestemming gebruik gemaakt van een werk dat in een lidstaat auteursrechtelijk is beschermd; g) het model vormt een oneigenlijk gebruik van een van de in artikel 6 ter van het Verdrag van Parijs tot bescherming van de industriële eigendom, hierna "Verdrag van Parijs" genoemd, genoemde zaken, of van kentekenen, emblemen en wapens die niet onder genoemd artikel 6 ter vallen en die in een lidstaat van bijzonder algemeen belang zijn. 2. De in lid 1, onder c), vermelde grond kan alleen worden ingeroepen door degene die uit hoofde van artikel 14 gerechtigd is tot het Gemeenschapsmodel. 3. De in lid 1, onder d), e) en f), vermelde gronden kunnen alleen door de aanvrager of de houder van het oudere recht worden ingeroepen. 4. De in lid 1, onder g), vermelde grond kan alleen door de belanghebbende worden ingeroepen. 5. De leden 3 en 4 gelden onverminderd de vrijheid van de lidstaten om te bepalen dat de in lid 1, onder d) en g), vermelde gronden ook ambtshalve door de bevoegde instantie van die lidstaat kunnen worden ingeroepen. 6. Een ingeschreven Gemeenschapsmodel dat overeenkomstig lid 1, onder b), e), f) of g), nietig is verklaard, kan in gewijzigde vorm worden gehandhaafd, indien het in die vorm aan de beschermingsvoorwaarden voldoet en het model zijn identiteit behoudt. De handhaving in gewijzigde vorm kan erin bestaan dat de inschrijving vergezeld gaat van een verklaring van de houder van het ingeschreven Gemeenschapsmodel dat hij gedeeltelijk van aanspraken op dat recht afziet, of van een vermelding in het register van een rechterlijke beslissing of een beslissing van het Bureau waarin het ingeschreven Gemeenschapsmodel gedeeltelijk nietig wordt verklaard. Artikel 28 Rechtsgevolgen van nietigheid 1. In de mate waarin het nietig is verklaard, wordt het Gemeenschapsmodel geacht van de aanvang af geen rechtsgevolgen als bedoeld in deze verordening te hebben gehad. 2. Onverminderd de nationale bepalingen betreffende vorderingen tot vergoeding van schade, veroorzaakt door nalatigheid of kwade trouw van de houder van het Gemeenschapsmodel, of betreffende ongerechtvaardigde verrijking, heeft de terugwerkende kracht van de nietigheid van het Gemeenschapsmodel geen invloed op: a) een beslissing over inbreuk die vóór de nietigverklaring in kracht van gewijsde gegaan en ten uitvoer gelegd is; b) een vóór de nietigverklaring gesloten overeenkomst, voor zover die vóór die verklaring is uitgevoerd; uit billijkheidsoverwegingen kan echter terugbetaling worden geëist van de op grond van deze overeenkomst betaalde bedragen en wel in de mate die door de omstandigheden gerechtvaardigd is. TITEL III GEMEENSCHAPSMODELLEN ALS VERMOGENSBESTANDDELEN Artikel 29 Behandeling van Gemeenschapsmodellen als nationale modellenrechten 1. Tenzij in de artikelen 30 tot en met 34 anders wordt bepaald, wordt het Gemeenschapsmodel als deel van het vermogen in zijn geheel en voor het gehele grondgebied van de Gemeenschap beschouwd als een nationaal modellenrecht van de lidstaat waar: a) de houder op de betrokken dag zijn woonplaats of zetel had, of b) indien het bepaalde onder a) niet van toepassing is, de houder op de betrokken dag een vestiging had. 2. In het geval van een ingeschreven Gemeenschapsmodel is lid 1 overeenkomstig de inschrijvingen in het register van toepassing. 3. In het geval van gezamenlijk houderschap wordt, wanneer twee of meer medehouders aan het bepaalde in lid 1, onder a), of indien deze bepaling niet van toepassing is, aan het bepaalde in lid 1, onder b), voldoen, voor het aanwijzen van de in lid 1 bedoelde lidstaat in aanmerking genomen: a) in het geval van een niet-ingeschreven Gemeenschapsmodel, diegene van de medehouders die door hen in onderlinge overeenstemming wordt aangewezen; b) in het geval van een ingeschreven Gemeenschapsmodel, de eerste van de medehouders in de volgorde waarin zij in het register worden vermeld. 4. Indien de leden 1, 2 en 3 niet van toepassing zijn, is de in lid 1 bedoelde lidstaat de lidstaat waar het Bureau zijn zetel heeft. Artikel 30 Overgang van het ingeschreven Gemeenschapsmodel Op de overgang van een ingeschreven Gemeenschapsmodel zijn de volgende bepalingen van toepassing: a) op verzoek van een der partijen wordt de overgang ingeschreven in het register en gepubliceerd; b) zolang de overgang niet in het register is ingeschreven, mag de rechtverkrijgende zich niet op de uit de inschrijving van het Gemeenschapsmodel voortvloeiende rechten beroepen; c) indien tegenover het Bureau bepaalde termijnen in acht moeten worden genomen, mag de rechtverkrijgende de betrokken verklaringen tegenover het Bureau afleggen wanneer het verzoek om inschrijving van de overgang door het Bureau is ontvangen; d) alle stukken waarvan overeenkomstig artikel 70 aan de houder van het ingeschreven Gemeenschapsmodel kennis moet worden gegeven, worden door het Bureau gezonden aan degene die als houder ingeschreven staat of, indien hij een vertegenwoordiger heeft aangewezen, aan deze laatste. Artikel 31 Zakelijke rechten op het ingeschreven Gemeenschapsmodel 1. Het ingeschreven Gemeenschapsmodel kan in pand worden gegeven of het voorwerp vormen van een ander zakelijk recht. 2. Op verzoek van een der partijen worden de in lid 1 bedoelde rechten ingeschreven in het register en gepubliceerd. Artikel 32 Gedwongen tenuitvoerlegging 1. Een ingeschreven Gemeenschapsmodel kan het voorwerp vormen van gedwongen tenuitvoerlegging. 2. Inzake gedwongen tenuitvoerlegging betreffende een ingeschreven Gemeenschapsmodel zijn de gerechten en de andere autoriteiten van de overeenkomstig artikel 29 aangewezen lidstaat bij uitsluiting bevoegd. 3. Op verzoek van een der partijen wordt de tenuitvoerlegging ingeschreven in het register en gepubliceerd. Artikel 33 Faillissementsprocedures of soortgelijke procedures 1. Een Gemeenschapsmodel kan slechts in een faillissements- of een soortgelijke procedure worden betrokken in de lidstaat op het grondgebied waarvan het centrum van de voornaamste belangen van de schuldenaar is gelegen. 2. Wanneer twee of meer personen eigenaar van een Gemeenschapsmodel zijn, is lid 1 van toepassing op het aandeel dat de mede-eigenaar in het Gemeenschapsmodel heeft. 3. Wanneer een Gemeenschapsmodel in een faillissements- of soortgelijke procedure is betrokken, wordt op verzoek van de bevoegde nationale instantie de desbetreffende vermelding in het in artikel 50 genoemde register ingeschreven en in het in artikel 77, lid 1, bedoelde Gemeenschapsmodellenblad gepubliceerd. Artikel 34 Licentie 1. Een Gemeenschapsmodel kan het voorwerp zijn van een licentie voor de gehele Gemeenschap of voor een deel daarvan. Een licentie kan al dan niet uitsluitend zijn. 2. De aan het Gemeenschapsmodel verbonden rechten kunnen door de houder worden ingeroepen tegen een licentiehouder die handelt in strijd met een van de bepalingen van de licentieovereenkomst inzake de duur daarvan, de vorm waarin het Gemeenschapsmodel mag worden gebruikt, de voortbrengselen waarvoor de licentie is verleend en de kwaliteit van de door de licentiehouder vervaardigde voortbrengselen. 3. Onverminderd het bepaalde in de licentieovereenkomst, kan de licentiehouder een rechtsvordering wegens inbreuk op het Gemeenschapsmodel alleen instellen met toestemming van de houder van het Gemeenschapsmodel. De houder van een uitsluitende licentie kan een dergelijke vordering evenwel instellen, indien de houder van het recht op het Gemeenschapsmodel niet, na daartoe te zijn aangespoord, binnen een redelijke termijn zelf een vordering wegens inbreuk instelt. 4. De licentiehouder kan in de vordering wegens inbreuk die de houder van het Gemeenschapsmodel aanhangig heeft gemaakt, tussenkomen om de door hem geleden schade vergoed te krijgen. 5. Wanneer het een ingeschreven Gemeenschapsmodel betreft, wordt de verlening of overgang van een desbetreffende licentie op verzoek van een der partijen ingeschreven in het register en gepubliceerd. Artikel 35 Werking jegens derden 1. De werking jegens derden van de in de artikelen 30, 31, 32 en 34 bedoelde rechtshandelingen wordt beheerst door het recht van de overeenkomstig artikel 29 aangewezen lidstaat. 2. Wat ingeschreven Gemeenschapsmodellen betreft, kunnen de in de artikelen 30, 31 en 34 bedoelde rechtshandelingen evenwel in alle lidstaten slechts aan derden worden tegengeworpen, nadat zij in het register ingeschreven zijn. Wel kan een zodanige handeling vóór deze inschrijving worden tegengeworpen aan derden die rechten op het ingeschreven Gemeenschapsmodel verworven hebben na de datum van die handeling, maar die op de datum waarop zij de betrokken rechten verwierven, van die handeling op de hoogte waren. 3. Lid 2 is niet van toepassing op een persoon die het ingeschreven Gemeenschapsmodel of een recht op het ingeschreven Gemeenschapsmodel verworven heeft door overdracht van de onderneming in haar geheel of krachtens andere rechtsopvolging onder algemene titel. 4. Totdat gemeenschappelijke bepalingen inzake faillissement voor de lidstaten in werking treden, wordt de werking jegens derden van een faillissements- of soortgelijke procedure beheerst door het recht van de lidstaat waar de procedure het eerst is ingeleid overeenkomstig het nationale recht of verordeningen ter zake. Artikel 36 De aanvrage om een ingeschreven Gemeenschapsmodel als deel van het vermogen 1. Een aanvrage om een ingeschreven Gemeenschapsmodel als deel van het vermogen wordt in zijn geheel en met betrekking tot het gehele grondgebied van de Gemeenschap met een nationaal modellenrecht van de overeenkomstig artikel 29 aangewezen lidstaat gelijkgesteld. 2. De artikelen 30 tot en met 35 zijn van overeenkomstige toepassing op aanvragen om ingeschreven Gemeenschapsmodellen. Indien het intreden van het rechtsgevolg van een dezer bepalingen een inschrijving in het register vergt, wordt aan deze formaliteit voldaan bij de inschrijving van het ingeschreven Gemeenschapsmodel waartoe de aanvrage leidt. TITEL IV DE AANVRAGE OM EEN INGESCHREVEN GEMEENSCHAPSMODEL Afdeling 1 Indiening van de aanvrage en de voorwaarden waaraan deze moet voldoen Artikel 37 Indiening en doorzending van de aanvrage 1. Een aanvrage om een ingeschreven Gemeenschapsmodel wordt naar keuze van de aanvrager ingediend: a) bij het Bureau, of b) bij de centrale dienst voor de industriële eigendom van een lidstaat, of c) in de Benelux-landen, bij het Benelux-bureau voor tekeningen of modellen. 2. Wanneer de aanvrage bij de centrale dienst voor de industriële eigendom van een lidstaat of bij het Benelux-bureau voor tekeningen of modellen wordt ingediend, zorgen deze instanties ervoor dat de aanvrage binnen twee weken na de indiening aan het Bureau wordt doorgezonden. Zij kunnen de aanvrager verplichten tot betaling van een taks die niet meer mag bedragen dan de administratiekosten voor ontvangst en doorzending van de aanvrage. 3. Zodra het Bureau een door de centrale dienst voor de industriële eigendom van een lidstaat of door het Benelux-bureau voor tekeningen of modellen doorgezonden aanvrage ontvangt, stelt het de aanvrager hiervan in kennis met vermelding van de datum waarop de aanvrage door het Bureau is ontvangen. 4. De Commissie stelt niet eerder dan tien jaar na de inwerkingtreding van deze verordening een verslag op over de toepassing van de regeling voor de indiening van aanvragen om een ingeschreven Gemeenschapsmodel, in voorkomend geval vergezeld van door haar passend geachte voorstellen tot wijziging. Artikel 38 Doorzending van de aanvrage - geschrapt - Artikel 39 Voorschriften waaraan de aanvrage moet voldoen 1. De aanvrage om een ingeschreven Gemeenschapsmodel moet bevatten: a) een verzoek tot inschrijving; b) gegevens op grond waarvan de aanvrager geïdentificeerd kan worden; c) een voor reproductie geschikte afbeelding van het model. 2. De aanvrage moet verder bevatten: a) een opgave van de voortbrengselen waarin het model zal worden verwerkt of waarop het zal worden toegepast; b) de classificatie naar klasse van de voortbrengselen waarin het model zal worden verwerkt of waarop het zal worden toegepast; c) de vermelding van de ontwerper of het team van ontwerpers of een verklaring onder de verantwoordelijkheid van de aanvrager dat de ontwerper of het team van ontwerpers afstand heeft gedaan van het recht op vermelding. 3. Daarnaast kan de aanvrage bevatten: a) een beschrijving ter verduidelijking van de afbeelding; b) een verzoek tot opschorting van de publicatie van de inschrijving overeenkomstig artikel 52; c) indien de aanvrager een vertegenwoordiger heeft aangewezen, gegevens op grond waarvan deze kan worden geïdentificeerd. 4. Bij de aanvrage worden de indienings- en de publicatietaks betaald. Indien overeenkomstig lid 3, onder b), een verzoek tot opschorting wordt ingediend, wordt in plaats van de publicatietaks de taks voor opschorting van de publicatie betaald. 5. De aanvrage voldoet aan de voorwaarden die volgens de in artikel 124, bedoelde procedure zijn vastgesteld in een uitvoeringsverordening, hierna "de uitvoeringsverordening" genoemd. 6. De krachtens lid 2, onder a) en b), en lid 3, onder a), verstrekte inlichtingen zijn niet van invloed op de draagwijdte van de bescherming van het model als zodanig. Artikel 40 Meervoudige aanvrage 1. Voor verscheidene modellen kan één meervoudige aanvrage om ingeschreven Gemeenschapsmodellen worden ingediend. Behalve bij versieringen is dit slechts mogelijk, indien alle voortbrengselen waarin de modellen zullen worden verwerkt of waarop zij zullen worden toegepast, tot dezelfde klasse van de internationale classificatie voor tekeningen en modellen van nijverheid behoren. 2. Bij de indiening van de meervoudige aanvrage worden behalve de in artikel 39, lid 4, bedoelde taksen een bijkomende inschrijvingstaks en een bijkomende publicatietaks betaald. Wanneer de meervoudige aanvrage een verzoek tot opschorting van de publicatie behelst, wordt in plaats van de bijkomende publicatietaks een bijkomende taks voor opschorting van de publicatie betaald. De bijkomende taksen bedragen voor elk bijkomend model een percentage van de basistaksen. 3. De meervoudige aanvrage voldoet aan de voorwaarden die zijn vastgesteld in de uitvoeringsverordening. 4. Elk model dat deel uitmaakt van de meervoudige aanvrage kan afzonderlijk ten uitvoer worden gelegd en afzonderlijk voorwerp van een licentie, van een zakelijk recht, van gedwongen tenuitvoerlegging, van een faillissements- of soortgelijke procedure, van afstand of van nietigverklaring zijn. Vernieuwing mag worden aangevraagd voor een deel van de modellen in een meervoudige aanvrage. Nadere regels worden in de uitvoeringsverordening vastgesteld. Artikel 41 Datum van indiening 1. De datum van indiening van de aanvrage om een ingeschreven Gemeenschapsmodel is die waarop de aanvrager aan het Bureau of aan de centrale dienst voor de industriële eigendom van een lidstaat dan wel aan het Benelux-bureau voor tekeningen of modellen, indien de aanvrage daar wordt ingediend, stukken met de in artikel 39, lid 1, bedoelde gegevens voorlegt. 2. In afwijking van lid 1 geldt als datum van indiening van een aanvrage die bij de centrale dienst voor de industriële eigendom van een lidstaat of bij het Benelux-bureau voor tekeningen of modellen is ingediend en die het Bureau meer dan twee maanden na de datum van indiening van de stukken met de in artikel 39, lid 1, genoemde informatie bereikt, de datum van ontvangst van die stukken door het Bureau. Artikel 41 bis Gelijkwaardigheid van de aanvrage met een nationale aanvrage Een aanvrage om een ingeschreven Gemeenschapsmodel waaraan een datum van indiening is toegekend, is in de lidstaten gelijkwaardig aan een op regelmatige wijze ingediende nationale aanvrage, waarbij, in voorkomend geval, rekening wordt gehouden met het recht van voorrang dat voor genoemde aanvrage wordt ingeroepen. Artikel 42 Classificatie Voor de toepassing van deze verordening wordt gebruik gemaakt van de recentste beschikbare versie van de modellenclassificatie die is opgenomen in de bijlage bij de Overeenkomst tot instelling van een internationale classificatie voor tekeningen en modellen van nijverheid, die op 8 oktober 1968 te Locarno is ondertekend. Afdeling 2 Voorrang Artikel 43 Recht van voorrang 1. Wie op regelmatige wijze een aanvrage om een modelrecht heeft ingediend in of voor een Staat die partij is bij het "Verdrag van Parijs", of bij de Overeenkomst tot oprichting van de Wereldhandelsorganisatie, of zijn rechtverkrijgenden, geniet voor de indiening van een aanvrage om een ingeschreven Gemeenschapsmodel voor hetzelfde model, gedurende zes maanden na de indiening van de eerste aanvrage een recht van voorrang. 1bis. Wanneer bij de indiening van een aanvrage om een ingeschreven Gemeenschapsmodel aanspraak wordt gemaakt op een recht van voorrang dat op de indiening van een gebruiksmodel berust, geldt overeenkomstig lid 1 gedurende zes maanden een recht van voorrang. 2. Elke aanvrage die de waarde heeft van een regelmatige nationale aanvrage overeenkomstig het recht van de Staat waar de aanvrage is ingediend dan wel overeenkomstig bilaterale of multilaterale overeenkomsten, wordt geacht een recht van voorrang te doen ontstaan 3. Onder regelmatige nationale aanvrage wordt verstaan, een aanvrage waarvan de datum van indiening kan worden vastgesteld, ongeacht het verdere lot van die aanvrage. 4. Met een eerste aanvrage waarvan de datum van indiening het begintijdstip van de termijn van voorrang is, wordt gelijkgesteld een latere aanvrage die is ingediend voor hetzelfde model en in of voor dezelfde Staat als de eerdere aanvrage, mits de eerdere aanvrage op de datum van indiening van de latere aanvrage is ingetrokken, prijsgegeven of afgewezen, zonder voor het publiek ter inzage te hebben gelegen en zonder rechten te hebben laten bestaan, en mits zij nog niet als grondslag voor het beroep op het recht van voorrang heeft gediend. De eerdere aanvrage kan dan niet meer als grondslag voor het beroep op het recht van voorrang dienen. 5. Indien de eerste aanvrage is ingediend in een Staat die geen partij bij het Verdrag van Parijs of bij de Overeenkomst tot oprichting van de Wereldhandelsorganisatie is, zijn de leden 1 tot en met 4 slechts van toepassing, voorzover deze Staat, blijkens gepubliceerde gegevens, aan een bij het Bureau ingediende eerste aanvrage een recht van voorrang verbindt onder voorwaarden en met rechtsgevolgen die met die van deze verordening vergelijkbaar zijn. Artikel 44 Beroep op voorrang De aanvrager van een ingeschreven Gemeenschapsmodel die zich wil beroepen op de voorrang van een eerdere aanvrage, dient een verklaring van voorrang en een afschrift van de eerdere aanvrage in. Indien de eerdere aanvrage niet in een van de talen van het Bureau is gesteld, kan het Bureau om een vertaling van die aanvrage in een van die talen verzoeken. Artikel 45 Rechtsgevolgen van het recht van voorrang Het recht van voorrang heeft ten gevolge dat voor de toepassing van de artikelen 5, 6, 8 en 25 en van artikel 27, lid 1, onder d) en artikel 52, lid 1, de datum van voorrang als de datum van indiening van de aanvrage om een ingeschreven Gemeenschapsmodel wordt beschouwd. Artikel 46 Gelijkwaardigheid van de aanvrage met een nationale aanvrage - Dit artikel is nu opgenomen als artikel 41 bis - Artikel 47 Voorrang in geval van tentoonstelling 1. Indien de aanvrager van een ingeschreven Gemeenschapsmodel voortbrengselen waarin het model is verwerkt of waarop het wordt toegepast, tentoonstelt op een officiële of officieel erkende internationale tentoonstelling in de zin van het Verdrag betreffende internationale tentoonstellingen, ondertekend te Parijs op 22 november 1928, zoals laatstelijk herzien op 30 november 1972, kan hij zich, wanneer hij de aanvrage binnen zes maanden na de datum van de eerste tentoonstelling van die voortbrengselen indient, vanaf die datum op het recht van voorrang in de zin van artikel 45 beroepen. 2. De aanvrager die op grond van lid 1 aanspraak op voorrang wenst te maken, moet overeenkomstig de bepalingen van de uitvoeringsverordening met bewijsstukken staven dat de voortbrengselen waarin het model is verwerkt of waarop het wordt toegepast, zijn tentoongesteld. 3. Een in een lidstaat of een derde land toegekende voorrang voor een tentoonstelling verlengt de voorrangstermijn van artikel 43 niet. TITEL V INSCHRIJVINGSPROCEDURE Artikel 48 Onderzoek of bij indiening van een aanvrage aan de vormvereisten is voldaan 1. Het Bureau onderzoekt of de aanvrage aan de vereisten van artikel 39, lid 1, voor de toekenning van een datum van indiening voldoet. 2. Het Bureau onderzoekt of: a) de aanvrage voldoet aan de vereisten van artikel 39, leden 2 tot en met 5, en, in het geval van een meervoudige aanvrage, aan de vereisten van artikel 40, leden 1 en 2; b) de aanvrage voldoet aan de vormvereisten die in de uitvoeringverordening voor de uitvoering van de artikelen 39 en 40 zijn vastgelegd; c) aan de vereisten van artikel 81, lid 2, is voldaan; d) aan de vereisten betreffende de aanspraak op voorrang wordt voldaan, indien op voorrang aanspraak wordt gemaakt. 3. De voorwaarden voor het onderzoek of bij de indiening aan de vormvereisten is voldaan, worden in de uitvoeringsverordening vastgelegd. Artikel 49 Herstelbare gebreken 1. Wanneer het Bureau bij zijn onderzoek overeenkomstig artikel 48 vaststelt dat er gebreken zijn die kunnen worden hersteld, verzoekt het de aanvrager deze binnen de voorgeschreven termijn op te heffen. 2. Indien de gebreken verband houden met de vereisten van artikel 39, lid 1, en de aanvrager binnen de voorgeschreven termijn gehoor geeft aan het verzoek van het Bureau, kent het Bureau als datum van indiening de datum toe waarop de gebreken zijn opgeheven. Indien de gebreken niet binnen de vastgestelde termijn worden opgeheven, wordt de aanvrage niet als aanvrage om een ingeschreven Gemeenschapsmodel behandeld. 3. Indien de gebreken verband houden met de vereisten van artikel 48, lid 2, onder a), b) en c), met inbegrip van de betaling van taksen, en de aanvrager binnen de voorgeschreven termijn aan het verzoek van het Bureau voldoet, kent het Bureau als datum van indiening de datum toe waarop de aanvrage oorspronkelijk werd ingediend. Indien de vastgestelde gebreken niet binnen de voorgeschreven termijn worden opgeheven en de achterstallige betalingen niet alsnog binnen de voorgeschreven termijn worden verricht, wordt de aanvrage door het Bureau afgewezen. 4. Indien de gebreken verband houden met de vereisten van artikel 48, lid 2, onder d), heeft het verzuim om de gebreken binnen de voorgeschreven termijn op te heffen, tot gevolg dat het recht van voorrang voor de aanvrage vervalt. Artikel 49 bis Gronden voor niet-inschrijving 1. Indien het Bureau bij zijn onderzoek overeenkomstig artikel 48 bemerkt dat het model waarvoor bescherming wordt aangevraagd a) niet aan het vereiste van artikel 3, onder a), voldoet, of b) strijdig is met de openbare orde of de goede zeden, wijst het de aanvrage af. 2. De aanvrage kan pas worden afgewezen, nadat de aanvrager in de gelegenheid is gesteld zijn aanvrage in te trekken of te wijzigen of zijn opmerkingen kenbaar te maken. Artikel 50 Inschrijving Indien een aanvrage om een ingeschreven Gemeenschapsmodel aan alle vereisten hiervoor voldoet en de aanvrage niet uit hoofde van artikel 49 bis is afgewezen, schrijft het Bureau de aanvrage als ingeschreven Gemeenschapsmodel in het register van Gemeenschapsmodellen in. De inschrijving draagt als datum de in artikel 41 bedoelde datum van indiening. Artikel 51 Publicatie Na de inschrijving publiceert het Bureau het ingeschreven Gemeenschapsmodel in het in artikel 77, lid 1, genoemde Gemeenschapsmodellenblad. De inhoud van de publicatie wordt vastgesteld in de uitvoeringverordening. Artikel 52 Opschorting van de publicatie 1. De indiener van een aanvrage om een ingeschreven Gemeenschapsmodel kan bij de indiening van de aanvrage verzoeken de publicatie van het ingeschreven Gemeenschapsmodel gedurende dertig maanden vanaf de datum van indiening van de aanvrage of, indien aanspraak op voorrang wordt gemaakt, vanaf de datum van voorrang op te schorten. 2. Wanneer een dergelijk verzoek wordt gedaan en indien aan de voorwaarden van artikel 50 is voldaan, geschiedt de inschrijving als ingeschreven Gemeenschapsmodel, doch worden, behoudens het bepaalde in artikel 78, lid 2, noch de afbeelding van het model, noch enig dossier betreffende de aanvrage voor het publiek ter inzage gelegd. 3. Het Bureau publiceert in het Gemeenschapsmodellenblad een bericht betreffende de opschorting van de publicatie van het ingeschreven Gemeenschapsmodel. Dit bericht bevat gegevens waarmee de identiteit van de houder van het ingeschreven Gemeenschapsmodel kan worden vastgesteld, de datum van indiening van de aanvrage en alle andere krachtens de uitvoeringsverordening vereiste gegevens. 4. Bij het verstrijken van de termijn van opschorting of, indien de houder daarom verzoekt, op een vroegere datum legt het Bureau alle aantekeningen in het register alsmede het dossier betreffende de aanvrage ter inzage van het publiek en publiceert het het ingeschreven Gemeenschapsmodel in het Gemeenschapsmodellenblad, mits binnen de in de uitvoeringsverordening vastgestelde termijn de publicatietaks en, in het geval van een meervoudige aanvrage, de bijkomende publicatietaks zijn betaald. Indien de houder niet aan deze voorwaarden voldoet, wordt het ingeschreven Gemeenschapsmodel geacht van het begin af aan niet de in deze verordening bepaalde rechtsgevolgen te hebben gehad. 5. - geschrapt - 6. Tijdens de duur van de opschorting mag een rechtsvordering op grond van een ingeschreven Gemeenschapsmodel slechts worden ingesteld, indien de gedaagde van de in het register en in het dossier betreffende de aanvrage vervatte informatie in kennis is gesteld. Artikel 53 Beschermingsduur - geschrapt - Artikel 54 Vernieuwing (Dit artikel is artikel 13 bis geworden) - De gehele oude titel VI is geschrapt - TITEL VI AFSTAND EN NIETIGHEID VAN HET INGESCHREVEN GEMEENSCHAPSMODEL Artikel 55 Afstand 1. Van de afstand van een ingeschreven Gemeenschapsmodel wordt door de houder schriftelijk aan het Bureau kennis gegeven. De afstand wordt eerst na de inschrijving van kracht. 2. Indien afstand van een Gemeenschapsmodel wordt gedaan waarvan de publicatie is opgeschort, wordt deze aanvrage geacht van de aanvang af geen rechtsgevolgen als bedoeld in deze verordening te hebben gehad. 3. Het is mogelijk gedeeltelijk afstand van een ingeschreven Gemeenschapsmodel te doen, mits het in gewijzigde vorm aan de vereisten voor bescherming voldoet en de identiteit van het model behouden blijft. 4. De afstand wordt slechts ingeschreven met toestemming van de houder van een in het register ingeschreven recht. Indien een licentie ingeschreven is, wordt de afstand eerst in het register ingeschreven nadat de houder van het ingeschreven Gemeenschapsmodel aantoont dat hij de licentiehouder vooraf van zijn voornemen om afstand te doen in kennis heeft gesteld; de inschrijving geschiedt na het verstrijken van de in de uitvoeringsverordening gestelde termijn. 5. Wanneer krachtens artikel 14 bij een Gemeenschapsmodellengerecht een vordering inzake het recht op een ingeschreven Gemeenschapsmodel is ingesteld, schrijft het Bureau de afstand slechts in het register in indien de eiser hiermee heeft ingestemd. Artikel 56 Vordering tot nietigverklaring 1. Onverminderd artikel 27, leden 2 tot en met 5, kan ieder natuurlijk of rechtspersoon bij het Bureau een vordering tot nietigverklaring van een ingeschreven Gemeenschapsmodel instellen. 2. De vordering wordt schriftelijk ingesteld en met redenen omkleed. Zij wordt pas geacht te zijn ingesteld na de betaling van een taks. 3. De vordering tot nietigverklaring is niet ontvankelijk wanneer een Gemeenschapsmodellengerecht op een vordering met hetzelfde voorwerp en op dezelfde grond aangaande dezelfde partijen al een in kracht van gewijsde gegane beslissing heeft gegeven. Artikel 57 Onderzoek van de vordering 1. Wanneer het Bureau vaststelt dat de vordering tot nietigverklaring ontvankelijk is, onderzoekt het of de in artikel 27 genoemde nietigheidsgronden voor de instandhouding van het ingeschreven Gemeenschapsmodel een beletsel vormen. 2. Bij het onderzoek van de vordering, dat overeenkomstig de uitvoeringsverordening geschiedt, verzoekt het Bureau zo dikwijls als nodig de partijen binnen een door het Bureau te stellen termijn te antwoorden op mededelingen van de andere partijen of van het Bureau zelf. 3. De beslissing tot nietigverklaring van het ingeschreven Gemeenschapsmodel wordt in het register ingeschreven, wanneer zij onherroepelijk is geworden. Artikel 58 Deelneming aan de procedure door de beweerde inbreukmaker 1. Wanneer een vordering tot nietigverklaring van een ingeschreven Gemeenschapsmodel wordt ingesteld, mag elke derde die aantoont dat met betrekking tot hetzelfde model jegens hem een inbreukprocedure is ingesteld, zich, zolang het Bureau geen eindbeslissing heeft genomen, als partij in de nietigheidsprocedure voegen, indien hij binnen drie maanden na de instelling van de inbreukprocedure een verzoek daartoe indient. Hetzelfde geldt, wanneer een derde aantoont dat de houder van het Gemeenschapsmodel hem heeft aangemaand een veronderstelde inbreuk op het model te beëindigen, en dat hij een procedure heeft ingesteld ter verkrijging van een rechterlijke beslissing ertoe strekkende dat hij geen inbreuk op het Gemeenschapsmodel maakt. 2. Het verzoek tot voeging wordt schriftelijk gedaan en met redenen omkleed. Het verzoek wordt eerst geacht te zijn gedaan nadat de taks voor nietigverklaring, en de in artikel 56, lid 2, bedoelde taks zijn betaald. Vanaf dat tijdstip wordt het verzoek, behoudens de in de uitvoeringsverordening vastgestelde uitzonderingen, als een vordering tot nietigverklaring behandeld. TITEL VII BEROEPSPROCEDURE Artikel 59 Beslissingen waartegen beroep kan worden ingesteld 1. Tegen de beslissingen van de onderzoekers, van de Afdeling merken-, tekeningen- en modellenadministratie en juridische aangelegenheden en van de Nietigheidsafdelingen kan beroep worden ingesteld. Het beroep heeft schorsende werking. 2. Tegen een beslissing waarbij een procedure ten aanzien van een der partijen niet wordt afgesloten, kan slechts beroep worden ingesteld tegelijk met de eindbeslissing, tenzij tegen die beslissing afzonderlijk beroep openstaat. Artikel 60 Personen die beroep kunnen instellen en partij kunnen zijn in de procedure Eenieder die partij is in een procedure welke tot een beslissing heeft geleid , kan hiertegen in beroep gaan voor zover hij bij die beslissing in het ongelijk is gesteld. De andere partijen in die procedure zijn van rechtswege partij in de beroepsprocedure. Artikel 61 Termijn en vorm Het beroep wordt schriftelijk bij het Bureau ingesteld binnen twee maanden na de dag waarop de beslissing is meegedeeld. Het beroep wordt pas geacht te zijn ingesteld nadat de beroepstaks is betaald. Een schriftelijke uiteenzetting van de gronden van het beroep moet worden ingediend binnen vier maanden na de datum waarop de beslissing meegedeeld is. Artikel 62 Prejudiciële herziening 1. Indien de instantie waarvan de beslissing wordt betwist, het beroep ontvankelijk en gegrond acht, herziet zij haar beslissing. Deze bepaling geldt niet wanneer tegenover de appellant een andere partij staat. 2. Indien de beslissing niet binnen een maand na ontvangst van de uiteenzetting van de gronden wordt herzien, wordt het beroep onverwijld aan de kamer van beroep voorgelegd, zonder oordeel over de gronden daarvan. Artikel 63 Onderzoek van het beroep 1. Indien het beroep ontvankelijk is, onderzoekt de kamer van beroep of het beroep gegrond is. 2. Bij het onderzoek van het beroep verzoekt de kamer van beroep zo dikwijls als nodig de partijen, binnen een door de kamer te stellen termijn, te antwoorden op mededelingen van de andere partijen of van de kamer zelf. Artikel 64 Beslissing over het beroep 1. Nadat onderzocht is of het beroep ontvankelijk is, beslist de kamer van beroep over het beroep. De kamer van beroep kan hetzij de bevoegdheden uitoefenen van de instantie die de bestreden beslissing heeft genomen, hetzij de zaak voor verdere afdoening naar deze instantie terugverwijzen. 2. Indien de kamer van beroep de zaak voor verdere afdoening terugverwijst naar de instantie die de bestreden beslissing heeft genomen, is deze instantie gebonden aan de beoordeling van de rechtsvragen door de kamer van beroep, voor zover de feiten dezelfde zijn. 3. De beslissing van de kamer van beroep treedt eerst in werking na afloop van de in artikel 65, lid 5, gestelde termijn of, indien binnen deze termijn bij het Hof van Justitie beroep is ingesteld, nadat dit beroep is verworpen. Artikel 65 Beroep bij het Hof van Justitie 1. Tegen de beslissingen in beroep van de kamers van beroep kan beroep worden ingesteld bij het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen. 2. Het beroep kan worden ingesteld wegens onbevoegdheid, schending van wezenlijke vormvoorschriften, schending van het Verdrag, van deze verordening of een uitvoeringsregeling daarvan, of wegens misbruik van bevoegdheid. 3. Het Hof van Justitie kan de bestreden beslissing vernietigen of herzien. 4. Het beroep kan worden ingesteld door partijen in de procedure voor de kamer van beroep voor zover zij door de beslissing van deze kamer in het ongelijk zijn gesteld. 5. Het beroep wordt bij het Hof van Justitie ingesteld binnen twee maanden na kennisgeving van de beslissing van de kamer van beroep. 6. Het Bureau treft de maatregelen die nodig zijn ter uitvoering van het arrest van het Hof van Justitie. TITEL VIII PROCEDURE VOOR HET BUREAU Afdeling 1 Algemene bepalingen Artikel 66 Gronden van de beslissing De beslissingen van het Bureau worden met redenen omkleed. Zij kunnen slechts worden genomen op gronden waartegen de partijen verweer hebben kunnen voeren. Artikel 67 Ambtshalve onderzoek van de feiten 1. Tijdens de procedure onderzoekt het Bureau ambtshalve de feiten; in een procedure inzake nietigverklaring blijft dit onderzoek echter beperkt tot de door de partijen aangevoerde feiten, bewijsmiddelen en argumenten en tot de door hen ingestelde vordering, behalve wanneer de nietigheidsgronden van artikel 27, lid 1, onder a), en van de artikelen 10 en 10 bis worden ingeroepen. 2. Het Bureau behoeft geen rekening te houden met feiten en bewijsmiddelen die de partijen niet tijdig hebben aangevoerd. Artikel 68 Mondelinge behandeling 1. Het Bureau kan ambtshalve of op verzoek van een der partijen in de procedure tot mondelinge behandeling overgaan, indien het zulks wenselijk acht. 2. De mondelinge behandeling, met inbegrip van de uitspraak, is openbaar, tenzij de aangezochte instantie anders beslist indien openbaarheid met name aan een partij in de procedure ernstig en ongerechtvaardigd nadeel zou kunnen toebrengen. Artikel 69 Bewijsvoering 1. In de procedure voor het Bureau zijn onder meer de volgende bewijsmiddelen toegelaten: a) horen van partijen; b) inwinnen van inlichtingen; c) overleggen van documenten en monsters; d) getuigenverhoor; e) deskundigenonderzoek; f) schriftelijke verklaringen die onder ede of belofte zijn afgelegd of overeenkomstig het recht van de Staat waar zij afgelegd zijn een soortgelijke werking hebben. 2. De betrokken dienst van het Bureau kan het onderzoek van deze bewijsmiddelen opdragen aan een van zijn leden. 3. Indien het Bureau het nodig acht dat een partij, een getuige of een deskundige een mondelinge verklaring aflegt, roept het deze persoon daartoe op. 4. De partijen worden in kennis gesteld van het verhoor van een getuige of deskundige door het Bureau. Zij hebben het recht daarbij aanwezig te zijn en de getuige of deskundige vragen te stellen. Artikel 70 Kennisgeving Het Bureau geeft ambtshalve kennis van alle beslissingen en oproepen alsook van mededelingen waardoor een termijn ingaat of waarvan kennisgeving is voorgeschreven in andere bepalingen van deze verordening of van de uitvoeringsverordening of door de voorzitter van het Bureau. Artikel 71 Herstel in de vorige toestand 1. Indien de aanvrager of de houder van een ingeschreven Gemeenschapsmodel of iedere partij in een procedure voor het Bureau, ondanks het betrachten van alle in de gegeven omstandigheden noodzakelijke zorgvuldigheid, niet in staat is geweest tegenover het Bureau een termijn in acht te nemen, wordt hij op zijn verzoek in zijn rechten hersteld indien de verhindering ingevolge deze verordening rechtstreeks het verlies van een recht of een rechtsmiddel tot gevolg heeft. 2. Het verzoek moet schriftelijk worden ingediend binnen twee maanden nadat de verhindering is geëindigd. De nog niet verrichte handeling moet alsnog binnen die termijn geschieden. Het verzoek is slechts binnen een jaar na het verstrijken van de niet in acht genomen termijn ontvankelijk. Indien het verzoek tot vernieuwing niet is ingediend of de vernieuwingstaks niet is voldaan, wordt de in artikel 13 bis, lid 3, tweede volzin, bedoelde termijn van zes maanden van de periode van een jaar afgetrokken. 3. Het verzoek moet met redenen omkleed zijn en de feiten en argumenten bevatten waarop het is gegrond. Het verzoek wordt pas geacht te zijn ingediend nadat de taks voor herstel in de vorige toestand betaald is. 4. De instantie die bevoegd is te beslissen over de niet verrichte handeling beslist over het verzoek. 5. Dit artikel is niet van toepassing op de in lid 2 en in artikel 43, lid 1, bedoelde termijnen. 6. De aanvrager of de houder van een ingeschreven Gemeenschapsmodel die in zijn rechten wordt hersteld, kan deze rechten niet doen gelden tegen een derde die in de periode tussen het verlies van het recht op de aanvrage of op de inschrijving van het ingeschreven Gemeenschapsmodel en de bekendmaking van het herstel van dit recht, te goeder trouw voortbrengselen op de markt heeft gebracht waarin een model is verwerkt of waarop een model wordt toegepast dat onder de draagwijdte van de aan het ingeschreven Gemeenschapsmodel verleende bescherming valt. 7. Een derde die zich op lid 6 kan beroepen, kan binnen twee maanden na de datum waarop wordt bekendgemaakt dat de aanvrager of de houder van een ingeschreven Gemeenschapsmodel in zijn rechten wordt hersteld, tegen deze beslissing derdenverzet aantekenen. 8. Dit artikel laat het recht van een lidstaat onverlet herstel in de vorige toestand toe te kennen met betrekking tot de bij deze verordening gestelde termijnen die ten aanzien van de instanties van die Staat in acht moeten worden genomen. Artikel 72 Verwijzing naar algemene beginselen Voor zover deze verordening, de uitvoeringsverordening, de verordening betreffende de taksen en het reglement voor de procesvoering van de kamers van beroep geen procedureregels bevatten, richt het Bureau zich naar de beginselen die in de lidstaten algemeen aanvaard zijn. Artikel 73 Einde van de financiële verplichtingen 1. Vorderingen van het Bureau tot betaling van taksen vervallen vier jaar na het einde van het kalenderjaar waarin de taks opeisbaar is geworden. 2. Vorderingen jegens het Bureau tot terugbetaling van taksen of van te veel betaalde bedragen vervallen vier jaar na het einde van het kalenderjaar waarin de vorderingen zijn ontstaan. 3. De in de leden 1 en 2 genoemde termijn wordt in het in lid 1 bedoelde geval gestuit door een verzoek de taks te betalen en in het in lid 2 bedoelde geval door een verzoekschrift om de vordering te doen gelden. Deze termijn begint opnieuw te lopen op de datum van stuiting; hij verstrijkt uiterlijk zes jaar na het einde van het kalenderjaar waarin hij aanvankelijk is ingegaan, tenzij een vordering in rechte geldend wordt gemaakt; in dat geval verstrijkt de termijn op zijn vroegst één jaar na de datum waarop de beslissing in kracht van gewijsde is gegaan. Afdeling 2 Kosten Artikel 74 Verdeling van de kosten 1. De verliezende partij in een procedure tot nietigverklaring van een ingeschreven Gemeenschapsmodel of in een beroepsprocedure, betaalt de taksen alsook alle vereiste procedurekosten die de andere partij heeft gedragen, met inbegrip van de reis- en verblijfkosten en de bezoldiging van een gemachtigde, raadsman of advocaat, met inachtneming van de tarieven die voor elke kostencategorie overeenkomstig de uitvoeringsverordening worden vastgesteld. 2. Voor zover de partijen respectievelijk op een of meer punten in het ongelijk worden gesteld of voor zover de billijkheid zulks vereist, beslist de Nietigheidsafdeling of de Kamer van beroep dat de kosten anders worden verdeeld. 3. De partij die door afstand te doen van het ingeschreven Gemeenschapsmodel, door niet-vernieuwing van de inschrijving of door intrekking van de vordering tot nietigverklaring of het beroep, een einde maakt aan de procedure, betaalt de taksen alsmede de door de andere partij gedragen kosten overeenkomstig de leden 1 en 2. 4. Wanneer de procedure zonder voorwerp is geraakt, beslist de Nietigheidsafdeling of de Kamer van beroep vrijelijk over de kosten. 5. Wanneer de partijen voor de nietigheidsafdeling of de kamer van beroep een andere kostenregeling overeenkomen dan die van de leden 1 tot en met 4, neemt de betrokken afdeling hiervan kennis. 6. Op verzoek stelt de griffie van de Nietigheidsafdeling of van de Kamer van beroep het bedrag vast dat op grond van de leden 1 tot en met 5 moet worden vergoed. Dit bedrag kan op een binnen de in de uitvoeringsverordening vastgestelde termijn gedaan verzoek bij beslissing van de Nietigheidsafdeling of de Kamer van beroep worden herzien. Artikel 75 Tenuitvoerlegging van beslissingen tot vaststelling van de kosten 1. Iedere onherroepelijke beslissing van het Bureau tot vaststelling van de kosten vormt een executoriale titel. 2. De gedwongen tenuitvoerlegging geschiedt volgens de bepalingen van burgerlijke rechtsvordering die van kracht zijn in de Staat van tenuitvoerlegging. Het exequatur wordt, na een onderzoek dat zich beperkt tot de echtheid van de titel, verleend door de nationale autoriteit die de regering van elke lidstaat daartoe aanwijst. Van de aanwijzing geeft zij kennis aan het Bureau en aan het Hof van Justitie. 3. Nadat de bedoelde formaliteiten op verzoek van de belanghebbende zijn vervuld, kan deze de tenuitvoerlegging volgens de nationale wetgeving voortzetten door zich rechtstreeks tot de bevoegde instantie te wenden. 4. De gedwongen tenuitvoerlegging kan slechts worden opgeschort door een beslissing van het Hof van Justitie. Het toezicht op de regelmatigheid van de tenuitvoerlegging behoort echter tot de bevoegdheid van de gerechten van de betrokken lidstaat. Afdeling 3 Voorlichting van het publiek en van de instanties der lidstaten Artikel 76 Register van Gemeenschapsmodellen Het Bureau houdt een register bij, het register van Gemeenschapsmodellen genoemd, waarin die gegevens worden opgenomen waarvan de inschrijving bij deze verordening of bij de uitvoeringsverordening is voorgeschreven. Het register ligt ter inzage van het publiek, behoudens de andersluidende bepaling in artikel 52, lid 2, ten aanzien van aantekeningen van ingeschreven Gemeenschapsmodellen waarvan de publicatie is opgeschort. Artikel 77 Regelmatig verschijnende publicaties 1. Het Bureau doet periodiek een Gemeenschapsmodellenblad verschijnen, waarin de aantekeningen welke in het register ter inzage van het publiek liggen zijn opgenomen, alsmede alle andere gegevens waarvan de publicatie door deze verordening of de uitvoeringsverordening is voorgeschreven. 2. De mededelingen en bekendmakingen van algemene aard die van de voorzitter van het Bureau uitgaan alsmede alle andere bekendmakingen betreffende deze verordening en de toepassing ervan worden in het in artikel 85 van de verordening inzake het Gemeenschapsmerk bedoelde Publicatieblad van het Bureau gepubliceerd. Artikel 78 Openbare inzage 1. De dossiers betreffende aanvragen om een ingeschreven Gemeenschapsmodel die nog niet zijn gepubliceerd en de dossiers betreffende ingeschreven Gemeenschapsmodellen waarvan de publicatie overeenkomstig artikel 52 is opgeschort of waarvan, tijdens de toepassing van de opschorting, vóór of bij het verstrijken van de termijn van opschorting van de publicatie, afstand is gedaan, kunnen alleen met toestemming van de aanvrager of de houder van het ingeschreven Gemeenschapsmodel worden ingezien. 2. Eenieder die kan bewijzen een gewettigd belang te hebben, kan zonder toestemming van de aanvrager of houder van het ingeschreven Gemeenschapsmodel, vóór publicatie ervan of na afstand daarvan in het in lid 1, bedoelde geval inzage van het desbetreffende dossier verkrijgen. Dit is met name het geval, indien de belanghebbende bewijst dat de aanvrager of houder van het ingeschreven Gemeenschapsmodel stappen heeft ondernomen om het aan het ingeschreven Gemeenschapsmodel verbonden recht tegen hem te doen gelden. 3. Na de publicatie van het ingeschreven Gemeenschapsmodel kan het dossier op verzoek worden ingezien. 4. Bij de raadpleging van een dossier krachtens lid 2 of lid 3 kunnen bepaalde stukken daaruit echter, overeenkomstig de bepalingen van de uitvoeringsverordening, van inzage worden uitgesloten. Artikel 79 Administratieve samenwerking Tenzij in deze verordening of in de nationale wetgevingen anders is bepaald, verlenen het Bureau en de bevoegde rechterlijke of andere instanties van de lidstaten elkaar op verzoek bijstand door elkaar gegevens te verstrekken of inzage in dossiers te geven. Wanneer het Bureau inzage van dossiers geeft aan de rechterlijke instanties, openbare ministeries of centrale diensten voor de industriële eigendom, is deze inzage niet aan de in artikel 78 bedoelde beperkingen onderworpen. Artikel 80 Uitwisseling van publicaties 1. Het Bureau en de centrale diensten voor de industriële eigendom van de lidstaten wisselen op verzoek, voor hun eigen behoeften en kosteloos, een of meer exemplaren van hun publicaties uit. 2. Het Bureau kan overeenkomsten sluiten over de uitwisseling of de toezending van publicaties. Afdeling 4 Vertegenwoordiging Artikel 81 Algemene beginselen betreffende de vertegenwoordiging 1 Behoudens lid 2 is niemand verplicht zich voor het Bureau te doen vertegenwoordigen. 2. Onverminderd lid 3, tweede volzin, moeten natuurlijke en rechtspersonen die in de Gemeenschap geen woonplaats, zetel, noch werkelijke en feitelijke vestiging voor bedrijf of handel hebben, zich in alle in deze verordening bedoelde procedures, met uitzondering van de indiening van een aanvrage om een ingeschreven Gemeenschapsmodel, overeenkomstig artikel 82, lid 1, voor het Bureau doen vertegenwoordigen; andere uitzonderingen kunnen in de uitvoeringsverordening worden vastgesteld. 3. Natuurlijke en rechtspersonen die in de Gemeenschap een woonplaats, zetel of werkelijke en feitelijke vestiging voor bedrijf of handel hebben, kunnen voor het Bureau optreden door tussenkomst van een van hun werknemers, die een bij het dossier te voegen ondertekende volmacht indient; de bijzonderheden hiervan worden geregeld in de uitvoeringsverordening. De werknemer van een rechtspersoon als bedoeld in dit lid kan ook handelen voor andere rechtspersonen die met deze rechtspersoon economisch verbonden zijn, ook indien die andere rechtspersonen in de Gemeenschap geen woonplaats, zetel, noch werkelijke en feitelijke vestiging voor bedrijf of handel hebben. Artikel 82 Beroepsmatige vertegenwoordiging 1. Natuurlijke of rechtspersonen kunnen bij procedures voor het Bureau in de zin van deze verordening slechts worden vertegenwoordigd door: a) een advocaat die bevoegd is op het grondgebied van een der lidstaten praktijk uit te oefenen en binnen de Gemeenschap kantoor houdt, voorzover hij in die lidstaat bevoegd is als vertegenwoordiger ter zake van industriële eigendom op te treden; b) erkende gemachtigden die zijn ingeschreven op de in artikel 89, lid 1, onder b), van de verordening inzake het Gemeenschapsmerk genoemde lijst van erkende gemachtigden; of c) personen die staan vermeld op de in lid 4 genoemde speciale lijst van erkende gemachtigden ter zake van modellen. 2. De in lid 1, onder c), bedoelde personen zijn alleen bevoegd in procedures inzake modellen derden voor het Bureau te vertegenwoordigen. 3. De uitvoeringverordening stelt vast of en onder welke voorwaarden gemachtigden een ondertekende volmacht voor toevoeging aan het dossier aan het Bureau moeten overleggen. 4. Op de speciale lijst van erkende gemachtigden ter zake van modellen kan iedere natuurlijke persoon worden ingeschreven die aan de volgende voorwaarden voldoet: a) hij moet de nationaliteit van een van de lidstaten bezitten; b) zijn kantoor of de plaats waar hij werkt moet zich binnen de Gemeenschap bevinden; c) hij moet bevoegd zijn ter zake van modellen natuurlijke personen en rechtspersonen te vertegenwoordigen voor de centrale dienst voor de industriële eigendom van een lidstaat of voor het Benelux-bureau. Wanneer deze bevoegdheid tot vertegenwoordiging ter zake van modellen in die lidstaat niet van een bijzondere beroepsbekwaamheid afhankelijk is gesteld, komen slechts personen voor inschrijving op de lijst in aanmerking die gedurende ten minste vijf jaar regelmatig als vertegenwoordiger ter zake van modellen bij de centrale dienst voor de industriële eigendom van die lidstaat zijn opgetreden. Deze voorwaarde inzake beroepsuitoefening geldt evenwel niet voor personen ten aanzien van wie, overeenkomstig de in een lidstaat bestaande voorschriften, officieel wordt erkend dat zij ter zake van modellen over de vereiste beroepsbekwaamheid beschikken om natuurlijke of rechtspersonen bij de centrale dienst voor de industriële eigendom van die lidstaat te vertegenwoordigen. 5. Inschrijving op de in lid 4 genoemde lijst geschiedt op verzoek, waarbij een door de centrale dienst voor de industriële eigendom van de betrokken lidstaat afgegeven bewijs wordt overgelegd waaruit blijkt dat de in dit lid bedoelde voorwaarden vervuld zijn. 6. De voorzitter van het Bureau kan ontheffing verlenen van: a) de in lid 4, onder a), bedoelde eis in bijzondere omstandigheden; b) de in lid 4, onder c), tweede volzin, bedoelde eis, indien de verzoeker het bewijs levert dat hij de vereiste bekwaamheid op een andere wijze heeft verworven. 7. De voorwaarden waaronder een persoon van de lijst kan worden geschrapt, worden geregeld in de uitvoeringsverordening. TITEL IX BEVOEGDHEID EN PROCEDURE INZAKE RECHTSVOR DERINGEN BETREFFENDE GEMEENSCHAPSMODELLEN Afdeling 1 Rechterlijke Bevoegdheid en Tenuitvoerlegging van Beslissingen Artikel 83 Toepassing van het Bevoegdheids- en Executieverdrag 1. Tenzij deze verordening anders bepaalt, is het Verdrag betreffende de rechterlijke bevoegdheid en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken, ondertekend te Brussel op 27 september 1968, zoals gewijzigd bij de Verdragen houdende toetreding tot dat Verdrag van de tot de Europese Gemeenschappen toetredende landen, welk Verdrag en welke Toetredingsverdragen hierna tezamen "Bevoegdheids- en Executieverdrag" worden genoemd, van toepassing op de procedures betreffende ingeschreven Gemeenschapsmodellen en aanvragen om ingeschreven Gemeenschapsmodellen, alsmede op de procedures betreffende vorderingen die worden ingesteld op grond van Gemeenschapsmodellen en nationale modellen welke gelijktijdige bescherming genieten. 2 De bepalingen van het Bevoegdheids- en Executieverdrag die krachtens lid 1 van toepassing zijn, zijn ten aanzien van een lidstaat alleen van kracht in de tekst van het verdrag die op op een bepaald tijdstip voor deze lidstaat geldt. 3. Met betrekking tot procedures die het gevolg zijn van de in artikel 85 bedoelde rechtsvorderingen: a) zijn artikel 2, artikel 4, artikel 5, leden 1, 3, 4 en 5, artikel 16, lid 4, en artikel 24 van het Bevoegdheids- en Executieverdrag niet van toepassing; b) zijn de artikelen 17 en 18 van dat verdrag van toepassing binnen de grenzen van artikel 86, lid 4, van deze verordening; c) zijn de bepalingen van titel II van dat verdrag die voor personen met woonplaats in een lidstaat gelden, ook van toepassing op personen die in een lidstaat geen woonplaats hebben, maar daar een vestiging hebben. 4. De bepalingen van het Bevoegdheids- en Executieverdrag worden niet van kracht ten aanzien van een lidstaat voor welke dat verdrag nog niet in werking is getreden. Totdat dat verdrag in werking is getreden, worden de in lid 1 genoemde procedures in de betrokken lidstaat beheerst door bilaterale of multilaterale overeenkomsten die zijn betrekkingen met de andere betrokken lidstaat regelen, of, ingeval dergelijke overeenkomsten niet bestaan, door zijn nationale recht inzake de bevoegdheid, erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen. Artikel 83 bis Overgangsbepaling - Dit artikel is artikel 83, lid 4, geworden - Afdeling 2 Geschillen ter zake van inbreuk op en geldigheid van Gemeenschapsmodellen Artikel 84 Gemeenschapsmodellengerechten 1. De lidstaten wijzen op hun grondgebied een zo gering mogelijk aantal nationale gerechten van eerste en tweede aanleg aan, de "Gemeenschapsmodellengerechten", die de hun bij deze verordening opgedragen taken vervullen. 2. Binnen een termijn van drie jaar te rekenen vanaf de inwerkingtreding van deze verordening deelt elke lidstaat de Commissie een lijst mee van Gemeenschapsmodellengerechten met hun naam en territoriale bevoegdheid. 3. Elke verandering betreffende het aantal, de namen of de territoriale bevoegdheid van de Gemeenschapsmodellengerechten, die na de in lid 2 bedoelde mededeling optreedt, wordt door de betrokken lidstaat onverwijld aan de Commissie gemeld. 4. De in de leden 2 en 3 bedoelde gegevens worden door de Commissie aan de lidstaten meegedeeld en in het Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen bekendgemaakt. 5. Zolang een lidstaat de in lid 2 bedoelde mededeling niet heeft gedaan, wordt elke procedure die het gevolg is van de in artikel 85 bedoelde vorderingen en waarvoor de gerechten van die lidstaat krachtens artikel 86 bevoegd zijn, ingesteld bij de gerechten van die Staat die absoluut en relatief bevoegd zou zijn indien het procedures inzake een nationaal modelrecht van die Staat zou betreffen. Artikel 85 Bevoegdheid ter zake van inbreuk en geldigheid De Gemeenschapsmodellengerechten hebben uitsluitende bevoegdheid ter zake van: a) alle rechtsvorderingen betreffende inbreuk en - indien naar nationaal recht toegestaan - dreigende inbreuk op Gemeenschapsmodellen; b) rechtsvorderingen tot vaststelling van een niet-inbreuk op Gemeenschapsmodellen, indien naar nationaal recht toegestaan; c) rechtsvorderingen tot nietigverklaring van een niet-ingeschreven Gemeenschapsmodel; d) reconventionele vorderingen tot nietigverklaring van een Gemeenschapsmodel die zijn ingesteld in samenhang met de onder a) bedoelde rechtsvorderingen; Artikel 86 Internationale bevoegdheid 1. Onverminderd de bepalingen van deze verordening en van de krachtens artikel 83 toepasselijke bepalingen van het Bevoegdheids- en Executieverdrag, worden procedures ingevolge de in artikel 85 bedoelde rechtsvorderingen aanhangig gemaakt bij de gerechten van de lidstaat waar de gedaagde zijn woonplaats heeft of, wanneer hij geen woonplaats heeft in een van de lidstaten, in een lidstaat waar hij een vestiging heeft. 2. Wanneer de gedaagde woonplaats noch vestiging in een van de lidstaten heeft, worden de procedures aanhangig gemaakt bij de gerechten van de lidstaat waar de eiser zijn woonplaats heeft of, indien deze geen woonplaats heeft in een van de lidstaten, in een lidstaat waar hij een vestiging heeft. 3. Wanneer de gedaagde noch de eiser aldaar een woonplaats of vestiging heeft, worden de procedures aanhangig gemaakt bij de gerechten van de lidstaat waar het Bureau zijn zetel heeft. 4. Onverminderd de leden 1, 2 en 3: a) is artikel 17 van het Bevoegdheids- en Executieverdrag van toepassing indien de partijen overeenkomen dat een ander Gemeenschapsmodellengerecht bevoegd is; b) is artikel 18 van dat verdrag van toepassing indien de gedaagde voor een ander Gemeenschapsmodellengerecht verschijnt. 5. Procedures ingevolge de in artikel 85, onder a) en d), bedoelde rechtsvorderingen kunnen ook worden ingesteld bij de gerechten van de lidstaat waar de inbreuk is gepleegd of dreigt te worden gepleegd. Artikel 87 Omvang van de bevoegdheid ter zake van inbreuken 1. Een krachtens artikel 86, leden 1, 2, 3 of 4, bevoegd Gemeenschapsmodellengerecht is bevoegd ter zake van een inbreuk of een dreigende inbreuk op het grondgebied van alle lidstaten. 2. Een krachtens artikel 86, lid 5, bevoegd Gemeenschapsmodellengerecht is alleen bevoegd ter zake van een inbreuk of een dreigende inbreuk op het grondgebied van de lidstaat waar dat gerecht is gelegen. Artikel 88 Vordering of reconventionele vordering tot nietigverklaring van een Gemeenschapsmodel 1. Een vordering of reconventionele vordering tot nietigverklaring van een Gemeenschapsmodel kan slechts op de in artikel 27 genoemde nietigheidsgronden steunen. 2. De vordering of reconventionele vordering kan slechts worden ingesteld door degene die daartoe overeenkomstig artikel 27, leden 2 tot en met 5 het recht heeft. 3. Wanneer de reconventionele vordering wordt ingesteld in een procedure waarin de houder van het Gemeenschapsmodel nog geen partij is, wordt hij daarvan in kennis gesteld en kan hij zich in het geding voegen overeenkomstig de bepalingen van het recht van de lidstaat waar zich het gerecht bevindt. 4. De geldigheid van een Gemeenschapsmodel mag niet worden aangevochten in een procedure betreffende een vordering tot vaststelling van een niet-inbreuk. Artikel 89 Vermoeden van geldigheid - Verweer ten gronde 1. In een procedure inzake een rechtsvordering wegens inbreuk of dreigende inbreuk op een ingeschreven Gemeenschapsmodel beschouwt het Gemeenschapsmodellengerecht het Gemeenschapsmodel als rechtsgeldig, tenzij dit door de gedaagde bij een reconventionele vordering tot nietigverklaring wordt bestreden. 2. In een procedure inzake een rechtsvordering wegens inbreuk of dreigende inbreuk op een niet-ingeschreven Gemeenschapsmodel beschouwt het Gemeenschapsmodellengerecht, indien de houder aangeeft op welke wijze het model eigen karkater vertoont, het Gemeenschapsmodel als rechtsgeldig, tenzij dit door de gedaagde bij een reconventionele vordering tot nietigverklaring wordt bestreden. 3. In de in lid 1 en 2 bedoelde procedures kan de nietigheid van een Gemeenschapsmodel op een andere wijze dan bij een reconventionele vordering alleen worden opgeworpen, indien de gedaagde stelt dat het Gemeenschapsmodel nietig zou moeten worden verklaard wegens een ouder nationaal modelrecht in de zin van artikel 27, lid 1, onder d), waarvan hij houder is. Artikel 90 Uitspraken betreffende de rechtsgeldigheid 1. Wanneer in een procedure voor een Gemeenschapsmodellengerecht een reconventionele vordering tot nietigverklaring van het Gemeenschapsmodel wordt ingesteld, a) verklaart het Gemeenschapsmodellengerecht het Gemeenschapsmodel nietig, indien blijkt dat een van de in artikel 27 genoemde gronden voor de instandhouding van het Gemeenschapsmodel een beletsel vormt; b) wijst het Gemeenschapsmodellengerecht de reconventionele vordering af, indien blijkt dat geen van de in artikel 27 genoemde gronden voor de instandhouding van het Gemeenschapsmodel een beletsel vormt. 2. Wanneer bij een Gemeenschapsmodellengerecht een reconventionele vordering tot nietigverklaring van een ingeschreven Gemeenschapsmodel wordt ingesteld, deelt dit gerecht de datum van instelling dier vordering aan het Bureau mede. Het Bureau maakt hiervan in het register melding. 3. Wanneer bij een Gemeenschapsmodellengerecht een reconventionele vordering tot nietigverklaring van een ingeschreven Gemeenschapsmodel wordt ingesteld, kan het op verzoek van de houder van het ingeschreven Gemeenschapsmodel, en na de andere partijen te hebben gehoord, de procedure schorsen en de gedaagde uitnodigen binnen een door het gerecht te bepalen termijn bij het Bureau een vordering tot nietigverklaring in te stellen. Indien deze vordering niet binnen de bepaalde termijn wordt ingesteld, wordt de procedure voortgezet; de reconventionele vordering wordt dan als ingetrokken beschouwd. Artikel 95, lid 3, is van toepassing. 4. Wanneer een Gemeenschapsmodellengerecht zich bij in kracht van gewijsde gegane beslissing over een reconventionele vordering tot nietigverklaring van een ingeschreven Gemeenschapsmodel heeft uitgesproken, wordt een afschrift van de beslissing aan het Bureau gezonden. Elke partij kan inlichtingen over deze toezending vragen. Het Bureau vermeldt de beslissing overeenkomstig de uitvoeringsverordening in het register. 5. Een reconventionele vordering tot nietigverklaring van een ingeschreven Gemeenschapsmodel mag niet worden ingesteld, indien het Bureau reeds een hetzelfde voorwerp en dezelfde partijen betreffende, op dezelfde gronden berustende beslissing heeft genomen, die in kracht van gewijsde is gegaan. Artikel 91 Gevolgen van de uitspraak inzake geldigheid Een beslissing van een Gemeenschapsmodellengerecht tot nietigverklaring van een Gemeenschapsmodel heeft, zodra zij in kracht van gewijsde is gegaan, in alle lidstaten de in artikel 28 genoemde rechtsgevolgen. Artikel 92 Toepasselijk recht 1. De Gemeenschapsmodellengerechten passen op alle zaken het nationale recht toe, en deze verordening ten aanzien van de zaken die binnen haar toepassingsgebied vallen alsmede de regels van hun internationaal privaatrecht. 2. Tenzij in deze verordening anders wordt bepaald, past een Gemeenschapsmodellengerecht het procesrecht toe dat in de lidstaat waar het gerecht is gelegen geldt voor soortgelijke rechtsvorderingen betreffende een nationaal modelrecht. Artikel 93 Sancties ter zake van inbreuken 1. Wanneer een Gemeenschapsmodellengerecht in een procedure betreffende een inbreuk of dreigende inbreuk van oordeel is dat de gedaagde inbreuk op een Gemeenschapsmodel heeft gemaakt of heeft gedreigd te maken, gelast het, tenzij er bijzondere redenen zijn om dit niet te doen, de volgende maatregelen: a) een verbod aan de gedaagde de handelingen te verrichten die inbreuk op het Gemeenschapsmodel hebben gemaakt of zouden maken; b) de inbeslagname van de inbreukmakende voortbrengselen; c) de inbeslagname van de materialen en gereedschappen die voornamelijk voor de vervaardiging van de inbreukmakende voortbrengselen worden gebruikt, indien de eigenaar het doel waarvoor deze materialen en gereedschappen worden gebruikt kende of indien dit doel duidelijk uit de omstandigheden blijkt; d) de oplegging van andere passende sancties die zijn voorzien in het recht, met inbegrip van het internationaal privaatrecht, van de lidstaat waar de handelingen die inbreuk maken of dreigen te maken, zijn verricht. 2. Het Gemeenschapsmodellengerecht treft tevens overeenkomstig het nationale recht maatregelen om de in de lid 1 genoemde bevelen te doen naleven. Artikel 94 Voorlopige, waaronder beschermende, maatregelen 1. Aan de gerechten, met inbegrip van de Gemeenschapsmodellengerechten, van een lidstaat kunnen voor een Gemeenschapsmodel dezelfde voorlopige, waaronder beschermende, maatregelen worden gevraagd, als op grond van het nationale recht van die lidstaat met betrekking tot nationale modelrechten mogelijk zijn, zelfs indien een Gemeenschapsmodellen gerecht van een andere lidstaat krachtens deze verordening bevoegd is van het bodemgeschil kennis te nemen. 2. In een procedure inzake voorlopige, waaronder beschermende, maatregelen mag de gedaagde, de nietigheid van een Gemeenschapsmodel op een andere wijze dan bij een reconventionele vordering opwerpen. Artikel 89, lid 2, is evenwel van overeenkomstige toepassing. 3. Een krachtens artikel 86, leden 1, 2, 3 of 4, bevoegd Gemeenschapsmodellengerecht is bevoegd voorlopige, waaronder beschermende, maatregelen te bevelen die, onverminderd de procedure voor erkenning en tenuitvoerlegging overeenkomstig titel III van het Bevoegdheids- en Executieverdrag, van kracht zijn op het grondgebied van elke lidstaat. Geen enkel ander gerecht heeft deze bevoegdheid. Artikel 95 Bijzondere bepalingen inzake verknochtheid 1. Indien bij een Gemeenschapsmodellengerecht een in artikel 85 bedoelde vordering - niet zijnde een vordering tot vaststelling van een niet-inbreuk - is ingesteld en de geldigheid van het Gemeenschapsmodel al voor een ander Gemeenschapsmodellengerecht bij een reconventionele vordering wordt betwist of, indien het een ingeschreven Gemeenschapsmodel betreft, bij het Bureau al een vordering tot nietigverklaring is ingesteld, schorst dat gerecht ambtshalve, de partijen gehoord, of op verzoek van een partij en nadat de andere partijen zijn gehoord, de procedure, tenzij er bijzondere redenen zijn om de behandeling voort te zetten. 2. Indien bij het Bureau een vordering tot nietigverklaring van een ingeschreven Gemeenschapsmodel is ingesteld en de geldigheid van het ingeschreven Gemeenschapsmodel al bij een reconventionele vordering voor een Gemeenschapsmodellengerecht wordt aangevochten, schorst het Bureau ambtshalve, de partijen gehoord, of op verzoek van een partij en nadat de andere partijen zijn gehoord, de procedure, tenzij er bijzondere redenen zijn om de behandeling voort te zetten. Indien evenwel een van de partijen in de procedure voor het Gemeenschapsmodellengerecht daarom verzoekt, kan dit gerecht, nadat de andere partijen zijn gehoord, de procedure schorsen. In dat geval zet het Bureau de procedure voort. 3. Indien het Gemeenschapsmodellengerecht de procedure schorst, kan het voor de duur van de schorsing voorlopige, waaronder beschermende, maatregelen bevelen. Artikel 96 Bevoegdheid van de Gemeenschapsmodellengerechten van tweede aanleg - Beroep in cassatie 1. Bij Gemeenschapsmodellengerechten van tweede aanleg kan beroep worden ingesteld tegen beslissingen van Gemeenschapsmodellengerechten van eerste aanleg ter zake van de in artikel 85 bedoelde vorderingen. 2. De voorwaarden waaronder bij een Gemeenschapsmodellengerecht van tweede aanleg beroep kan worden ingesteld, worden door het nationale recht van de lidstaat waar dat gerecht gelegen is bepaald. 3. Het nationale recht inzake beroep in cassatie is van toepassing op beslissingen van de Gemeenschapsmodellengerechten van tweede aanleg. Afdeling 3 Andere geschillen betreffende Gemeenschapsmodellen Artikel 97 Aanvullende bepalingen inzake de bevoegdheid van andere nationale gerechten dan de Gemeenschapsmodellengerechten 1. In de lidstaat waar de gerechten volgens artikel 83, lid 1 of lid 4, bevoegd zijn, worden andere rechtsvorderingen betreffende Gemeenschapsmodellen dan de in artikel 85 bedoelde bij de gerechten ingesteld die absoluut en relatief bevoegd zouden zijn indien het rechtsvorderingen inzake een nationaal modelrecht van die lidstaat zou betreffen. 2. Indien op grond van artikel 83, leden 1 of 4, en lid 1 van dit artikel geen gerecht bevoegd is voor een andere rechtsvordering betreffende een Gemeenschapsmodel dan de in artikel 85 bedoelde rechtsvorderingen, kan deze rechtsvordering bij de gerechten van de lidstaat waar het Bureau gevestigd is, worden ingesteld. Artikel 98 Verplichting van het nationale gerecht Het nationale gerecht waarbij een andere rechtsvordering betreffende een Gemeenschapsmodel wordt ingesteld dan de in artikel 85 bedoelde rechtsvorderingen, beschouwt dat model als rechtsgeldig. Artikel 89, lid 2, en artikel 94, lid 2, zijn evenwel van overeenkomstige toepassing. TITEL X GEVOLGEN VOOR HET RECHT VAN DE LIDSTATEN Artikel 99 Parallelle rechtsvorderingen op grond van Gemeenschapsmodellen en nationale modellenrechten 1. Wanneer voor gerechten van verschillende lidstaten tussen dezelfde partijen met betrekking tot dezelfde handelingen vorderingen wegens inbreuk of dreigende inbreuk worden ingesteld, en het ene gerecht op grond van een Gemeenschapsmodel en het andere gerecht op grond van een nationaal modelrecht dat gelijktijdige bescherming verleent, wordt aangezocht, verwijst het gerecht waarbij de zaak het laatst is aangebracht, ook ambtshalve, de partijen naar het andere gerecht. Het gerecht dat tot verwijzing zou moeten overgaan kan zijn uitspraak aanhouden, indien de bevoegdheid van het andere gerecht wordt aangevochten. 2. Het Gemeenschapsmodellengerecht waarbij op grond van een Gemeenschapsmodel een vordering wegens inbreuk of dreigende inbreuk is ingesteld, wijst de vordering af, indien tussen dezelfde partijen met betrekking tot dezelfde handelingen een onherroepelijke beslissing over het bodemgeschil is gegeven op grond van een modelrecht dat gelijktijdige bescherming verleent. 3. Het gerecht waarbij op grond van een nationaal modelrecht een vordering wegens inbreuk of dreigende inbreuk is ingesteld, wijst de vordering af, indien tussen dezelfde partijen met betrekking tot dezelfde handelingen een onherroepelijke beslissing over het bodemgeschil is gegeven op grond van een Gemeenschapsmodel dat gelijktijdige bescherming verleent. 4. De leden 1, 2 en 3 zijn niet van toepassing op voorlopige, waaronder beschermende, maatregelen. Artikel 100 Verhouding tot andere vormen van bescherming uit hoofde van het nationale recht 1. Deze verordening laat onverlet de bepalingen van het Gemeenschapsrecht en het recht van de betrokken lidstaten inzake niet-ingeschreven modellen, merken of andere onderscheidende tekens, octrooien en gebruiksmodellen, lettertypen, wettelijke aansprakelijkheid en oneerlijke mededinging. 2. Een model dat door een Gemeenschapsmodel wordt beschermd, kan tevens vanaf de datum waarop het model is geschapen of in vorm is vastgelegd, door het auteursrecht van lidstaten worden beschermd. Elke lidstaat bepaalt de omvang en de voorwaarden van die bescherming, met inbegrip van het vereiste gehalte aan oorspronkelijkheid. TITEL XI AANVULLENDE BEPALINGEN BETREFFENDE HET BUREAU Afdeling 1 Algemene bepaling Artikel 101 Algemene bepaling Tenzij in deze titel anders is bepaald, is titel XII van de verordening inzake het Gemeenschapsmerk op de taken van het Bureau in het kader van deze verordening van toepassing. Artikel 102 tot en met 106 - geschrapt - Afdeling 2 Leiding van het Bureau Artikel 107 Aanvullende bevoegdheden van de voorzitter Afgezien van de taken en bevoegdheden die de voorzitter van het Bureau krachtens artikel 119 van de verordening inzake het Gemeenschapsmerk worden toegekend, kan de voorzitter, na raadpleging van de Raad van Bestuur en, in het geval van de verordening betreffende de taksen, het begrotingscomité, voorstellen bij de Commissie indienen tot wijziging van deze verordening, de uitvoeringsverordening, de verordening betreffende de taksen en elk ander voorschrift, in zoverre zij op ingeschreven Gemeenschapsmodellen van toepassing zijn. Artikel 108 Benoeming van hoger personeel - geschrapt - Afdeling 3 Raad van Bestuur Artikel 109 Aanvullende bevoegdheden van de Raad van Bestuur Naast zijn bevoegdheden uit hoofde van de verordening inzake het Gemeenschapsmerk en van andere bepalingen van deze verordening, a) bepaalt de Raad van Bestuur overeenkomstig artikel 128, lid 2, vanaf welke datum aanvragen om inschrijving van een Gemeenschapsmodel kunnen worden ingediend; b) wordt hij geraadpleegd voordat de richtsnoeren betreffende het in het Bureau verrichte onderzoek inzake de vormvoorwaarden, het onderzoek van de gronden voor weigering van inschrijving en de voor het Bureau gevoerde procedures tot nietigverklaring worden aangenomen, alsook in de andere in deze verordening genoemde gevallen. Artikel 110 tot en met 112 - geschrapt - Afdeling 4 Toepassing van de procedures Artikel 113 Bevoegdheid Tot het nemen van beslissingen in verband met de in deze verordening voorgeschreven procedures zijn bevoegd: a) de onderzoekers; b) de Afdeling merken-, tekeningen- en modellenadministratie en juridische aangelegenheden; (c) de Nietigheidsafdelingen; (d) de Kamers van beroep. Artikel 114 Onderzoekers Een onderzoeker is bevoegd namens het Bureau beslissingen te nemen over aanvragen om een ingeschreven Gemeenschapsmodel. Artikel 115 Afdeling merken-, tekeningen- en modellenadministratie en juridische aangelegenheden 1. De afdeling merkenadministratie en juridische aangelegenheden die in de verordening inzake het Gemeenschapsmerk is ingesteld, is voortaan de Afdeling merken-, tekeningen- en modellenadministratie en juridische aangelegenheden. 2. Naast de bevoegdheden die haar bij de verordening inzake het Gemeenschapsmerk zijn verleend is deze afdeling bevoegd tot het nemen van de krachtens deze verordening vereiste beslissingen die niet onder de bevoegdheid van een onderzoeker of van een nietigheidafdeling vallen. Zij is in het bijzonder bevoegd te beslissen over in het register op te nemen gegevens. Artikel 116 Nietigheidsafdelingen 1. De nietigheidsafdelingen zijn bevoegd beslissingen te nemen over vorderingen tot nietigverklaring van een ingeschreven Gemeenschapsmodel. 2. Een nietigheidsafdeling bestaat uit drie leden. Ten minste een van de leden is rechtsgeleerde. Artikel 117 Kamers van beroep Naast de bevoegdheden die hun bij de verordening inzake het Gemeenschapsmerk zijn verleend, zijn de bij die verordening opgerichte Kamers van beroep bevoegd zich uit te spreken over het beroep dat tegen beslissingen van de onderzoekers, de Nietigheidsafdelingen en de Afdeling merken-, tekeningen- en modellenadministratie en juridische aangelegenheden ten aanzien van Gemeenschapsmodellen is ingesteld. Artikel 118 tot en met 123 - geschrapt - TITEL XII SLOTBEPALINGEN Artikel 124 Uitvoeringsverordening 1. De wijze van toepassing van deze verordening wordt vastgesteld in een uitvoeringsverordening. 2. Naast de in de voorgaande artikelen genoemde taksen worden overeenkomstig de uitvoeringsverordening en een verordening betreffende de taksen, in de volgende gevallen taksen geheven: a) laattijdige betaling van de inschrijvingstaks; b) laattijdige betaling van de publicatietaks; c) laattijdige betaling van de taks voor opschorting van de publicatie; d) laattijdige betaling van de bijkomende taksen, verschuldigd bij een meervoudige aanvrage; e) afgifte van duplicaten van het inschrijvingsbewijs; f) inschrijving van de overgang van een ingeschreven Gemeenschapsmodel; g) inschrijving van een licentie of een ander recht inzake een ingeschreven Gemeenschapsmodel; h) doorhaling van de inschrijving van licenties en andere rechten; i) afgifte van uittreksels uit het register; j) inzage in de dossiers; k) afgifte van afschriften van dossierstukken; l) mededeling van gegevens uit de dossiers; m) verificatie van de proceskosten die moeten worden vergoed; n) afgifte van een voor eensluidend gewaarmerkt afschrift. 3. De uitvoeringsverordening en de verordening betreffende de taksen worden vastgesteld en gewijzigd volgens de in artikel 125, lid 2, bedoelde procedure. Artikel 124 bis Reglement van de kamers van beroep Het reglement van de kamers van beroep is van toepassing op door die kamers uit hoofde van deze verordening behandelde beroepen, onverminderd noodzakelijke aanpassingen of toevoegingen die volgens de in artikel 125, lid 2, bedoelde procedure zijn vastgesteld. Artikel 125 (nieuw) Oprichting van een comité en procedure voor het vaststellen van de uitvoeringsverordeningen 1. De Commissie wordt bijgestaan door een comité, "Comité voor vraagstukken inzake de taksen en regels voor de uitvoering van de verordening betreffende Gemeenschapsmodellen" genaamd, bestaande uit vertegenwoordigers van de lidstaten en voorgezeten door de vertegenwoordiger van de Commissie. 2. In de gevallen waarin naar dit lid wordt verwezen, is de regelgevingsprocedure van artikel 5 van Besluit 1999/468/EG met inachtneming van artikel 7, van dat besluit van toepassing. 3. De in artikel 5, lid 6, van Besluit 1999/468/EG bedoelde termijn wordt op drie maanden vastgesteld Artikel 125 (oud) tot en met 127 - geschrapt - Artikel 128 Inwerkingtreding 1. Deze verordening treedt in werking op de zestigste dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen. 2. Aanvragen om een ingeschreven Gemeenschapsmodel kunnen vanaf de datum die door de Raad van Bestuur op advies van de voorzitter van het Bureau is vastgesteld bij het Bureau worden ingediend. 3. Aanvragen om een ingeschreven Gemeenschapsmodel die binnen drie maanden vóór de in lid 2 bedoelde datum zijn ingediend, worden geacht op die datum te zijn ingediend. Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat. Gedaan te Brussel, Voor de Raad De Voorzitter