52000PC0543

Voorstel voor een verordening van de Raad tot instelling van een definitief antidumpingrecht en tot definitieve invordering van het voorlopige antidumpingrecht op de invoer van styreen-butadieen-styreen thermoplastisch rubber uit Taiwan /* COM/2000/0543 def. */


Voorstel voor een VERORDENING VAN DE RAAD tot instelling van een definitief antidumpingrecht en tot definitieve invordering van het voorlopige antidumpingrecht op de invoer van styreen-butadieen-styreen thermoplastisch rubber uit Taiwan

(door de Commissie ingediend)

TOELICHTING

1. De Commissie heeft op 26 augustus 1999 een antidumpingprocedure ingeleid betreffende de invoer van styreen-butadieen-styreen thermoplastisch rubber (SBS) uit Taiwan.

2. Op 24 mei 2000 heeft de Commissie bij Verordening (EG) nr. 1091/2000 een voorlopig antidumpingrecht ingesteld op de invoer van SBS uit dat land.

3. Het bijgaande voorstel voor een verordening van de Raad is gebaseerd op de definitieve bevindingen inzake dumping, schade, oorzakelijk verband en belang van de Gemeenschap, waaruit bleek dat definitieve antidumpingmaatregelen noodzakelijk waren.

4. De Raad wordt derhalve verzocht zijn goedkeuring te hechten aan het bijgaande voorstel voor een verordening, die uiterlijk 25 september 2000 in het Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen dient te worden bekendgemaakt.

Voorstel voor een

VERORDENING VAN DE RAAD

tot instelling van een definitief antidumpingrecht en tot definitieve invordering van het voorlopige antidumpingrecht op de invoer van styreen-butadieen-styreen thermoplastisch rubber uit Taiwan

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,

Gelet op Verordening (EG) nr. 384/96 van de Raad van 22 december 1995 betreffende beschermende maatregelen tegen invoer met dumping uit landen die geen lid zijn van de Europese Gemeenschap [1], laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 905/98 [2], inzonderheid op de artikelen 9 en 10,

[1] PB L 56 van 6.3.1996, blz. 1

[2] PB L 128 van 30.4.1998, blz. 18

Gezien het voorstel dat de Commissie heeft ingediend na raadpleging van het Raadgevend Comité,

Overwegende hetgeen volgt:

A. VOORLOPIGE MAATREGELEN

(1) De Commissie heeft bij Verordening (EG) nr. 1091/2000 [3] (hierna de "verordening voorlopig recht" genoemd) voorlopige antidumpingrechten ingesteld op de invoer in de Gemeenschap van styreen-butadieen-styreen thermoplastisch rubber (hierna "SBS" genoemd), dat is ingedeeld onder de GN-codes ex 4002 19 00 en ex 4002 99, uit Taiwan.

[3] PB L 124 van 25.5.2000, blz. 12

(2) Na een gelijklopend antisubsidieonderzoek werd bij Verordening (EG) nr. 1092/2000 [4] van de Commissie een voorlopig compenserend recht ingesteld op de invoer in de Gemeenschap van SBS uit Taiwan.

[4] PB L 124 van 25.5.2000, blz. 26

B. VERVOLGPROCEDURE

(3) Na de bekendmaking van de belangrijkste gegevens en overwegingen op grond waarvan de Commissie had besloten voorlopige maatregelen in te stellen, hebben diverse belanghebbenden schriftelijke commentaar gegeven. Overeenkomstig het bepaalde in artikel 20, lid 1, van Verordening (EG) nr. 384/96 van de Raad, laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 905/98 (hierna "de basisverordening" genoemd), werd alle belanghebbenden die een daartoe strekkend verzoek hadden ingediend, gelegenheid gegeven door de Commissie te worden gehoord.

(4) De Commissie heeft verder alle informatie verzameld en geverifieerd die zij voor haar definitieve bevindingen noodzakelijk achtte.

(5) Alle belanghebbenden werden op de hoogte gebracht van de belangrijkste gegevens en overwegingen op grond waarvan de Commissie voornemens is de instelling van definitieve antidumpingrechten op de invoer van SBS uit Taiwan en de definitieve invordering van de bedragen waarvoor zekerheid is gesteld door middel van de voorlopige rechten op deze invoer aan te bevelen.

Voorts werd een termijn vastgesteld waarbinnen deze belanghebbenden na de bekendmakingen opmerkingen konden maken.

(6) De mondelinge en schriftelijke opmerkingen van de belanghebbenden werden onderzocht en waar nodig werden zij bij de definitieve bevindingen in aanmerking genomen.

(7) De toetsing van de voorlopige bevindingen aan de sedertdien verzamelde informatie leidde tot de conclusie dat de belangrijkste bevindingen van de verordening voorlopig recht moeten worden bevestigd.

C. PRODUCT EN SOORTGELIJK PRODUCT

(8) Het betreft styreen-butadieen-styreen thermoplastisch rubber dat momenteel onder de GN-codes ex 4002 19 00 en ex 4002 99 wordt ingedeeld.

(9) Eén importeur in de Gemeenschap beweerde dat het uit Taiwan ingevoerde SBS niet dezelfde vloeibaarheidsgraad en weerstand heeft als het in de Gemeenschap vervaardigde SBS. Het onderzoek van de Commissie toonde evenwel aan dat de producenten in Taiwan meerdere soorten SBS vervaardigen die identiek dezelfde samenstelling hebben als de in de Gemeenschap vervaardigde producten. Het onderzoek wees ook uit dat de kwaliteit van het door één bepaalde Taiwanese onderneming ingevoerde SBS in de jaren 1995 en 1996 mogelijkerwijze minder goed was omdat deze onderneming in die periode pas een aanvang had gemaakt met de productie van SBS, maar dat de kwaliteit van het SBS van deze onderneming na korte tijd reeds vergelijkbaar was met die van het in de Gemeenschap vervaardigde SBS. Tenslotte bleek uit het onderzoek dat de verwerkende bedrijven in de Gemeenschap geen onderscheid maken tussen de kwaliteit van het uit Taiwan ingevoerde SBS en de kwaliteit van het product uit de Gemeenschap. De Commissie concludeert hieruit dat het uit Taiwan ingevoerde SBS en het in de Gemeenschap vervaardigde SBS dezelfde kenmerken hebben en van dezelfde kwaliteit zijn.

(10) Een andere importeur in de Gemeenschap was de mening toegedaan dat droog SBS en met olie verdund SBS als twee verschillende producten dienen te worden beschouwd omdat zij door verschillende takken van industrie worden gebruikt. Diverse producenten en verwerkende bedrijven van SBS hebben de Commissie evenwel de verzekering gegeven dat talrijke verwerkende bedrijven in de Gemeenschap, vooral in de schoeiselindustrie, geen onderscheid maken tussen droog SBS en met olie verdund SBS. De conclusie luidt derhalve dat geen onderscheid kan worden gemaakt tussen de markt voor droog SBS en de markt voor met olie verdund SBS.

(11) Dezelfde onderneming voerde ook aan dat droog SBS en met olie verdund SBS, sterk gelijken op andere producten, zoals SIS, die eveneens door de fabrikanten van SBS in de Gemeenschap worden vervaardigd. De onderneming was van mening dat er geen reden is om SBS van deze andere producten te onderscheiden. Het onderzoek toonde evenwel aan dat droog SBS en met olie verdund SBS, wat het butadieen en het styreen betreft, dezelfde fysieke samenstelling hebben en dat het enige verschil erin bestaat dat aan het einde van het productieproces olie wordt toegevoegd. Deze fysieke samenstelling onderscheidt SBS dus duidelijk van andere producten zoals SIS (styreen-isopreen-styreen). Geconcludeerd wordt derhalve dat SBS, droog of met olie verdund, in het kader van dit onderzoek als een apart product moet worden beschouwd.

(12) Aangezien geen andere argumenten naar voren werden gebracht, worden de bevindingen in de overwegingen 13 tot 16 van de verordening voorlopig recht bevestigd.

D. DUMPING

(13) Een producent/exporteur uit Taiwan betwistte de methode voor de berekening van de dumpingmarge, waarbij de normale waarden met de prijzen van een aantal individuele uitvoertransacties vergeleken werden.

(14) Bij onderzoek van het verloop van de uitvoerprijzen in de tijd tijdens het onderzoektijdvak bleek evenwel dat de meeste dumping had plaatsgevonden tijdens de laatste helft van die periode. De berekening van gemiddelden zou dus niet de volle omvang van de dumping weergeven in de zin van artikel 2, lid 11, van de basisverordening.

(15) De voorlopige bevindingen in overweging 25 van de verordening voorlopig recht worden derhalve bevestigd.

(16) De definitieve dumpingmarges, uitgedrukt als een percentage van de invoerprijs cif grens Gemeenschap, vóór inklaring, bedragen:

- Lee Chang Yung Chemical Industry Corp., Taipei: 5,3%

- Chi Mei Corp., Taiwan: 9,1%

- Exporteurs/producenten die geen medewerking verleenden: 20,0%

E. SCHADE

1. Strekking van het begrip bedrijfstak van de Gemeenschap

(17) Omdat geen opmerkingen werden ontvangen in verband met de strekking van het begrip "bedrijfstak van de Gemeenschap" worden de conclusies van de overwegingen 31 en 32 van de verordening voorlopig recht bevestigd.

2. Verbruik in de Gemeenschap

(18) Omdat geen opmerkingen werden ontvangen in verband met het verbruik in de Gemeenschap wordt de raming van dit verbruik die is opgenomen in overweging 33 van de verordening voorlopig recht bevestigd.

3. Invoer van SBS uit Taiwan in de Gemeenschap

a) Ingevoerde hoeveelheden, marktaandeel en gemiddelde invoerprijs

(19) Omdat geen opmerkingen werden ontvangen in verband met de uit Taiwan in de Gemeenschap ingevoerde hoeveelheden, het marktaandeel van deze invoer en de gemiddelde prijs van de ingevoerde producten, worden de vaststellingen in de overwegingen 34 tot 37 van de verordening voorlopig recht bevestigd.

b) Prijsonderbieding

(20) Er zij aan herinnerd dat de prijsonderbieding in het kader van het voorlopige onderzoek werd vastgesteld aan de hand van een vergelijking van de uitvoerprijzen (cif grens Gemeenschap, na inklaring) met de prijzen die door de bedrijfstak van de Gemeenschap werden aangerekend (af fabriek). De verkoopprijzen die voor soortgelijke producten in aanmerking werden genomen, waren de prijzen aan onafhankelijke afnemers na aftrek van kortingen en rabatten.

(21) Commentaar werd uitgebracht over de vergelijkbaarheid van verschillende producttypes doch zoals vermeld in overweging 9 werd vastgesteld dat het product ingevoerd vanuit Taiwan and datgene geproduceerd in de Europese Unie dezelfde eigenschappen bezit.

(22) Deze opmerkingen leidden niet tot wijzigingen van de conclusie van de verordening voorlopig recht dat de gemiddelde prijsonderbiedingsmarge, uitgedrukt als een percentage van de gemiddelde verkoopprijzen van de bedrijfstak van de Gemeenschap 12,3% bedroeg.

4. Economische situatie van de bedrijfstak van de Gemeenschap

(23) Een importeur in de Gemeenschap wees erop dat de voorraden en de rentabiliteit niet werden berekend voor 1995. In de overwegingen 46 en 47 van de verordening voorlopig recht werd uiteengezet dat geen exacte cijfers voor de voorraden en de rentabiliteit konden worden verkregen omdat het boekhoudkundig systeem van één bedrijf en de structuur van een ander bedrijf werden gewijzigd. Hoe het ook zij, uit het onderzoek bleek dat de rentabiliteit in 1995 hoger was dan in 1996. Hierdoor worden de vaststellingen met betrekking tot de schade bevestigd.

(24) Omdat geen andere opmerkingen werden ontvangen over de cijfers van de bedrijfstak van de Gemeenschap in veerband met de productie, de productiecapaciteit, de verkochte hoeveelheden, de verkoopprijs, het marktaandeel, de voorraden, de rentabiliteit, de investeringen en de werkgelegenheid worden de conclusies van de overwegingen 40 tot 49 van de verordening voorlopig recht bevestigd.

5. Conclusie

(25) Op basis van bovenstaande vaststellingen en overwegingen wordt geconcludeerd dat de bedrijfstak van de Gemeenschap aanmerkelijke schade heeft geleden, zoals werd aangetoond in overweging 55 van de verordening voorlopig recht.

F. OORZAKELIJK VERBAND

1. Gevolgen van de invoer met dumping

(26) De Taiwanese overheid en één importeur in de Gemeenschap voerden aan dat het grote marktaandeel van de bedrijfstak van de Gemeenschap tijdens het onderzoektijdvak (89%) bewees dat deze bedrijfstak geen schade had kunnen ondervinden van de invoer uit Taiwan, die een veel kleiner marktaandeel had (6,1%). In dit verband werd vastgesteld dat de uit Taiwan ingevoerde producten een sterke neerwaartse druk op de prijzen van de bedrijfstak van de Gemeenschap uitoefenden en de prijzen van deze bedrijfstak op een door concurrentie en transparantie gekenmerkte markt tijdens het onderzoektijdvak met 12,3% onderboden. Om zijn marktaandeel te kunnen handhaven moest de bedrijfstak van de Gemeenschap de neerwaartse prijsontwikkeling volgen (-47% van 1995 tot het onderzoektijdvak). Ten gevolge hiervan leed de bedrijfstak van de Gemeenschap grote verliezen (de rentabiliteit verslechterde in de periode van 1996 tot het onderzoektijdvak van +14,9% tot -9,8%). Uiteindelijk oordeelt de Commissie dat het grote marktaandeel van de bedrijfstak van de Gemeenschap in zijn geheel deze bedrijfstak niet heeft beschermd tegen oneerlijke concurrentie van met dumping ingevoerde producten uit Taiwan en dat de prijsdruk die door deze Taiwanese invoer werd uitgeoefend in belangrijke mate heeft bijgedragen tot de schade waarvan de bedrijfstak van de Gemeenschap te lijden had.

(27) De Taiwanese overheid voerde aan dat de gestegen investeringen van de producenten van de Gemeenschap tot sterkere concurrentie tussen deze producenten hadden geleid en dat deze concurrentie schade had veroorzaakt. Zoals evenwel in overweging 48 van de verordening voorlopig recht werd medegedeeld bleek uit het onderzoek dat de investeringen sedert 1995 fluctueerden en niet stegen zoals Taiwan beweert. De investeringen bleven vrij laag en beantwoordden aan wat normaal nodig is voor de verbetering van de installaties. De belangrijkste investeringen vonden plaats vóór 1995, in de periode van de bouw van de productie-installaties.

(28) De Taiwanese overheid voerde ook aan dat de schade waarvan de bedrijfstak van de Gemeenschap te lijden had, veroorzaakt kon zijn door een stijging van de prijzen van de grondstoffen. Zoals evenwel in overweging 73 van de verordening voorlopig recht werd vastgesteld fluctueren de prijzen van de grondstoffen sedert 1995 en kan hierbij geen welbepaalde beweging worden aangetoond. Deze prijzen kenden waarschijnlijk wel een cyclisch verloop en kunnen derhalve geen redelijke verklaring bieden voor de constante prijsdalingen van SBS sedert 1995.

(29) Een importeur in de Gemeenschap voerde aan dat de schade waarvan de bedrijfstak van de Gemeenschap te lijden had, het gevolg kon zijn van een stijging van de productiekosten, de verkoopkosten en de algemene en administratieve uitgaven. Uit het onderzoek bleek evenwel dat deze kosten in de periode van 1995 tot 1999 ongeveer gelijk bleven, maar dat de waarde van de verkoop van de producenten van de Gemeenschap ten gevolge van de prijsdaling sterk terugliep (met 39%).

2. Conclusie

(30) Omdat geen andere argumenten werden ontvangen in verband met de oorzaak van de schade waarvan de bedrijfstak van de Gemeenschap te lijden had, wordt de conclusie van de overwegingen 74 en 75 van de verordening voorlopig recht, namelijk dat de invoer van SBS uit Taiwan de bedrijfstak van de Gemeenschap schade heeft berokkend, bevestigd.

G. BELANG VAN DE GEMEENSCHAP

1. Belang van de bedrijfstak van de Gemeenschap

(31) Omdat geen opmerkingen werden ontvangen in verband met het belang van de bedrijfstak van de Gemeenschap worden de conclusies van de overwegingen 77 tot 81 van de verordening voorlopig recht bevestigd.

2. Gevolgen voor de verwerkende bedrijven

(32) Na de goedkeuring van de verordening tot instelling van de voorlopige maatregelen gaven twee importeurs in de Gemeenschap uiting aan hun verontrusting over de gevolgen van de maatregelen voor hun afnemers. Er zij op gewezen dat één van deze bedrijven producten importeerde van een Taiwanese producent die in het kader van deze procedure geen medewerking verleende en dat op de invoer van deze importeur een gecumuleerd voorlopig compenserend recht en antidumpingrecht van 28,2% werd toegepast. Indien evenwel definitieve maatregelen worden ingesteld zullen alle importeurs SBS kunnen aankopen bij producenten van de Gemeenschap, bij de producenten in Taiwan die aan het onderzoek medewerkten, of bij andere leveranciers op wier uitvoer geen maatregelen van toepassing zijn.

(33) Derhalve wordt de gemiddelde prijsstijging als gevolg van definitieve maatregelen op 1,1% geraamd. Tijdens het onderzoek werd bevestigd dat een dergelijke prijsstijging waarschijnlijk slechts beperkte gevolgen voor de verwerkende bedrijven zou hebben. Er werd nagegaan welke gevolgen de instelling van rechten zou hebben voor een aantal traditionele verwerkende bedrijven waarvoor SBS 40% van de productiekosten vertegenwoordigt. Er werd vastgesteld dat de instelling van maatregelen de rentabiliteit van deze bedrijven, voor dat gedeelte van hun productie dat op SBS betrekking heeft, met gemiddeld 0,3% zou doen dalen.

(34) Bovendien betrekken de meeste verwerkende bedrijven in de Gemeenschap het grootste gedeelte van hun SBS bij producenten in de Gemeenschap zodat zij voor het merendeel van hun aankopen niet met een prijsstijging zouden worden geconfronteerd.

(35) Omdat geen andere bewijzen door de importeurs in de Gemeenschap werden ingediend, en omdat de verwerkende bedrijven in de Gemeenschap geen opmerkingen maakten, worden de conclusies van overweging 86 van de verordening voorlopig recht bevestigd.

3. Conclusie

(36) De nieuwe argumenten die in verband met het belang van de Gemeenschap werden ingediend, doen geen afbreuk aan de conclusie dat er geen dwingende redenen zijn om geen antidumpingmaatregelen in te stellen. De voorlopige bevindingen worden derhalve bevestigd.

H. DEFINITIEVE MAATREGELEN

(37) Rekening houdend met de conclusies in verband met dumping, schade, oorzakelijk verband en belang van de Gemeenschap wordt geoordeeld dat definitieve maatregelen moeten worden ingesteld om de bedrijfstak van de Gemeenschap te beschermen tegen verdere schade door de invoer met dumping uit Taiwan.

1. Schademarge

(38) Zoals werd uiteengezet in overweging 91 van de verordening voorlopig recht werd een niet-schadeveroorzakende prijs vastgesteld door aan de verkoopprijs van de bedrijfstak van de Gemeenschap zijn huidige gemiddelde verlies en een winstmarge van 8% toe te voegen. Hierdoor zijn de productiekosten van de bedrijfstak van de Gemeenschap gedekt en is voorzien van een redelijke winstmarge, die deze bedrijfstak die normaliter zouden kunnen verwezenlijken indien geen invoer met dumping uit het betrokken land zou plaatsvinden.

2. Vorm en hoogte van het recht

(39) Volgens artikel 7, lid 2, van de basisverordening mag het antidumpingrecht niet hoger zijn dan de dumpingmarge, tenzij de schademarge lager is.

(40) Dit leidde voor de producenten in Taiwan die aan het onderzoek medewerkten tot de volgende antidumpingrechten:

- Chi Mei Corporation 9,1 %

- Lee Chang Yung Chemical Industry Corporation 5,3 %

(41) Voor de exporteurs/producenten die de vragenlijst van de Commissie niet beantwoordden of zich anderszins niet bekendmaakten, werd de dumpingmarge vastgesteld op basis van de beschikbare gegevens overeenkomstig artikel 18, lid 1, van de basisverordening.

(42) Deze producenten nemen ongeveer 70% van de uitvoer van het betrokken product uit Taiwan naar de Gemeenschap voor hun rekening. Derhalve werd het correct geacht een residuele dumpingmarge vast te stellen die meer bedraagt dan de hoogste dumpingmarge die werd vastgesteld voor een bedrijf in de steekproef dat aan het onderzoek medewerkte. De residuele dumpingmarge werd dus vastgesteld op basis van de producten met de hoogste specifieke dumpingmarges, namelijk 20%.

I. INNING VAN HET VOORLOPIGE RECHT

(43) Gezien de omvang van de voor de exporteurs/producenten vastgestelde dumping en de ernst van de schade die de bedrijfstak van de Gemeenschap is berokkend, wordt het noodzakelijk geacht het bedrag waarvoor zekerheid werd gesteld door middel van het bij Verordening (EG) nr. 1091/2000 opgelegde voorlopige antidumpingrecht definitief te innen ten belope van het bedrag van het definitieve recht,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

1. Er wordt een definitief antidumpingrecht ingesteld op de invoer van styreen-butadieen-styreen thermoplastisch rubber, ingedeeld onder de GN-codes ex 4002 19 00 en ex 4002 99 (Taric-codes 4002 19 00 10, 4002 99 10 10 en 4002 99 90 91), uit Taiwan.

2. Het definitieve antidumpingrecht dat wordt toegepast op de nettoprijs, franco grens Gemeenschap bedraagt, vóór inklaring, bij de invoer van producten die door de volgende bedrijven worden vervaardigd:

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

3. Tenzij anders vermeld, zijn de bepalingen inzake douanerechten van toepassing.

Artikel 2

De bedragen waarvoor zekerheid is gesteld door middel van het bij Verordening (EG) nr. 1091/2000 ingestelde antidumpingrecht op de invoer uit Taiwan worden ingevorderd ten bedrage van het definitief opgelegde recht. Het bedrag waarmee deze zekerheidstelling het definitieve antidumpingrecht overschrijdt, wordt vrijgegeven.

Artikel 3

Deze verordening treedt in werking op de dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, op

Voor de Raad

De Voorzitter