52000PC0437

Gewijzigd voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad betreffende de voorwaarden inzake de bemanning van schepen die geregelde personenvervoer- en veerdiensten tussen de lidstaten verrichten (door de Commissie overeenkomstig artikel 250, lid 2, van het EG-Verdrag ingediend) /* COM/2000/0437 def. - COD 98/0159 */

Publicatieblad Nr. C 337 E van 28/11/2000 blz. 0214 - 0219


Gewijzigd voorstel voor een RICHTLIJN VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD betreffende de voorwaarden inzake de bemanning van schepen die geregelde personenvervoer- en veerdiensten tussen de lidstaten verrichten

(door de Commissie overeenkomstig artikel 250, lid 2 van het EG-verdrag ingediend)

TOELICHTING

A. Op 29 april 1998 heeft de Commissie bij de Raad een mededeling inzake een gemeenschappelijk bemanningsbeleid voor geregeld personenvervoer en veerdiensten in en tussen lidstaten ingediend, vergezeld van twee voorstellen (COM (1998)251 definitief - 1998/0158 (SYN) en 1998/0159 (SYN)) :

- een voorstel voor een verordening (EG) van de Raad houdende wijziging van Verordening (EEG) nr. 3577/92 houdende toepassing van het beginsel van het vrij verrichten van diensten op het zeevervoer binnen de lidstaten (cabotage in het zeevervoer);

- een voorstel voor een richtlijn van de Raad betreffende de voorwaarden inzake de bemanning van schepen die geregelde personenvervoer- en veerdiensten tussen de lidstaten verrichten.

Op 2 december 1998 heeft het Economisch en Sociaal Comité een ongunstig advies uitgebracht over het voorstel voor een verordening houdende wijziging van Verordening (EEG) nr. 3577/92 (cabotage in het zeevervoer), en een gunstig advies over het voorstel voor een richtlijn.

Op 12 maart 1999 heeft het Europees Parlement in eerste lezing een advies uitgebracht dat ongunstig was voor het voorstel voor een verordening houdende wijziging van Verordening (EEG) nr. 3577/92 (cabotage in het zeevervoer) en gunstig voor het voorstel voor een richtlijn. Dit advies is op 16 september 1999 bevestigd.

Wat het voorstel voor een verordening betreft, heeft het Europees Parlement het voorstel van de Commissie niet gesteund en heeft het vier amendementen aangenomen (nrs. 1 t/m 4) die betrekking hebben op artikel 1 van het voorstel, waarbij artikel 3 van Verordening (EEG) nr. 3577/92 wordt gewijzigd. Het Parlement heeft voorgesteld de door de Commissie voorgestelde tekst te vervangen door een artikel 3 bis waarin de Commissie toezegt de economische en sociale gevolgen van de liberalisering van cabotage tussen eilanden te evalueren en uiterlijk vóór 1 januari 2001 een verslag voor te leggen aan de Raad en het Europees Parlement. Op basis van dit verslag legt de Commissie aan de Raad en het Europees Parlement een voorstel voor met het oog op het opzetten van het definitieve systeem dat te zijner tijd en vóór 1 januari 2003 aan de Raad en het Parlement ter goedkeuring wordt voorgelegd.

De Commissie heeft de door het Europees Parlement voorgestelde vier amendementen op het voorstel voor een verordening afgewezen met de volgende argumenten. Zoals blijkt uit artikel 3 van Verordening (EEG) nr. 3577/92, is de bemanningsregeling een voorlopige regeling. Krachtens datzelfde artikel dient de definitieve regeling te worden voorgesteld op basis van een verslag over het sociaal-economische effect van de liberalisering van cabotage tussen eilanden, dat door de Commissie bij de Raad moet worden ingediend. De Commissie heeft op 17 juni 1997 haar goedkeuring gehecht aan dit verslag, dat onder andere betrekking had op het verwachte sociaal-economische effect van de liberalisering van cabotage tussen eilanden. De conclusie van dit verslag was dat met het oog op de inachtneming van de communautaire normen voor het verrichten van geregelde personenvervoer- en veerdiensten binnen de interne markt kon worden volstaan met een voorstel dat inhield dat de lidstaten als landen van ontvangst hun nationale regels inzake het vereiste aandeel bemanningsleden uit de Gemeenschap zouden kunnen toepassen ten aanzien van schepen die dergelijke diensten verlenen (inclusief schepen voor gemengd passagiers- en goederenvervoer en schepen die geregelde cruisediensten verzorgen). Een andere conclusie van het verslag was dat de sector cabotagevervoer van uitsluitend goederen enerzijds verbonden is met de internationale markt voor het zeevervoer en anderzijds niet zo heel veel personeel in dienst heeft. De Commissie achtte het bijgevolg niet gerechtvaardigd in haar voorstel de regels van het land van ontvangst van toepassing te verklaren op deze sector.

In dit verband wordt er ook aan herinnerd dat de Commissie verplicht is om de twee jaar bij de Raad een verslag over de toepassing van de verordening in te dienen. Zij is voornemens in 2001 met een verslag over de periode 1999-2000 te komen waarin het effect van de liberalisering van cabotage tussen eilanden zal worden geanalyseerd.

Wat het voorstel voor een richtlijn betreft, heeft het Parlement dit als geheel gunstig ontvangen, maar heeft het niettemin vijf amendementen aangenomen (nrs. 5 t/m 9).

Amendement 5, waarmee wordt beoogd de werkingssfeer van de richtlijn beter af te bakenen, is in principe aanvaardbaar, mits het wordt ondergebracht in een artikel dat specifiek betrekking heeft op definities. De Commissie is het ermee eens dat schepen die uitsluitend vracht vervoeren uitdrukkelijk moeten worden uitgesloten van de toepassing van de richtlijn, ook als er meer dan 12 chauffeurs aan boord zijn die met hun vrachtwagen meereizen.

Amendement 9, dat inhoudt dat de Commissie de Raad een verslag doet toekomen over de eventuele effecten van de toepassing van de richtlijn, is eveneens aanvaardbaar, behoudens een kleine aanpassing.

De overige amendementen op de richtlijn kunnen echter niet worden geaccepteerd.

In het geval van amendement 6 is dit omdat arbeidsovereenkomsten per definitie individueel zijn en dus niet kunnen worden opgenomen in artikel 2, lid 1, onder b), dat betrekking heeft op overeenkomsten en uitspraken die algemeen verbindend zijn verklaard. Bovendien beschikken alle lidstaten over regelgeving inzake de arbeidsvoorwaarden die zijn neergelegd in de in artikel 2, lid 1), onder a) of b), dan wel in artikel 2, lid 5, bedoelde instrumenten.

Amendement 7 kan niet worden overgenomen omdat de vraag of aan zeelieden al dan niet moet worden toegestaan permanent te verblijven aan boord van de schepen waarop zij werken niet op internationaal niveau wordt geregeld, maar onder het nationale recht valt. Het feit dat zeelieden werken op een schip dat een geregelde dienst onderhoudt geeft hun niet het recht in een lidstaat te verblijven. Het voorstel van de Commissie heeft niet het oogmerk een verblijfsrecht te verlenen aan zeelieden die dit recht krachtens de nationale wetgevingen van de lidstaten niet bezitten. Bovendien wordt erop gewezen dat het beginsel van gelijke behandeling van zeelieden die onderdanen zijn van derde landen en zeelieden die verblijven in de lidstaat van ontvangst ook geldt wanneer zeelieden uit derde landen aan boord van het schip verblijven en geen verblijfsvergunning hebben voor de lidstaat waar het schip is ingeschreven of waarmee het het nauwst verbonden is.

Amendement 8 kan niet worden aanvaard omdat het voorstel voor een richtlijn uitsluitend betrekking heeft op de behandeling die zeelieden uit derde landen moeten krijgen die werken aan boord van schepen die geregelde personenvervoer- en veerdiensten verrichten. De richtlijn is derhalve geen geschikt instrument om de vaststelling te regelen van een besluit tot instelling van een actieprogramma van de Europese Unie, voorzien van welomschreven doelstellingen voor de beroepsopleiding, om het zeevaartberoep aantrekkelijker te maken voor jongeren, en al evenmin om een beslissing te nemen over middelen om dit programma te financieren. De Commissie werkt momenteel aan een mededeling aan de Raad en het Europees Parlement over de situatie op het gebied van werkgelegenheid en beroepsopleiding in de zeevaart. Daarin laat de Commissie de maatregelen de revue passeren die kunnen worden getroffen om de zeevaart aantrekkelijker te maken voor jongeren en om de kwaliteit van de beroepsopleidingen te verbeteren.

B. Om deze redenen handhaaft de Commissie haar voorstel tot wijziging van Verordening (EEG) nr. 3577/92 in ongewijzigde vorm en brengt zij in haar voorstel voor een richtlijn de volgende wijzigingen aan:

- De Commissie neemt op basis van amendement 5 een nieuwe bepaling op (artikel 1bis) waarin de werkingssfeer van de richtlijn nader wordt omschreven en de nodige definities worden vastgesteld.

- De Commissie neemt op basis van amendement 9 een nieuwe bepaling op (artikel 6bis) die luidt dat de Commissie de Raad een verslag over de toepassing van de richtlijn moet doen toekomen.

Daarnaast zijn de volgende wijzigingen opgenomen:

- een vierde overweging die betrekking heeft op het nieuwe artikel 1bis.

- in artikel 2, lid 2, is in de laatste regel de woonplaats van de betrokken zeevarenden geschrapt als criterium dat bepalend is voor de nauwste verbondenheid. Deze wijziging is aangebracht om de toepassing van de richtlijn te vereenvoudigen.

- het bepaalde in artikel 2, lid 5, eerste alinea, namelijk de definitie van collectieve overeenkomsten of scheidsrechterlijke uitspraken die algemeen verbindend zijn verklaard, is verplaatst naar artikel 1bis, lid 5, om alle definities in dit nieuwe artikel samen te brengen.

- artikel 2, lid 5, laatste alinea, is geschrapt omdat het als overbodig wordt beschouwd en tot verwarring zou kunnen leiden. Zodra namelijk alle betrokken reders verplicht zijn ten aanzien van zeelieden uit derde landen de voorwaarden toe te passen die zijn neergelegd in de in artikel 2, lid 5, bedoelde collectieve overeenkomsten, is een gelijke behandeling van alle rederijen gewaarborgd.

- aan artikel 2 is een nieuw lid 6 toegevoegd waarin is bepaald dat wanneer de in artikel 2 bedoelde voorwaarden tegelijk bij wet en in de geldende collectieve overeenkomsten zijn geregeld, en deze laatste in gunstiger voorwaarden voorzien, de lidstaten erop moeten toezien dat de betrokken rederijen deze laatste voorwaarden toepassen ten aanzien van zeelieden uit derde landen.

- artikel 5 is in die zin gewijzigd dat duidelijk wordt aangegeven welke lidstaat erop moet toezien dat reders die geregelde diensten tussen lidstaten verrichten de bepalingen van de richtlijn in acht nemen.

- in artikel 6 is de datum gewijzigd waarop de lidstaten uiterlijk de nodige bepalingen in werking moeten doen treden om aan de richtlijn te voldoen.

1998/0159 (COD)

Gewijzigd voorstel voor een RICHTLIJN VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD betreffende de voorwaarden inzake de bemanning van schepen die geregelde personenvervoer- en veerdiensten tussen de lidstaten verrichten

(Voor de EER relevante tekst)

HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, inzonderheid op artikel 80, lid 2,

Gezien het voorstel van de Commissie [1],

[1] PB C 213 van 9.7.1998, blz. 16.

Gelet op het advies van het Economisch en Sociaal Comité [2],

[2] PB C 40 van 15.2.1999, blz. 3.

Aangezien het Comité van de Regio's geen advies heeft uitgebracht binnen de door de Raad gestelde termijn,

Volgens de procedure van artikel 251 van het Verdrag [3],

[3] PB C 175 van 21.6.1999, blz. 440.

Overwegende hetgeen volgt:

(1) Verordening (EEG) nr. 4055/86 van de Raad van 22 december 1986 houdende toepassing van het beginsel van het vrij verrichten van diensten op het zeevervoer tussen de lidstaten onderling en tussen de lidstaten en derde landen [4], gewijzigd bij Verordening (EEG) nr. 3573/90 [5], heeft alle regels van het Verdrag met betrekking tot de vrijheid van dienstverlening van toepassing doen worden op het gebied van het zeevervoer tussen lidstaten.

[4] PB L 378 van 31.12.1986, blz. 1.

[5] PB L 353 van 17.12.1990, blz. 16.

(2) De voorwaarden die gelden voor de bemanning van schepen die geregelde personenvervoer- en veerdiensten tussen de lidstaten verrichten, vallen gewoonlijk onder de bevoegdheid van de staat waar het schip is geregistreerd (vlaggenstaat); het Verdrag van Rome inzake het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomst [6] staat andere regelingen toe; ook moet rekening worden gehouden met de belangen van de Gemeenschap en de belangen van lidstaten tussen welker grondgebied dit vervoer plaatsvindt.

[6] PB L 266 van 9.10.1980, blz. 1; geconsolideerde versie in PB C 27 van 26.1.1998, blz. 34.

(3) Het beginsel dat buiten de Gemeenschap gevestigde rederijen niet een gunstiger behandeling mogen krijgen dan de op het grondgebied van een lidstaat gevestigde rederijen, moet gehandhaafd blijven.

(4) De werkingssfeer van deze richtlijn dient te worden beperkt tot de sector geregelde personenvervoer- en veerdiensten met inbegrip van gemengde personen/vrachtvervoerdiensten, en bijgevolg dienen geregelde vrachtvervoerdiensten, inclusief die welke worden verricht door schepen die meer dan 12 chauffeurs aan boord kunnen nemen, van de toepassing van de richtlijn te worden uitgesloten.

(5) De bijzondere kenmerken van de markt voor geregelde personenvervoer- en veerdiensten tussen lidstaten maken maatregelen nodig, die ter verzekering van de goede werking van de interne markt waarborgen, dat de arbeidsvoorwaarden en -omstandigheden voor zeevarenden in overeenstemming zijn met de algemeen geldende sociale normen in de Gemeenschap.

(6) Overeenkomstig het subsidiariteitsbeginsel en het evenredigheidsbeginsel, zoals neergelegd in artikel 5 van het Verdrag, kan de doelstelling van de overwogen maatregelen, namelijk de vaststelling van regels betreffende de arbeidsvoorwaarden van onderdanen van derde staten die werkzaam zijn op vaartuigen die veerdiensten tussen de lidstaten verrichten, niet voldoende door de lidstaten worden verwezenlijkt en kan daarom wegens de omvang en de gevolgen van de noodzakelijke bepalingen, beter door de Gemeenschap worden verwezenlijkt; deze richtlijn beperkt zich tot het vereiste minimum om deze doelstelling te bereiken en gaat niet verder dan hiertoe nodig is.

(7) Geëist moet worden dat in de bovengenoemde sectoren werkzame onderdanen van derde landen niet minder gunstig worden behandeld dan de onderdanen van de Gemeenschap.

(8) Het is passend dat de lidstaten voor arbeidscontracten van uitzonderlijk korte duur of in geval van acuut tekort aan veerbootcapaciteit door onvoorziene omstandigheden ontheffing mogen geven van de verplichting zeevarenden uit derde landen op geregelde personenvervoer- en veerdiensten tussen lidstaten als onderdanen van de Gemeenschap te behandelen.

(9) De bevoegde instanties in de verschillende lidstaten moeten bij de toepassing van deze richtlijn met elkaar samenwerken.

(10) Elke lidstaat moet bepalen welke straffen moeten worden opgelegd in geval van inbreuk op de ter uitvoering van deze richtlijn vastgestelde bepalingen,

HEBBEN DE VOLGENDE RICHTLIJN VASTGESTELD:

Artikel 1

1. Deze richtlijn is van toepassing op de onderdanen van lidstaten en in een lidstaat gevestigde rederijen die tussen in verschillende lidstaten gelegen havens geregelde personenvervoer- en veerdiensten met inbegrip van gemengde personen/vrachtvervoerdiensten verrichten.

2. Deze richtlijn is ook van toepassing op buiten de Gemeenschap gevestigde onderdanen van een lidstaat en op buiten de Gemeenschap gevestigde rederijen waarover onderdanen van een lidstaat zeggenschap hebben wanneer zijn de in lid 1 vermelde vervoersdiensten verrichten en hun schepen in die lidstaat overeenkomstig de wetgeving ervan zijn geregistreerd en de vlag ervan voeren.

3. Deze richtlijn is van toepassing, voorzover de in de leden 1 en 2 vermelde onderdanen en rederijen onderdanen van derde landen te werk stellen op schepen die voor de in lid 1 bedoelde vervoersdiensten worden gebruikt.

4. Andere dan de in lid 2 bedoelde buiten de Gemeenschap gevestigde rederijen mag niet een gunstiger behandeling worden gegeven dan de in de leden 1 en 2 bedoelde onderdanen en rederijen.

Artikel 1a

Voor de toepassing van deze richtlijn wordt verstaan onder:

1. «personenvervoerdienst»: een met een passagiersschip verrichte zeevervoerdienst;

2. «geregelde dienst»: een reeks overvaarten die zodanig zijn georganiseerd dat een verbinding tussen dezelfde twee of meer havens wordt onderhouden

i) hetzij volgens een gepubliceerde dienstregeling

ii) hetzij met een zodanige regelmaat of frequentie dat zij een herkenbare systematische reeks vormt;

3. «passagiersschip»: een zeewaardig vaartuig dat meer dan twaalf passagiers vervoert. Daaronder vallen hogesnelheidsschepen en schepen die zowel passagiers als vracht vervoeren. Schepen die uitsluitend vracht vervoeren vallen buiten deze definitie;

4. «passager»: iedere andere persoon dan:

i) de kapitein en de bemanningsleden of andere personen die als personeelsleden of in welke hoedanigheid dan ook aan boord van een schip werkzaamheden vervullen ten behoeve van dat schip

ii) kinderen jonger dan één jaar

iii) chauffeurs en bijrijders van weg- of spoorwegvoertuigen voor commercieel gebruik die in het kader van hun werk met hun voertuigen worden vervoerd;

5. «collectieve overeenkomsten of scheidsrechterlijke uitspraken die algemeen verbindend zijn verklaard»: collectieve overeenkomsten of scheidsrechterlijke uitspraken die door alle betrokken rederijen op nationaal vlak moeten worden nageleefd.

Artikel 2

1. De lidstaten zien erop toe, dat de in artikel 1, leden 1 en 2, bedoelde onderdanen en rederijen die geregelde personenvervoer- en veerdiensten tussen de lidstaten verrichten, ongeacht het op de arbeidsverhouding toepasselijke recht, aan de onderdanen van derde landen die aan boord van de voor die diensten gebruikte schepen werken, de arbeidsvoorwaarden en -omstandigheden garanderen die zijn neergelegd in:

a) de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen, en/of

b) de collectieve overeenkomsten of scheidsrechterlijke uitspraken die algemeen verbindend zijn verklaard, voorzover zij van toepassing zijn op de in artikel 1, lid 1,

genoemde activiteiten, die gelden voor de onderdanen van de lidstaat waar het schip is geregistreerd.

2. Wanneer het gebruikte schip niet in een lidstaat is geregistreerd, gelden de arbeidsvoorwaarden en -omstandigheden die van toepassing zijn op de onderdanen van één der lidstaten tussen de havens waarvan de dienst wordt verricht en waarmee de dienst het nauwst is verbonden. Bepalend voor die nauwste verbondenheid zijn de plaats van waaruit de dienst daadwerkelijk wordt geleid.3. De in lid 1 bedoelde arbeidsvoorwaarden en -omstandigheden heeft betrekking op de volgende aangelegenheden:

a) de maximumwerktijden en minimumrusttijden;

b) het minimumaantal betaalde vakantiedagen per jaar;

c) de minimumlonen, waaronder de vergoedingen voor overuren;

d) de gezondheid, veiligheid en hygiëne op het werk;

e) beschermende maatregelen met betrekking tot de arbeidsvoorwaarden en -omstandigheden voor zwangere of kortgeleden bevallen vrouwen, kinderen en jongeren;

f) gelijke behandeling van mannen en vrouwen en andere bepalingen waarbij discriminatie wordt verboden;

g) maatregelen inzake de repatriëring van zeevarenden en de betaling van achterstallig loon en sociale bijdragen in geval van insolventie van hun werkgever.

4. De leden 1, 2 en 3 beletten niet de toepassing van arbeidsvoorwaarden en -omstandigheden die gunstiger zijn voor de werknemers.

5. Wanneer een regeling inzake de algemeen-verbindendverklaring van collectieve overeenkomsten of scheidsrechterlijke uitspraken ontbreekt, baseren de lidstaten zich op:

a) collectieve overeenkomsten of scheidsrechterlijke uitspraken die algemeen verbindend zijn voor alle in artikel 1, leden 1 en 2 bedoelde rederijen en/of

b) collectieve overeenkomsten die op nationaal vlak door de meest representatieve werkgevers- en werknemersorganisaties op de betrokken markt zijn gesloten.

6. Wanneer een van de in dit artikel bedoelde voorwaarden tegelijk bij wet en in de geldende collectieve overeenkomsten is geregeld, en deze laatste in gunstiger voorwaarden voorzien, moet de vlaggenlidstaat of in voorkomend geval de lidstaat waarmee de dienst het nauwst is verbonden in de zin van artikel 2, lid 2, erop toezien dat de rederijen die de geregelde personenvervoerdiensten, zoals omschreven in artikel 1, onder a), verrichten deze gunstiger voorwaarde toepassen ten aanzien van zeelieden uit derde landen.

Artikel 3

1. De lidstaten mogen na raadpleging van werkgevers en werknemers volgens de in iedere lidstaat geldende gewoonten en gebruiken besluiten de bepalingen van artikel 2, lid 3, onder b) en c), niet toe te passen, wanneer de betrokken onderdanen van derde landen niet langer dan één maand binnen een tijdsbestek van één jaar hebben gewerkt.

2. De lidstaten mogen aan een in artikel 1, lid 1, bedoelde dienstverrichter voor een periode van twee maanden ontheffing verlenen van de toepassing van de bepalingen van artikel 2, lid 3, onder b) en c), voor schepen die worden gecharterd om een door onvoorziene omstandigheden ontstaan acuut tekort aan scheepsruimte op een veerdienst op te vangen. Voor ontheffingen van meer dan twee maanden is voorafgaande goedkeuring van de Commissie vereist.

3. De lidstaten stellen de Commissie onverwijld in kennis van de in lid 2 bedoelde ontheffingen en van de omstandigheden waaronder zij zijn verleend.

Artikel 4

1. Ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze richtlijn wijzen de lidstaten overeenkomstig hun nationale wetgeving en/of praktijk een of meer contactbureaus of een of meer bevoegde nationale instanties aan.

2. De lidstaten treffen voorzieningen voor samenwerking tussen de overheidsinstanties die overeenkomstig hun nationale wetgevingen verantwoordelijk zijn voor het toezicht op de in artikel 2 bedoelde arbeidsvoorwaarden en -omstandigheden.

Wederzijdse administratieve bijstand wordt kosteloos verstrekt.

3. Elke lidstaat stelt de andere lidstaten en de Commissie in kennis van de in lid 1 bedoelde contactbureaus en/of bevoegde instanties.

Artikel 5

De vlaggenlidstaat of in voorkomend geval de lidstaat waarmee de dienst het nauwst is verbonden in de zin van artikel 2, lid 2, controleert of de betrokken rederijen ten aanzien van aan boord van hun schepen werkzame zeelieden die onderdanen zijn van derde landen de arbeidsvoorwaarden toepast die gelden voor zeelieden uit die lidstaat.

De lidstaten stellen het stelsel van straffen, van toepassing op overtredingen van de ter uitvoering van deze richtlijn vastgestelde nationale bepalingen, vast en treffen alle maatregelen die nodig zijn op de daadwerkelijke toepassing van die straffen te verzekeren. De aldus vastgestelde straffen moeten doeltreffend, evenredig en afschrikkend zijn. De lidstaten stellen de Commissie uiterlijk op de in artikel 6 vermelde datum van de desbetreffende bepalingen in kennis en delen haar alle latere wijzigingen ervan zo spoedig mogelijk mede.

Wanneer de dienst betrekking heeft op andere lidstaten dan de vlaggenlidstaat, werken de maritieme instanties van de betrokken lidstaten samen bij het toezicht op de naleving van dit artikel, met inachtneming van de in artikel 4 vastgestelde voorwaarden.

Artikel 6

De lidstaten doen binnen twaalf maanden na de inwerkingtreding van deze richtlijn de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in werking treden om aan deze richtlijn te voldoen. Zij stellen de Commissie daarvan onverwijld in kennis.

Deze bepalingen zijn uiterlijk achttien maanden na de inwerkingtreding van deze richtlijn van toepassing.

Wanneer de lidstaten deze bepalingen aannemen, wordt in die bepalingen naar de onderhavige richtlijn verwezen of wordt hiernaar verwezen bij de officiële bekendmaking van die bepalingen. De regels voor deze verwijzing worden vastgesteld door de lidstaten.

Artikel 6 bis

De Commissie doet de Raad en het Europees Parlement te gelegener tijd een verslag over de toepassing van deze richtlijn en in voorkomend geval de nodige voorstellen toekomen.

Artikel 7

Deze richtlijn treedt in werking op de twintigste dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen.

Artikel 8

Deze richtlijn is gericht tot de lidstaten.

Gedaan te Brussel

Voor het Europees Parlement Voor de Raad

De Voorzitster De voorzitter