Gewijzigd voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Richtlijn 85/611/EEG tot coördinatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen betreffende bepaalde instellingen voor collectieve belegging in effecten (ICBE's) - (door de Commissie overeenkomstig artikel 250, lid 2, van het EG-Verdrag ingediend) /* COM/2000/0329 def. - COD 1998/0243 */
Publicatieblad Nr. C 311 E van 31/10/2000 blz. 0302 - 0319
Gewijzigd voorstel voor een RICHTLIJN VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD tot wijziging van Richtlijn 85/611/EEG tot coördinatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen betreffende bepaalde instellingen voor collectieve belegging in effecten (ICBE's) (door de Commissie overeenkomstig artikel 250, lid 2 van het EG-verdrag ingediend) TOELICHTING 1. Overzicht van de procedure Op 17 juli 1998 heeft de Commissie een voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Richtlijn 85/611/EEG [1] tot coördinatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen betreffende bepaalde instellingen voor collectieve belegging in effecten (ICBE's) [2] (COM(1998) 449 def. - 98/0243(COD)) ingediend met het oog op de vaststelling van deze richtlijn volgens de medebeslissingsprocedure van artikel 251 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap. [1] PB L 375 van 31.12.1985, blz. 3. [2] PB C 280 van 09.09.1998, blz. 6. Het Economisch en Sociaal Comité heeft tijdens zijn 361e plenaire zitting van 24 en 25 februari 1999 [3] advies uitgebracht. Op verzoek van de Raad heeft de Europese Centrale Bank advies uitgebracht op 16 maart 1999 [4]. [3] PB C 116 van 28.04.1999, blz. 44. [4] PB C 285 van 07.10.1999, blz. 9. Op 17 februari 2000 heeft het Europees Parlement in eerste lezing 23 amendementen aangenomen [5]. Bij deze gelegenheid heeft de Commissie voor elk amendement haar standpunt geformuleerd. [5] A5-25/00, PE 288.702. Onder het Oostenrijkse voorzitterschap in de tweede helft van 1998 heeft de werkgroep financiële diensten (ICBE's) van de Raad een aantal vergaderingen gehouden. Deze vergaderingen werden voortgezet onder het Duitse, Finse en Portugese voorzitterschap. Sommige punten van dit voorstel werden op 26 november 1999 te Brussel besproken door het Comité van permanente vertegenwoordigers. De Commissie heeft twee soorten wijzigingen in het voorliggende gewijzigde voorstel aangebracht. In de eerste plaats is naar aanleiding van de eerste lezing door het Europees Parlement een reeks nieuwe bepalingen opgenomen, waarvan sommige met aangepaste formulering. Het merendeel ervan is bedoeld om onduidelijkheden op te lossen of bepaalde ideeën in het oorspronkelijke voorstel nader uit te werken. Daarnaast zijn er enkele nieuwe aspecten toegevoegd die de oorspronkelijke tekst aanvullen maar de fundamentele beginselen onverlet laten. In de tweede plaats heeft de Commissie de formulering en redactie op sommige punten enigszins aangepast om ervoor te zorgen dat de voorliggende tekst aansluit bij de overige vigerende communautaire wetgeving en geen interne discrepanties bevat. Deze wijzigingen houden ook verband met aspecten die tijdens besprekingen in de werkgroep van de Raad naar voren zijn gekomen. Tenslotte wordt eveneens rekening gehouden met sommige opmerkingen van het Economisch en Sociaal Comité. In de toelichting op de wijzigingen wordt verwezen naar hetzij de oorspronkelijke nummering van de artikelen van Richtlijn 85/611/EEG, hetzij de nieuwe nummering in het oorspronkelijke voorstel van de Commissie. 2. Toelichting op de wijzigingen (a) Belangrijkste wijzigingen Over-the-counter (OTC) verhandelde derivaten In het oorspronkelijke voorstel van de Commissie waren beleggingen in gestandaardiseerde, op gereglementeerde markten verhandelde derivaten toegestaan, maar beleggingen in over-the-counter (OTC) verhandelde derivaten om bedrijfseconomische redenen verboden. Een ruime meerderheid in het Parlement, alsook het Economisch en Sociaal Comité en de werkgroep van de Raad hebben er evenwel sterk op aangedrongen OTC-derivaten in het toepassingsgebied van de richtlijn op te nemen. Teneinde met de ontwikkelingen op de financiële markten rekening te houden, heeft de Commissie het toepassingsgebied van haar gewijzigde voorstel dan ook uitgebreid tot OTC-derivaten, waarbij zij er tegelijkertijd zorg voor heeft gedragen dat de bedrijfseconomische aspecten zijn geregeld, onder andere aan de hand van een consistente reeks bepalingen die onder meer voorzien in een bovengrens voor beleggingen in OTC-derivaten, zoals door het Parlement is voorgesteld. Indexfondsen Omdat in sommige Europese indexen bepaalde aandelen sterk vertegenwoordigd zijn, voorzag het oorspronkelijke voorstel van de Commissie in een bovengrens van 35% voor beleggingen in effecten van één en dezelfde emittent. Het Parlement heeft voorgesteld deze bovengrens te verlagen en de bepaling uit te breiden tot obligatie-indexen. Beide voorstellen zijn overgenomen in het gewijzigde voorstel van de Commissie. Beleggingen in bankdeposito's In het oorspronkelijke voorstel van de Commissie waren bankdeposito's in zeer algemene zin toegestaan als beleggingsinstrument. Het Parlement heeft zijn bezorgdheid geuit ten aanzien van de liquiditeits- en tegenpartijrisico's die aan dergelijke deposito's verbonden zijn. Het gewijzigde voorstel van de Commissie bevat de terzake door het Parlement voorgestelde voorwaarden. Beleggingen in rechten van deelneming in niet-geharmoniseerde fondsen Geharmoniseerde fondsen houden zich volledig aan Richtlijn 85/611/EEG, die voor dit type Europese fondsen de benaming "instelling voor collectieve belegging in effecten" - kortweg "ICBE's" - invoert. Onder niet-geharmoniseerde fondsen worden Europese fondsen verstaan die in een lidstaat onder de nationale wetgeving vallen maar niet door de richtlijn worden bestreken (m.a.w. niet geharmoniseerd zijn), alsook alle fondsen uit derde landen. Richtlijn 85/611/EEG stond ICBE's toe voor 5% in rechten van deelneming in geharmoniseerde of niet-geharmoniseerde fondsen te beleggen, waarbij laatstgenoemde fondsen aan een aantal fundamentele voorwaarden dienden te voldoen. Zo moest het gaan om fondsen van het open-end-type die in effecten beleggen (d.w.z. fondsen die vergelijkbaar zijn met de geharmoniseerde fondsen (ICBE's) die onder de richtlijn vallen). Teneinde het begrip "fonds dat in fondsen belegt" (dit is een geharmoniseerd fonds (ICBE) dat belegt in rechten van deelneming in verscheidene andere fondsen) in de richtlijn op te nemen, suggereerde de Commissie in haar oorspronkelijke voorstel de bovengrens van 5% af te schaffen. Krachtens het oorspronkelijke voorstel van de Commissie zou een geharmoniseerd fonds (ICBE) derhalve in staat zijn geweest al zijn activa in een aantal niet-geharmoniseerde fondsen te beleggen. Het Europees Parlement heeft echter gepleit voor een voorzichtiger benadering en een bovengrens van 30% voorgesteld voor beleggingen van geharmoniseerde fondsen (ICBE's) in rechten van deelneming in niet-geharmoniseerde fondsen. In het gewijzigde voorstel wordt aan het verzoek van het Parlement gevolg gegeven en de voorgestelde bovengrens van 30% opgenomen. (b) Aanhaling van de artikelen van het Verdrag De aanhaling van de artikelen van het Verdrag is aangepast aan de nieuwe nummering waarin het Verdrag van Amsterdam voorziet. (c) Overwegingen Overweging 2 Deze overweging heeft betrekking op de wijzigingen in artikel 1, lid 2, eerste streepje. Zij vult deze bepaling aan door meer duidelijkheid te scheppen over wat onder effectenleningen en het reconstrueren van een index moet worden verstaan, alsook over de wijze waarop deze technieken passen in het kader van de uitsluitende doelstelling van een ICBE, namelijk het beleggen van haar activa in toegestane instrumenten. Hierop wordt nader ingegaan in de toelichting op artikel 1, lid 2. Overweging 3 Deze overweging is enigszins gewijzigd om rekening te houden met de veranderingen in de formulering van artikel 1, lid 8, waarmee met name wordt beoogd bepaalde geldmarktinstrumenten in de algemene definitie van effecten op te nemen. Zoals door het Economisch en Sociaal Comité is voorgesteld, is de passage in verband met geldmarktinstrumenten gewijzigd om duidelijk te maken dat dergelijke instrumenten die onder de definitie van effecten vallen, op gereglementeerde markten worden verhandeld. Overweging 4 Deze overweging is gewijzigd om rekening te houden met de schrapping van het woord "categorieën", waarin amendement 1 voorziet. Aangezien op gereglementeerde markten verhandelde geldmarktinstrumenten thans door de definitie van "effecten" worden bestreken, vallen op de geldmarkten verhandelde geldmarktinstrumenten voortaan onder artikel 1, lid 8, waarop deze overweging betrekking heeft. Het tweede deel van amendement 1 is vervat in overweging 5. Overweging 5 Deze nieuwe overweging is opgenomen omdat het tweede deel van amendement 1 geen betrekking heeft op artikel 19, lid 1, onder i), maar op artikel 19, lid 1, onder a), en bijgevolg het onderwerp van een afzonderlijke overweging moet uitmaken. Overweging 6 Deze overweging is gewijzigd op basis van amendement 2, dat aansluit bij de wijzigingen in artikel 19, lid 1, onder e). Het eerste en het laatste gedeelte van de overweging zijn aangepast om op afdoende wijze het duidelijke onderscheid weer te geven dat in de amendementen van het Parlement wordt gemaakt tussen "rechten van deelneming in ICBE's" (waarmee geharmoniseerde fondsen worden bedoeld) en "rechten van deelneming in andere instellingen voor collectieve belegging" (waarmee niet-geharmoniseerde fondsen worden bedoeld). Overweging 7 In deze overweging is amendement 3 verwerkt, dat betrekking heeft op overweging 6 van het oorspronkelijke voorstel van de Commissie. Overweging 9 De amendementen 36 en 45 op artikel 22 hebben betrekking op risicoconcentraties, ook in de vorm van deposito's, jegens één en dezelfde tegenpartij en jegens een groep. Het begrip groep is daarom in deze overweging opgenomen. Overweging 10 Deze overweging diende te worden aangepast omdat financiële OTC-derivaten worden aangemerkt als activa waarin mag worden belegd en omdat de bepalingen betreffende de bescherming van de beleggers zijn gewijzigd. Overweging 11 In deze overweging is amendement 4 verwerkt. Verder is de tekst gewijzigd om te voorzien in de mogelijkheid obligatie-indexen te reconstrueren, zoals in amendement 18 wordt voorgesteld. Voorts verschaft de overweging grotere duidelijkheid omtrent de mogelijkheid om passende derivaten te gebruiken voor het reconstrueren van een index. Daarnaast wordt gesteld dat een ICBE een deel van haar activa mag aanwenden om de op een index afgestemde portefeuille te beschermen tegen neerwaartse bewegingen van deze index of van bepaalde effecten die er deel van uitmaken, mits zulks in overeenstemming is met de beleggingsdoelstellingen van de ICBE zoals deze in het prospectus zijn vermeld. Overwegingen 12 en 13 De overwegingen 12 en 13 dienden compleet te worden gewijzigd als gevolg van het voorstel van het Parlement om OTC-derivaten in het toepassingsgebied van de richtlijn op te nemen. De oorspronkelijke versie van de overwegingen was volledig gebaseerd op het principe dat alleen gestandaardiseerde derivaten onder de richtlijn vielen. Deze overwegingen dienden bijgevolg te worden aangepast aan de formulering van het nieuwe artikel 19, lid 1, onder g) en h), en van artikel 24 ter. In de gewijzigde tekst van de overwegingen worden de beginselen toegelicht die aan deze nieuwe bepalingen ten grondslag liggen. Overweging 14 In het licht van de schrapping van artikel 21, leden 1 en 2, en de in deze bepalingen verstrekte uitleg diende de bepaling over effectenleningen enigszins te worden gewijzigd om te verduidelijken dat effectenleningen niet op de gehele portefeuille betrekking mogen hebben en slechts van tijdelijke aard mogen zijn, maar dat het daarentegen gaat om een techniek waarvan slechts in beperkte mate gebruik mag worden gemaakt om het rendement te verhogen. Daarbij diende ook duidelijk te worden aangegeven dat de gestelde zekerheden niet voor andere doeleinden, zoals met name voor beleggingen, mogen worden aangewend. Overweging 15 In deze overweging is amendement 5 verwerkt, met dien verstande dat de tekst is aangepast om het door amendement 2 ingevoerde onderscheid te maken tussen "ICBE's en/of andere instellingen voor collectieve belegging". Overweging 17 Deze overweging is volledig gebaseerd op amendement 6. Overweging 21 Deze overweging houdt verband met de wijzigingen in artikel 53 bis, die terug te voeren zijn op het besluit van de Raad van 17 juli 1999 inzake de te volgen comitéprocedures. Aangezien dit besluit pas geruime tijd na de indiening van het voorstel van de Commissie werd aangenomen, werd er in de oorspronkelijke tekst geen rekening mee gehouden. Overweging 22 In deze overweging wordt verwezen naar de wens van het Europees Parlement om de tekst te codificeren (amendement 7 op het eerste voorstel en amendement 1 op het tweede voorstel). (d) Artikelen Artikel 1, lid 2, eerste streepje: definitie van een ICBE In amendement 8 wordt een algemene verwijzing naar "in deze richtlijn bedoelde" instrumenten voorgesteld. Dit kan echter tot interpretatieverschillen leiden in verband met de vraag of er nog andere instrumenten onder de richtlijn vallen dan die welke in artikel 19, lid 1, worden bedoeld. Voor alle duidelijkheid wordt in de gewijzigde tekst uitdrukkelijk verwezen naar de in artikel 19, lid 1, bedoelde instrumenten. Dit doet geen afbreuk aan de samenhang van de tekst aangezien het begrip "effectenlening" in de zin van artikel 21 hier niet is opgevat als een "beleggingsinstrument" maar als een techniek om het rendement van de portefeuille te verhogen. De belegging van een portefeuille op basis van een index is eveneens enkel een beheerstechniek. Beleggingsinstrumenten daarentegen zijn effecten of derivaten als bedoeld in artikel 19, lid 1. Met de toevoeging van "en" aan het einde van de bepaling wordt een redactiefout rechtgezet. Artikel 1, lid 8: definitie van effecten De presentatie van deze bepaling is gewijzigd omdat geldmarktinstrumenten thans eveneens als "effecten" worden aangemerkt en derhalve niet langer afzonderlijk behoeven te worden vermeld. Het streepje dat op de geldmarktinstrumenten betrekking heeft, is enigszins gewijzigd in het licht van het voorstel van het Economisch en Sociaal Comité om duidelijk onderscheid te maken tussen de op gereglementeerde markten verhandelde geldmarktinstrumenten - die onder de definitie vallen - en de op geldmarkten verhandelde geldmarktinstrumenten, die door artikel 19, lid 1, onder i), worden bestreken. Dit strookt met amendement 13. Doordat dergelijke geldmarktinstrumenten op gereglementeerde markten worden verhandeld, zijn zij liquide en valt de waarde ervan gemakkelijk vast te stellen. Deze voorwaarden zijn dan ook geschrapt. De verwijzingen naar artikel 21 zijn weggelaten omdat artikel 21 is geschrapt naar aanleiding van het feit dat thans in financiële OTC-derivaten mag worden belegd, zoals voorgesteld in de amendementen 37, 36/45, 39 en 43. Op deze materie wordt nader ingegaan in de toelichting op artikel 21. Artikel 19, lid 1, onder a): beleggingen in beursgenoteerde effecten De wijziging van de formulering vloeit voort uit amendement 9. Teneinde de redactionele samenhang te bewaren, is de benaming van Richtlijn 93/22/EEG niet in de tekst opgenomen. Artikel 19, lid 1, onder e): beleggingen in rechten van deelneming in fondsen Bij de wijziging van dit punt is zoveel mogelijk rekening gehouden met amendement 44. Aan de rechten van deelneming in niet-geharmoniseerde fondsen worden kwalitatieve eisen gesteld. De gewijzigde tekst verschilt enigszins van de door het Parlement voorgestelde tekst doordat het vereiste van een bewaarder en de voorwaarde dat "wordt voldaan aan de in deze richtlijn gestelde regels", die beide in het tweede streepje van het amendement zijn vervat, zijn weggelaten omdat zij vrijwel alle beleggingen in niet-Europese fondsen zouden verbieden, hetgeen nog strenger zou zijn dan de thans toegestane bovengrens van 5% voor beleggingen in dergelijke fondsen. Zonder deze wijziging zou de tekst bovendien in strijd zijn met de in het kader van de WTO aangegane verbintenissen. Europese beleggers in ICBE's die in niet-geharmoniseerde fondsen beleggen, genieten daarom geen minder goede bescherming, want voor dergelijke beleggingen geldt thans een bovengrens van 30% en deze beleggingen moeten tevens aan kwalitatieve vereisten voldoen. Het laatste streepje van het amendement is niet in het gewijzigde voorstel overgenomen omdat het ontstaan van cascadefondsen - zowel wat rechten van deelneming in ICBE's als wat rechten van deelneming in andere instellingen voor collectieve belegging betreft - wordt voorkomen door amendement 19 (op artikel 24, lid 3). Artikel 19, lid 1, onder f): beleggingen in deposito's In deze gewijzigde bepaling is amendement 11, dat voorwaarden stelt aan beleggingen in deposito's, volledig overgenomen. Artikel 19, lid 1, onder g) en h): beleggingen in financiële derivaten In deze wijziging wordt rekening gehouden met de strekking van amendement 37, dat ICBE's toestaat financiële OTC-derivaten als beleggingsinstrumenten te gebruiken. Punt g) is zodanig aangepast dat het gestandaardiseerde financiële derivaten bestrijkt - die voordien onder de punten g) en h) vielen. Punt h) staat thans beleggingen in financiële OTC-derivaten toe. Deze twee categorieën derivaten zijn opgesplitst om duidelijker aan te geven welke vereisten voor elk van beide categorieën gelden en om er in de verdere tekst gemakkelijker en exacter naar te kunnen verwijzen. De meer specifieke voorwaarden die voor beleggingen in dergelijke instrumenten gelden, zijn vermeld in artikel 24 ter. In laatstgenoemd artikel wordt er tevens rekening mee gehouden dat bepaalde derivatenposities - wanneer deze in enge zin worden beschouwd, wat niet de bedoeling is van artikel 19, lid 1 - veeleer als een verplichting dan als een belegging kunnen worden gezien (bv. in verband met na te komen margeverplichtingen, of indien een fonds de verkoper van een optie is). Van doorslaggevend belang in het kader van de ICBE-richtlijn is echter uiteindelijk het aan deze posities verbonden risico. Met de gestelde eisen wordt bijgevolg beoogd een laag solvabiliteitsrisico te bewerkstelligen, een verifieerbare en dagelijkse waardering te waarborgen en de liquiditeit van de beleggingen te garanderen. Dit streven komt tot uiting in de meer specifieke formulering van artikel 24 ter. De Commissie heeft beleggingen in financiële OTC-derivaten niet alleen om liquiditeits- en waarderingsredenen niet in haar oorspronkelijke voorstel opgenomen, maar ook omdat het aan OTC-derivaten verbonden tegenpartijrisico, waar Richtlijn 85/611/EEG niet op in gaat, op adequate wijze moet worden geregeld. Tijdens de eerste lezing was het standpunt van de Commissie ten aanzien van de opneming van deze instrumenten dan ook negatief. De aan dit standpunt ten grondslag liggende bezwaren blijven echter bestaan en moeten nog steeds worden weerlegd. Gezien de sterke signalen van het Europees Parlement alsook van het Economisch en Sociaal Comité heeft de Commissie thans toch haar standpunt herzien en dergelijke instrumenten in het gewijzigde voorstel opgenomen. Met name ter wille van de bescherming van de belegger wordt in de tekst van de Commissie echter natdrukkelijk voor een voorzichtige aanpak van financiële OTC-derivaten gekozen, onder meer door zeer duidelijk aan te geven onder welke voorwaarden financiële OTC-derivaten mogen worden gehanteerd en hoe de waarde ervan moet worden bepaald, alsook door er zorg voor te dragen dat er geen lacunes zijn of terreinen waarop vage grenswaarden zijn vastgesteld. Deze herziening van het standpunt van de Commissie vereiste dan ook dat wijzigingen werden aangebracht in een aantal andere bepalingen die de Commissie in haar oorspronkelijke voorstel ongemoeid had gelaten (zoals bijvoorbeeld de artikelen 21 en 22). Artikel 19, lid 1, onder i): beleggingen in andere geldmarktinstrumenten dan die welke onder de definitie van effecten vallen Amendement 13, dat inspeelt op een suggestie van het Economisch en Sociaal Comité, is in deze bepaling opgenomen. De verwijzing naar artikel 1, lid 8, diende echter aan de nieuwe structuur van dit artikel te worden aangepast. De verwijzing en de formulering van het tweede streepje dienden in overeenstemming te worden gebracht met de door amendement 9 in artikel 19, lid 1, onder a), aangebrachte wijziging. Artikel 20: uitwisseling van gegevens Amendement 14 maakt de schrapping van artikel 20 (die oorspronkelijk door de Commissie was voorgesteld) ongedaan omdat in het ongewijzigde artikel 22, lid 4, nog steeds naar artikel 20 wordt verwezen. Tijdens de besprekingen kwam naar voren dat het Parlement deze voor de sector van belang zijnde kennisgevingsprocedure wenste te handhaven en tevens van de gelegenheid gebruik wilde maken om de bepaling bij te werken zodat met de nieuwe elektronische communicatiemiddelen rekening wordt gehouden. Deze kunnen immers het uitwisselingsproces vergemakkelijken en de gegevens vlotter toegankelijk maken voor het publiek. Artikel 20 is in deze zin geherformuleerd. Het nieuwe artikel 20 maakt ook duidelijk dat de gegevens niet voor exclusief gebruik door de lidstaten en de Commissie zijn bestemd, maar dat ook het publiek, en met name de sector - waarvoor de gegevens van cruciaal belang zijn -, er toegang toe moeten hebben. Het gewijzigde voorstel is geënt op de door het Parlement voorgestelde benadering omdat aldus verdere complicatie van de in het gewijzigde artikel 22 vervatte punten wordt vermeden. Een extra voordeel is dat artikel 20 thans als een algemene bepaling kan worden gebruikt waarnaar in andere artikelen gewoon kan worden verwezen, waardoor herhalingen worden vermeden. Artikel 21: schrapping van de leden 1 en 2 en effectenleningen Zowel in het kader van Richtlijn 85/611/EEG als in het kader van het oorspronkelijke voorstel van de Commissie mochten beleggingen in derivaten enkel worden verricht voor de in artikel 21, leden 1 en 2, omschreven doeleinden. Op uitdrukkelijk verzoek van het Europees Parlement worden OTC-derivaten thans als volwaardige beleggingsinstrumenten aangemerkt. Het is derhalve niet langer noodzakelijk om onderscheid te maken tussen de activa die in de portefeuille van de ICBE's voor "algemene beleggingsdoeleinden", voor "risicodekkingsdoeleinden" en "met het oog op een goed portefeuillebeheer" worden aangehouden, zoals in artikel 21, leden 1 en 2, werd gedaan. Voorts werd aangevoerd dat het begrip "goed portefeuillebeheer" geen exacte betekenis had, aangezien deze bepaling in de lidstaten op zeer uiteenlopende wijze wordt toegepast. De vorige versies van de leden 1 en 2 zijn daarom volledig geschrapt. Deze maatregel is vooral van belang met betrekking tot het toestaan van beleggingen in financiële OTC-derivaten. De vaststelling van een bovengrens voor dergelijke beleggingen, zoals door het Parlement is voorgesteld, biedt slechts een doelmatige bescherming voorzover alle beleggingen in OTC-derivaten onder de vastgestelde bovengrenzen vallen en er geen lacunes bestaan. Dit komt tot uiting in de nieuwe structuur van artikel 19, lid 1, onder g) en h), en artikel 24 ter, alsook in de gewijzigde inhoud van artikel 21. Dit alles sluit uiteraard met name niet uit dat een ICBE derivaten verwerft voor het afdekken van risico's of met het oog op een goed portefeuillebeheer; dergelijke beleggingen maken thans gewoon deel uit van de totale portefeuille van de ICBE. Artikel 21 bestaat thans uitsluitend uit het oorspronkelijk voorgestelde lid 4 in verband met effectenleningstransacties. Het lid zelf is gewijzigd om rekening te houden met het eerste deel van amendement 16, dat met een aangepaste formulering in de tekst is opgenomen onder het nieuwe punt c). De gewijzigde formulering maakt duidelijk dat, aangezien effectenleningen geen beleggingsinstrumenten zijn in de zin van artikel 19, lid 1, dergelijke leningen niet op de gehele portefeuille betrekking mogen hebben en niet voortdurend mogen worden gehanteerd, maar dat het gaat om een techniek waarvan slechts in beperkte mate gebruik mag worden gemaakt om het rendement te verhogen. Dit grondbeginsel is in een aantal lidstaten reeds op adequate wijze gedefinieerd. Het voorstel bouwt daar dan ook op voort. Tevens wordt verduidelijkt dat de ICBE's ontvangen zekerheden niet voor beleggingsdoeleinden mogen aanwenden. Het oorspronkelijk voorgestelde lid 3 is weggelaten omdat - zoals hierboven reeds is aangegeven - van het beginsel van verschillende beleggingsdoeleinden is afgestapt. Artikel 22: algemene beleggingsbeperkingen die gelden voor alle beleggingsinstrumenten De amendementen 36 en 45 brengen wijzigingen (met name de vaststelling van meer kwantitatieve bovengrenzen) in het bestaande artikel 22 aan die niet in het oorspronkelijke voorstel van de Commissie voorkwamen. Aangezien het scala van de voor beleggingsdoeleinden in aanmerking komende instrumenten wordt uitgebreid met nieuwe instrumenten die dezelfde tegenpartij kunnen betreffen, is er in dit verband immers behoefte aan een nieuwe spreidingsregel, die zowel in de bestaande richtlijn als in het oorspronkelijke voorstel ontbreekt. Uit een grondige doorlichting van de amendementen 36 en 45 is gebleken dat zij niet woordelijk konden worden overgenomen omdat zulks niet resulteerde in een heldere, ondubbelzinnige tekst die alle instrumenten bestrijkt. Het bestaande artikel 22 is daarom enigszins aangepast om rekening te houden met de nieuwe instrumenten die thans voor beleggingsdoeleinden mogen worden gebruikt en de daarmee samenhangende nieuwe risico's waarop door het Parlement wordt gewezen, zoals het totale tegenpartijrisico. De bestaande bovengrenzen hebben hun deugdelijkheid bewezen en blijven derhalve ongewijzigd. Er wordt daarentegen een nieuwe bovengrens van 15% ingevoerd voor beleggingen bij instellingen die tot dezelfde groep behoren; deze wijziging is gebaseerd op amendement 45. De definitie van "groep" zelf is vervat in het tweede gewijzigd voorstel van de Commissie tot wijziging van Richtlijn 85/611/EEG (COM(1998) 451). Dezelfde bovengrens lijkt aangewezen voor en wordt ook toegepast op "gecumuleerde beleggingen", die enkel mogelijk zijn overeenkomstig lid 1. Dit betekent dat gecumuleerde beleggingen in verschillende instrumenten van één en dezelfde instelling/tegenpartij zijn toegestaan indien zij ten hoogste 15% van de activa van de ICBE bedragen, maar dat de bovengrens voor beleggingen in één type instrument 5% blijft. De bovengrenzen en vereisten die slechts voor één bepaalde beleggingsvorm gelden, zoals bijvoorbeeld de regels voor de waardering van financiële derivaten, zijn opgenomen in de artikelen die specifiek op dit type beleggingen betrekking hebben teneinde het nieuwe artikel 22 zo helder mogelijk te kunnen formuleren. Artikel 22 bis: indexfondsen Het voorstel van de Commissie is gewijzigd in het licht van amendement 18. Doel van dit artikel is een grotere beleggingsvrijheid toe te staan om de reconstructie van indexen mogelijk te maken. Bij dit soort beleggingsbeleid is voor de bevoegde autoriteiten evenwel een belangrijke rol weggelegd om misbruik van de reconstructietechniek te voorkomen. Het onderhavige artikel voorziet in de door het Parlement met zijn wijzigingen in lid 2 nagestreefde uitwisseling en beschikbaarheid van gegevens doordat wordt verwezen naar het gewijzigde artikel 20, waarin thans een adequate procedure is vastgesteld om deze doelstellingen te bereiken. Lid 4 van het voorstel is overgeheveld naar lid 1 van artikel 24 bis, dat thans betrekking heeft op de voor alle categorieën beleggingsfondsen geldende regels ten aanzien van de informatieverstrekking. Artikel 24: fonds dat in fondsen belegt In artikel 24 is thans de tekst van amendement 19 verwerkt. Aangezien het Parlement in zijn amendement 20 echter duidelijk te kennen heeft gegeven dat het voorstander is van een apart artikel inzake de informatieverstrekking, is de tekst van lid 3 bis van amendement 19 overgenomen in artikel 24 bis, waarin thans voor alle typen fondsen strenge regels ten aanzien van de informatieverstrekking zijn neergelegd. De in lid 6 van het oorspronkelijke voorstel van de Commissie vervatte tekst betreffende de informatieverstrekking is derhalve geschrapt. Artikel 24 bis: voorschriften inzake de informatieverstrekking in verband met bepaalde beleggingen Artikel 24 bis is herschreven en bevat thans alle voor de verschillende typen fondsen geldende voorschriften inzake de informatieverstrekking. Dit heeft tot gevolg dat de eerste twee leden betreffende beleggingen in deposito's zijn geschrapt, zoals in amendement 20 is voorgesteld. De inhoud van beide leden is thans vervat in respectievelijk artikel 19, lid 1, onder f), en artikel 22. Lid 3 is nagenoeg onveranderd overgenomen in het vierde streepje. Om herhalingen te vermijden, is artikel 24 bis in een andere vorm gegoten zonder dat de strekking ervan is veranderd. De tekst van het voormalige lid 4, waarmee het Parlement instemde, is weggevallen omdat in artikel 22 thans ook risicospreidingsregels voor deposito's zijn opgenomen. Artikel 24 bis in zijn nieuwe vorm bevat de volgende bepalingen: - eerste streepje: het voormalige lid 4 van artikel 22 bis betreffende de informatieverstrekking door indexfondsen, waarbij rekening wordt gehouden met het feit dat thans ook obligatie-indexen mogen worden gereconstrueerd; - tweede streepje: het in amendement 19 voorgestelde lid 3 bis met betrekking tot fondsen die in fondsen beleggen. Zoals in de toelichting op artikel 21 wordt uitgelegd, is ter wille van de samenhang de in het amendement vervatte verwijzing naar het "algemene beleggingsbeleid" niet overgenomen. In dit streepje is ook het voormalige lid 6 van artikel 24 verwerkt; - derde streepje: regels ten aanzien van de informatieverstrekking door fondsen die in financiële derivaten beleggen; deze bepaling is gebaseerd op het oorspronkelijk voorgestelde lid 2 van artikel 24 ter. De formulering diende zodanig te worden aangepast dat gestandaardiseerde en over-the-counter verhandelde financiële derivaten worden bestreken en dat de schrapping van artikel 21 wordt opgevangen; - vierde streepje: artikel 24 bis, lid 3, van het oorspronkelijke voorstel betreffende de informatieverstrekking in verband met beleggingen in deposito's; - vijfde streepje: een nieuwe regel ten aanzien van de informatieverstrekking, die bepaalt dat moet worden gewezen op de mogelijkheid dat de activa van een ICBE een hoge volatiliteit vertonen. Deze regel is vooral toegevoegd vanwege de uitbreiding van het toepassingsgebied van de richtlijn tot OTC-derivaten, maar kan ook van toepassing zijn op andere instrumenten. Hij ligt in de lijn van de amendementen 29, 30 en 32 op het tweede voorstel van de Commissie tot wijziging van Richtlijn 85/611/EEG (COM(1998) 451) en met name het verzoek om in de documenten informatie te verstrekken over het risicoprofiel van het fonds. Artikel 24 ter: fondsen die in financiële derivaten beleggen In dit artikel wordt de strekking van de amendementen 39 en 43 weergegeven en tevens rekening gehouden met de door het Economisch en Sociaal Comité gemaakte opmerkingen met betrekking tot de voorwaarden waaraan beleggingen in derivaten moeten voldoen. Indien de ICBE's zich houden aan deze met het oog op de bescherming van de belegger gestelde voorwaarden ten aanzien van de aard van en de specifieke risico's verbonden aan financiële OTC-derivaten, is het hun toegestaan in beperkte mate in dergelijke instrumenten te beleggen. Het oorspronkelijk voorgestelde lid 2 van dit artikel is verwerkt in het derde en vijfde streepje van artikel 24 bis betreffende de informatieverstrekking. Artikel 25, lid 2, tweede zin: beperking van de invloed van betekenis Het tweede en derde streepje waren reeds in de tekst van Richtlijn 85/611/EEG opgenomen. Wegens de door het Parlement geuite wens onderscheid te maken tussen geharmoniseerde en niet-geharmoniseerde fondsen, diende het derde streepje te worden gewijzigd. Artikel 25, lid 3, onder e): dochterondernemingen Dit punt is duidelijker geformuleerd en bestrijkt thans eveneens dochterondernemingen waarvan de aandelen in het bezit zijn van meer dan één beleggingsmaatschappij. De aanvankelijk voorgestelde beperking tot dochterondernemingen die hun statutaire zetel in een lidstaat hebben, werd geschrapt omdat dergelijke dochterondernemingen hoofdzakelijk in het toepassingsgebied van Richtlijn 85/611/EEG waren opgenomen om wederinkoop van rechten van deelneming op verzoek van de deelnemers mogelijk te maken. Dit is nog steeds de bedoeling en deze situatie kan zich ook in derde landen voordoen. De gewijzigde tekst bepaalt eveneens dat deze dochterondernemingen uitsluitend beheers-, advies- of verhandelswerkzaamheden mogen verrichten. Artikel 26, lid 1: ontheffing voor nieuw opgerichte ICBE's De verwijzing naar artikel 24 bis diende te worden geschrapt, aangezien het nieuwe artikel 24 bis thans enkel betrekking heeft op de regels ten aanzien van de informatieverstrekking en geen risicospreidingsregels meer bevat. Artikel 53 bis: Comitéprocedure De schrapping van het tweede streepje sluit volledig aan bij amendement 21 van het Europees Parlement. Bovendien wordt in de gewijzigde formulering rekening gehouden met het besluit van de Raad inzake de te volgen comitéprocedures, dat pas na de publicatie van het oorspronkelijke voorstel van de Commissie is aangenomen. Overweging 21 is de overeenstemmende tekst in de preambule. 3. Overzicht (a) Werkzaamheden van het Economisch en Sociaal Comité (ESC) Door het ESC van essentieel belang geachte punten // Standpunt van de Commissie Fondsen die in fondsen beleggen (Am. 3 en 8 tot wijziging van art. 19, lid 1, onder e)) Het ESC verwelkomt het toestaan van fondsen die in fondsen beleggen (d.w.z. ICBE's die hun activa in andere ICBE's beleggen) en staat achter de door de Commissie voorgestelde bovengrens van 35%. Het stelt voor ook de bovengrens van 10% die geldt voor beleggingen in ICBE's die zelf ten dele fondsen zijn die in fondsen beleggen, op te trekken tot 35% (nieuw lid 3 van art. 24). // De Commissie wijst het voorstel af. Art. 24, lid 3, voorkomt ondoorzichtige kruiselingse beleggingen van ICBE's in ICBE's die in andere ICBE's beleggen. Het concept "fondsen die in fondsen beleggen" is slechts tot op zekere hoogte zinvol als hulpmiddel om de kwaliteit van een portefeuille te verbeteren. Dit geldt evenwel niet voor cascades van fondsen. De redenering van het ESC is misleidend omdat naleving niet moeilijk te controleren is: in het fondsreglement is aangegeven of een fonds onder artikel 24, lid 3, valt (dit moet worden gecontroleerd bij de eerste belegging). Nadien moet dagelijks worden nagegaan in welke mate de ICBE in dergelijke ICBE's belegt, net zoals dat ook voor elke andere belegging van de ICBE gebeurt. Gebruik van derivaten (Am. 6 en 9 tot invoeging van artikel 21, lid 3, en artikel 24 ter) Het ESC stelt voor: a) toe te staan dat OTC-derivaten niet alleen worden mogen worden aangewend met het oog op een goed portefeuillebeheer maar ook voor beleggingsdoeleinden; b) de dekkingsverplichtingen met betrekking tot derivaten te wijzigen; c) alle voorschriften in verband met derivaten in eenzelfde artikel samen te brengen. // De Commissie - verwerpt het onder a) gedane voorstel omdat er (in tegenstelling tot wat door het ESC wordt gesuggereerd) geen eenvoudige en goedkope manier is om de aan OTC-derivaten verbonden tegenpartijrisico's af te dekken; in plaats daarvan dient Richtlijn 93/6/EEG inzake de kapitaaltoereikendheid onverkort te worden toegepast; - spreekt zich nog niet uit over het onder b) gedane voorstel, maar wacht de resultaten van de onderhandelingen met de Raad en het standpunt van het Parlement af; - zal bij de verdere bespreking van de richtlijn in de Raad met het onder c) gedane voorstel rekening houden. Door het ESC van essentieel belang geachte punten // Standpunt van de Commissie Bovengrenzen voor indexfondsen (Am. 7, inleidende zin van artikel 22 bis) Het ESC stelt voor a) de bij de omschrijving van indexfondsen gehanteerde formulering te wijzigen; b) de voorgestelde bovengrens van 35% voor beleggingen in eenzelfde effect dat van een index deel uitmaakt, te verlagen tot 20%; c) de bovengrenzen van de beleggingen van niet in een index beleggende ICBE's te verhogen tot het niveau dat voor indexfondsen geldt; d) artikel 22 bis, lid 2, te schrappen. // De Commissie - aanvaardt de onder a) voorgestelde nieuwe formulering en zal daarmee rekening houden in haar gewijzigde voorstel; - stemt in met de onder b) voorgestelde verlaging van de bovengrens en zal in het gewijzigde voorstel een bovengrens van 20% voorstellen; - wijst het onder c) gedane voorstel af, omdat de bovengrenzen er in hoofdzaak op gericht zijn een adequate risicospreiding te bewerkstelligen door middel van portefeuillediversificatie; de voor indexfondsen gemaakte uitzondering ten aanzien van de bovengrenzen is uitsluitend bedoeld om deze fondsen in staat te stellen de index in hun portefeuille te "reconstrueren"; - wijst het onder d) gedane voorstel af omdat dit kan leiden tot het uit manipulatieve overwegingen creëren van indexen ten nadele van de beleggers. (b) Amendementen van het Europees Parlement (A5-25/00, PE 288.702) >RUIMTE VOOR DE TABEL> 1998/0243 (COD) Gewijzigd voorstel voor een RICHTLIJN VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD tot wijziging van Richtlijn 85/611/EEG tot coördinatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen betreffende bepaalde instellingen voor collectieve belegging in effecten (ICBE's) HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE, Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, en met name op artikel 47, lid 2, Gezien het voorstel van de Commissie [6], [6] PB C 280 van 09.09.1998, blz. 6. Gezien het advies van het Economisch en Sociaal Comité [7], [7] PB C 116 van 28.04.1999, blz. 44. Volgens de procedure van artikel 251 van het Verdrag, Overwegende hetgeen volgt: (1) Het toepassingsgebied van Richtlijn 85/611/EEG van de Raad [8], laatstelijk gewijzigd bij Richtlijn 95/26/EG [9], was oorspronkelijk beperkt tot instellingen voor collectieve belegging van het open-end-type die hun rechten van deelneming aan het publiek in de Gemeenschap te koop aanbieden en waarvan het uitsluitende doel is te beleggen in effecten (ICBE's); in de preambule van Richtlijn 85/611/EEG wordt gesteld dat voor instellingen die buiten het toepassingsgebied van de richtlijn vallen, de coördinatie in een later stadium zal plaatsvinden. [8] PB L 375 van 31.12.1985, blz. 3. [9] PB L 100 van 19.04.1988, blz. 31. PB L 168 van 18.07.1995, blz. 7. (2) Gezien de marktontwikkelingen is het wenselijk het beleggingsobject van ICBE's zodanig uit te breiden dat zij ook in andere financiële activa dan effecten mogen beleggen, mits deze voldoende liquide zijn; de financiële instrumenten die de ICBE's als beleggingen in hun activaportefeuille mogen opnemen, worden opgesomd in artikel 19, lid 1; een "effectenlening" als bedoeld in artikel 21 is geen "beleggingsinstrument", maar een techniek om het rendement van de portefeuille te verhogen; de belegging van een portefeuille volgens een index is een beheerstechniek; de instrumenten die worden verworven om de index te reconstrueren, zijn effecten of derivaten en vallen onder artikel 19, lid 1. (3) De in deze richtlijn opgenomen definitie van effecten, waartoe ook op gereglementeerde markten verhandelde geldmarktinstrumenten behoren, is alleen geldig voor deze richtlijn en laat derhalve de diverse definities van financiële instrumenten die in de nationale wetgevingen voor andere, met name fiscale doeleinden, gehanteerd worden, geheel onverlet; de definitie van effecten heeft voorts alleen betrekking op verhandelbare instrumenten die gewoonlijk op de kapitaalmarkt worden verhandeld; aandelen en andere met aandelen gelijk te stellen waardepapieren die zijn uitgegeven door instellingen zoals "building societies" en "industrial and provident societies" en die in de praktijk alleen kunnen worden overgedragen door inkoop door de uitgevende instelling, worden bijgevolg niet door deze definitie bestreken. (4) Onder geldmarktinstrumenten worden ook de verhandelbare instrumenten verstaan die gewoonlijk niet op gereglementeerde markten maar op de geldmarkt worden verhandeld, zoals bijvoorbeeld schatkistcertificaten, kortlopend papier van lokale overheden, depositocertificaten, commercial paper en bankaccepten. (5) Het verdient aanbeveling erop toe te zien dat het begrip gereglementeerde markten in deze richtlijn overeenstemt met dat in Richtlijn 93/22/EEG [10]. [10] PB L 141 van 11.06.1993, blz. 27. (6) Het is wenselijk een ICBE toe te staan haar activa te beleggen in rechten van deelneming in ICBE's en/of andere instellingen voor collectieve belegging van het open-end-type die eveneens met toepassing van het beginsel van de risicospreiding in effecten beleggen; de ICBE's of andere instellingen voor collectieve belegging waarin een ICBE belegt, dienen eveneens onder doelmatig toezicht te staan; beleggingen in rechten van deelneming in ICBE's en/of andere instellingen voor collectieve belegging mogen niet resulteren in cascades van fondsen; ICBE's dienen de beleggers er op adequate wijze mededeling van te doen indien zij beleggen in rechten van deelneming in ICBE's en/of andere instellingen voor collectieve belegging. (7) In het licht van de marktontwikkelingen en gezien de voltooiing van de EMU is het wenselijk ICBE's toe te staan in bankdeposito's te beleggen; teneinde een adequate liquiditeit van beleggingen in deposito's te waarborgen, dienen de voorwaarden van deze deposito's een uittredingsclausule te bevatten; indien de deposito's worden aangehouden bij een kredietinstelling die in een derde land is gevestigd, dient de desbetreffende kredietinstelling onder doelmatig toezicht te staan. (8) Afgezien van het geval waarin een ICBE overeenkomstig haar fondsreglement of statuten in bankdeposito's belegt, kan het noodzakelijk zijn alle ICBE's toe te staan accessoir ook liquide middelen, zoals onmiddellijk opvraagbare bankdeposito's en/of contanten, te houden; het accessoir houden van dergelijke liquide middelen kan in bijvoorbeeld de volgende gevallen gerechtvaardigd zijn: om lopende of onvoorziene betalingen te kunnen uitvoeren; bij verkopen, gedurende de termijn die noodzakelijk is om de liquide middelen te herbeleggen in effecten en/of andere in deze richtlijn bedoelde financiële activa; niet langer dan strikt genomen noodzakelijk is wanneer vanwege ongunstige marktomstandigheden het verrichten van beleggingen in effecten en andere financiële activa dient te worden opgeschort. (9) Om bedrijfseconomische redenen dienen ICBE's een buitensporige concentratie van deposito's bij één enkele kredietinstelling of bij instellingen die tot dezelfde groep behoren, te vermijden. (10) Het moet ICBE's uitdrukkelijk worden toegestaan om, als onderdeel van hun algemene beleggingsbeleid en/of voor risicodekkingsdoeleinden, in gestandaardiseerde en over-the-counter (OTC) verhandelde financiële derivaten te beleggen; ten aanzien van OTC-derivaten moeten aanvullende eisen worden gesteld op het gebied van de kwaliteit van de tegenpartijen en instrumenten, alsook met betrekking tot de liquiditeit en de doorlopende evaluatie van de positie; met deze aanvullende eisen wordt beoogd de belegger een adequate bescherming te bieden die vrijwel evenwaardig is aan die welke wordt geboden bij derivaten die op gereglementeerde markten worden verhandeld.(11) De nieuwe technieken voor het portefeuillebeheer van de instellingen voor collectieve belegging die overwegend in aandelen beleggen, zijn gebaseerd op het reconstrueren van aandelenindexen en/of obligatie-indexen; het is wenselijk ICBE's toe te staan alleen welbekende en erkende aandelenindexen en/of obligatie-indexen te reconstrueren; hiertoe is het noodzakelijk soepeler risicospreidingsregels vast te stellen voor ICBE's die in aandelen en/of obligaties beleggen; teneinde de transparantie te waarborgen van de indexen die volgens de lidstaten voor reconstructie door de geharmoniseerde ICBE's in aanmerking komen, en teneinde ervoor te zorgen dat deze indexen algemeen worden aanvaard, is het wenselijk de lijst van voor reconstructie in aanmerking komende indexen voldoende bekendheid te geven en aan te geven waar, eventueel langs elektronische weg, actuele gegevens kunnen worden verkregen; de ICBE's mogen de index eveneens reconstrueren door middel van passende beleggingen in andere instrumenten, zoals bijvoorbeeld gestandaardiseerde derivaten; ICBE's die hun beleggingsbeleid op een index afstemmen, mogen eveneens een deel van hun portefeuille aanwenden om ongunstige bewegingen van de gereconstrueerde index op te vangen, mits zulks geschiedt overeenkomstig de bekendgemaakte beleggingsdoelstellingen en met inachtneming van de bij deze richtlijn vastgestelde bovengrens. (12) Derivatentransacties mogen in geen geval worden gebruikt om de in deze richtlijn neergelegde beginselen en voorschriften te omzeilen; teneinde met name de spreiding van de risico's te waarborgen, moeten op derivaten beperkingen van toepassing zijn die op de onderliggende activa gebaseerd zijn; wat OTC-derivaten betreft, moeten aanvullende risicospreidingsregels gelden voor posities jegens één en dezelfde tegenpartij of groep tegenpartijen; teneinde steeds zicht te hebben op de uit derivatentransacties voortvloeiende risico's en verplichtingen, en tevens de inachtneming van de voor beleggingen in derivaten geldende bovengrenzen te toetsen, dient een ICBE de uit haar derivatentransacties voortvloeiende risico's en verplichtingen doorlopend te evalueren en te bewaken. (13) Ter wille van de bescherming van de belegger is het noodzakelijk de verplichtingen van een ICBE uit hoofde van financiële derivaten zodanig te beperken dat deze verplichtingen bepaalde percentages van de totale nettowaarde van de portefeuille van de ICBE niet overschrijden; teneinde de belegger te beschermen door middel van een adequate informatieverstrekking, dienen de ICBE's de strategieën, technieken en beleggingsbeperkingen met betrekking tot hun derivatentransacties te beschrijven in de desbetreffende documenten die ter inzage voor het publiek en de bevoegde autoriteiten beschikbaar zijn; voorts moeten de ICBE's die in derivaten beleggen, potentiële beleggers in een risicowaarschuwing duidelijk maken dat een deel van de activa van de ICBE in OTC-derivaten wordt belegd, zodat deze beleggers in staat zijn zich met kennis van zaken een oordeel te vormen over het risico dat aan een belegging in rechten van deelneming in dergelijke ICBE's verbonden is. (14) Het is wenselijk om, in afwijking van artikel 41 van Richtlijn 85/611/EEG, een ICBE toe te staan effectenleningstransacties te sluiten; het is noodzakelijk de voorwaarden vast te stellen waaronder een ICBE bij effectenleningstransacties als crediteur mag optreden om zo de aan dergelijke transacties verbonden risico's te beperken; aangezien een portefeuille van een ICBE liquide moet zijn, mogen de effectenleningen alleen op onderdelen van de portefeuille betrekking hebben en slechts een tijdelijk karakter hebben. (15) Het scheppen van mogelijkheden voor een ICBE om in ICBE's en andere instellingen voor collectieve belegging te beleggen, dient te worden vergemakkelijkt; het is derhalve van essentieel belang ervoor te zorgen dat zulke beleggingsactiviteiten geen afbreuk doen aan de bescherming van de belegger; teneinde erop toe te zien dat in voldoende gediversifieerde instellingen voor collectieve belegging wordt belegd, kan het noodzakelijk zijn een ICBE beperkingen op te leggen voor wat betreft het combineren van haar rechtstreekse beleggingen in liquide financiële activa met de via deze ICBE's en/of andere instellingen voor collectieve belegging verrichte beleggingen; doordat een ICBE meer mogelijkheden heeft om in rechten van deelneming in andere ICBE's en/of instellingen voor collectieve belegging te beleggen, is het noodzakelijk regels vast te stellen met betrekking tot kwantitatieve grenzen en informatieverstrekking ter voorkoming van het cascadeverschijnsel; (16) Instellingen voor collectieve belegging die onder het toepassingsgebied van deze richtlijn vallen, mogen niet voor andere doeleinden worden gebruikt dan voor de collectieve belegging van uit het publiek aangetrokken gelden, met inachtneming van de in deze richtlijn vastgelegde regels; het is een ICBE in de in deze richtlijn omschreven gevallen alleen toegestaan dochterondernemingen te hebben wanneer zulks noodzakelijk is om daadwerkelijk bepaalde, eveneens in deze richtlijn omschreven werkzaamheden voor rekening van de ICBE uit te oefenen; het is noodzakelijk in een juiste uitoefening van het toezicht op de ICBE's te voorzien; het mag een ICBE derhalve alleen worden toegestaan een dochteronderneming in een derde land op te richten in de gevallen en onder de voorwaarden die in deze richtlijn zijn omschreven; de algemene verplichting om uitsluitend in het belang van de deelnemers te handelen, en met name het streven naar een grotere kosten-efficiëntie, machtigen een ICBE geenszins tot het nemen van maatregelen die een belemmering kunnen vormen voor de juiste uitoefening van de toezichthoudende taken door de bevoegde autoriteiten. (17) Ongeacht of een ICBE ervoor kiest om in een veelheid van liquide financiële activa te beleggen, dan wel om zich op een bepaalde categorie van dergelijke activa toe te leggen, om bedrijfseconomische redenen dient zij steeds een buitensporige concentratie te vermijden van liquide financiële activa die zijn uitgegeven door en/of belegd bij eenzelfde orgaan. (18) De bewaarder van de activa van een ICBE vervult een essentiële rol bij het controleren of een ICBE zich aan de vigerende wetgeving en haar fondsreglement of statuten houdt; het is bijgevolg van belang erop toe te zien dat de beheermaatschappij en de bewaarder wel degelijk onafhankelijk zijn van elkaar; ingeval zowel de beheermaatschappij als de bewaarder tot dezelfde economische groep behoren, dan wel de bewaarder een gekwalificeerde deelneming in het kapitaal van de beheermaatschappij bezit of omgekeerd, of in alle andere gevallen waarin de bewaarder invloed van betekenis op de beheermaatschappij kan uitoefenen of omgekeerd, moeten de nodige maatregelen worden genomen om de onderlinge onafhankelijkheid van beide entiteiten te waarborgen; wanneer het een beheermaatschappij die voor rekening van de door haar beheerde beleggingsfondsen of beleggingsmaatschappijen optreedt, is toegestaan transacties met de bewaarder te sluiten, moeten regelingen worden getroffen om belangentegenstellingen te voorkomen en de verenigbaarheid van de transactie met de wetgeving en het fondsreglement of de statuten van de ICBE te waarborgen. (119) Aangezien de bewaarder aansprakelijk is jegens de beheermaatschappij en de deelnemers en tevens complexe controletaken te vervullen heeft, komen voor de functie van bewaarder uitsluitend instellingen in aanmerking die over voldoende financiële middelen beschikken, een adequate organisatiestructuur bezitten en onder bedrijfseconomisch toezicht staan. (20) Aangezien ervoor dient te worden gezorgd dat de rechten van deelneming in een breder scala van instellingen voor collectieve belegging vrij over de grenzen heen verhandelbaar zijn terwijl aan beleggers een eenvormige minimumbescherming wordt geboden, is de vaststelling van een bindende Gemeenschapsrichtlijn waarin de overeengekomen minimumnormen zijn opgenomen, derhalve de enige methode om de beoogde doelstellingen te bereiken; deze richtlijn brengt alleen de minimaal vereiste harmonisatie tot stand. (21) De voor de wijziging van deze richtlijn noodzakelijke maatregelen zijn maatregelen van algemene strekking in de zin van artikel 2 van Besluit 1999/468/EG van de Raad van 28 juni 1999 tot vaststelling van de voorwaarden voor de uitoefening van de aan de Commissie verleende uitvoeringsbevoegdheden [11]; deze maatregelen dienen te worden vastgesteld volgens de regelgevingsprocedure als omschreven in artikel 5 van genoemd besluit. [11] PB L 184 van 17.07.1999, blz. 23. (22) De Commissie kan te gelegener tijd overwegen codificatie voor te stellen na aanneming van de voorstellen, HEBBEN DE VOLGENDE RICHTLIJN VASTGESTELD: Artikel 1 Richtlijn 85/611/EEG wordt als volgt gewijzigd: 1. In Artikel 1, lid 2, wordt het eerste streepje vervangen door de volgende tekst: «- waarvan het uitsluitende doel is de collectieve belegging in effecten en/of in andere in artikel 19, lid 1, van deze richtlijn bedoelde liquide financiële activa van uit het publiek aangetrokken kapitaal, met toepassing van het beginsel van risicospreiding; en». 2. Aan artikel 1 wordt het volgende lid toegevoegd: «8. Voor de toepassing van deze richtlijn wordt onder effecten verstaan: - aandelen en andere met aandelen gelijk te stellen waardepapieren ("aandelen"); - obligaties en andere schuldinstrumenten ("obligaties"); - gewoonlijk op gereglementeerde markten verhandelde geldmarktinstrumenten als bedoeld in artikel 19, lid 1, onder a), b) of c); en - alle andere verhandelbare waardepapieren waarmee die effecten via inschrijving of omruiling kunnen worden verworven. 3. Artikel 19, lid 1, onder a), wordt vervangen door de volgende tekst : «a) effecten die in een lidstaat zijn toegelaten tot of worden verhandeld op een gereglementeerde markt in de zin van artikel 1, lid 13, van Richtlijn 93/22/EEG; en/of». 4. In artikel 19 wordt aan lid 1 de volgende tekst toegevoegd: «e) rechten van deelneming in ICBE's en/of andere instellingen voor collectieve belegging in de zin van artikel 1, lid 2, eerste en tweede streepje, mits: - aan de andere instellingen voor collectieve belegging vergunning is verleend overeenkomstig wetten waarin wordt bepaald dat zij onderworpen zijn aan toezicht dat naar het oordeel van de voor de ICBE's bevoegde autoriteiten gelijkwaardig is aan het toezicht waarin het Gemeenschapsrecht voorziet, en mits de samenwerking tussen de autoriteiten voldoende is gewaarborgd; - het niveau van bescherming van deelnemers in de andere instellingen voor collectieve belegging gelijkwaardig is aan dat welk aan deelnemers in een ICBE wordt geboden, en met name op voorwaarde dat de regels inzake leningsactiviteiten en verkopen van effecten vanuit een ongedekte positie gelijkwaardig zijn aan de voorschriften van deze richtlijn; - over de economische activiteiten van de andere instellingen voor collectieve belegging in halfjaarlijkse en jaarlijkse rapporten verslag wordt uitgebracht om de evaluatie mogelijk te maken van activa en passiva, inkomsten en bedrijfsvoering tijdens de verslagperiode; en/of f) deposito's bij kredietinstellingen die op verzoek terugbetaalbaar zijn of kunnen worden opgevraagd, en die binnen een periode van ten hoogste 12 maanden vervallen, voorzover de statutaire zetel van de kredietinstelling in een lidstaat gevestigd is, of, indien de statutaire zetel van de kredietinstelling in een derde land gelegen is, voorzover deze instelling onderworpen is aan bedrijfseconomische voorschriften die naar het oordeel van de voor de ICBE's bevoegde autoriteiten gelijkwaardig zijn aan die welke in het Gemeenschapsrecht zijn vastgesteld; en/of g) gestandaardiseerde financiële derivaten - met inbegrip van gelijkwaardige instrumenten die aanleiding geven tot afwikkeling in contanten - die op een onder a), b) of c) bedoelde gereglementeerde markt worden verhandeld ("gestandaardiseerde derivaten"); deze categorie omvat met name valuta- en rente-opties die op de genoemde markten worden verhandeld; en/of h) financiële derivaten die buiten de beurs (over-the-counter) worden verhandeld ("OTC-derivaten"), mits: - de tegenpartijen bij transacties in OTC-derivaten aan bedrijfseconomisch toezicht onderworpen instellingen zijn en behoren tot de categorieën die door de voor de ICBE's bevoegde autoriteiten zijn erkend; - de onderliggende activa bestaan uit onder artikel 19, lid 1, vallende instrumenten, financiële indexen, rentetarieven, wisselkoersen of valuta's, waarin de ICBE krachtens de in haar fondsreglement of statuten omschreven beleggingsdoelstellingen gemachtigd is te beleggen; en - de OTC-derivaten onderworpen zijn aan betrouwbare en verifieerbare waardering en dagelijks kunnen worden verkocht of te gelde gemaakt; en/of i) andere geldmarktinstrumenten dan die welke op een gereglementeerde markt worden verhandeld en die vallen onder artikel 1, lid 8, derde streepje, tenzij de emissie van deze instrumenten zelf gereglementeerd is met het oog op de bescherming van beleggers en spaargelden, op voorwaarde dat zij: - worden uitgegeven door een centrale, regionale of plaatselijke overheid, de centrale bank van een lidstaat, de Europese Centrale Bank, de Europese Unie of de Europese Investeringsbank, een derde staat of, bij een federale staat, door een van de deelstaten van de federatie, dan wel door een internationale openbare instelling waarbij een of meer lidstaten aangesloten zijn; of - worden uitgegeven door ondernemingen waarvan effecten worden verhandeld op een andere gereglementeerdemarkt als bedoeld onder a), b) of c); of - worden uitgegeven of gegarandeerd door een instelling die is onderworpen aan het bedrijfseconomisch toezicht volgens criteria die door het Gemeenschapsrecht zijn vastgesteld, of door een instelling die onderworpen is en voldoet aan bedrijfseconomische voorschriften die naar het oordeel van de bevoegde autoriteiten ten minste even stringent zijn als die welke in het Gemeenschapsrecht zijn vastgesteld.». 5. Artikel 19, lid 2, onder b), en artikel 19, lid 3, worden geschrapt. 6. Artikel 20 wordt vervangen door de volgende tekst: «1. De lidstaten delen de Commissie tijdig alle gegevens mede die overeenkomstig de artikelen van deze richtlijn moeten worden verstrekt. Zij delen eveneens de wijzigingen mede die zij aan de desbetreffende gegevens hebben aangebracht en vermelden de plaats waar actuele gegevens kunnen worden verkregen of geraadpleegd. De onder dit artikel vallende gegevens worden op verzoek van de bezitter ervan aan het publiek bekendgemaakt indien zulks niet automatisch gebeurt. 2. De Commissie stelt de overige lidstaten in kennis van de ontvangen gegevens, zo nodig voorzien van haar opmerkingen. Over deze mededeling kan overeenkomstig de procedure van artikel 53, lid 4, in het Contactcomité van gedachten worden gewisseld. De Commissie maakt de ontvangen en daartoe bijgewerkte gegevens in een passende vorm bekend in het Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen of maakt deze gegevens op passende wijze openbaar. ». 7. Artikel 21 wordt vervangen door de volgende tekst: «. In beperkte mate, zoals voorgeschreven door de lidstaten, mag een ICBEeffectenleningstransacties verrichten waarbij zij als crediteur optreedt, mits aan de volgende voorwaarden is voldaan: a) de effectenleningstransacties mogen alleen worden gesloten met een erkende effectenclearinginstelling of beurs, een tegenpartij die een bevoegde, in dergelijke transacties gespecialiseerde persoon is en aan bedrijfseconomisch toezicht op Gemeenschapsniveau is onderworpen, een kredietinstelling van Zone A in de zin van Richtlijn 89/647/EEG [12], een beleggingsonderneming in de zin van Richtlijn 93/22/EEG, of een erkende beleggingsonderneming uit een derde land die onderworpen is en voldoet aan bedrijfseconomische voorschriften die naar het oordeel van de voor de ICBE's bevoegde autoriteiten ten minste even stringent zijn als die welke in Richtlijn 93/6/EEG [13] zijn vastgesteld; [12] PB L 386 van 30.12.1989, blz. 14. [13] PB L 141 van 11.06.1993, blz. 1. b) met betrekking tot elke effectenlening moet een toereikende zekerheid worden gesteld ter dekking van het risico dat de debiteur in gebreke blijft. De waarde van de zekerheid moet tijdens de gehele duur van de overeenkomst ten minste gelijk zijn aan de totale waarde van de geleende financiële instrumenten en moet als zekerheid worden aangehouden; c) indien de effectenleningstransactie wordt uitgevoerd door erkende effectenclearinginstellingen en/of beurzen, dan moet de zekerheid worden gesteld overeenkomstig de desbetreffende regels van deze entiteiten; de zekerheid moet als zodanig worden aangehouden en mag door de ICBE niet voor andere beleggingen worden gebruikt. Wanneer een ICBE wordt toegestaan effectenleningstransacties te sluiten met de bewaarder die voor de ICBE de in de artikelen 7 en 14 van deze richtlijn genoemde taken vervult, dan zien de bevoegde autoriteiten erop toe dat de zekerheid tijdens de gehele duur van de overeenkomst aan een derde partij wordt toevertrouwd en dat maatregelen worden genomen om de bewaarder te beletten van de zekerheid gebruik te maken.». 8. Artikel 22, leden 1 en 2, en artikel 22, lid 5, tweede alinea, worden vervangen door de volgende tekst: «1. Een ICBE mag niet voor meer dan 5% van de waarde van haar eigen activa beleggen in elk van de volgende instrumenten die uitgegeven of aangeboden worden door één en dezelfde uitgevende instelling, of waarbij één en dezelfde instelling als tegenpartij fungeert: - effecten; - geldmarktinstrumenten als bedoeld in artikel 19, lid 1, onder i); - deposito's; - financiële OTC-derivaten. De lidstaten kunnen toestaan dat de gecumuleerde beleggingen in verschillende instrumenten van dezelfde instelling/tegenpartij ten hoogste 15% bedragen. Voor de berekening van de in dit artikel vastgestelde bovengrenzen worden de ondernemingen die tot dezelfde groep behoren als één en dezelfde instelling beschouwd. 2. De lidstaten kunnen de in lid 1, eerste zin, vastgestelde bovengrens verhogen tot ten hoogste 10% en bij groepsbeleggingen tot ten hoogste 15%; lid 1, tweede zin, is dan niet van toepassing. De beleggingen van de ICBE in de in lid 1 bedoelde instrumenten van één en dezelfde instelling/tegenpartij/groep waarin zij voor meer dan 5% van de waarde van haar eigen activa belegt, mogen evenwel in totaal niet meer bedragen dan 40% van de waarde van de activa van de ICBE. 5. (...) De in de leden 1, 2, 3 en 4 vastgestelde bovengrenzen mogen niet worden gecumuleerd; bijgevolg mogen de beleggingen in de in artikel 19, lid 1, bedoelde instrumenten van één en dezelfde instelling/tegenpartij/groep die overeenkomstig de leden 1, 2, 3 en 4 worden verricht, in geen geval te zamen meer dan 35% van de activa van de ICBE bedragen. ». 9. Het volgende artikel 22 bis wordt toegevoegd: «Artikel 22 bis 1. Onverminderd de in artikel 25 vastgestelde bovengrenzen kunnen de lidstaten de in artikel 22 vastgestelde bovengrenzen voor beleggingen in aandelen en/of obligaties van één en dezelfde uitgevende instelling verhogen tot ten hoogste 20% wanneer het beleggingsbeleid van de ICBE er overeenkomstig het fondsreglement of de statuten op gericht is de samenstelling van een bepaalde aandelen- of obligatie-index te reconstrueren, mits deze index door de voor de ICBE's bevoegde autoriteiten is erkend op de volgende gronden: - het beleggingsbeleid van de ICBE weerspiegelt de samenstelling van de index; - de samenstelling van de index is voldoende gediversifieerd; ;- de index is voldoende representatief voor de markt waarop hij betrekking heeft; - de index wordt op passende wijze bekendgemaakt. 2. Zoals in artikel 20, lid 1, is bepaald, deelt elke lidstaat ter informatie en ter bevordering van een gemeenschappelijke aanpak voor de erkenning van indexen de Commissie een lijst mede van de indexen die volgens hem voor reconstructie door de ICBE's in aanmerking komen, onder vermelding van nadere bijzonderheden over de kenmerken van de desbetreffende indexen.. De procedure van artikel 20, lid 2, is van toepassing. I». 10. Artikel 24 wordt vervangen door de volgende tekst: «Artikel 24 1. Een ICBE mag rechten van deelneming in ICBE's en/of andere in artikel 19, lid 1, onder e), bedoelde instellingen voor collectieve belegging verwerven, mits niet voor meer dan 10% van de waarde van haar activa in rechten van deelneming in één en dezelfde ICBE of andere instelling voor collectieve belegging wordt belegd. De lidstaten kunnen de bovengrens verhogen tot ten hoogste 20%. 2. De beleggingen in rechten van deelneming in andere instellingen voor collectieve belegging dan ICBE's mogen in totaal niet meer bedragen dan 30% van de activa van de ICBE. De lidstaten kunnen toestaan dat indien een ICBE rechten van deelneming heeft verworven in ICBE's en/of andere instellingen voor collectieve belegging, de activa van de desbetreffende ICBE's of andere instellingen voor collectieve belegging niet behoeven te worden gecombineerd met de in artikel 22 vastgestelde bovengrenzen. 3. Een ICBE mag niet beleggen in rechten van deelneming in een andere ICBE en/of in een instelling voor collectieve belegging die zelf voor meer dan 10% in rechten van deelneming in andere ICBE's en/of andere instellingen voor collectieve belegging belegt. 4. De verwerving van rechten van deelneming in een beleggingsfonds dat wordt beheerd door dezelfde beheermaatschappij of door een maatschappij waarmee de beheermaatschappij verbonden is door gemeenschappelijke bedrijfsvoering of gemeenschappelijke zeggenschapsuitoefening of door een aanmerkelijke rechtstreekse of middellijke deelneming, is slechts toegestaan in het geval van een fonds dat overeenkomstig zijn fondsreglement gespecialiseerd is in belegging in een specifieke geografische of economische sector en op voorwaarde dat de verwerving door de bevoegde autoriteiten is toegestaan. Deze machtiging wordt slechts verleend indien het fonds zijn voornemen om van deze mogelijkheid gebruik te maken heeft aangekondigd en indien deze mogelijkheid uitdrukkelijk in het fondsreglement wordt vermeld. De beheermaatschappij mag voor transacties betreffende de rechten van deelneming in het fonds geen vergoedingen en kosten in rekening brengen wanneer de activa van een beleggingsfonds zijn belegd in rechten van deelneming in een ander beleggingsfonds dat wordt beheerd door dezelfde beheermaatschappij of door een maatschappij waarmee de beheermaatschappij is verbonden door gemeenschappelijke bedrijfsvoering of gemeenschappelijke zeggenschapsuitoefening of door een aanmerkelijke rechtstreekse of middellijke deelneming. 5. Lid 4 is ook van toepassing indien een beleggingsmaatschappij rechten van deelneming verwerft in een andere beleggingsmaatschappij waarmee zij verbonden is in de zin van de vorige alinea. Lid 4 is eveneens van toepassing in geval van verwerving door een beleggingsmaatschappij van rechten van deelneming in een beleggingsfonds waarmee zij verbonden is, alsmede in geval van verwerving door een beleggingsfonds van rechten van deelneming in een beleggingsmaatschappij waarmee het verbonden is. 11. De volgende artikelen 24 bis en 24 ter worden toegevoegd: «Artikel 24 bis Indien de ICBE voornemens is haar activa in andere instrumenten dan effecten te beleggen, moet in het fondsreglement of de statuten, de prospectussen en alle reclamemateriaal van de ICBE, - bij beleggingen als bedoeld in artikel 22 bis, melding worden gemaakt van de kenmerken van de gereconstrueerde index en een opvallend geplaatste zin zijn opgenomen waarin de aandacht wordt gevestigd op het feit dat het beleggingsbeleid van de ICBE erop gericht is een bepaalde index te reconstrueren en dat de ICBE bijgevolg gemachtigd is een wezenlijk deel van haar activa in effecten van één en dezelfde uitgevende instelling te beleggen; - bij beleggingen als bedoeld in artikel 24, een opvallend geplaatste zin zijn opgenomen waarin de aandacht wordt gevestigd op het feit dat de ICBE in rechten van deelneming in ICBE's en/of andere instellingen voor collectieve belegging belegt en melding worden gemaakt van de kenmerken van de andere ICBE's of andere instellingen voor collectieve belegging in wier rechten van deelneming de ICBE gemachtigd is te beleggen; - bij beleggingen als bedoeld in artikel 24 ter, een opvallend geplaatste zin zijn opgenomen waarin de aandacht wordt gevestigd op het feit dat de ICBE in gestandaardiseerde en/of OTC-derivaten belegt en ervoor worden gewaarschuwd dat dergelijke beleggingen risicovoller kunnen zijn en bijgevolg uitsluitend geschikt zijn voor ervaren beleggers en voor beleggers wier financiële situatie hen in staat stelt de aan beleggingen in rechten van deelneming in dergelijke ICBE's verbonden risico's te dragen; - bij beleggingen in deposito's, een opvallend geplaatste zin zijn opgenomen waarin de aandacht wordt gevestigd op het feit dat de ICBE haar activa geheel of gedeeltelijk in deposito's bij kredietinstellingen belegt; - ingeval de nettowaarde van de activa van een ICBE wellicht een hoge volatiliteit zal vertonen als gevolg van de samenstelling van haar portefeuille of de gehanteerde beheerstechnieken, een opvallend geplaatste zin zijn opgenomen waarin de aandacht wordt gevestigd op dit kenmerk van de ICBE. Artikel 24 ter 1. Een ICBE mag in het kader van haar algemene beleggingsbeleid en/of voor risicodekkingsdoeleinden in de in artikel 19, lid 1, onder g) en h), bedoelde financiële derivaten beleggen, mits: - het risicobeheerproces van de beheer- of beleggingsmaatschappij deze in staat stelt dagelijks het werkelijke risico van de posities en het aandeel van deze laatste in het totale risicoprofiel van de portefeuille te bewaken en te meten; - de beheer- of beleggingsmaatschappij is toegerust met een procedure voor de accurate en onafhankelijke evaluatie van de waarde van OTC-derivaten. 2. Wanneer een ICBE voornemens is in het kader van haar algemene beleggingsbeleid en/of voor risicodekkingsdoeleinden in de in artikel 19, lid 1, onder g) en h), bedoelde financiële derivaten te beleggen, moet zij dit voornemen kenbaar maken in de in artikel 24 bis bedoelde documenten. Zij moet met name vermelden welke instrumenten mogen worden verhandeld en hoe groot het aandeel is van de derivaten in de risico's en opbrengsten van de gehele portefeuille. Tevens moet informatie worden verstrekt over de in deze richtlijn of in de beleggingsdoelstellingen van de ICBE vastgestelde kwantitatieve bovengrenzen voor de dagelijkse posities in dergelijke instrumenten en over de methoden voor de berekening van deze bovengrenzen. 3. In geen geval: - mag het totale bedrag van de door de ICBE via transacties in financiële derivaten aangegane verplichtingen de totale nettowaarde van de portefeuille van de ICBE overschrijden. Bij de berekening van de waarde van de verplichtingen moet worden uitgegaan van de actuele waarde van de onderliggende activa; en - mag het totale bedrag van de door de ICBE via transacties in OTC-derivaten aangegane verplichtingen hoger zijn dan 30% van de totale nettowaarde van de portefeuille van de ICBE. Bij de dagelijkse berekening van de waarde van dergelijke verplichtingen moet worden uitgegaan van de actuele waarde van de onderliggende activa. 4. Wanneer het onderliggende activum van een financieel derivaat een instrument is waarvoor in de richtlijn kwantitatieve bovengrenzen worden vastgesteld, moet het onderliggende activum in aanmerking worden genomen bij de berekening van deze bovengrenzen. Wanneer in een effect een derivaat is ingebouwd, moet met dit derivaat rekening worden gehouden bij de naleving van de voorschriften van dit artikel. 5. Onder geen enkele omstandigheid: - mag het gebruik van derivaten de ICBE doen afwijken van de in haar prospectus neergelegde beleggingsdoelstellingen; - mogen de ICBE's transacties in de in artikel 19, lid 1, onder g) en h), bedoelde financiële derivaten verrichten die neerkomen op verkopen van effecten vanuit een ongedekte positie. 6. Bij de berekening van de in artikel 22 vastgestelde bovengrenzen voor het tegenpartijrisico moet de beheer- of beleggingsmaatschappij het tegenpartijrisico van een ICBE met betrekking tot financiële OTC-derivaten berekenen volgens de methode omschreven in bijlage II, punt 5, van Richtlijn 93/6/EEG, zoals gewijzigd bij Richtlijn 98/33/EG [14], zonder daarbij de wegingsfactoren voor het tegenpartijrisico toe te passen.». [14] PB L 204 van 21.07.1998, blz. 29. 12. In artikel 25, lid 2, wordt het derde streepje vervangen door de volgende tekst en wordt het volgende vierde streepje toegevoegd: «- 10% van de rechten van deelneming in één en dezelfde ICBE en/of andere instelling voor collectieve belegging in de zin van artikel 1, lid 2, eerste en tweede streepje; - 10% van de in artikel 19, lid 1, onder i), bedoelde geldmarktinstrumenten van één en dezelfde uitgevende instelling.». 13. In artikel 25, lid 2, wordt de tweede zin vervangen door de volgende tekst: « De in het tweede, derde en vierde streepje genoemde bovengrenzen behoeven niet in acht te worden genomen indien het brutobedrag van de obligaties of de geldmarktinstrumenten, of het nettobedrag van de uitgegeven effecten op het tijdstip van verwerving niet kan worden berekend.». 14. Artikel 25, lid 3, onder e), wordt vervangen door de volgende tekst: «e) aandelen welke door een beleggingsmaatschappij of beleggingsmaatschappijen worden gehouden in het kapitaal van dochterondernemingen die uitsluitend te haren of te hunnen behoeve enkel bepaalde beheers-, advies- of verhandelingswerkzaamheden verrichten in het land waar de dochteronderneming is gevestigd, met het oog op de wederinkoop van rechten van deelneming op verzoek van deelnemers.». 15. Artikel 26, lid 1, tweede alinea, wordt vervangen door de volgende tekst: «Mits zij erop toezien dat het beginsel van de risicospreiding in acht worden genomen, kunnen de lidstaten aan nieuw opgerichte ICBE's toestaan van het bepaalde in de artikelen 22, 22 bis, 23, 24, en 24 ter af te wijken gedurende een periode van zes maanden volgende op de datum waarop zij zijn toegelaten.». 16. Artikel 41, lid 2, wordt vervangen door de volgende tekst: «2. Lid 1 belet bovengenoemde instellingen niet om niet volgestorte effecten of andere in artikel 19, lid 1, onder e), g), h) en i), bedoelde financiële instrumenten te verwerven.». 17. Artikel 42 wordt vervangen door de volgende tekst: «Artikel 42 Verkopen vanuit een ongedekte positie met betrekking tot effecten of andere in artikel 19, lid 1, onder e), g), h) en i), bedoelde financiële instrumenten mogen niet worden verricht door: - beleggingsmaatschappijen; - beheermaatschappijen of bewaarders, optredend voor rekening van beleggingsfondsen.». 18. Na artikel 53 wordt het volgende artikel 53 bis ingevoegd: «Artikel 53 bis Behalve voor het vervullen van de in artikel 53, lid 1, opgesomde taken kan het Contactcomité eveneens vergaderen als een regelgevend comité in de zin van artikel 5 van Besluit 1999/468/EG van de Raad om de Commissie bij te staan in verband met de technische wijzigingen die op de hierna genoemde punten in deze richtlijn moeten worden aangebracht: - verduidelijking van de definities om overal in de Gemeenschap een eenvormige toepassing van de richtlijn te waarborgen; - aanpassing van de terminologie en formulering van de definities aan latere voorschriften inzake ICBE's en aanverwante zaken. 2. De regelgevingsprocedure van artikel 5 van Besluit 1999/468/EG van de Raad is van toepassing, met inachtneming van artikel 7, lid 3, en artikel 8 van dat besluit. 3. De in artikel 5, lid 6, van Besluit 1999/468/EG bedoelde termijn bedraagt drie maanden.». Artikel 2 De lidstaten nemen uiterlijk op 30 juni 2002 de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen aan om aan deze richtlijn te voldoen. Deze bepalingen treden uiterlijk op 31 december 2002 in werking. De lidstaten stellen de Commissie daarvan onverwijld in kennis. Wanneer de lidstaten deze bepalingen aannemen, wordt in die bepalingen naar deze richtlijn verwezen of wordt hiernaar verwezen bij de officiële bekendmaking van die bepalingen. De regels voor deze verwijzing worden vastgesteld door de lidstaten. Artikel 3 Deze richtlijn treedt in werking op de twintigste dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen. Artikel 4 Deze richtlijn is gericht tot de lidstaten. Gedaan te Brussel, op [...] Voor het Europees Parlement Voor de Raad De Voorzitster De Voorzitter [...] [...] EFFECTBEOORDELINGSFORMULIER EFFECT VAN HET VOORSTEL OP HET BEDRIJFSLEVEN, MET NAME OP HET MIDDEN- EN KLEINBEDRIJF (MKB) Titel van het voorstel VOORSTEL VOOR EEN RICHTLIJN VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD TOT WIJZIGING VAN RICHTLIJN 85/611/EEG TOT COÖRDINATIE VAN DE WETTELIJKE EN BESTUURSRECHTELIJKE BEPALINGEN BETREFFENDE BEPAALDE INSTELLINGEN VOOR COLLECTIEVE BELEGGING IN EFFECTEN (ICBE's) Referentienummer van het document MARKT/3009/00 REV 2 Voorstel 1. Waarom is, gelet op het subsidiariteitsbeginsel, communautaire wetgeving op dit gebied noodzakelijk en wat zijn de voornaamste doelstellingen- Aangezien de voornaamste doelstellingen van dit voorstel erin bestaan de voltooiing van de interne markt voor instellingen voor collectieve belegging te bewerkstelligen, de vrije grensoverschrijdende verhandeling van de rechten van deelneming in een breder scala van instellingen voor collectieve belegging mogelijk te maken en tegelijkertijd aan beleggers een eenvormige minimumbescherming te bieden, is de vaststelling van een bindende Gemeenschapsrichtlijn waarin de overeengekomen minimumnormen zijn opgenomen, de enige methode om de beoogde doelstelling te bereiken. Afgezien van de essentiële minimumnormen (bv. beleggings- en risicospreidingsregels, voorlichting van de belegger enz.), krijgen de lidstaten de vrije hand bij de nadere invulling van de regelgeving voor de onder dit voorstel vallende instellingen voor collectieve belegging, waarbij zij eventueel stringentere of aanvullende verplichtingen kunnen opleggen. De lidstaten beschikken derhalve over een grote manoeuvreerruimte. Zoals is aangegeven in het Actieplan van de Commissie voor de interne markt, in het Actieplan voor financiële diensten en in het bijzonder in de conclusies van de recente Europese Raad van Lissabon, waarin het streven naar een sterk geïntegreerde pan-Europese markt voor financiële diensten wordt bevestigd, heeft dit voorstel ten doel de belemmeringen voor het grensoverschrijdend verhandelen van rechten van deelneming in instellingen voor collectieve belegging weg te nemen door: * de vrije toegang tot de gehele EU-markt uit te breiden tot instellingen voor collectieve belegging die beleggen in andere financiële activa dan effecten, zoals met name rechten van deelneming in andere ICBE's en andere instellingen voor collectieve belegging, bankdeposito's en derivaten; * sommige andere bepalingen van de ICBE-richtlijn te actualiseren in het licht van de sinds 1985 ontwikkelde nieuwe technieken voor het portefeuillebeheer; * de aan een aantal bepalingen van de ICBE-richtlijn verbonden onzekerheden op het gebied van de interpretatie weg te nemen omdat deze onzekerheden een eenvormige toepassing van de basisbeginselen van de richtlijn belemmeren. Effecten op het bedrijfsleven 2. Waarop is het voorstel van invloed- Het voorstel is van invloed op de beheermaatschappijen van unit trusts/beleggingsfondsen en op de beleggingsmaatschappijen die reeds onder de ICBE-richtlijn vallen, ongeacht de omvang van deze maatschappijen. Daar de regelgeving met betrekking tot de door beheermaatschappijen in acht te nemen kapitaalvereisten van lidstaat tot lidstaat verschilt, loopt ook de concentratie van kleine en middelgrote ondernemingen uiteen. De meeste beleggingsmaatschappijen hebben hun statutaire zetel in de financiële centra van de EU. 3. Wat moeten de bedrijven doen om aan de voorgestelde wetgeving te voldoen- Voor het verwerven van een vergunning die in alle lidstaten geldig is, zullen de instellingen voor collectieve belegging die beleggen in de in dit voorstel gespecificeerde financiële instrumenten die geen verhandelbare effecten zijn, zich moeten voegen naar de regels voor het beleggingsbeleid en de transparantievereisten die eveneens in dit voorstel zijn opgenomen. 4. Welke economische gevolgen zal het voorstel waarschijnlijk hebben: - voor de werkgelegenheid- Hoewel de ICBE-sector zeer grote bedragen aan spaargelden beheert, telt hij slechts een vrij gering aantal werknemers. In het licht hiervan zal het voorstel naar verwachting niet veel effect hebben op de werkgelegenheid in deze sector. - voor de investeringen en de oprichting van nieuwe bedrijven- De ruimere beleggingsmogelijkheden voor ICBE's zullen de groei van deze sector helpen ondersteunen. Zij kunnen eventueel ook bijdragen tot de totstandkoming van diepere en liquidere financiële markten in Europa, hetgeen indirect de werkgelegenheid ten goede zou komen. - voor het concurrentievermogen van de bedrijven- Het feit dat Richtlijn 85/611/EEG een breder scala van beleggingsfondsen zou bestrijken en dat de rechten van deelneming in dergelijke fondsen zonder restricties overal in de EU zouden kunnen worden verhandeld, zou tot een scherpere concurrentie tussen beheermaatschappijen kunnen leiden, hetgeen in een betere prijs/kwaliteit-verhouding voor zulke beleggingsproducten zou resulteren. 5. Bevat het voorstel maatregelen om rekening te houden met de bijzondere situatie van kleine en middelgrote bedrijven (minder zware of andere eisen, enz.)- Neen. Alle instellingen voor collectieve belegging die onder de richtlijn vallen, moeten zich aan dezelfde bepalingen houden. Raadpleging 6. Geef een overzicht van de organisaties die over het voorstel zijn geraadpleegd en zet hun standpunten in grote lijnen uiteen. De Europese federatie van beleggingsfondsen en -maatschappijen (FEFSI), die de belangen van de sector als geheel behartigt, alsook de nationale verenigingen van beheerders van beleggingsfondsen zijn tijdens de voorbereiding van voorstel nr. 1 geraadpleegd. Zij werden eveneens betrokken bij de verdere uitwerking van het gewijzigde voorstel. De Europese sector van de beleggingsfondsen staat in ruime mate achter de in het gewijzigde voorstel gevolgde benadering.