Aanpassing van de instellingen voor een geslaagde uitbreiding - Advies van de Commissie uit hoofde van artikel 48 van het Verdrag betreffende de Europese Unie inzake het bijeenroepen van een conferentie van vertegenwoordigers van de regeringen van de lidstaten met het oog op wijziging van de verdragen /* COM/2000/0034 def. */
AANPASSING VAN DE INSTELLINGEN VOOR EEN GESLAAGDE UITBREIDING - Advies van de Commissie uit hoofde van artikel 48 van het Verdrag betreffende de Europese Unie inzake het bijeenroepen van een conferentie van vertegenwoordigers van de regeringen van de lidstaten met het oog op wijziging van de verdragen Inhoud Algemene inleiding Hoofdstuk 1. Rol, werkwijze en samenstelling van de instellingen en organen van de Europese Unie 1. Inleiding 2. Het Europees Parlement 3. De Raad 4. De Commissie 5. Het gerechtelijk systeem van de Unie 6. De Rekenkamer 7. Het Economisch en Sociaal Comité 8. Het Comité van de regio's Hoofdstuk 2. Een doelmatig besluitvormingsproces 9. Inleiding 10.Minder gebruik maken van stemming met eenparigheid 11.Besluitvormingsprocedures 12.Het bepalen van de gekwalificeerde meerderheid in de Raad 13.Vormen van nauwere samenwerking BESLUIT Ontwerpartikelen HET EUROPEES PARLEMENT DE COMMISSIE DE REKENKAMER HET ECONOMISCH EN SOCIAAL COMITE HET COMITE VAN DE REGIO'S BESLUITVORMINGSPROCEDURES NAUWERE SAMENWERKING Bijlage 1 Bijlage 2 Bijlage 3 Algemene inleiding De Europese Unie breidt zich uit. Zij zal ingrijpend worden veranderd, maar zij mag niet verzwakken. In de nabije toekomst zal het aantal lidstaten wellicht nagenoeg verdubbelen. De hypothese van een eerste uitbreiding die zou hebben geleid tot een Unie met een twintigtal lidstaten, waarop de resultaten van de voorgaande Intergouvernementele Conferentie waren gebaseerd, is thans achterhaald. Het uitbreidingsproces betreft op het ogenblik dertien kandidaatlanden. De inzet van dit proces is de toestand van vrede, saamhorigheid en economische ontwikkeling die wij op het ogenblik genieten uit te breiden tot de aangrenzende Europese landen door hen op te nemen in een passend institutioneel kader, dat de sleutel vormt voor het welslagen van het Europese project. De eenvoudige maar elementaire vraag waarmee wij worden geconfronteerd is dus hoe de Unie goed zal kunnen functioneren wanneer zij 20, 25 of zelfs 30 lidstaten zal tellen. Hoe zullen de Instellingen de taken kunnen blijven uitvoeren die de verdragen hun toewijzen - En hoe zal de Unie - op een fundamenteler niveau - haar slagvaardigheid en haar samenhang kunnen behouden om ervoor te zorgen dat ook de verdieping van Europa mogelijk blijft - Reeds thans wordt duidelijk welke de grenzen zijn van het institutionele kader, dat reeds bepaalde anomalieën vertoont. Het is voor de Europese burgers niet zeer begrijpelijk. En ook omdat een uitgebreide Unie gevaar loopt minder samenhang te vertonen en minder sterk te zijn, dient de samenstelling van haar instellingen en organen grondig te worden herzien dient de werkwijze ervan te worden aangepast. De conferentie die wordt geopend is voor de Unie de laatste gelegenheid om in deze zwakten te voorzien en de instellingen op de aanstaande uitbreiding voor te bereiden. Op zijn vergadering van 3 en 4 juni 1999 te Keulen heeft de Europese Raad "zijn voornemen bevestigd begin 2000 een conferentie van de vertegenwoordigers van de regeringen der lidstaten bijeen te roepen, waarop een regeling moet worden getroffen voor alle institutionele vraagstukken die in Amsterdam niet werden opgelost, en nog vóór de uitbreiding tot een oplossing moeten worden gebracht" en het voorzitterschap verzocht een verslag op te stellen voor de Europese Raad van Helsinki. In het licht van het verslag van het Finse voorzitterschap (Doeltreffende instellingen voor een uitgebreide Unie - Suggesties voor de conferentie), dat werd opgesteld na overleg met de lidstaten, het Europees Parlement en de Commissie [1], besloot de Europese Raad van Helsinki op 10 december 1999 dat de Intergouvernementele Conferentie in februari 2000 zou worden bijeengeroepen. [1] Aanpassing van de instellingen voor een geslaagde uitbreiding - Bijdrage aan de voorbereiding van de Intergouvernementele Conferentie - Mededeling van 10 november 1999 (COM(99)592). Op deze conferentie zullen de "omvang en samenstelling van de Europese Commissie [en de] stemmingweging in de Raad", worden onderzocht "op de conferentie kunnen voorts andere verdragwijzigingen behandeld worden die nodig mochten blijken ten aanzien van de Europese Instellingen in verband met de bovenvermelde vraagstukken, alsmede in het kader van de uitvoering van het Verdrag van Amsterdam". Het eerstvolgende voorzitterschap zal aan de Europese Raad verslag uitbrengen over de door de conferentie geboekte vorderingen en zal opneming van andere punten in de agenda ervan kunnen voorstellen. Ingevolge artikel 48 van het Verdrag betreffende de Europese Unie heeft de Raad op 17 december 1999 het Europees Parlement en de Commissie om advies verzocht betreffende het bijeenroepen van een conferentie van de vertegenwoordigers van de regeringen der lidstaten met het oog op wijziging van de verdragen. Dit document vertegenwoordigt het advies van de Commissie. De Commissie spreekt zich uit voor het bijeenroepen van een intergouvernementele conferentie met het oog op wijziging van de verdragen. Dit advies is opgesteld overeenkomstig de door de Commissie uitgestippelde richtsnoeren in de bijdrage die zij op 10 november 1999 met het oog op de Europese Raad van Helsinki heeft goedgekeurd. Op basis hiervan zullen de vertegenwoordigers van de Commissie hun standpunt bepalen tijdens de conferentie. Het is de bedoeling dat deze conferentie elf maanden duurt. Dit advies behelst reeds, wat betreft bepaalde onderwerpen en waar zulks mogelijk is gezien de stand van het beraad, ontwerpen van wijzigingen van de desbetreffende artikelen van de verdragen, die de Commissie aan de conferentie voorlegt. De Commissie zal te zijner tijd andere bijdragen indienen om bepaalde in dit advies vervatte voorstellen nader te omlijnen. De Commissie wenst dat de conferentie leidt tot een grondige hervorming van de Europese instellingen en is voornemens de voorzitterschappen van de Raad die verantwoordelijk zullen zijn voor de leiding van de werkzaamheden in het kader ervan ten volle te steunen. * * * * * De Europese Raad van Helsinki heeft het Portugese voorzitterschap verzocht de Europese Raad verslag uit te brengen over de door de conferentie geboekte vorderingen; het voorzitterschap zal opneming van andere punten op de agenda van de conferentie kunnen voorstellen. De Commissie herinnert eraan dat de Europese Raad zich in ieder geval in de loop van 2000 zal moeten uitspreken over het opnemen van een aantal thema's in het verdrag, en met name betreffende de twee volgende thema's: - overeenkomstig de conclusies van de Europese Raad van Keulen is een college opgericht voor het uitwerken van een Handvest van de grondrechten van de Europese Unie. In dit stadium is echter nog geen beslissing genomen over de vraag of, en eventueel hoe, dit handvest in de verdragen zou kunnen worden opgenomen; - de Europese Raad van Helsinki heeft twee verslagen van het voorzitterschap goedgekeurd betreffende de ontwikkeling van de militaire en niet-militaire crisisbeheersingscapaciteit van de Unie als onderdeel van een versterkt gemeenschappelijk Europees beleid inzake veiligheid en defensie. Het Portugese voorzitterschap is belast met het opstellen van een samenvattend verslag voor de Europese Raad van Feira, dat met name richtsnoeren moet bevatten betreffende de eventuele noodzaak om bepaalde wijzigingen in de verdragen aan te brengen. De Commissie is voorts van oordeel dat het voorstel [2] om de verdragen in tweeën in te delen (enerzijds de basisteksten en anderzijds de uitvoeringsbepalingen, die van minder fundamentele aard zijn, anderzijds) zeer interessant is. De teksten van de verdragen zouden eenvoudiger en leesbaarder worden, hetgeen algemeen als een noodzaak wordt ervaren; en bovendien zou een dergelijke tweedeling de mogelijkheid openen om ten aanzien van de wijziging van de teksten te voorzien in een minder logge procedure dan die welke thans geldt voor de herziening van de verdragen en waarbij rekening zou worden gehouden met het vooruitzicht dat het aantal lidstaten nagenoeg zou worden verdubbeld. De Commissie heeft besloten de uitvoerbaarheid na te gaan van een dergelijke omwerking van de verdragen en het Europees universitait instituut te Florence verzocht een studie uit te voeren. Afhankelijk van het resultaat van deze studie behoudt de Commissie zich de mogelijkheid voor de conferentie terzake voorstellen te doen. [2] De Commissie had er in haar advies voor de voorgaande intergouvernementele conferentie op gewezen dat er een onderscheid moet worden gemaakt tussen de verdragsbepalingen met een fundamenteel karakter en die welke geen fundamenteel karakter hebben, teneinde laatstgenoemde categorie te kunnen wijzigen volgens een minder stringent systeem dan het thans geldende. Dit voorstel is uitgewerkt in het verslag van de heren Dehaene, von Weizsäcker en Lord Simon ("De institutionele implicaties van de uitbreiding" - verslag op 18 oktober 1999 ingediend bij de Europese Commissie). Hoofdstuk 1. Rol, werkwijze en samenstelling van de instellingen en organen van de Europese Unie 1. Inleiding De samenstelling van een instelling vloeit logisch voort, of dient althans logisch voort te vloeien, uit een onderzoek van de rol die zij in de Unie speelt en uit het feit dat voor een doeltreffend functioneren ervan moet worden gezorgd. De rol van elke instelling is duidelijk omschreven in de verdragen. Er bestaat eenstemmigheid over dat de conferentie niet ten doel heeft de taken en bevoegdheden van de instellingen te wijzigen; het huidige institutionele evenwicht moet worden gehandhaafd. In ieder geval is de Commissie van oordeel dat de conferentie zich meer in het algemeen dient te buigen over het vraagstuk van de democratische legitimiteit van het Europese systeem, en zich in het bijzonder moet bezinnen over de aard van zijn uitvoerend orgaan, teneinde er zeker van te zijn dat de wijzigingen die de conferentie aanbrengt op ondubbelzinnige wijze tegemoetkomen aan het verlangen naar een grotere democratisering van het institutionele kader van de Unie. Daarentegen vereist de uitbreiding dat de werkwijze van de instellingen wordt aangepast om te verzekeren dat zij doeltreffend blijven functioneren in een Unie waarvan het aantal lidstaten zal worden verdubbeld. De Verdragen regelen slechts de elementaire beginselen van de werkwijze van de instellingen. Elke instelling zal dus zelf moeten overgaan tot de nodige interne hervormingen. Sommige van hen hebben reeds een begin gemaakt met dit proces van aanpassing van hun structuur en werkmethoden. Behalve deze hervormingen zal de Conferentie moeten nagaan in hoeverre verdragswijzigingen nodig zullen zijn om dit hervormingsproces af te ronden. De samenstelling van de verschillende instellingen dient uitsluitend op grond van hun rol en hun werkwijze te worden vastgesteld. Dit advies moet worden gezien in het perspectief van de met alle kandidaat-landen uitgebreide Europese Unie. Het is duidelijk dat al deze landen niet tegelijkertijd zullen toetreden en dat de conferentie dus, aan de hand van het tijdschema van de achtereenvolgende toetredingen, de passende procedures en eventuele overgangsbepalingen zal moeten vaststellen voor de samenstelling van de instellingen en organen van de Unie in de tussenliggende periode. De betrokken tekstgedeelten zouden bijvoorbeeld kunnen worden opgenomen in verklaringen die bij het verdrag worden gevoegd dat de conferentie zal opstellen. 2. Het Europees Parlement Het Europees Parlement is de instelling waarbinnen de volkeren van de in de Gemeenschap verenigde staten zijn vertegenwoordigd. De rol van het Parlement vloeit voort uit de taken die het bij de Verdragen zijn toegekend. Het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap maakt het op vele terreinen tot een medewetgever. Op andere gebieden dient het Parlement ofwel zijn instemming te betuigen of advies uit te brengen. Het is tezamen met de Raad, de begrotingsautoriteit. Het oefent de politieke controle uit op de Commissie. De conferentie heeft niet ten doel de rol en de bevoegdheden van de instellingen te wijzigen. De Commissie is evenwel van mening dat er, wanneer er sprake is van beslissingen van wetgevende aard, een verband dient te worden gelegd tussen gekwalificeerde meerderheid en medebeslissingsprocedure. Dit geldt zowel voor de wetgevingsbesluiten die tot de gebieden horen waar op het ogenblik de gekwalificeerde meerderheid geldt als voor het toekomstige gebied van toepassing van de gekwalificeerde meerderheid. Het gevolg van deze aanpak zal zijn dat de rol van het Europees Parlement als medewetgever zal worden versterkt. Dit vraagstuk zal nader worden behandeld in hoofdstuk 2, afdeling II van dit advies. Wat betreft de werkwijze van het Europees Parlement is de Commissie van oordeel dat deze zonder wijziging van de Verdragen kan worden aangepast aan de toekomstige uitbreiding door middel van wijzigingen in zijn reglement, die het Parlement zelf kan aanbrengen. Zij herinnert er echter aan dat het dringend noodzakelijk is dat het statuut en de algemene voorwaarden voor de uitoefening van de functies van de leden van het Europees Parlement overeenkomstig artikel 190, lid 5 van het EG-Verdrag worden vastgesteld. Het Verdrag van Amsterdam heeft het vraagstuk van de samenstelling van het Europees Parlement ten dele reeds geregeld door uitdrukkelijk in artikel 189 van het EG-Verdrag te bepalen dat "het aantal leden van het Europees Parlement niet meer dan zevenhonderd" bedraagt. Bij dit aantal wordt, ingevolge het voorstel van het Europees Parlement zelf, rekening gehouden met een tweevoudige noodzaak : er moet worden gezorgd voor de vertegenwoordiging van de volkeren en voor het behouden van een omvang die verenigbaar is met een doeltreffende uitvoering van zijn taken. De Commissie stelt voor dit aantal te handhaven. Artikel 190, lid 2, van het EG-Verdrag stelt het aantal leden van het Europees Parlement vast dat op het ogenblik in elk van de lidstaten wordt gekozen. Het totaal bedraagt 626 afgevaardigden. Het is waarschijnlijk dat, zodra de eerste landen zijn toegetreden, de limiet van 700 Europese afgevaardigden zal worden overschreden indien het aantal in de toetredende landen verkozen parlementsleden wordt vastgesteld op de tot nu toe geldende wijze. Deze methode dient dus onvermijdelijk te worden herzien - waarop reeds was gewezen in de resolutie van het Europees Parlement van 10 juni 1992 [3] - wil men de limiet van 700 Europese afgevaardigden in acht nemen. [3] Verslag De Gucht - Resolutie A3-0186/92, PB 1992, C 176/72 De Commissie is van oordeel dat het aan het Parlement is om een nieuwe wijze van verdeling van de zetels voor te stellen. Om de gedachten te bepalen geeft de Commissie het volgende in overweging. Met inachtneming van de limiet van 700 moet een minimaal niveau van vertegenwoordiging van de bevolking van elke lidstaat worden verzekerd. Er zij aan herinnerd dat tot de huidige samenstelling van het Europees Parlement op 11 en 12 december 1992 door de Europese Raad van Edinburgh is besloten aan de hand van een voorstel van het Parlement, waarbij rekening werd gehouden met de eenmaking van Duitsland en met het vooruitzicht van de uitbreiding met een aantal landen van de EVA. Dit voorstel van het Europees Parlement was gebaseerd op een beginsel van degressieve evenredigheid [4]. Deze formule is eveneens gebruikt om het aantal parlementsleden vast te stellen dat in Oostenrijk, Finland en Zweden moet worden gekozen, hoewel er een geringe aanpassing is aangebracht in het aantal dat uit de strikte toepassing van de formule zou zijn geresulteerd. [4] De door het Europees Parlement voorgestelde methode van vaststelling van het aantal zetels per lidstaat berustte op de volgende formule : toekenning van 6 zetels aan elke lidstaat, ongeacht het bevolkingsaantal, en vervolgens toekenning van een bijkomende zetel per tranche van 500.000 inwoners voor het aantal inwoners tussen 1 en 25 miljoen; toekenning van een bijkomende zetel per tranche van een miljoen inwoners voor het inwonersaantal tussen de 25 en 60 miljoen, en ten slotte toekenning van een bijkomende zetel per tranche van twee miljoen inwoners bij een bevolkingsaantal boven de 60 miljoen. Deze formule is echter niet strikt mathematisch toegepast. Deze formule moet thans opnieuw worden bezien : - men zou kunnen denken aan een zetelverdeling onder de lidstaten op basis van een strikte evenredigheid naar de bevolking van elke staat. De Commissie is echter van mening dat deze hypothese in het huidige stadium van politieke integratie van de Unie niet realistisch is; - een mogelijkheid zou kunnen zijn een herziene versie op te stellen van de formule die ten grondslag heeft gelegen aan het besluit van 1992, door het beginsel van degressieve evenredigheid te handhaven maar uit te gaan van een lager minimum aan Europese parlementsleden en minder zetels per hoofd toe te kennen en/of de categorieën aan te passen. Men dient echter te bedenken dat het element van degressieve evenredigheid de vertegenwoordiging van de bevolking van de lidstaten met het grootste aantal inwoners in het Europees Parlement meer dan in het verleden zou verminderen aangezien zelfs een aangepaste formule de andere lidstaten zal blijven bevoordelen, met name die met een gemiddeld bevolkingsaantal; - een andere mogelijkheid zou dus zijn over te gaan tot een lineaire vermindering van het aantal zetels dat wordt toegekend volgens de formule waarvan men tot op heden is uitgegaan. Het uitbreidingsproces zou in dat geval hetzelfde relatieve effect hebben op de verdeling van het aantal parlementsleden. De lineaire verminderingsquotiënt zou bij iedere toetreding moeten worden berekend aan de hand van de verhouding tussen de limiet van 700 en het theoretische totale aantal Europese parlementsleden dat de huidige formule zou opleveren, zowel voor de huidige lidstaten als voor de nieuwe toetredende landen. Ten slotte is de Commissie van oordeel dat het voor de Unie zeer belangrijk zou zijn dat een aantal Europese parlementsleden zou worden verkozen op Europese lijsten die in de gehele Unie aan alle Europese kiezers tezamen zouden worden voorgelegd. De kiezers zouden dan tweemaal hun stem moeten uitbrengen : eenmaal in nationaal verband en eenmaal voor het contingent parlementsleden dat op deze Europese lijsten verkiesbaar zou zijn. Het aantal in nationaal verband te kiezen parlementsleden zou dan worden berekend na proportionele vermindering met het aantal zetels dat nodig zou zijn om dit "Europees" contingent te vormen. Indien de Europese verkiezingen op deze wijze zouden worden georganiseerd, zou dit een prikkel zijn voor de ontwikkeling van politieke partijen op Europees niveau en de toegang tot het Europees Parlement vergemakkelijken van leden die zich zouden kunnen beroepen op een Europese en niet louter nationale politieke achterban. De verdragsbepalingen betreffende de Europese politieke partijen zouden aldus concreet worden toegepast. De Commissie stelt de conferentie voor : - het maximale aantal van 700 Europese parlementsleden te handhaven ; - het Europees Parlement te verzoeken een methode vast te stellen voor te toewijzing van parlementsleden per lidstaat met inachtneming van deze limiet ; - de mogelijkheid te onderzoeken een bepaald aantal parlementsleden verkiesbaar te stellen op lijsten die voor de Unie als geheel gelden. 3. De Raad De Raad is de instelling van de Unie waarin de regeringen van de lidstaten zijn vertegenwoordigd die deze Unie vormen. Sedert de aanvang is de Raad de wetgever geweest van de Gemeenschap. Met de Verdragen van Maastricht en Amsterdam is hij op vele gebieden medewetgever met het Europees Parlement geworden. De Raad is de meest vooraanstaande instelling bij de vaststelling en tenuitvoerlegging van het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid en de politiële en justitiële samenwerking op strafrechtelijk gebied. De Raad is, met het Europees Parlement, de begrotingsautoriteit. De Raad omvat een vertegenwoordiger van elke lidstaat. De in het Verdrag van Maastricht vervatte nieuwe formulering van de betrokken bepaling (het huidige artikel 203 van het EG-Verdrag), namelijk dat de Raad bestaat "uit een vertegenwoordiger van elke lidstaat op ministerieel niveau die gemachtigd is om de regering van de lidstaat die hij vertegenwoordigt, te binden "maakt het voorts iedere lidstaat mogelijk, ongeacht de wijze waarop hij is ingericht, te voldoen aan de vereisten van zijn interne grondwettelijke orde. De uitbreiding zal echter belangrijke moeilijkheden opleveren voor de gang van zaken in de Raad en zal aanzienlijke aanpassingen met zich meebrengen in verband met de behandeling van een hele reeks concrete vraagstukken. De Raad is overgegaan tot een grondig onderzoek van zijn werkwijze in het vooruitzicht van de uitbreiding, en wel aan de hand van het verslag van de Secretaris-generaal van de Raad van maart 1999. Tijdens zijn bijeenkomst in Helsinki (9-10 december 1999) heeft de Europese Raad een aantal van deze aanbevelingen goedgekeurd, die geen wijziging van de Verdragen vereisen. Men dient echter niet uit te sluiten dat bepaalde meer ingrijpende veranderingen, die wel een wijziging van de verdragen noodzakelijk maken, door de Conferentie worden onderzocht. 4. De Commissie a. Rol en functionering van de Commissie Binnen de door de verdragen ingestelde institutionele structuur vormt de Europese Commissie ongetwijfeld het meest originele element. Geen enkele andere internationale organisatie of geen enkel kader voor samenwerking tussen landen kent een dergelijke instelling. Zij is noch de uitdrukking van een intergouvernementele samenwerking, noch het resultaat van een verkiezing. Zij werd ingesteld om in volledige onafhankelijkheid het Europees belang te behartigen. Zij is als college verantwoording schuldig aan het Europees Parlement. Wat dit betreft, moet eraan worden herinnerd dat het Verdrag van Amsterdam de Voorzitter de taak heeft opgedragen om de beleidsoriëntaties van de Commissie vast te stellen; de leden van de Commissie zijn in onderlinge overeenstemming met de aangewezen Voorzitter gekozen. Deze nieuwe verantwoordelijkheden van de Voorzitter blijken onder meer uit de politieke verbintenis van de leden van de huidige Commissie om hun ontslag aan te bieden indien de Voorzitter hen daarom verzoekt. De Commissie stelt voor deze verbintenis in het Verdrag te formaliseren teneinde de collegiale politieke verantwoordelijkheid van de Commissie te versterken. De door de verdragen aan de Commissie opgedragen taken zijn veelvuldig. De Commissie is de stuwkracht van het Europese opbouwwerk, door haar exclusief initiatiefrecht op het gebied van de communautaire wetgeving. Zij is "hoedster van de verdragen". De Commissie is het uitvoerend orgaan van de Gemeenschap, dat tot taak heeft de uitvoeringsmaatregelen te nemen, de begroting uit te voeren en het beleid en de programma's van de Gemeenschap te beheren. Zij vertegenwoordigt de Gemeenschap en leidt de internationale onderhandelingen. De functionering van de Commissie berust op het beginsel van gezamenlijk bestuur, wat betekent dat elk lid van de Commissie op gelijke wijze, ongeacht de lidstaat waarvan het de nationaliteit heeft, deelneemt aan de voorbereiding van de voorstellen en aan de besluitvorming. Deze besluiten binden alle leden van het college collectief. Het gezamenlijk bestuur brengt - bij een Commissie met twintig leden - een zekere druk (frequent gevoerde debatten, zoals in de Raad, in de vorm van rondvragen) en administratieve logheid mee. De Commissie neemt duizenden besluiten per jaar, circa 200 per week. De Commissie is momenteel bezig met belangrijke hervormingen van haar organisatie die door de modernisering van haar werkwijzen en haar procedures ertoe moeten bijdragen dat een echte collegiale besluitvorming gehandhaafd blijft, waarbij evenwel meer gebruik wordt gemaakt van machtigingen op bepaalde gebieden en onder voorwaarden en met beperkingen die door het college worden vastgesteld. Een dergelijke hervorming moet nu al worden bestudeerd, ongeacht de toekomstige samenstelling van de Commissie. Zij zal a fortiori nodig zijn als het aantal commissarissen toeneemt. Het gezamenlijk bestuur is immers voor de Commissie een fundamentele bron van de legitimiteit van haar handelingen, aangezien zij, in tegenstelling tot andere categorieën uitvoerende organen, niet rechtstreeks resulteert uit een verkiezing, hoewel zij voor het Europees Parlement politiek verantwoordelijk is. In de uitgebreide Unie zal de taak van de Commissie om voor samenhang en eenheid te zorgen, zowel moeilijker als noodzakelijker zijn; haar vermogen tot handelen zal moeten worden gevrijwaard. b. Samenstelling van de Commissie De Commissie werd vanaf het begin opgezet als de instelling die garant staat voor het collectief belang en blijft aldus functioneren. Daartoe hebben de opstellers van de Verdragen van de commissarissen geen "vertegenwoordigers" van de regeringen van de lidstaten gemaakt, een functie die toekomt aan de leden van de Raad. Zij hebben daarentegen bepaald dat "de leden van de Commissie hun ambt volkomen onafhankelijk in het algemeen belang van de Gemeenschap uitoefenen" en dat zij "instructies van enige regering vragen noch aanvaarden" (artikel 213, lid 2, EG). De functionering van de Commissie als college hangt rechtstreeks samen met het aantal commissarissen welke dit college vormen. Krachtens artikel 213 van het EG-Verdrag "moet in de Commissie ten minste één onderdaan van elke lidstaat zitting hebben, zonder dat het aantal leden van dezelfde nationaliteit meer dan twee mag bedragen". Vanaf het begin was de Commissie samengesteld uit twee door elk van de lidstaten met de grootste bevolking aangewezen leden en één door elk van de overige lidstaten aangewezen lid. Wanneer de huidige 13 kandidaat-lidstaten zullen zijn toegetreden, zou het huidige stelsel leiden tot een Commissie van 35 leden, bijna vier keer meer dan in het begin. De Commissie vindt evenwel dat de essentiële keuze erin bestaat te besluiten of de Commissie in de toekomst één onderdaan van elke lidstaat moet tellen, ongeacht het aantal lidstaten, dan wel of gegronde redenen rechtvaardigen dat een andere oplossing wordt gekozen. De Commissie acht het nodig dat deze kwestie opnieuw aan de orde wordt gesteld, en wel omdat niet een beperkte uitbreiding met slechts vier of vijf landen ophanden is, doch wel een verdubbeling van het aantal lidstaten. Zij is van oordeel dat deze kwestie nu aan de orde moet worden gesteld en opgelost omdat het weinig waarschijnlijk is dat later wordt afgeweken van de oplossing die zal worden goedgekeurd door de komende intergouvernementele conferentie - ook al werd deze oplossing als voorlopig bestempeld. Indien de Commissie een kleiner aantal commissarissen telt dan het aantal lidstaten, moet nu al worden vastgesteld op welke wijze de leden van het college worden aangewezen. Indien de Commissie één onderdaan van elke lidstaat telt, ongeacht het aantal lidstaten, moet nu de vraag worden beantwoord hoe de Commissie doeltreffend zal kunnen functioneren met 28 leden, of zelfs meer indien voor andere Europese landen het perspectief op toetreding ontstaat. In dit geval moeten belangrijke beslissingen worden genomen omtrent de structuur van het college van commissarissen en de bevoegdheden van de Voorzitter ervan. Optie 1. De Commissie bestaat uit een vast aantal commissarissen dat kleiner is dan het toekomstig aantal lidstaten In de bijdrage die door haar op 10 november 1999 met het oog op de Europese Raad van Helsinki werd goedgekeurd, heeft de Commissie beklemtoond dat haar huidige wijze van functioneren, met de nieuwe aan de Voorzitter verleende bevoegdheid om beleidsoriëntaties te geven en collegiale beraadslagingen en besluiten bij gewone meerderheid van stemmen van de leden, een essentieel evenwicht vormt dat verstoord dreigt te worden in geval van uitbreiding van het aantal commissarissen. De Commissie was van oordeel dat het bij de uitbreiding van essentieel belang zou zijn tegelijkertijd het collegiale karakter, de doeltreffendheid en de wijze van besluitvorming te handhaven van een instelling die tot taak heeft in volledige onafhankelijkheid het algemeen belang te behartigen en de verschillende doelstellingen van de verdragen met elkaar te verenigen. Bij dit standpunt wordt rekening gehouden met het grondige verschil dat bestaat tussen de rol en de functionering van de Commissie en die van een nationale regering, waarvan de samenhang gegrondvest is op het behoren tot eenzelfde politieke strekking of op coalitiebelangen, en voor de verwezenlijking van haar beleidsprogramma op een parlementaire meerderheid steunt. Dit verklaart waarom de nationale regeringen een groot aantal ministers kunnen tellen zonder hun handelingsvermogen te verzwakken. Het institutionele stelsel van de Unie sluit natuurlijk een dergelijke situatie in het huidige stadium van haar ontwikkeling uit. Dank zij de collegiale functionering van de Commissie wordt zowel de coherentie als de legitimiteit ervan gegarandeerd. Indien men deze collegiale functionering wil handhaven, moet in het toekomstig verdrag het aantal leden van de Commissie worden gestabiliseerd op het momenteel bereikte niveau, en de wijze van aanwijzing van de commissarissen worden vastgelegd. Verschillende oplossingen werden betreffende dit laatste punt naar voren gebracht, met name de oplossing om de Voorzitter van de Commissie alleen de verantwoordelijkheid te laten om het college samen te stellen rekening houdend met de samenwerkingsbetrekkingen die bepaalde lidstaten met hun buren buiten het verdrag reeds onderhouden. Deze laatste oplossing voldoet niet omdat zij zou leiden tot spanningen tussen lidstaten bij elke nieuwe samenstelling van het college. Bij deze hypothese bestaat de enige echt billijke oplossing er derhalve in in het verdrag een toerbeurtsysteem op te nemen waarbij uitgaande van een vooraf vastgestelde volgorde een strikte gelijkheid tussen de lidstaten wordt geëerbiedigd. Deze toerbeurt moet een samenstelling van de Commissie mogelijk maken die evenwichtig is in geografisch opzicht alsook ten aanzien van de relatieve omvang van de staten waarvan de leden de nationaliteit bezitten. In een Unie met 28 leden en met ten hoogste twintig commissarissen zou geen enkele nationaliteit binnen de Commissie ontbreken gedurende twee opeenvolgende mandaten. Elk land zou een commissaris bij de samenstelling van 5 op 7 colleges kunnen voorstellen. Optie 2. De Commissie bestaat uit één lid uit elke lidstaat en haar structuur wordt grondig gewijzigd om haar doeltreffendheid te waarborgen In het verslag van het Voorzitterschap van de Europese Raad van Helsinki wordt ervan uitgegaan dat een Commissie die één onderdaan van elke lidstaat zou tellen, "de beste garantie voor haar legitimiteit" zou zijn. Het is immers ontegensprekelijk zo dat de aanwezigheid binnen het college van een persoonlijkheid uit elke lidstaat de dialoog met de burgers van de Unie vergemakkelijkt en de rol die de Commissie in het kader van de Europese integratie speelt, ongetwijfeld zou verduidelijken. Een en ander mag er evenwel niet toe leiden dat de Commissie, evenals de Raad, een vertegenwoordigingssysteem van de lidstaten zou zijn. Indien de conferentie voor deze optie kiest, moet tegelijkertijd een belangrijke herstructurering van de Commissie plaatsvinden. Bepaalde formules werden naar voren gebracht tijdens de vorige intergouvernementele conferentie. Ondanks de talrijke varianten ervan vertonen deze formules gemeenschappelijke punten, en alle hebben zij grote gevolgen voor de collegiale functionering van de Commissie. In dit geval moeten worden overwogen: - een aanzienlijke uitbreiding van de bevoegdheden van de Voorzitter om portefeuilles en diensten al dan niet aan de leden van de Commissie toe te vertrouwen. Hieruit vloeit voort dat bepaalde commissarissen eventueel slechts nauwkeurig omschreven opdrachten zouden hebben. Deze keuze zou door de Voorzitter moeten worden gemaakt; - de mogelijkheid dat commissarissen het optreden van bepaalde collega's coördineren en leiden die onder hun gezag zouden vallen; de meest logische oplossing zou erin bestaan dat in het verdrag hiertoe specifieke bevoegdheden worden verleend aan de vice-voorzitters die talrijker zouden kunnen zijn dan momenteel in het verdrag is bepaald; - een uitgebreide bevoegdheid inzake beleidsoriëntatie voor de Voorzitter. Deze zou dan een doorslaggevende stem bij de beraadslagingen van de Commissie hebben naast de bevoegdheid om zich te verzetten tegen initiatieven die hij onwenselijk zou achten, alsook de competentie om de leden van de Commissie af te zetten ; - nieuwe regels die de commissarissen de mogelijkheid bieden namens de Commissie of op eigen verantwoordelijkheid beslissingen te nemen inzake lopend beheer. Deze herstructureringen blijken in alle opzichten onontbeerlijk, zowel om het verwateringseffect door de toeneming van het aantal commissarissen te verhinderen, als om te bewerkstelligen dat een Commissie die op dezelfde wijze als de Raad is samengesteld, een afzonderlijke rol behoudt door haar vermogen om het algemeen belang van het uitgebreide Europa op de voorgrond te plaatsen en te bevorderen. De Commissie stelt aan de conferentie voor: - de samenstelling van de Commissie te herzien door de vaststelling van het aantal commissarissen op ofwel 20, met een in het Verdrag geïnstitutionaliseerd toerbeurtsysteem waarbij de strikte gelijkheid tussen de lidstaten wordt geëerbiedigd, of één commissaris per lidstaat, met maatregelen waarbij de Commissie grondig wordt gereorganiseerd; - de momenteel door elke commissaris aangegane verbintenis te formaliseren om ontslag te nemen wanneer de Voorzitter daarom verzoekt. 5. Het gerechtelijk systeem van de Unie a. Het Hof van Justitie en het Gerecht van eerste aanleg Het Hof van Justitie is een essentiële instelling in de Unie: het moet de eerbiediging van het recht bij de uitlegging en toepassing van het Verdrag verzekeren (art. 220 van het EG-Verdrag). Om de uitbreiding voor te bereiden, doch ook om de huidige werkoverlast van de rechtscolleges van de Gemeenschap te verhelpen, acht de Commissie het nodig dat de Conferentie de samenstelling en de functionering van het Hof van Justitie en het Gerecht van eerste aanleg onderzoekt. Zoals blijkt uit de door de rechtscolleges van de Gemeenschap samengestelde statistieken, zijn de termijnen die het Hof van Justitie en het Gerecht van eerste aanleg nodig hebben om een oordeel te vellen, immers te lang ondanks de inspanningen die door beide instellingen worden geleverd; deze hebben immers op dit gebied de grenzen van hun capaciteit bereikt: zeker in verband met de uitbreiding zijn zij helemaal niet in staat binnen redelijke termijnen het hoofd te bieden aan de toegenomen werklast. Deze situatie is zorgwekkend in een rechts-Gemeenschap, en zulks slechts tien jaar nadat het Gerecht met zijn werkzaamheden is begonnen, en aan de vooravond van de komende uitbreiding. Zoals blijkt uit het studiedocument van het Hof van Justitie en het Gerecht van eerste aanleg inzake de toekomst van het rechtsstelsel dat op 10 mei 1999 werd gepubliceerd met het oog op de intergouvernementele conferentie, moet worden opgemerkt dat de constante overbelasting van de rechtscolleges van de Gemeenschap overduidelijk is toegenomen sinds het Verdrag van Amsterdam. Deze rechtscolleges moeten immers de nieuwe en gespecialiseerde bevoegdheden uitoefenen die zij hebben gekregen of zullen krijgen krachtens de verdragen. De conclusie is derhalve snel getrokken: de in het begin voor zes lidstaten ontworpen structuren moeten eventueel grondig worden herzien om beide rechtscolleges de mogelijkheid te bieden al hun taken ten volle uit te voeren. Hiertoe zal rekening moeten worden gehouden met bepaalde parameters, met name de noodzaak een doeltreffende rechtsbescherming te garanderen, de kwaliteit en de samenhang van de jurisprudentie te handhaven en de eerbiediging hiervan op het gehele grondgebied van de Unie te waarborgen. Om te kunnen uitgaan van een deskundig en onafhankelijk advies inzake deze kwesties van de toekomst van de rechtspleging van de Gemeenschap, heeft de Commissie een studiegroep, voorgezeten door de heer Ole Due, gewezen Voorzitter van het Hof van Justitie, de taak opgedragen de verschillende opties te inventariseren die het mogelijk zouden kunnen maken alle genoemde uitdagingen aan te nemen. Het verslag van deze groep, dat in nauwe samenwerking met het Hof van Justitie en het Gerecht van eerste aanleg wordt opgesteld, zal eind januari aan de Commissie worden voorgelegd. Op basis hiervan zal de Commissie later een specifieke bijdrage over het onderwerp voorleggen. Het zal nodig zijn de huidige bevoegdheden van het Hof in bepaalde gevallen te herzien, met name om dit in staat te stellen op te treden bij beroep betreffende de afgifte van communautaire bewijzen van intellectuele eigendom met volle rechtsmacht in geschillen met betrekking tot deze soorten recht. b. Bescherming van de financiële belangen van de Gemeenschap De Commissie is ervan overtuigd dat het voor de Gemeenschap dringend noodzakelijk is zich te voorzien van de middelen die echt doeltreffend zijn voor de bestrijding van fraude en de behartiging van de financiële belangen van de Gemeenschap. De oprichting van het OLAF betekent zeker een grote vooruitgang voor het onderzoek naar inbreuken. Maar voor de strafrechtelijke vervolging ervan is samenwerking met vijftien rechtsordes vereist die verschillende materiële en procedurele regels toepassen. Fraude is immers uiteraard dikwijls grensoverschrijdend. De nationale politiële en justitiële autoriteiten kunnen evenwel slechts op het nationale grondgebied optreden; bovendien blijven de klassieke methoden voor rechtsbijstand en samenwerking tussen de politiediensten log en zijn zij vaak niet aangepast met het oog op een doeltreffende bestrijding van grensoverschrijdende fraude. Uit ervaring blijkt het voorts hoe moeilijk het is administratief onderzoek, waar zulks noodzakelijk blijkt, op het gebied van strafrechtelijke vervolging tot een goed einde te brengen. De Commissie suggereert derhalve de huidige bepalingen met een rechtsgrond aan te vullen met het oog op de invoering van een stelsel van regels inzake: - de inbreuken en de opgelopen straffen; - de procedurevoorschriften voor de vervolging van deze inbreuken; - voorschriften betreffende de bevoegdheden en de taken van een Europees officier van justitie belast met het onderzoeken op het gehele Europese grondgebied van gevallen van fraude en de vervolging ervan bij de nationale rechtbanken. Aldus zouden de nationale rechters als rechters op het gebied van het Gemeenschapsrecht op deze bijzondere categorie inbreuken dezelfde regels als die van de nationale rechtsorde toepassen, zoals zij momenteel reeds de regels van het Gemeenschapsrecht op alle gebieden van het EG-Verdrag toepassen. De Commissie stelt de conferentie voor: - de huidige bepalingen betreffende de bescherming van de financiële belangen van de Gemeenschap aan te vullen door een rechtsgrond waardoor de functie van Europees officier van justitie wordt ingesteld en de goedkeuring van regels inzake strafrechtelijke vervolging van grensoverschrijdende fraude mogelijk wordt. 6. De Rekenkamer De Rekenkamer is opgericht bij het Verdrag van 22 juli 1975 houdende wijziging van een aantal financiële bepalingen en controleert de rekeningen van de Europese Gemeenschappen en van bepaalde door de Gemeenschap opgerichte organen. Zij onderzoekt tevens de regelmatigheid en de wettigheid van de ontvangsten en uitgaven en ziet toe op het goede financiële beheer. Aangezien de begroting van de Gemeenschappen wordt uitgevoerd door de Commissie (artikel 274 EG), bestaat de rol van de Rekenkamer hoofdzakelijk in het uitoefenen van controle op de activiteiten van de Commissie. De taak van de leden van de Rekenkamer bestaat in het leidinggeven aan de controleactiviteiten van de personeelsleden van deze instelling, het opstellen van het jaarlijkse en speciale verslagen en het uitbrengen van adviezen aan de andere instellingen. Deze verslagen en adviezen worden bij meerderheid van stemmen van de leden aangenomen. De leden van de Rekenkamer moeten hun ambt volkomen onafhankelijk uitoefenen en mogen bij de vervulling van hun taken instructies van welke regering dan ook vragen noch aanvaarden. De Rekenkamer telt op het ogenblik vijftien leden. Deze worden benoemd voor zes jaar, en hun ambtstermijn kan worden verlengd. Hoewel het Verdrag niet voorschrijft dat de Rekenkamer een onderdaan van elk van de lidstaten omvat, is dit in de praktijk steeds het geval geweest. Bijgevolg is, zonder dat een diepgaande evaluatie is uitgevoerd van haar taken en behoeften, het aantal leden van de Rekenkamer bij iedere nieuwe toetreding gestegen. De Commissie is van oordeel dat thans met deze gewoonte dient te worden gebroken om de doelmatigheid van deze instelling te behouden. Ook al stijgt de begroting van de Gemeenschappen met iedere fase van de uitbreiding, daaruit vloeit geen dienovereenkomstige uitbreiding van het aantal te verrichten controles en op te stellen verslagen voort. De Commissie acht een verhoging van het aantal leden van de Rekenkamer niet noodzakelijk. Gezien de aard van de taken van de leden van de Rekenkamer zou hun aantal namelijk moeten worden gestabiliseerd of zelfs verminderd, aangezien er geen doorslaggevende argumenten zijn voor de benoeming van een onderdaan van elke lidstaat. De Commissie is van mening dat het aantal leden van de Rekenkamer op twaalf zou kunnen worden vastgesteld. De Commissie stelt voor de leden van de Rekenkamer aan te wijzen op basis van een roulatiesysteem, dat alleen kan werken indien zij niet herbenoembaar zijn. De Commissie stelt de conferentie voor : - het aantal leden van de Rekenkamer op twaalf vast te stellen; - te bepalen dat hun ambtstermijn zes jaar bedraagt en dat zij niet herbenoembaar zijn. 7. Het Economisch en Sociaal Comité Het Economisch en Sociaal Comité is opgericht bij het EEG-Verdrag teneinde de verschillende categorieën economische en sociale belangen te betrekken bij de verwezenlijking van de interne markt. Het Economisch en Sociaal Comité brengt adviezen uit aan de andere instellingen wanneer het Verdrag daarin voorziet, met name in het kader van de wetgevingsprocedure. Het kan zich in andere gevallen ook uitspreken op verzoek van de andere instellingen en op eigen initiatief. Oorspronkelijk had het Economisch en Sociaal Comité tot taak de raadgevende functie van de parlementaire assemblee van de Gemeenschap, die toentertijd bestond uit afgevaardigden van de nationale parlementen, aan te vullen. De huidige toestand is uiteraard geheel verschillend, met een bij rechtstreekse algemene verkiezingen aangewezen Europees Parlement dat beschikt over ruime bevoegdheden als medewetgever. In verband hiermee en gezien de evolutie van de Unie beveelt de Commissie de conferentie aan de taken van het Comité opnieuw te onderzoeken en de samenstelling ervan aan te passen op grond van zijn taken. Het Economisch en Sociaal Comité zou bijvoorbeeld een grotere rol kunnen spelen als kader voor overleg tussen de sociale en economische partners. De Commissie is van mening dat het Comité representatiever zou moeten zijn voor de verschillende componenten van de samenleving van de Europese Unie als geheel en met het oog op de verschillende geografische aspecten ervan. Dit veronderstelt een bezinning op de vertegenwoordiging van de burgerlijke samenleving en op de wijze waarop in deze zin de vertegenwoordiging per categorie zoals bedoeld in het Verdrag (artikel 257) kan worden vervolledigd. Daarbij zou tevens aandacht moeten worden besteed aan de aanwijzing van vertegenwoordigers door de lidstaten. Het aldus hervormde Economisch en Sociaal Comité zou als bemiddelende instantie kunnen fungeren ten aanzien van de burgerlijke samenleving. De taken van het comité op het gebied van wetgevingsadviezen zouden moeten worden herzien en de bepalingen van het Verdrag aangepast teneinde het aan het comité zelf over te laten uit te maken of er aanleiding is advies uit te brengen betreffende de voorstellen. De mogelijkheid dat de Europese instellingen het Comité om advies verzoeken zou blijven bestaan. Op het ogenblik bestaat het Comité uit 222 leden, die voor vier jaar worden benoemd. Zij zijn herbenoembaar. De zetels zijn verdeeld onder de lidstaten (tussen de 6 en 24 leden per staat). Een extrapolatie van het aantal leden op basis van de huidige zetelverdeling zou, in de veronderstelling dat de Unie 28 lidstaten zou tellen, een Economisch en Sociaal Comité opleveren van ca. 370 leden. De Commissie is van mening dat het totale aantal leden van het Comité dient te worden vastgesteld op een niveau waarbij het doeltreffend kan blijven functioneren, hetgeen veronderstelt dat het aantal leden ervan rond het huidige niveau wordt gestabiliseerd. De Commissie stelt de conferentie voor : - het Economisch en Sociaal Comité representatiever te maken voor de burgerlijke samenleving van de Europese Unie ; - derhalve de uitsluitende zetelverdeling per lidstaat en per sector van het economische en sociale leven opnieuw te onderzoeken ; - het aan het Comité over te laten te evalueren of er aanleiding bestaat advies uit te brengen over wetgevingsvoorstellen ; - het aantal leden van het Comité te stabiliseren rond het huidige niveau. 8. Het Comité van de regio's Het Comité van de regio's is een comité van raadgevende aard bestaande uit vertegenwoordigers van de regionale en lokale lichamen. Het is in het leven geroepen bij het Verdrag van Maastricht en bestaat op het ogenblik uit 222 leden. Het Comité van de regio's heeft tot taak op Europees niveau de belangen van de regionale en lokale gemeenschappen tot uitdrukking te brengen en de Europese integratie tussen de regio's te bevorderen. In de uitgebreide Unie zal de samenwerking tussen regio's belangrijker worden en zal meer belang worden gehecht aan de evaluatie van het effect van de voorgestelde rechtsvoorschriften op regionaal niveau. De raadgevende rol van het Comité van de regio's blijft dus zeer actueel. In tegenstelling tot het Economisch en Sociaal Comité blijft de zetelverdeling per lidstaat voor het Comité van de regio's een passende manier om de vertegenwoordiging van de regionale en lokale overheden van de lidstaten te verzekeren. Het zou wenselijk zijn dat de leden van het Comité aan deze lichamen gebonden blijven door een politiek mandaat. Er dient echter aandacht te worden besteed aan de verdeling van de zetels per lidstaat, waarbij op het ogenblik onvoldoende rekening wordt gehouden met de omvang en het bevolkingsaantal van de betrokken regio's. Een extrapolatie van het thans gehanteerde systeem zou in een Unie met 28 leden leiden tot een Comité van de regio's met ongeveer 370 leden, waarvan slechts 142 voor de zeven landen met het grootste bevolkingsaantal, die meer dan 70 % van de bevolking van de Unie vertegenwoordigen. Het zou wenselijk zijn om, zonder de huidige doelmatigheid van dit comité te verminderen, te voorzien in een verdeling per lidstaat die representatiever is voor de respectieve bevolkingen en in een evenwichtige aanwezigheid van de regionale en lokale gemeenschappen van de huidige en toekomstige lidstaten. De Commissie is van mening dat de samenstelling van het Comité van de regio's op dezelfde leest geschoeid zou moeten zijn als die van het Europees Parlement, dat wil zeggen een maximaal aantal leden en een verdeling per lidstaat die representatiever is voor de respectieve bevolkingsaantallen. In het advies van het Comité van de regio's van 15 en 16 september 1999 [5] is sprake van een aantal leden van het Comité van de regio's dat gelijk is aan een derde of de helft van het aantal in elke lidstaat gekozen leden van het Europees Parlement. Aangezien de leden van het Comité van de regio's plaatsvervangers hebben, is de Commissie van oordeel dat het aantal leden van het Comité van de regio's niet meer dient te bedragen dan een derde van het aantal parlementsleden (d.w.z. een limiet van 233 leden). [5] Advies 52/99 - advies betreffende de territoriale rechtsgemeenschappen in het hart van Europa De Commissie stelt de conferentie voor : - het aantal leden van het Comité van de regio's te beperken tot een derde van het aantal Europese parlementsleden ; - ten aanzien van de lidstaten een zelfde verdeelsleutel te hanteren als die welke voor het Parlement wordt gebruikt. Hoofdstuk 2. Een doelmatig besluitvormingsproces 9. Inleiding De uitbreiding zal niet alleen gevolgen hebben voor de werking en de samenstelling van de instellingen, maar ook voor het besluitvormingsproces van de Unie. Op dit moment al ontbeert het besluitvormingsproces van de EU soms doelmatigheid. De huidige bepalingen zijn het resultaat van de achtereenvolgende wijzigingen van de Verdragen, maar zijn niet altijd zeer coherent. Er is ongetwijfeld een rationalisering nodig. Een daarop gerichte inspanning is op dit moment al noodzakelijk, maar nog meer in het perspectief van de uitbreiding. Het nemen van besluiten in een Unie met 28 lidstaten is iets heel anders dan in een Unie met vijftien lidstaten. Het is onvermijdelijk dat de Unie minder homogeen zal zijn; de economische, culturele en politieke verschillen tussen de lidstaten zullen groter zijn dan ooit tevoren in de geschiedenis van de Europese integratie. Het is dan ook absoluut noodzakelijk de doelmatigheid van het besluitvormingsproces, dat het de Unie mogelijk heeft gemaakt zich te ontwikkelen tot wat ze nu is, te handhaven. Dat wil zeggen een proces dat garandeert dat de besluiten van de Unie de weerspiegeling zijn van de politieke wil van de vertegenwoordigers van een ruime meerderheid van de burgers van de Unie, waarbij evenwel, voor de meeste beleidsterreinen, geen eenparigheidsverplichting geldt; een proces met andere woorden dat legitimiteit koppelt aan een bepaalde mate van flexibiliteit. Indien de Unie in de toekomst minder doelmatig en minder slagvaardig zou worden, komt het integratieproces tot stilstand. De nieuwe lidstaten zouden zijn toegetreden tot een Unie die niet in staat is te handelen en die het gevaar zou lopen op termijn te worden vervangen door andere vormen van integratie, teneinde het gebrek aan daadkracht van een slecht op de uitbreiding voorbereide structuur te omzeilen. Daarom zal het besluitvormingsproces herzien moeten worden, en wel in het bijzonder de modaliteiten voor het nemen van besluiten in de Raad, uit het oogpunt van betreft de legitimiteit van zijn besluiten en het vermogen tot actie van de Unie. Voor het Europees Parlement zal de uitbreiding naar verwachting in dit opzicht geen gevolgen hebben. Dit betekent dat de unanimiteitsregel alleen toegepast moet worden wanneer zwaarwegende en duurzame redenen dit rechtvaardigen, en dat de samenhang in de besluitvormingsprocedures moet worden versterkt. Ook moet de legitimiteit van de besluiten die met gekwalificeerde meerderheid worden genomen, worden versterkt, om te garanderen dat ze werkelijk representatief zijn voor het relatieve evenwicht tussen de lidstaten. Tot slot moeten de bepalingen inzake de versterkte samenwerkingen operationeler worden gemaakt, teneinde, binnen het institutionele kader van de Unie, bepaalde lidstaten in staat te stellen verder te gaan dan het gemeenschappelijke niveau van integratie. 10. Minder gebruik maken van stemming met eenparigheid Op dit moment is voor verreweg de meeste besluiten die aan de Raad worden voorgelegd een gekwalificeerde meerderheid van lidstaten vereist. Desalniettemin, en ondanks de wijzigingen die door de Europese Akte, het Verdrag van Maastricht en het Verdrag van Amsterdam aan de Verdragen zijn aangebracht, moet een relatief groot aantal besluiten door de Raad met eenparigheid worden genomen, soms zelfs in combinatie met een medebeslissingsprocedure. Met uitzondering uiteraard van de gevallen waarin de Raad met eenvoudige meerderheid beslist, stelt de Commissie de conferentie voor het aantal uitzonderingen (waar eenparigheid is vereist) te beperken, om aldus te bevestigen dat de gekwalificeerde meerderheid de algemene regel is voor het nemen van besluiten in de Raad. De toepassing van deze regel is van essentieel belang. Wanneer eenparigheid is vereist, neemt het risico van een blokkering exponentieel met het aantal en de verscheidenheid van de deelnemers toe. Voor een besluit met gekwalificeerde meerderheid is op dit moment de instemming van ten minste 8 tot 12 lidstaten nodig. De opeenvolgende uitbreidingen van de Unie hebben het toepassingsgebied van de gekwalificeerde meerderheidsstemming geleidelijk uitgebreid. Deze positieve ontwikkeling heeft echter nooit een logisch stramien gevolgd. Zo ook bij het opstellen van het Verdrag betreffende de Europese Unie en het Verdrag van Amsterdam. In Amsterdam heeft het Nederlandse voorzitterschap geprobeerd logische criteria in te voeren, maar het debat ontwikkelde zich al snel in de richting van een benadering per geval. Het resultaat is niet volledig coherent en met name ook niet aangepast aan de behoeften van een slagvaardige Unie. Tijdens de volgende conferentie moeten er in ieder geval eenvoudige en duidelijke criteria uitgewerkt worden die het mogelijk maken te opereren op basis van grote categorieën van besluiten en niet van geval tot geval. Het verslag van het voorzitterschap aan de Europese Raad van Helsinki heeft wat dit betreft de weg aangegeven. Voor het afbakenen van deze categorieën stelt de Commissie voor uit te gaan van het beginsel dat de gekwalificeerde meerderheid, behoudens die gevallen waarin de Raad besluit bij eenvoudige meerderheid, de regel moet zijn en eenparigheid de uitzondering [6]. Er zal dus bekeken moeten worden voor welke categoriën van besluiten zwaarwegende en duurzame redenen de handhaving van eenparigheid rechtvaardigen; in de wetenschap dat eenparigheid in het uitgebreide Europa tot een zeer moeizaam besluitvormingsproces zal leiden en, voor bepaalde beleidsterreinen, het einde van enig serieus vooruitzicht op verdieping van de Europese integratie zou kunnen betekenen. [6] De Commissie sluit overigens niet uit dat in bepaalde gevallen en als overgangsmaatregel een vorm van versterkte gekwalificeerde meerderheid zou kunnen gelden. De Commissie heeft de onderstaande vijf categoriën van bepalingen onderscheiden waarbij zwaarwegende en duurzame redenen rechtvaardigen dat er een uitzondering wordt gemaakt op de algemene regel van de gekwalificeerde meerderheid. Een lijst van bepalingen van het EG-Verdrag [7] die op basis van deze criteria bij eenparigheid genomen zouden blijven worden, staat in bijlage 1 bij dit advies. De lijst van bepalingen van het EG-Verdrag die dientengevolge voortaan een stemming van de Raad bij gekwalificeerde meerderheid zouden vereisen, staat ter indicatie in bijlage 2. [7] In dit stadium heeft de Commissie haar studie beperkt tot het EG-Verdrag. Bijlage 1 en 2 van dit advies omvatten dus niet de rechtsgronden van het Verdrag betreffende de Europese Unie, noch die genoemd in het EGKS-Verdrag en het Euratom-Verdrag, of andere besluiten van primair recht (toetredingsbesluiten, protocollen). De Commissie is voornemens de conferentie in een later stadium voorstellen te doen voor de andere teksten van het primair recht. (i) Besluiten van de Raad die door de lidstaten overeenkomstig hun grondwettelijke bepalingen moeten worden aangenomen In een klein aantal bepalingen is vastgelegd dat de Raad met eenparigheid beslist en de goedkeuring door de lidstaten overeenkomstig hun onderscheiden grondwettelijke bepalingen aanbeveelt. Deze besluiten treden pas in werking na hun goedkeuring door de parlementen van de lidstaten. Het lijkt dienstig om ervoor te zorgen dat op communautair niveau tussen de regeringen van de lidstaten overeenstemming over een dergelijk besluit bestaat alvorens tot de nationale ratificaties ervan over te gaan. Artikel 269 EG-Verdrag, betreffende het stelsel van eigen middelen, is een voorbeeld van een dergelijk artikel. (ii) Essentiële institutionele besluiten en besluiten met invloed op het institutionele evenwicht Bepaalde fundamentele regels betreffende de organisatie en de werking van de instellingen, in het bijzonder de regels die de grondslag van het institutionele evenwicht vormen, worden, wanneer ze niet expliciet zijn opgenomen in de Verdragen, door de Raad met eenparigheid van stemmen vastgesteld. Dit zijn ongetwijfeld bepalingen waarbij de handhaving van de eenparigheidsregel gerechtvaardigd kan zijn. Dit is bijvoorbeeld het geval bij artikel 290 EG-Verdrag met betrekking tot de regeling van het taalgebruik door de instellingen en artikel 202 EG-Verdrag met betrekking tot de uitoefening door de Commissie van de uitvoeringsbevoegdheden (comitologie). Een andere voor het institutionele evenwicht essentiële bepaling is artikel 250, lid 1, EG-Verdrag, dat bepaalt dat de Raad een besluit dat van een voorstel van de Commissie afwijkt slechts met eenparigheid van stemmen kan nemen [8]. [8] Omdat het strikt genomen niet om een rechtsgrond gaat, staat artikel 250 EG-Verdrag niet in bijlage 1. (iii) Besluiten op het gebied van de belastingen en de sociale zekerheid, die geen verband houden met de goede werking van de interne markt Omdat ze de fundamentele doelstellingen van de nationale wetgever op het vlak van het economisch en het sociaal beleid en de solidariteit weerspiegelen, zijn de belastingen en de sociale zekerheid in sterke mate bepalend voor de politieke keuzes van de burgers op nationaal niveau. Dit rechtvaardigt in het algemeen de handhaving van de eenparigheidsvereiste voor de besluiten van de Raad op deze beleidsterreinen. De Commissie stelt dus geen algemene uitbreiding van de stemming bij gekwalificeerde meerderheid voor. Bepaalde aspecten van deze twee beleidsterreinen zijn echter onlosmakelijk verbonden met de goede werking van de interne markt, en in het bijzonder de uitoefening van de vier fundamentele vrijheden (vrij verkeer van goederen, personen, diensten en kapitaal). Door onvoldoende vooruitgang op het vlak van het "acquis communautaire" ondervindt de werking van de interne markt nog grote problemen, zoals met name blijkt uit de rechtspraak van het Hof van Justitie, dat al een aantal malen heeft bepaald dat nationale maatregelen die de uitoefening van de vrijheden van de interne markt ten onrechte beperken, onverenigbaar zijn met het Verdrag. Voor de burgers is het onbevredigend een proces te moeten aanspannen om erkenning af te dwingen van de uit de Verdragen voortvloeiende rechten. Voor de lidstaten is het niet wenselijk dat het communautair recht op dit terrein zich van geval tot geval ontwikkelt door de jurisprudentie van het Hof van Justitie, in plaats van via een politiek proces. Er bestaat behoefte aan een gemeenschappelijke aanpak voor het wegnemen van dergelijke obstakels voor de goede werking van de interne markt, meer in het bijzonder wanneer deze tot discriminatie, dubbele belastingheffing of belastingontduiking leiden. De noodzaak van efficiëntie leidt bij deze fiscale vraagstukken onvermijdelijk tot besluitvorming bij gekwalificeerde meerderheid, voorzover dit nodig is voor de goede werking van de interne markt. Het doel is dus niet te komen tot een algehele harmonisatie van de nationale stelsels, grondslagen en tarieven, die overigens onverenigbaar zou zijn met het subsidiariteitsbeginsel. De stemming bij gekwalificeerde meerderheid zou bovendien moeten worden toegepast na de totstandkoming van de harmonisatie van de wetgeving, teneinde de bestaande regelgeving te vereenvoudigen en te moderniseren en een meer uniforme toepassing te garanderen. Dit betreft in het bijzonder het gemeenschappelijk BTW-stelsel en het stelsel voor het in de handel brengen van en de controles op producten waarop accijnzen worden geheven. De Commissie stelt voor om dezelfde aanpak te volgen bij de sociale zekerheid, ten aanzien waarvan een harmonisatie van de nationale wetgevingen reeds enkele decennia bestaat (Verordening 1408/71). Met het oog op de efficiëntie zou over de bijwerking van deze verordening bij gekwalificeerde meerderheid moeten worden beslist. Tot slot hecht de Commissie groot belang aan de bestrijding van fraude. Fraude is door de afschaffing van de fiscale grenzen voor goederen en de liberalisering van het kapitaalverkeer sterk toegenomen. De stemming bij gekwalificeerde meerderheid zou dientengevolge ook moeten worden toegepast op de maatregelen die gericht zijn op het voorkomen van belastingontduiking en belastingfraude. De benadering die de Commissie aanbeveelt, betekent dat de desbetreffende bepalingen nauwkeurig bestudeerd en hergeformuleerd moeten worden, teneinde vast te stellen welke besluiten uit hoofde van deze bepalingen bij gekwalificeerde meerderheid, respectievelijk eenparigheid genomen moeten worden. De Commissie zal in een later stadium gedetailleerde voorstellen doen ten aanzien van dit onderwerp. (iv) Parallellisme tussen interne en externe besluiten Artikel 300 EG-Verdrag bepaalt dat er parallellisme moet zijn tussen de meerderheidsregel die voor de interne rechtsgronden geldt en de besluitvormingsprocedure voor het sluiten van internationale akkoorden. Indien de interne rechtsgrond bepaalt dat de besluiten ten aanzien van het desbetreffende gebied met eenparigheid van stemmen worden genomen, sluit de Raad eveneens met eenparigheid van stemmen de akkoorden op het desbetreffende gebied. De Commissie is van mening dat het gerechtvaardigd is dit evenwicht te handhaven. Het strikt handhaven van dit parallellisme lijkt echter niet nodig wanneer bij de internationale akkoorden de goedkeuring van aanvullende toepassingsregels nodig is. Dit geldt bijvoorbeeld voor de in het kader van de ACS-EEG-Overeenkomst gesloten samenwerkingsakkoorden, waarvoor een vereenvoudiging van het besluitvormingsproces voor de interne goedkeuring van de procedureregels wenselijk zou zijn. (v) Derogaties van de gemeenschappelijke regels van het Verdrag De regels van het Verdrag gelden voor alle instellingen en alle lidstaten, evenals het op basis van deze regels ontwikkelde "acquis communautaire'. De derogaties van dit acquis, waarin het Verdrag in bepaalde zeer uitzonderlijke gevallen voorziet, zijn een stap terug ten opzichte van de doelstellingen van de Unie. De Commissie is van mening dat het gerechtvaardigd is deze uitzonderingen, zoals de mogelijkheid voor de Raad om, uit hoofde van artikel 88 EG-Verdrag, te besluiten dat een door een staat genomen steunmaatregel die in beginsel niet verenigbaar is met het Verdrag als verenigbaar met de interne markt dient te worden beschouwd, ook in het vervolg onder de besluiten te laten vallen waarbij de Raad met eenparigheid stemt. De Commissie stelt de conferentie het volgende voor: - als algemene regel overeen te komen dat besluiten met gekwalificeerde meerderheid worden genomen; - vast te stellen voor welke categorieën van bepalingen geldt dat zwaarwegende en duurzame redenen de handhaving van de stemming bij eenparigheid rechtvaardigen, bij wijze van uitzondering op de algemene regel van de gekwalificeerde meerderheid. 11. Besluitvormingsprocedures De in het vorige hoofdstuk voorgestelde wijzigingen moeten gepaard gaan met een omvattende analyse van de besluitvormingsprocedures. Doel is een einde te maken aan een aantal anomalieën in het Verdrag. Wil de Unie ook na de uitbreiding goed functioneren, dan is het uiterst belangrijk dat de bepalingen die aan de verschillende communautaire beleidsterreinen ten grondslag liggen samenhang vertonen. Voor de Europese burgers is het van essentieel belang dat de besluitvorming in de Unie eenvoudig, logisch en bijgevolg begrijpelijk is. Bij de analyse van de besluitvormingsprocedures moet aandacht worden besteed aan de koppeling van de besluitvorming bij gekwalificeerde meerderheid aan de medebeslissingsprocedure, de afschaffing van de samenwerkingsprocedure en de betrokkenheid van het Europees Parlement bij een aantal in het Verdrag vastgestelde beleidsterreinen. a. De koppeling van de besluitvorming bij gekwalificeerde meerderheid aan de medebeslissingsprocedure bij het nemen van wetgevingsbesluiten Het feit dat het Europees Parlement, samen met de Raad, over wetgevende bevoegdheden beschikt, verleent aan het optreden van de Gemeenschap een democratischer karakter [9]. Bij het nemen van wetgevingsbesluiten vormt de medebeslissingsprocedure in veel opzichten een noodzakelijke aanvulling op de besluitvorming bij gekwalificeerde meerderheid. Inherent aan deze procedure is immers dat lidstaten overstemd kunnen worden. Overeenkomstig het Verdrag van Maastricht en het Verdrag van Amsterdam worden de meeste wetgevingsbesluiten daarom tegenwoordig tegelijkertijd met gekwalificeerde meerderheid en volgens de medebeslissingsprocedure genomen. Om een einde te maken aan een aantal anomalieën en de besluitvormingsprocedures meer samenhang te verlenen, dient in twee richtingen te worden gewerkt. [9] Verslag van de Commissie over de werkingssfeer van de medebeslissingsprocedure, overeenkomstig artikel 189 B, lid 8, van het Verdrag ( SEC(96) 1225 van 3 juli 1996). In de eerste plaats bevat het Verdrag nog steeds vier bepalingen (de artikelen 18, 42, 47 en 151 van het EG-Verdrag) waarin tegelijkertijd sprake is van de medebeslissingsprocedure en van besluitvorming bij eenparigheid van stemmen. Door de besluitvorming bij gekwalificeerde meerderheid tot algemene regel te maken, wordt aan deze toestand een einde gemaakt en krijgt de medebeslissingsprocedure opnieuw zin. In de tweede plaats moeten bij gekwalificeerde meerderheid genomen wetgevingsbesluiten aan de medebeslissingsprocedure worden gekoppeld. Een dergelijke koppeling zal ertoe leiden dat de werkingssfeer van de medebeslissingsprocedure wordt uitgebreid. Het Parlement zal dan, om redenen van doelmatigheid, interne procedures met vaste termijnen moeten invoeren, om snelle wetgevende besluitvorming te verzekeren. Verder zal het begrip "wetgevingsbesluit" gepreciseerd moeten worden. Kort samengevat kunnen wetgevingsbesluiten omschreven worden als algemene, rechtstreeks op de verdragsbepalingen gebaseerde normen die de grondbeginselen of algemene richtsnoeren van alle communautaire maatregelen bepalen en vastleggen welke essentiële elementen uitgevoerd moeten worden. De voor het opstellen van artikel 37 in de bijlage gekozen oplossing zou een uitgangspunt kunnen zijn voor deze overdenkingen, waaraan de Commissie tijdens de conferentie zal bijdragen. De bestaande verdragsbepalingen zouden systematisch onderzocht moeten worden. De uitbreiding van de werkingssfeer van de medebeslissingsprocedure zal met name gevolgen hebben voor bepaalde aspecten van de gemeenschappelijke handelspolitiek en het gemeenschappelijk landbouwbeleid en visserijbeleid. Omdat de algemene regels van de handelspolitiek (bijvoorbeeld de basisverordeningen ter bestrijding van dumping en subsidies, de reglementering inzake de bestrijding van handelsbelemmeringen en de verordeningen met betrekking tot de algemene in- en uitvoerregelingen) van wetgevende aard zijn, moeten zij volgens de medebeslissingsprocedure worden vastgesteld. Hetzelfde geldt voor de wetgevende aspecten van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en het gemeenschappelijk visserijbeleid. Zoals zij reeds naar aanleiding van de vorige intergouvernementele conferentie te kennen heeft gegeven, is de Commissie van mening dat de overgrote meerderheid van de maatregelen op dit terrein een zuiver beherend karakter hebben en niet tot het wetgevingsterrein behoren. De medebeslissingsprocedure zou daarentegen wel moeten worden toegepast op een aantal besluiten die van fundamenteel belang zijn voor de vaststelling en de koers van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en het gemeenschappelijk visserijbeleid [10]. [10] Verslag van de Commissie over de werkingssfeer van de medebeslissingsprocedure, overeenkomstig artikel 189 B, lid 8, van het Verdrag (SEC(96) 1225 van 3 juli 1996), blz. 12. Indien de besluitvorming bij gekwalificeerde meerderheid in de toekomst de algemene regel wordt, moet worden nagegaan of de bepalingen waarvoor eenparigheid van stemmen geldt, op grond van hun wetgevend karakter een medebeslissingsprocedure vereisen. In bijlage 2 (rubriek A) geeft de Commissie aan welke bepalingen hiervoor in aanmerking zouden kunnen komen. Artikel 67, lid 2, van het EG-Verdrag mag in dit verband niet onvermeld blijven. Dit artikel bepaalt dat de Raad vijf jaar na de inwerkingtreding van het Verdrag van Amsterdam (m.a.w. vanaf 1 mei 2004) met eenparigheid van stemmen kan besluiten de werkingssfeer van de medebeslissingsprocedure uit te breiden tot alle of een aantal gebieden die onder titel IV van het Verdrag vallen. De Commissie stelt niet voor deze periode van vijf jaar te verkorten. Echter, door algemene toepassing van de gekwalificeerde meerderheid en de koppeling aan de medebeslissingsprocedure voor aangelegenheden van wetgevende aard ligt het in de lijn der verwachting dat besluiten in verband met alle onder titel IV vallende gebieden automatisch volgens de medebeslissingsprocedure zullen worden genomen. b. Uitbreiding van de werkingssfeer van artikel 133 tot alle diensten, tot investeringen en tot de intellectuele eigendom Op grond van artikel 133, lid 5, van het EG-Verdrag kan de Raad met eenparigheid van stemmen de mechanismen van de gemeenschappelijke handelspolitiek uitbreiden tot internationale onderhandelingen en overeenkomsten betreffende diensten en intellectuele eigendom. De Commissie is van oordeel dat deze bepaling niet is aangepast aan het vooruitzicht van een verdubbeling van het aantal lidstaten. Door de besluitvorming bij gekwalificeerde meerderheid tot algemene regel te verheffen, zou dit deel van artikel 133 gedeeltelijk worden gewijzigd, maar de ingewikkelde en vage besluitvormingsprocedure zou in wezen onveranderd blijven. De Commissie beveelt aan om in plaats daarvan de werkingssfeer van artikel 133 grondig te wijzigen en uit te breiden tot diensten, investeringen en intellectuele eigendom. Met het oog hierop zou artikel 133 EG geherformuleerd moeten worden. c. Afschaffing van de samenwerkingsprocedure De Commissie is van oordeel dat de samenwerkingsprocedure (artikel 252 EG) - die als voorloper van de medebeslissingsprocedure fungeerde - moet worden afgeschaft. Krachtens het Verdrag van Amsterdam is de samenwerkingsprocedure in heel het EG-Verdrag vervangen door de medebeslissingsprocedure, behalve in een aantal bepalingen in verband met de Economische en Monetaire Unie (artikel 99, lid 5; artikel 102, lid 2; artikel 103, lid 2; en artikel 106, lid 2, van het EG-Verdrag). Het onderscheid tussen de bepalingen in verband met de EMU en de overige bepalingen van het EG-Verdrag hoeft niet langer gehandhaafd te worden. Bovendien zal de afschaffing van de samenwerkingsprocedure de leesbaarheid en de helderheid van de Verdragen ten goede komen. De werkingssfeer van de medebeslissingsprocedure zou moeten worden uitgebreid tot alle bepalingen op grond waarvan wetgevingsbesluiten kunnen worden genomen. De conferentie zou de Europese Centrale Bank moeten raadplegen over alle institutionele wijzigingen op monetair terrein. d. Bevoegdheden van het Europees Parlement Gaat het niet om kwesties van wetgevende aard, dan kan het Parlement op verschillende manieren aan de besluitvorming deelnemen (tot de instemmingsprocedure toe). Een aantal verdragsbepalingen in verband met de uitvoering van communautaire beleidsmaatregelen kent aan het Parlement echter geen enkele rol toe. De Commissie vindt dat hierin verandering moet komen en dat het Parlement met name bij het sluiten van handelsakkoorden een rol moet spelen. Door de werkingssfeer van de medebeslissingsprocedure uit te breiden tot wetgevingsbesluiten inzake de gemeenschappelijke handelspolitiek wordt de raadplegingsprocedure van artikel 300, derde alinea, van het EG-Verdrag uitgebreid tot handelsakkoorden met een of meer staten of internationale organisaties. Dit is de enige uitzondering op de regel die stelt dat het Europees Parlement geraadpleegd moet worden vooraleer internationale akkoorden worden gesloten. Het lijkt overigens noodzakelijk te verzekeren dat overeenkomsten met belangrijke gevolgen voor economie en handel op mondiaal niveau alleen na instemming van het Parlement kunnen worden gesloten. Wil het Europees Parlement deze rol met kennis van zaken vervullen, dan moet het op gezette tijden worden geïnformeerd over het verloop van de onderhandelingen over akkoorden tussen de Gemeenschap en een of meer staten of internationale organisaties. Hiertoe zal artikel 133, lid 3, van het Verdrag moeten worden aangepast. De Commissie stelt de conferentie voor: - bij alle wetgevingsbesluiten de besluitvorming bij gekwalificeerde meerderheid aan de medebeslissingsprocedure te koppelen; - de werkingssfeer van artikel 133 uit te breiden tot alle diensten, investeringen en de intellectuele eigendom; - de samenwerkingsprocedure af te schaffen; - vast te leggen dat het Europees Parlement dient te worden geraadpleegd alvorens handelsakkoorden tussen de Gemeenschap en een of meer staten of internationale organisaties worden gesloten, en dat een positief advies vereist is voordat akkoorden met belangrijke gevolgen voor economie en handel op mondiaal niveau worden gesloten. 12. Het bepalen van de gekwalificeerde meerderheid in de Raad a. Het huidige systeem en de ontwikkeling ervan De Raad vertegenwoordigt de democratisch verkozen regeringen van de lidstaten, die verantwoording schuldig zijn aan de nationale parlementen. Artikel 205 van het EG-Verdrag bepaalt dat, voor zover niet anders is bepaald, de Raad zijn besluiten met volstrekte meerderheid van stemmen van zijn leden neemt. De auteurs van de Verdragen hebben echter vanaf het begin rekening gehouden met het feit dat het demografisch gewicht van de lidstaten sterk uiteenliep. Het systeem van gekwalificeerde meerderheid op basis van een differentiëring van de lidstaten is ingevoerd om het risico van verlamming, dat inherent is aan besluitvorming bij eenparigheid van stemmen, te voorkomen en de democratische representativiteit van de besluiten van de Raad te versterken. De auteurs van het Verdrag hebben geopteerd voor een procedure waarbij de stemmen worden gewogen op basis van het bevolkingscijfer van de verschillende lidstaten. Om met het eigen karakter van elk land rekening te kunnen houden, worden de in demografisch opzicht kleinste lidstaten bij de weging van de stemmen sterk bevoordeeld. De drempel voor het vormen van een gekwalificeerde meerderheid, d.w.z. het minimumpercentage van de stemmen dat voor het nemen van een besluit vereist is, ligt tussen de gewone meerderheid van stemmen en de eenparigheid van stemmen. Tot nu toe bedroeg de drempel steeds iets meer dan 70%. Bij de opeenvolgende uitbreidingen is het oorspronkelijke evenwicht grotendeels bewaard gebleven, behalve wat de democratische representativiteit van bij gekwalificeerde meerderheid genomen besluiten betreft [11]. [11] Ontwikkeling van de gekwalificeerde meerderheid in termen van het aantal stemmen en in termen van de representativiteit van de bevolking tussen 1958 en 1995 Om een besluit bij gekwalificeerde meerderheid te kunnen nemen, moet het de steun krijgen van een groep lidstaten die een grote meerderheid van de bevolking vertegenwoordigt. Door de opeenvolgende toetredingen van negen nieuwe lidstaten is de oorspronkelijk gewilde onbalans echter groter geworden ten nadele van de in demografisch opzicht grootste lidstaten: het minimumpercentage van de bevolking dat voor het vormen van een gekwalificeerde meerderheid vereist is, is van 67% (zes lidstaten) of zelfs 70% (negen en tien lidstaten) tot 58% (vijftien lidstaten) gedaald. De weging van de stemmen heeft er trouwens toe geleid dat steeds minstens de helft van de lidstaten nodig is om een gekwalificeerde meerderheid te vormen. Bij het nemen van een besluit bij gekwalificeerde meerderheid kan in de Raad een blokkerende minderheid worden gevormd door drie van de in demografisch opzicht grootste lidstaten of door een groep in demografisch opzicht kleine lidstaten die (sinds 1973) samen 12 à 13% van de totale bevolking vertegenwoordigen. Uit een extrapolatie (zie tabel in bijlage 3) blijkt dat als het huidige systeem voor de weging van de stemmen van de leden van de Raad behouden blijft, de meeste parameters relatief stabiel blijven, met bij elke uitbreiding een regelmatige daling van de representativiteit qua bevolking van een bij gekwalificeerde meerderheid goedgekeurd besluit. Wanneer de Unie 28 lidstaten zal hebben en de gekwalificeerde meerderheid wordt vastgesteld op 102 stemmen op 144 (70,83%), dan kan een besluit in het uiterste geval bij gekwalificeerde meerderheid worden goedgekeurd door een combinatie van staten die slechts 51,35% van de totale bevolking van de Unie vertegenwoordigt. In een Unie met 27 lidstaten [12] en met een gekwalificeerde meerderheid van 95 stemmen op 134 (70,90%) wordt dat 50,20%. Met een drempel van 94 stemmen op 134 (70,15%) zou een besluit bij gekwalificeerde meerderheid kunnen worden goedgekeurd door een combinatie van lidstaten die slechts 46,41% van de bevolking van de Unie vertegenwoordigt. Weliswaar is in deze extreme en waarschijnlijk theoretische gevallen de goedkeuring van 23 lidstaten op 27 of 28 nodig. Toch toont deze vermindering van de representativiteit qua bevolking aan wat het rekenkundige gevolg van een uitbreiding is indien het huidige systeem voor de weging en de berekening van de gekwalificeerde meerderheid ongewijzigd blijft. Dat komt doordat slechts drie van de dertien kandidaat-lidstaten een grotere bevolking hebben dan het gemiddelde van de huidige lidstaten. [12] met alle landen waarmee toetredingsonderhandelingen zijn begonnen of begin 2000 zullen beginnen. b. Het behoud van de legitimiteit van de besluiten van de Raad in een uitgebreide Unie Om de gevolgen van de uitbreiding te compenseren, moet een eenvoudig systeem worden uitgewerkt dat representatiever is voor het relatieve gewicht van de lidstaten. Optie 1. Een herweging van de stemmen van de lidstaten Indien de weging van de stemmen van de lidstaten ongewijzigd blijft, dan zal de toetreding van dertien nieuwe landen, waarvan slechts drie een groter aantal inwoners hebben dan het gemiddelde van de huidige lidstaten, bij elke uitbreiding zorgen voor een toename van de wanverhouding tussen de grootste lidstaten en de andere die geleidelijk duidelijk is geworden. Daarom wordt de herweging van de stemmen uitdrukkelijk vermeld in het Protocol betreffende de instellingen in het vooruitzicht van uitbreiding van de Europese Unie dat bij het Verdrag van Amsterdam is gevoegd. Twee parameters dienen nader te worden bestudeerd: het aantal stemmen dat aan elk lid van de Raad wordt toegekend en de drempel, dat wil zeggen het minimale aantal stemmen uitgedrukt in procent van het totale aantal stemmen, dat voor een besluit is vereist. Om deze parameters vast te stellen moeten twee doelen voor ogen worden gehouden: enerzijds de besluitvorming niet moeilijker maken en anderzijds ervoor zorgen dat de gekwalificeerde meerderheid van de lidstaten een percentage van de totale bevolking van de Unie vertegenwoordigt dat de oorspronkelijke evenwichten benadert. Om de besluitvorming niet moeilijker te maken moet de drempel definitief in het verdrag worden vastgelegd, zo nodig op een lager niveau dan het huidige van om en bij de 71%. Zo zal bij elke toetreding enkel een besluit moeten worden genomen over de vastelling van de andere parameter, namelijk het aantal stemmen van het toetredende land. Om de gekwalificeerde meerderheid opnieuw representatief te maken en de oorspronkelijke evenwichten te herstellen, moet het relatieve gewicht van de stem van de lidstaten met de grootste bevolking worden verhoogd. De herweging moet ervoor zorgen dat een gekwalificeerde meerderheid ten minste twee derde van de bevolking van de Unie vertegenwoordigt. Er dient echter op te worden gewezen dat een dergelijke herweging tot gevolg zou hebben dat een beslissing bij gekwalificeerde meerderheid niet langer ten minste de helft van het totale aantal lidstaten vertegenwoordigt, zoals nu het geval is. Het kan dan ook wenselijk zijn om in het Verdrag vast te leggen dat een besluit alleen bij gekwalificeerde meerderheid kan worden genomen indien deze uit ten minste de helft van de lidstaten bestaat. Dat zou neerkomen op een vastlegging in het Verdrag van wat sedert de eerste verdragen het rekenkundige gevolg van de weging van de stemmen was. Optie 2. Dubbele gewone meerderheid De Commissie erkent dat de weging van de stemmen bepaalde voordelen heeft, maar wijst erop dat dit systeem voor de burger moeilijk te begrijpen is. Daarom zou het beter zijn om in het Verdrag zelf duidelijk en definitief vast te leggen hoe een besluit van de Raad tot stand komt, in het kader van het streven naar leesbaarheid en eenvoud en met het oog op de democratische legitimiteit van de besluiten van de Raad. De Commissie stelt voor om te bepalen dat een bij gekwalificeerde meerderheid te nemen besluit is aangenomen wanneer: - het een gewone meerderheid van stemmen van de lidstaten verkrijgt [13]; [13] De Commissie is echter van mening dat de regel van artikel 205, lid 2, tweede alinea van het EG-verdrag, die bepaalt dat een besluit waarvoor een gekwalificeerde meerderheid is vereist, de goedkeuring van twee derde van de lidstaten moet verkrijgen indien het niet op voorstel van de Commissie wordt genomen, moet worden behouden. - deze een meerderheid van de totale bevolking van de Unie vertegenwoordigt. Een dergelijke herziening van het begrip gekwalificeerde meerderheid zou blijk geven van transparantie ten opzichte van de Europese burgers. Deze dubbele meerderheid verschilt volledig van sommige andere voorstellen die door de vorige intergouvernementele conferentie zijn onderzocht en volgens welke de gekwalificeerde meerderheid zowel een gekwalificeerde meerderheid van de Europese bevolking als een gekwalificeerde meerderheid van het aantal uitgebrachte stemmen zou moeten vertegenwoordigen. De Commissie is van mening dat deze voorstellen in tegenspraak zijn met de algemene doelstelling van eenvoud en transparantie, en dat zij bovendien de besluitvorming veel ingewikkelder en moeilijker zouden maken. De dubbele gewone meerderheid zorgt ervoor dat rechtstreeks rekening wordt gehouden met het relatieve gewicht qua bevolking van de lidstaten, wat in het voordeel van de landen met de grootste bevolking werkt. Dat gewicht blijft per definitie behouden bij de opeenvolgende uitbreidingen van de Unie. De verplichting om ten minste de helft van de lidstaten te vertegenwoordigen, voorkomt dat enkele grote lidstaten een besluit goedkeuren tegen een meerderheid van kleine lidstaten in. Deze laatste voorwaarde plaatst alle lidstaten op voet van gelijkheid, ongeacht hun demografische gewicht. De praktische problemen in verband met de dubbele gewone meerderheid betreffen vooral de concrete berekening van de gekwalificeerde meerderheid. De in aanmerking te nemen bevolkingscijfers moeten worden vastgesteld: welk referentiejaar, hoe vaak worden de cijfers opnieuw berekend- De dubbele gewone meerderheid heeft echter het voordeel eenvoudig en doorzichtig te zijn. Bovendien zou het stelsel niet bij elke uitbreiding moeten worden aangepast. De Commissie stelt de conferentie het volgende voor: - Zonder te willen ontkennen dat een systeem van herweging van de stemmen waarbij een gekwalificeerde meerderheid ongeveer twee derde van de bevolking van de Unie en 70% van het totale aantal stemmen zou vertegenwoordigen, evenwel zonder dat een minderheid van lidstaten een besluit kan doorzetten, bepaalde voordelen heeft, beveelt de Commissie aan om in het Verdrag te bepalen dat voor een met een gekwalificeerde meerderheid te nemen besluit een eenvoudige meerderheid van lidstaten, die tezamen een meerderheid van de bevolking van de Unie vertegenwoordigen, nodig is. 13. Vormen van nauwere samenwerking Het Verdrag van Amsterdam heeft in de verdragen algemene bepalingen ingevoerd die de lidstaten in staat stellen om onder bepaalde voorwaarden onderling een nauwere samenwerking aan te gaan door gebruik te maken van de in de verdragen vastgelegde instellingen, procedures en regelingen (artikelen 43 tot 45 en 40 van het Verdrag betreffende de Europese Unie en artikel 11 van het EG-Verdrag). De nauwere samenwerking bestaat niet op het gebied van het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid, waar wel een "constructieve onthouding" mogelijk is (artikel 23, lid 1, tweede alinea van het VEU). De volgende uitbreiding is van die aard dat deze nieuwe bepalingen zo operationeel mogelijk moeten worden gemaakt. Het meer heterogene karakter van de uitgebreide Unie zal de wil van sommigen om het institutionele kader van de Unie te gebruiken om nauwer samen te werken, normaal gezien niet in de weg staan. De Commissie beveelt niet aan om de in artikel 11, lid 1, van het EG-verdrag en artikel 43, lid 1, van het Verdrag betreffende de Europese Unie vastgelegde essentiële voorwaarden te wijzigen. Voor de Commissie is het van wezenlijk belang dat het "acquis communautaire" en de gemeenschappelijke basis voor het tot nu toe met vijftien lidstaten ontwikkelde communautaire beleid bij de uitbreiding behouden blijven. De bepalingen over nauwere samenwerking zijn niet bedoeld om door de huidige lidstaten te worden toegepast om de verplichtingen van de toekomstige lidstaten te verlichten. In sommige sectoren zullen ongetwijfeld overgangsperiodes nodig zijn om de nieuwe lidstaten in staat te stellen het acquis van de Unie volledig toe te passen. Ten aanzien van de inhoud van dit "acquis" en de noodzaak om deze convergentie te voltooien, kunnen echter geen concessies worden gedaan. Dat is precies de inzet van het uitbreidingsproces. De Commissie stelt daarentegen voor om twee wijzigingen aan te brengen in de formele voorwaarden die de verdragen momenteel stellen voor het aangaan van een nauwere samenwerking. Na de uitbreiding kan de behoefte aan nauwere samenwerking toenemen en er moet voor worden gezorgd dat landen die onderling nauwer willen samenwerken, dat niet buiten het institutionele kader van de verdragen doen, zoals sommige van hen hebben gedaan met de overeenkomst van Schengen, toen het Verdrag nog geen andere mogelijkheid bood. Het eerste voorstel betreft het minimale aantal lidstaten dat nodig is om binnen het institutionele kader van de Unie een nauwere samenwerking aan te gaan. Nu bepaalt het Verdrag dat bij een nauwere samenwerking een meerderheid van lidstaten betrokken moet zijn (artikel 43, lid 1), op het ogenblik dus minimaal acht. De Commissie is van mening dat na de uitbreiding een drempel van een derde van het aantal lidstaten bepaald zou moeten worden. De essentiële voorwaarden voor het overgaan tot nauwere samenwerking zijn immers voldoende strikt om een wildgroei van dergelijke initiatieven en een risico op een overdreven versnippering van de Unie te voorkomen - om deze nauwere samenwerking tot stand te brengen is trouwens de goedkeuring van een gekwalificeerde meerderheid van lidstaten nodig. De tweede wijziging houdt in dat de mogelijkheid wordt afgeschaft dat een lidstaat om een unaniem besluit van de Europese Raad vraagt wanneer hij zich verzet tegen het besluit van een gekwalificeerde meerderheid van lidstaten om een nauwere samenwerking toe te laten. In de uitgebreide Unie zou dit vetorecht een overdreven obstakel zijn voor het toch onontbeerlijke gebruik van de regeling voor nauwere samenwerking. Naast deze twee wijzigingen stelt de Commissie ook voor dat het Verdrag het in de toekomst mogelijk moet maken een versterkte samenwerking inzake buitenlands en veiligheidsbeleid tot stand te brengen. Ook daar moet het minimale aantal lidstaten worden vastgesteld op een derde van het totaal en moeten de nodige essentiële voorwaarden worden vastgesteld opdat deze samenwerking in nader omschreven omstandigheden plaatsvindt en geen afbreuk doet aan de integratie die op dat gebied al is bereikt. De Commissie stelt de conferentie voor: - de mogelijkheid voor een lidstaat om de toelating voor een nauwere samenwerking aan de Europese Raad voor te leggen voor een unaniem besluit af te schaffen (schrapping van de tweede alinea van artikel 11, lid 2, van het EG-verdrag en schrapping van de tweede alinea van alinea van artikel 40, lid 2 van het EU-verdrag); - het minimale aantal lidstaten dat vereist is om een nauwere samenwerking aan te gaan in het kader van het Verdrag vast te stellen op een derde van het totale aantal lidstaten; - in de mogelijkheid te voorzien om onder bepaalde voorwaarden nauwere samenwerking inzake het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid tot stand te brengen. BESLUIT De Unie moet haar wijze van functioneren verbeteren. Ook moet zij de nodige maatregelen treffen om de uitdaging van de uitbreiding aan te nemen. Door een werkelijke diepgaande hervorming van haar instellingen moet zij tonen dat zij de politieke wil heeft om haar verantwoordelijkheden op te nemen met het oog op de toetreding van nieuwe lidstaten. De versnelling van de historische gebeurtenissen en de nieuwe verbintenissen die onlangs ten aanzien van de kandidaat-lidstaten werden aangegaan, maken een diepgaande en duurzame aanpassing van de institutionele architectuur van de Unie nodig. De institutionele structuur die uit deze intergouvernementele conferentie en uit de aan de gang zijnde werkzaamheden voor de herziening van de functionering van de Instellingen zal voortvloeien, moet voldoende stevig zijn om verlamming van het optreden van de Gemeenschap te voorkomen en moet tevens voldoende flexibel zijn om verder te kunnen gaan op de weg van de Europese integratie. Waartoe de conferentie zal besluiten, zal het kader zijn van het politieke Europa van morgen. Geloven dat voor de grote institutionele hervormingen nog een latere conferentie nodig zal zijn, is een gevaarlijke illusie waartegen de Commissie zich verzet. Een tweede conferentie zou het risico inhouden dat de uitbreiding die door de hervorming moet worden voorbereid, wordt vertraagd. Het ligt in de bedoeling dat deze conferentie aan het einde van het jaar 2000 wordt beëindigd. De werkzaamheden ervan mogen niet worden afgesloten zonder dat alle problemen zijn opgelost. Wij moeten tot resultaten komen, want de geloofwaardigheid van de Unie staat hierbij op het spel. Wij zijn dit ook verplicht ten aanzien van de Europese burgers, die hun vertrouwen stellen in deze Europese ruimte van vrede en solidariteit die zij wensen te delen en beter te begrijpen. De hervorming waartoe de conferentie gaat beslissen, is derhalve een geschikte gelegenheid voor een werkelijke dialoog met de burger. De Europese instellingen en vooral de lidstaten moeten die dialoog aangaan. De Commissie zal alle middelen inschakelen die nodig zijn voor een echt debat over de institutionele hervorming en de toekomst van Europa. De Europese Raad van Helsinki heeft aangegeven hoe het Europees Parlement nauw en concreet bij de werkzaamheden van de conferentie kan worden betrokken. De Commissie wenst dat op basis hiervan het overleg met de Voorzitster en de vertegenwoordigers van het Europees Parlement gedurende de hele onderhandelingen zo open en zo constructief mogelijk zal verlopen. In deze geest van samenwerking en aandacht zal zij de voorstellen van het Europees Parlement in ontvangst nemen. In dezelfde geest zal de Commissie haar bijdrage leveren om de nationale parlementen de nodige opheldering te verschaffen en met deze in dialoog te treden. De komende hervorming moet vooral dienen om de structuren van het uitgebreide Europa te versterken. Overeenkomstig de conclusies van de Europese Raad van Helsinki zullen binnen de bestaande structuren regelmatige gedachtenwisselingen met de kandidaat-lidstaten plaatsvinden. De landen van de Europese Economische Ruimte zullen ook op de hoogte worden gehouden omtrent de ontwikkeling van de beraadslagingen. Ontwerpartikelen Artikelen van het EG-Verdrag Het Europees Parlement 189, 190 De Commissie 215, 213, 217, 219 De Rekenkamer 247 Het Economisch en Sociaal Comité 257, 258, 259, 262 Het Comité van de regio's 263 Besluitvormingsprocedures 37, 67, 133, 300 Nauwere samenwerking 43 VEU, 40 VEU, 11 1.1.1. HET EUROPEES PARLEMENT >RUIMTE VOOR DE TABEL> DE COMMISSIE >RUIMTE VOOR DE TABEL> Samenstelling van de Commissie - Optie 1 >RUIMTE VOOR DE TABEL> Samenstelling van de Commissie - Optie 2 >RUIMTE VOOR DE TABEL> DE REKENKAMER >RUIMTE VOOR DE TABEL> HET ECONOMISCH EN SOCIAAL COMITE >RUIMTE VOOR DE TABEL> HET COMITE VAN DE REGIO'S >RUIMTE VOOR DE TABEL> BESLUITVORMINGSPROCEDURES >RUIMTE VOOR DE TABEL> NAUWERE SAMENWERKING >RUIMTE VOOR DE TABEL> Bijlage 1 Lijst van bepalingen waarvoor - in afwijking van het beginsel van de gekwalificeerde meerderheid van stemmen - eenparigheid vereist zou blijven 1) Besluiten van de Raad die door de lidstaten overeenkomstig hun constitutionele regels moeten worden overgenomen. - aanvullende rechten voor de Europese burgers (art. 22, EG) - eenvormige verkiezingsprocedure voor het Europees Parlement (art. 190, lid 4, EG) - bepalingen betreffende het stelsel van de eigen middelen (art. 269, EG) 2) Institutionele besluiten die essentieel zijn of die van invloed zijn op het institutioneel evenwicht [14] [14] De besluiten betreffende de wijziging van het aantal leden van de Commissie (art. 231, lid 1, EG) en de niet-vervanging van een lid van de Commissie (art. 215, tweede alinea, EG) moeten worden herzien in het kader van de regels betreffende de samenstelling van de Commissie. - aanpassing van de bevoegdheden van het Hof in de ruimte van vrijheid, veiligheid en rechtvaardigheid (art. 67, lid 2, EG) - maatregelen en communautaire financiële bijstand bij ernstige moeilijkheden (art. 100, lid 1, en gedeeltelijk lid 2) - bepalingen ter vervanging van het protocol inzake buitensporige tekorten (art. 104, lid 14) - wijziging protocol statuten ESCB (art. 107, lid 5, EG) - vaststelling vervangingskoers van een nationale munteenheid in euro (art. 123, lid 5, EG) - vaststelling van beginselen en regels inzake de toekenning van de uitvoeringsbevoegdheden (art. 202, EG) - verhoging aantal rechters van het Hof van Justitie en het aantal advocaten-generaal (art. 221 en 222, EG)(**) - samenstelling van het Gerecht van eerste aanleg (art. 225, lid 2, EG)(**) - vaststelling van de categorieën beroepen bij het Gerecht van eerste aanleg (art. 225, lid 2, EG) - wijziging titel III van het statuut van het Hof van Justitie (art. 245, tweede alinea, EG)(**) - goedkeuring van het reglement voor de procesvoering van het Hof en het Gerecht (art. 245, derde alinea, en 225, lid 4, EG)(**) - regeling van het taalgebruik door de instellingen (art. 290, EG) - nemen van maatregelen om een doelstelling van de Gemeenschap te verwezenlijken zonder dat het Verdrag in de daartoe vereiste bevoegdheden voorziet (art. 308, EG) 3) Besluiten inzake belastingen en sociale zekerheid die niet samenhangen met de goede functionering van de binnenmarkt - harmonisatie van wetgevingen inzake belasting (nieuwe formulering van de art. 93 en 95, EG) - harmonisatie van de wetgeving op het gebied van de sociale zekerheid (nieuwe formulering van art. 137, lid 3, eerste streepje, EG) 4) Parallellisme tussen interne en externe besluiten - overeenkomsten inzake wisselkoersen euro/niet-Gemeenschapsvaluta's (art. 111, lid 1, EG) - associatie van de landen en gebieden overzee (art. 187, EG) - sluiting van akkoorden waarvoor op intern vlak eenparigheid van stemmen vereist is (art. 300, lid 2, EG) - associatieakkoorden (art. 300, lid 2, en 310, EG) 5) Afwijkingen van de gemeenschappelijke regels van het Verdrag - invoering van beperkingen op het kapitaalverkeer met derde landen (art. 57, lid 2, EG) - afwijking van de "standstill"-clausule inzake vervoer (art. 72, EG) - verenigbaarheid van steun met de gemeenschappelijke markt (art. 88, lid 2, EG) Bijlage 2 Gevolgen van de toepassing van het beginsel van de gekwalificeerde meerderheid Rechtsgronden waarvoor de Raad voortaan met gekwalificeerde meerderheid van stemmen besluiten zou nemen A. maatregelen van wetgevende aard (te besluiten volgens de medebeslissingsprocedure) [15] [15] Artikel 94 EG zal na de nieuwe formulering van de artikelen op belastinggebied kunnen worden geschrapt omdat het nog slechts voor belastingharmonisatie wordt gebruikt (de beide andere uitzonderingen op de toepassing van artikel 95 EG die in lid 2 van dit artikel zijn bedoeld, te weten het vrije verkeer van personen en de rechten en belangen van werknemers, vallen onder andere bepalingen van het Verdrag). - maatregelen tegen discriminatie op grond van geslacht, ras, etnische afstamming, enz. (art. 13, EG) - vergemakkelijking van het recht te reizen en te verblijven (art. 18, EG), reeds volgens medebeslissingsprocedure - coördinatie van de wetgevingen inzake sociale zekerheid van de werknemers (art. 42, EG), reeds volgens medebeslissingsprocedure [16] [16] Deze bepaling zou anders moeten worden geformuleerd om niet alleen alle migrerende werknemers te bestrijken doch ook alle Europese burgers die gebruik maken van hun recht om binnen de Unie te reizen en te verblijven. - toegang tot en uitoefening van werkzaamheden anders dan in loondienst, wijziging van bestaande wetgevingsbeginselen (art. 47, lid 2, EG), reeds volgens medebeslissingsprocedure - maatregelen om de ruimte van vrijheid, veiligheid en rechtvaardigheid in te voeren (art. 67, EG) nieuwe formulering van het artikel om, na de overgangsperiode van vijf jaar, de medebeslissingsprocedure automatisch toe te passen op de algemene regels van wetgevende aard op alle gebieden van titel IV - beginselen van het vervoerbestel waarvan de toepassing de levensstandaard in bepaalde streken alsook het gebruik van het vervoerapparaat zou kunnen aantasten (art. 71, lid 2, EG) - maatregelen op het gebied van het sociaal beleid (art. 137, lid 3, en 139, lid 2, EG), behoudens nieuwe formulering van de bepalingen inzake sociale zekerheid - sommige bepalingen op gebied van het milieubeleid (art. 175, lid 2, EG) - structuurfondsen en cohesiefonds (art. 161, EG) en andere specifieke maatregelen voor de economische en sociale samenhang (art. 159, derde alinea, EG) - financieel reglement (art. 279, EG) B. Overige maatregelen - uitbreiding van het toepassingsgebied van de gemeenschappelijke handelspolitiek tot alle diensten, investeringen en rechten op intellectuele eigendom (art. 133, EG), nieuwe formulering van het artikel om de gekwalificeerde meerderheid van stemmen rechtstreeks op deze gebieden toe te passen, en om de medebeslissingsprocedure op de unilaterale algemene regels van wetgevende aard op het gebied van de handelspolitiek toe te passen - cultuur (art. 151, EG), reeds gedeeltelijk volgens medebeslissingsprocedure - industriebeleid (art. 157, EG) - oorlogsmateriaal (art. 296, EG) C. Institutionele bepalingen - kiesrecht verkiezingen voor het Europees Parlement en gemeenteraadsverkiezingen (art. 19, EG) - de ECB specifieke taken opdragen op het gebied van het bedrijfseconomisch toezicht (art. 105, lid 6, EG) - externe vertegenwoordiging in het kader van de EMU (art. 111, lid 4) - maatregelen die nodig zijn voor de invoering van de euro (art. 123, lid 4, EG) - de Commissie belasten met taken op het gebied van het sociaal beleid (art. 144, EG) - goedkeuring van het statuut van de leden van het Europees Parlement (art. 190, lid 5, EG) - vaststelling van de toerbeurt voor het voorzitterschap van de Raad (art. 203, EG) - benoeming secretaris-generaal en plaatsvervangend secretaris-generaal van de Raad (art. 207, lid 2, EG) - benoeming leden Rekenkamer (art. 247, lid 3, EG) - benoeming leden Economisch en sociaal comité (art. 258, EG) - benoeming leden Comité van de regio's (art. 263, EG) D. Bepalingen die een gedeeltelijke nieuwe formulering zullen vereisen om een onderscheid te maken tussen wat tot het terrein van de gekwalificeerde meerderheid zou behoren, en datgene wat voor eenparigheid van stemmen zou overblijven - harmonisatie van bepaalde wetgevingen inzake belasting (nieuwe formulering van de art. 93 en 95, EG - maatregelen op het gebied van de sociale zekerheid (nieuwe formulering van art. 137, lid 3, eerste streepje, EG) Bijlage 3 Extrapolatie van het huidige stelsel voor de samenstelling van het Europees Parlement en de Commissie en voor de weging van de stemmen in de Raad Extrapolatie van het huidige stelsel voor de samenstelling van het Europees Parlement en de Commissie en voor de weging van de stemmen in de Raad >RUIMTE VOOR DE TABEL> Statistische opmerking: Gegevens: Eurostat 1999 behalve Malta (gegevens 1998) en Turkije (nationale bron - IMF) - Schatting: Duitsland, Verenigd Koninkrijk en Turkije - Voorlopig: Frankrijk en Ierland. Waarschuwing: 1. Deze tabel dient alleen ter illustratie en is in geen enkel opzicht bindend voor de Commissie. 2. Voor een juist begrip van deze cijfers dient men te bedenken dat de huidige bevolkingscijfers van de lidstaten verschillen van die op het moment dat de beslissingen over het aantal zetels in het Parlement en het aantal stemmen in de Raad werden genomen.