51999SC1931

Mededeling van de Commissie aan het Europese Parlement overeenkomstig artikel 251, lid 2, tweede alinea van het EG-verdrag over het Gemeenschappelijk standpunt van de Raad betreffende: gewijzigd voorstel voor een verordening van de Raad inzake een herzien commu nautair systeem voor de toekenning van milieukeuren /* SEC/99/1931 def. - COD 96/0312 */


MEDEDELING VAN DE COMMISSIE AAN HET EUROPEES PARLEMENT overeenkomstig artikel 251, lid 2, tweede alinea van het EG-verdrag over het Gemeenschappelijk standpunt van de Raad betreffende: gewijzigd voorstel voor een verordening van de Raad inzake een herzien commu nautair systeem voor de toekenning van milieukeuren

MEDEDELING VAN DE COMMISSIE AAN HET EUROPEES PARLEMENT over het Gemeenschappelijk standpunt van de Raad betreffende: gewijzigd voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad inzake een herzien commu nautair systeem voor de toekenning van milieukeuren

I. PROCEDUREKWESTIES

Het voorstel (COM(96) 603 - C4 - 0157/97 - 96/0312 (SYN)) is op 19 maart 1997 bij de Raad en op 8 april 1997 bij het Europees Parlement ingediend (in overeenstemming met de samenwerkingsprocedure van artikel 175 (1) (ex artikel 130 S, lid 1), van het Verdrag).

Het Europees Parlement heeft op 13 mei 1998 zijn standpunt gegeven en de afdeling Milieubescherming, volksgezondheid en consumentenzaken van het Economisch en Sociaal Comité heeft op 10 juli 1997 zijn advies gegeven. Het Comité van de Regio's heeft het voorstel op 13 juli 1997 ontvangen, maar heeft besloten geen advies uit te brengen.

Op basis van het advies van het Europees Parlement en in uitvoering van artikel 250 (2) (ex artikel 189 A, lid 2), van het Verdrag heeft de Commissie een gewijzigd voorstel aangenomen (COM(99) 21 def., PB C 64 van 6 maart 1999) dat op 18 januari 1999 bij de Raad is ingediend.

Op 11 november 1999 hebben de lidstaten, bijeen in de Raad, het gemeenschappelijk standpunt unaniem goedgekeurd.

II. DOEL VAN DE MEDEDELING

Het doel van het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad inzake een herzien communautair systeem voor de toekenning van milieukeuren is om de aard van het milieukeursysteem, de beginselen die eraan ten grondslag liggen en de methodologische aanpak te verduidelijken. Met name wordt aandacht besteed aan een verbetering en stroomlijning van de werking van het systeem.

III. OPMERKINGEN VAN DE COMMISSIE

1. Algemene opmerkingen

De Commissie heeft zeven van de tweeënveertig door het Europees Parlement in eerste lezing voorgestelde amendementen geheel, gedeeltelijk of in beginsel aanvaard. Zij werden verwerkt in het gewijzigd voorstel COM(99) 21 def. van 18 januari 1999.

Bedoelde amendementen zijn geheel, gedeeltelijk of in beginsel opgenomen in het gemeenschappelijk standpunt. Voorts zijn in het gemeenschappelijk standpunt ook de meeste niet door de Commissie overgenomen amendementen van het Europees Parlement verwerkt geworden. Deze amendementen hebben betrekking op essentiële bepalingen, zoals:

- de uitbreiding van de werkingssfeer van het EU-milieukeursysteem tot diensten;

- de invoering van twee kaders (logo plus informatief kader) voor de omschrijving van de milieukeur (in plaats van een gegradeerde milieukeur zoals oorspronkelijk door de Commissie voorgesteld).

- de oprichting van een Bureau voor de Milieukeur van de Europese Unie (BMEU), dat bestaat uit de bevoegde instanties en het raadplegingsforum, in plaats van een onafhankelijke instantie (de Europese milieukeurorganisatie EMO) zoals oorspronkelijk door de Commissie voorgesteld.

In het kader van het herschrijven van het voorstel is in bepaalde gevallen wel het beginsel van het amendement in het gemeenschappelijk standpunt verwerkt, maar niet de exacte formulering ervan.

Het gemeenschappelijk standpunt wijkt aanzienlijk af van het Commissievoorstel van 1996. De Commissie is evenwel van mening dat de oorspronkelijke doelstelling, namelijk de verbetering van de doeltreffendheid van het systeem, gehandhaafd blijft en zelfs wordt versterkt.

2. Gedetailleerde opmerkingen

2.1. (a) Door de Commissie aanvaarde en geheel of gedeeltelijk in het gemeenschappelijk standpunt verwerkte amendementen van het Europees Parlement

De nummering van de overwegingen en artikels is die van het gemeenschappelijk standpunt van de Raad.

- Overweging 5 omvat een verwijzing naar de rol van milieu-NGO's en consumentenorganisaties in de uitwerking en vaststelling van de criteria voor de toekenning van milieukeuren (amendement 2).

- Overweging 11 stelt dat in de diverse stadia van de totstandkoming van een milieukeur naar een hoog niveau van milieubescherming moet worden gestreefd (amendement 4).

- Overweging 12 stelt dat op het label meer gegevens moeten worden verstrekt over de redenen voor toekenning van de keur om de consumenten te helpen de betekenis van de milieukeur te begrijpen (amendement 10).

- Artikel 1, lid 1, omvat een verwijzing naar een hoog milieubeschermingsniveau (amendement 10).

- Artikel 2, lid 5, bepaalt nu dat de verordening niet geldt voor medische apparatuur (amendement 15). Om reikwijdte van deze bepaling te verduidelijken, wordt gesteld dat de verordening niet van toepassing is voor medische hulpmiddelen als bedoeld in Richtlijn 93/42/EEG van de Raad, die uit sluitend bedoeld zijn voor professioneel gebruik, en om voorgeschreven te worden door medisch personeel of onder hun toezicht te worden gebruikt.

- Artikel 4, lid 1, dat betrekking heeft op de criteria voor de milieukeur en de eisen inzake beoordeling en verificatie, omvat nu ook eisen voor de geschiktheid van het product om aan de behoeften van de consument te voldoen. Dit is dus in overeenstemming met het door het Europees Parlement in zijn amendement 13 te berde gebrachte punt, namelijk dat tevens rekening moet worden gehouden met de mate van technische betrouwbaarheid gerelateerd aan de kwaliteit van het product.

- Artikel 7 bepaalt dat de bevoegde instanties over ingrijpende wijzigingen van de kenmerken van de producten, die voor de naleving van de criteria geen gevolgen hebben, moeten worden geïnformeerd. Overeenkomstig amendement 18 moesten de bevoegde instanties worden geïnformeerd over alle wijzigingen van de kenmerken van de producten, die voor de naleving van de criteria geen gevolgen hebben.

2.2. (b) Door de Commissie geheel of gedeeltelijk in het gewijzigd voorstel verwerkte amendementen van het Europees Parlement die niet zijn overgenomen in het gemeenschappelijk standpunt

Alle door het Europees Parlement ingediende en door de Commissie geheel of gedeeltelijk aanvaarde amendementen zijn verwerkt in het gemeenschappelijk standpunt.

2.3. (c) Wijzigingen die de Raad heeft aangebracht aan het gewijzigd voorstel

Overwegingen

Overweging 3 vermeldt dat de planning van de verordening een belangrijk te verbeteren element is.

Overweging 5 erkent de belangrijke rol van milieu- en consumenten-NGO's in de uitwerking en vaststelling van milieukeurcriteria.

Overweging 7 geeft aan dat voor de toepassing van het voorstel producten ook diensten moeten omvatten, in lijn met het gemeenschappelijk standpunt, krachtens hetwelk het EU-milieukeursysteem wordt uitgebreid tot diensten (als voorgesteld door het Europees Parlement in amendement 3 en 14).

Bij overweging 11 wordt het begrip van efficiënt gebruik van hulpmiddelen in de diverse stadia van de totstandkoming van een milieukeur ingevoerd.

In overweging 12 is elke verwijzing naar de gegradeerde milieukeur geschrapt.

Overweging 13 weerspiegelt de wens van de beleidsmakers dat het milieukeursysteem op lange termijn in hoofdzaak zelffinancierend moet zijn zonder dat de financiële bijdragen van de lidstaten hoger mogen worden.

Overweging 14 heeft betrekking op de samenstelling van het Bureau voor de Milieukeur van de Europese Unie (BMEU), dat bestaat uit de bevoegde instanties en het raadplegingsforum.

In overweging 17 wordt uitdrukkelijk verwezen naar de instandhouding van de bestaande nationale milieukeursystemen. Er wordt onderstreept dat het noodzakelijk is die te coördineren met het communautaire systeem teneinde de gemeenschappelijke doelstellingen van duurzame consumptie, in lijn met het gemeenschappelijk standpunt, te bevorderen.

Artikel 1 - Doelstellingen en beginselen

Artikel 1 is gewijzigd teneinde zowel goederen als diensten onder de term "producten" te doen vallen. De Commissie merkt op dat zowel het Europees Parlement (amendement 3 en 14) als de Raad, met unanimiteit van stemmen, het eens zijn over de noodzaak van uitbreiding van het werkingsgebied van de milieukeurverordening tot diensten. Om die reden is de verwoording van de bepalingen van het gemeenschappelijk standpunt grondig aangepast, teneinde ervoor te zorgen dat de werkingssfeer van het EU-milieukeursysteem correct wordt uitgebreid tot diensten. Ook de indicatieve beoordelingstabel van bijlage I is gewijzigd om er diensten in op te nemen. Voorts is nu aangetoond dat er geen technische belemmeringen bestaan om de levenscyclusanalyse ook op diensten toe te passen, zoals voorzien in de internationale normen. Daarom maakt de Commissie geen bezwaar meer tegen de uitbreiding van het systeem tot diensten en is zij van mening dat dit een interessante ontwikkeling voor het EU-milieukeursysteem kan worden.

Overeenkomstig artikel 1, lid 1, van het gemeenschappelijk standpunt wordt het doel van het communautaire milieukeursysteem nagestreefd door advies en juiste, niet-misleidende en wetenschappelijk geschraagde informatie te leveren over dergelijke producten aan de consumenten, met inbegrip van professionele inkopers. De uitdrukkelijke verwijzing naar professionele inkopers is aanvaardbaar aangezien dit een methode kan zijn om de rol van deze inkopers bij de verspreiding van milieu vriendelijke producten op de markt te vergroten.

Overeenkomstig artikel 1, lid 4, moet bij de uitvoering van het systeem worden voldaan aan de bepalingen van de Verdragen, met inbegrip van het voorzorgsbeginsel, aan de op grond daarvan aangenomen regeling en aan het communautaire milieubeleid zoals neergelegd in het vijfde beleidsplan en actie programma inzake het milieu en duurzame ontwikkeling. Een dergelijke bepaling, die de doelstellingen van het systeem, alsmede de plaats daarvan in het geheel van het milieubeleid van de Gemeenschap, enigszins verduidelijkt, kan eveneens door de Commissie worden aanvaard.

Artikel 2 - Werkingssfeer

Artikel 2 van het gemeenschappelijk standpunt is gebaseerd op de bepalingen van artikel 4 van het oorspronkelijke voorstel van de Commissie.

Er is een definitie van productengroep opgenomen, om er goederen en diensten bij op te nemen die voor soortgelijke doeleinden gebruikt worden en wat gebruik betreft of vanuit consumentenoogpunt gelijkwaardig zijn. De Commissie aanvaardt dat een dergelijke definitie spoort met de uitbreiding van de werkingssfeer van het milieukeursysteem tot diensten.

De voorwaarden waaraan een productengroep moet voldoen om in het systeem te worden opgenomen blijven ongewijzigd. De enige relevante wijziging is dat een voorwaarde voor opname in het systeem is dat een belangrijk deel van de omzet moet verkocht worden voor eindverbruik of eind gebruik. Deze kleine aanpassing van het Commissievoorstel (waarin stond dat een aanzienlijk deel van de omzet uit rechtstreekse verkoop aan de eindverbruiker moet bestaan) kan worden aanvaard.

In artikel 2, lid 4, van het gemeenschappelijk standpunt staat dat de milieukeur niet mag worden verleend voor producten die zijn vervaardigd volgens procédés die significante schade voor mens en/of milieu tot gevolg kunnen hebben of bij normaal gebruik schadelijk kunnen zijn voor de consument. Met dit probleem wordt in de dagdagelijkse praktijk van de EU-milieukeur reeds rekening gehouden. De bestaande milieukeur criteria houden rekening met deze kwestie, waarbij de meest passende aanpak wordt gevolgd die vooral is toegespitst op bepaalde cruciale klassen van stoffen, zoals kankerverwekkende of potentieel sensibiliserende kleurstoffen in textielproducten of matrassen. De Commissie kan dit amendement daarom aanvaarden.

Artikel 3 - Milieueisen

Artikel 3 is gebaseerd op artikel 2 van het oorspronkelijke Commissievoorstel. De inhoud van dit artikel blijft ongewijzigd, maar de tekst is op een andere wijze gestructureerd.

De enige belangrijke wijziging in dit artikel is dat in verband met de beoordeling van de relatieve verbeteringen van een product nu ook wordt verwezen naar gezondheids- en veiligheidsaspecten. Dit amendement kan door de Commissie worden aanvaard aangezien het een bevestiging is van de bestaande praktijk bij de vaststelling van milieukeurcriteria voor producten.

Artikel 4 - Criteria voor de milieukeur en eisen inzake beoordeling en verificatie

In artikel 4 (artikel 3 in het oorspronkelijke Commissievoorstel) zijn een aantal kleine wijzigingen aangebracht met het oog op een verduidelijking en verbetering van de beoordelings- en verificatieprocedure. De verwijzing naar de marktpenetratie is verschoven naar artikel 5 van het gemeenschappelijk standpunt waarin het werkprogramma wordt behandeld.

Artikel 5 - Werkprogramma

Artikel 6 - Procedures voor de vaststelling van de criteria voor de milieukeur

Artikel 5 van het gemeenschappelijk standpunt is een nieuw voorstel van de Raad. Artikel 6 was voordien artikel 5 in het voorstel van de Commissie.

De Raad was van mening dat er een grotere transparantie moet komen bij de functionering van het systeem en een duidelijker omschrijving van de doelstellingen ervan. Daarom is overeenstemming bereikt over een nieuw mechanisme, namelijk het werkprogramma. Het werkprogramma omvat een strategie voor de ontwikkeling van het systeem met de doelstellingen van verbetering van het milieu en de marktpenetratie waarop het systeem voor de drie volgende jaren is afgestemd. Het werkprogramma bevat ook een enumeratieve lijst van productgroepen die beschouwd worden als prioritair voor optreden van de Gemeenschap, alsmede plannen voor coördinatie en samenwerking tussen het systeem van de Gemeenschap en andere milieukeursystemen in de lidstaten. Het werkprogramma voorziet in maatregelen voor de uitvoering van de strategie, met inbegrip van de financiering van het systeem. Het geeft ook een overzicht van de diensten waarop het systeem niet van toepassing is, met inachtneming van de verordening over het communautaire milieubeheer- en milieu-auditsysteem. Het werkprogramma wordt vastgelegd overeenkomstig de comitologieprocedure.

Het werkprogramma is dan ook een centraal instrument voor de ontwikkeling van het systeem. Het is een manier om ervoor te zorgen dat er duidelijke doelstellingen en te behalen resultaten op EU-niveau worden vastgelegd en is een middel voor samenwerking en de ontwikkeling van synergie-effecten tussen de milieukeurstelsels van de Gemeenschap en de lidstaten. Het bestaan van het werkprogramma is essentieel voor de toekomstige ontwikkeling van het systeem, en kan derhalve door de Commissie worden aanvaard.

Ook artikel 6 is herschreven. Terwijl in het werkprogramma de doelstellingen van het systeem worden vastgelegd, omschrijft artikel 6 het procedurekader. De Commissie leidt de procedure in op eigen initiatief of op verzoek van het BMEU. Zij geeft het BMEU opdracht om de criteria voor de milieukeur alsmede de met deze criteria verband houdende eisen inzake beoordeling van en toezicht op de naleving op te stellen en periodiek te herzien. Het BMEU stelt de criteria voor de milieukeur op en informeert de Commissie daarover. De Commissie besluit of de opdracht is voltooid zodat de ontwerp-criteria aan het Comité kunnen worden voorgelegd, dan wel of ze niet is voltooid, in welk geval het BMEU zijn werk in verband met de ontwerp-criteria moet voortzetten. Zodra ze zijn vastgesteld maakt de Commissie de criteria voor de milieukeuren en de bijwerking daarvan bekend in het Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen, L-serie (als bedoeld in amendement 46 van het Europees Parlement).

Hoewel bedoelde procedures evenwijdig lopen met de richtsnoeren in het voorstel van de Commissie zijn er duidelijk ook een aantal verschillen. Deze wijzigingen zijn een gevolg van het feit dat noch de Raad, noch het Europees Parlement (amendement 6, 7, 9, 16, 17, 19-22 en 25) zich achter het Commissievoorstel hebben geschaard om een Europese milieukeurorganisatie (EMO) met onafhankelijke rechtspersoonlijkheid op te richten. In het verlengde van de huidige praktijk zal de Commissie derhalve de politieke verantwoordelijkheid voor de vaststelling van criteria voor de milieukeur blijven opnemen.

Artikel 7 - Toekenning van de milieukeur

Artikel 7 is gebaseerd op artikel 6 van het Commissievoorstel.

Fabrikanten, importeurs, dienstverleners en handelaars kunnen aanvragen voor de milieukeur indienen. De Commissie kan zich akkoord verklaren met de uitbreiding van de werkingssfeer van het milieukeursysteem, dat nu ook dienstverleners (in lijn met de uitbreiding van het systeem tot diensten) en handelaars omvat (die een bredere categorie vormen dan die van de detailhandelaars omdat er ook andere categorieën zoals groothandelaars onder kunnen vallen).

Er zijn een aantal andere kleine wijzigingen in het gemeenschappelijk standpunt ingevoerd, met het oog op een verduidelijking van de wijze waarop een aanvraag bij de bevoegde instantie moet worden ingediend. Het is belangrijk om aan te stippen dat overeenkomstig de nieuwe formulering van artikel 7, lid 4, waar de criteria voor de milieukeur eisen dat de productie-inrichtingen aan bepaalde voorschriften voldoen, in alle inrichtingen waar het product wordt gemaakt aan deze voorschriften moet worden voldaan. Dit amendement kan door de Commissie worden aanvaard aangezien het zorgt voor een grotere transparantie van het systeem en een doeltreffender toepassing van de milieueisen, meer bepaald dankzij een beter toezicht van de bevoegde instanties op de inrichtingen waar producten worden vervaardigd.

Artikel 8 - De milieukeur

Artikel 8 was oorspronkelijk artikel 7 van het Commissievoorstel.

In het gemeenschappelijk standpunt wordt niet meer verwezen naar de vaststelling van een gegradeerde milieukeur. De Commissie is zich ervan bewust dat noch de Raad noch het Europees Parlement (amendement 5, 12 en 26) zich achter die hervorming van het logo hebben geschaard, en kan derhalve de door beide instellingen voorgestelde alternatieve oplossing (zie bijlage III) aanvaarden. Dit compromis zorgt er toch voor dat aan de consument enige informatie wordt verstrekt.

Artikel 9 - Gebruiksvoorwaarden

Artikel 9 is gebaseerd op de eerste alinea van artikel 8 van het Commissievoorstel. De bepalingen van artikel 8, lid 3, van het oorspronkelijke voorstel van de Commissie zijn opgenomen in artikel 12 van het gemeenschappelijk standpunt.

De bevoegde instantie sluit een contract met de aanvrager van een milieukeur met daarin de voorwaarden voor het gebruik van de keur. In dit contract wordt vermeld dat bij deelname aan het systeem de communautaire of nationale milieu voorschriften of andere regelgeving van communautair of nationaal recht die gelden voor de verschillende levensfasen van de producten en in voorkomend geval diensten, onverkort blijven gelden. De Commissie kan het eens zijn met deze bepaling, die parallel loopt met de verwijzing in artikel 1 naar de geldende communautaire en nationale milieuvoorschriften of andere regelgeving van communautair of nationaal recht, en op één lijn ligt met de voorschriften inzake de interne markt.

Er is een verwijzing naar een standaardcontract toegevoegd (dat overeenkomstig de comitologieprocedure wordt vastgesteld). De Commissie kan dit amendement aanvaarden aangezien het een middel is voor een doeltreffende ontwikkeling van het systeem.

Artikel 10 - Bevordering van de milieukeur

Dit artikel bestaat uit twee alinea's. Overeenkomstig de eerste alinea bevorderen niet alleen de lidstaten, maar ook de Commissie en de leden van het BMEU het gebruik van de communautaire milieukeur in bewustmakings- en informatiecampagnes voor consumenten, producenten, detailhandelaren en voor het grote publiek om de ontwikkeling van het systeem te steunen. Deze bepaling, die bedoeld is om ervoor te zorgen dat de financiële last voor de ontwikkeling van het systeem wordt gedeeld, is aanvaardbaar voor de Commissie die momenteel reeds campagnes heeft opgezet.

Krachtens de tweede alinea moeten de Commissie en andere instellingen van de Europese Gemeenschap, zowel als andere openbare instanties op nationaal niveau, ter bevordering van het gebruik van producten met een milieukeur bij het verduidelijken van hun eisen inzake producten een voorbeeld geven, dit onverminderd het Gemeenschapsrecht. Deze bepaling sluit aan bij amendement 11 van het Europees Parlement en zorgt voor volledige verenigbaarheid met het Gemeenschapsrecht. De huidige formulering houdt een "morele verbintenis" in, namelijk de wens dat nationale en communautaire instellingen bij het verduidelijken van hun eisen inzake producten het voorbeeld geven, met naleving van de voorschriften en richtsnoeren voor openbare aanbestedingen.

Artikel 11 - Andere milieukeursystemen in de lidstaten

Overeenkomstig het gemeenschappelijk standpunt mogen zowel bestaande als nieuwe milieukeursystemen in de lidstaten naast het communautaire milieukeursysteem blijven bestaan. Overeenkomstig de comitologieprocedure moeten daartoe samenwerkings- en coördinatiemaatregelen worden vastgesteld die onder meer de maatregelen van het werk programma omvatten.

De tekst van het voorzitterschap is het resultaat van een compromis tussen de landen met nationale milieukeursystemen en landen die dergelijke systemen nog niet hebben ingevoerd. De tekst suggereert duidelijk dat het noodzakelijk is een gemeenschappelijke Europese strategie inzake milieukeuren uit te werken. Binnen deze structuur zal de EU-milieukeur een fundamentele stuwende rol spelen in de context van een geïntegreerd productbeleid. Het doel van de strategie van samenwerking tussen de nationale systemen is de grootschalige bevordering van het begrip van duurzame consumptie onder de Europese burgers. De Commissie neemt de politieke en operationele verantwoordelijkheid voor het stelsel op zich. Om die redenen en op voorwaarde dat duidelijke samenwerkings- en coördinatiemechanismen worden opgezet, kan de Commissie de nieuwe formulering van artikel 11 aanvaarden.

Artikel 12 - Kosten en tarieven

Artikel 12 is gebaseerd op de derde alinea van artikel 8 van het oorspronkelijke Commissievoorstel. Het bij artikel 17 opgerichte Comité moet het niveau van de kosten en tarieven voor behandeling van een aanvraag vastleggen. Dit was de enige manier om tot een compromis te komen tussen de verschillende standpunten van de lidstaten over deze kosten.

Artikel 13 - Bureau voor de milieukeur van de Europese Unie

Artikel 14 - Bevoegde instanties

Artikel 15 - Raadplegingsforum

Terwijl artikel 14 gebaseerd is op artikel 9 van het voorstel van de Commissie, is artikel 13 geïnspireerd op de formulering van artikel 5 en artikel 15 op bijlage IV.

Via deze bepalingen wordt de rol van het Bureau voor de Milieukeur van de Europese Unie (BMEU), de bevoegde instanties en het raadplegingsforum verduidelijkt. Het BMEU wordt samengesteld uit de bevoegde instanties en het raadplegingsforum. De instelling van het BMEU ligt in de lijn van de amendementen van het Europees Parlement in verband met het technisch milieukeurcomité (TMC). Het BMEU krijgt geen rechtspersoonlijkheid. De Commissie merkt de uitdrukkelijke verwerping op, zowel door de Raad als door het Europees Parlement (amendement 6, 7, 9, 16, 17, 19-22 en 25), van een onafhankelijk Europese milieukeurorganisatie en kan akkoord gaan met de oprichting van een nieuwe instantie als bedoeld in het gemeenschappelijk standpunt. De Commissie zal de procedureregels voor het BMEU uitwerken in overeenstemming met de comitologieprocedure, zodat er een doeltreffend procedureel kader ontstaat.

Artikel 15 omvat een uitdrukkelijke verwijzing naar het raadplegingsforum, als bedoeld in amendement 27 en 45 van het Europees Parlement. Om een evenwichtige deelname van alle betrokken belanghebbenden te waarborgen, wordt het raadplegingsforum uitgebreid tot dienstverleners, zelfstandigen, vakorganisaties, enz. De Commissie kan de nieuwe formulering van artikel 15 aanvaarden aangezien de deelname aan en de transparantie van het systeem erdoor worden verbeterd.

Artikel 16 - Aanpassing aan de vooruitgang van de techniek

Artikel 16 is het ongewijzigde artikel 12 van het oorspronkelijke Commissievoorstel.

Artikel 17 - Comité

Artikel 17 was artikel 13 van het Commissievoorstel.

De comitologieprocedure is gewijzigd tot een procedure van het type III, terwijl in het oorspronkelijke voorstel van de Commissie een comité van raadgevende aard was opgenomen. Gezien de cruciale rol die het comité bij de ontwikkeling van het systeem zal spelen, hebben alle lidstaten unaniem deze wijziging van de comitologieprocedure aanvaard. Een comité van het type III, als recentelijk gewijzigd, zal zorgen voor een grote betrokkenheid van de lidstaten bij het beheer van het milieukeursysteem, alsook voor de deelname van het Europees Parlement overeenkomstig de daarvoor vastgestelde regels.

Artikel 18 - Inbreuken

Er is een inbreukclausule ingevoerd om ervoor te zorgen dat de lidstaten de nodige maatregelen treffen bij niet naleving van de bepalingen van deze verordening. De Commissie stelt de invoering van een dergelijke bepaling op prijs.

Artikel 19 - Overgangsbepalingen

Artikel 19 was artikel 14 van het oorspronkelijke Commissievoorstel

De op Verordening (EEG) nr. 880/92 gebaseerde besluiten blijven van kracht tot zij worden herzien of verstreken zijn. De Commissie is blij met deze bepaling, aangezien die ervoor zal zorgen dat het systeem operationeel blijft wat de in het verleden genomen besluiten inzake productengroepen betreft, en een correcte overgang naar het nieuwe systeem mogelijk maakt.

Artikel 20 - Herziening

Artikel 20 is het ongewijzigde artikel 15 van het oorspronkelijke Commissievoorstel

Artikel 21 - Slotbepalingen

Artikel 21 was voordien artikel 16.

Aansluitend bij bovengenoemde wijzigingen zijn er geen verwijzingen meer naar een Europese milieukeurorganisatie (EMO).

Bijlage I - Indicatieve beoordelingstabel

Bijlage I is gewijzigd om de indicatieve beoordelingstabel uit te breiden tot diensten. Het dienstenonderdeel van de tabel is verdeeld in drie fasen. De eerste fase, de aankoop van goederen voor dienstverlening, heeft betrekking op de aankoop van zowel goederen als diensten, wanneer die voor de dienstverlening vereist zijn. Deze fase kan worden vergeleken met de voorproductie/grondstoffen-fase van het goederenonderdeel van de tabel. De tweede fase, de dienstverlening, heeft betrekking op alle activiteiten die voor de levering van de dienst worden verricht. Deze fase is analoog aan de som van de productie-, distributie- en gebruiksfasen in de levenscyclus van goederen. De derde fase is tenslotte de fase van het afvalbeheer, die alle activiteiten omvat die voor de vermindering van de milieueffecten van afvalstoffen vereist zijn. Deze wijziging is een logisch gevolg van de uitbreiding van de werkingssfeer van het systeem en wordt dan ook aanvaard door de Commissie.

Met het oog op een grotere duidelijkheid zijn ook nog enkele kleinere wijzigingen aangebracht, zoals de expliciete verwijzing naar grondstoffen (in lijn met de internationale normen) en het gebruik van de term "biodiversiteit" in plaats van "Effect op ecosystemen".

Bijlage II - Methodologische eisen voor de vaststelling van de criteria voor de milieukeur

Bijlage II is herschreven. Er wordt nu verwezen naar levenscyclusoverwegingen (in plaats van levenscyclusanalyse), in overeenstemming met het taalgebruik van de internationale normen en om te zorgen voor verenigbaarheid met de uitbreiding van het systeem tot diensten. Het proces van specificatie en selectie van de essentiële milieuaspecten zal een haalbaarheidsstudie omvatten, alsmede een voorstel voor de criteria in de eindfase. De beginselen van de normen ISO 14040 en ISO 14024 zullen in aanmerking worden genomen. De Commissie kan zich verzoenen met deze wijzigingen, die bedoeld zijn om de methodologische eisen voor de vaststelling van de criteria voor de milieukeur te verduidelijken.

Bijlage III - Beschrijving van de milieukeur

In overeenstemming met de amendementen van het Europees Parlement (amendement 5, 12 en 26) zal de milieukeur van de EU uit twee delen bestaan: een kader met het EU-logo en een kader met informatie over de redenen voor het toekennen van de milieukeur, die betrekking hebben op de specifieke milieueffecten. De Commissie merkt op dat haar voorstel voor een gegradeerde milieukeur noch door de Raad noch het Parlement is goedgekeurd en zij aanvaardt daarom het gemeenschappelijk standpunt als een manier om tot een betere beschrijving van het milieukeursysteem te komen.

De wijziging met betrekking tot de nieuwe formulering van de tekst op het logo ("MILIEUKEUR VAN DE EUROPESE UNIE - Toegekend voor goederen of diensten die voldoen aan de milieueisen van het milieukeursysteem van de EU") en de vermelding van het registratienummer (als middel om onterecht gebruik van het logo te voorkomen) kunnen eveneens worden aanvaard.

Bijlage IV - Procedurele beginselen voor de vaststelling van criteria voor de milieukeur

In bijlage IV zijn er enkele kleine wijzigingen met het oog op grotere duidelijkheid van de tekst aangebracht. De verwijzing naar de EMO en de toepassing door de EMO van besluitvormingsprocedures die in overeenstemming zijn met de werkwijze van de Europese normalisatie-instanties is geschrapt. Dat is een logisch gevolg van het interne karakter dat het BMEU, dat geen onafhankelijke rechtspersoonlijkheid heeft, zal hebben. In het kader van het eindverslag wordt er een open inspraakprocedure gevolgd alvorens de criteria aan het comité worden voorgelegd, in overeenstemming met de comitologieprocedure voor de vaststelling van de criteria voor de milieukeur.

Bijlage V - Tarieven

Als aangegeven in het gemeenschappelijk standpunt worden de kosten voor de behandeling van een aanvraag en de jaarkosten vastgesteld overeenkomstig de comitologieprocedure. Voor KMO's, fabrikanten en dienstverleners in ontwikkelingslanden dienen de aanvraag kosten te worden verminderd. Het oorspronkelijk voorgestelde maximumtarief en de minimale vergoeding worden niet langer vermeld.

De specifieke getallen zullen daarom bij een volgende besluit, overeenkomstig de comitologieprocedure, worden vastgelegd. Dit is gebruikelijk bij de vaststelling van tarieven aangezien hierdoor voldoende flexibiliteit wordt gelaten om verschillende benaderingen mogelijk te maken en rekening te houden met de nationale belangen. De uitdrukkelijke verwijzing naar de KMO's en de ontwikkelingslanden blijft gehandhaafd (zoals bedoeld in amendement 34 van het Europees Parlement). Om die redenen kan de Commissie de huidige versie van bijlage V aanvaarden.

3. Conclusie

Na zorgvuldige afweging worden in het gemeenschappelijk standpunt een groot aantal amendementen van het Europees Parlement overgenomen. De in de tekst ingevoerde amendementen brengen geen schade toe aan de doelstelling van het oorspronkelijke Commissievoorstel om de doeltreffendheid van het milieukeursysteem te verbeteren. De hoofddoelstelling blijft overeind en wordt zelfs versterkt. In de ogen van de consument en de economische spelers zal het systeem transparanter worden.

De Commissie verheugt er zich ook over dat het gemeenschappelijk standpunt van de Raad de unanieme steun van alle lidstaten heeft gekregen.