Advies van de Commissie overeenkomstig artikel 251, lid 2, onder c), van het EG-Verdrag, over de amendementen van het Europees Parlement op het gemeenschappelijk standpunt van de Raad inzake het voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Richtlijn 93/104/EG van 23 november 1993 betreffende een aantal aspecten van de arbeidstijd om de van deze richtlijn uitgesloten sectoren en activiteiten te bestrijken, houdende wijziging van het voorstel van de Commissie overeenkomstig artikel 250, lid 2, van het EG-Verdrag /* COM/99/0699 def. - COD 98/0318 */
ADVIES VAN DE COMMISSIE overeenkomstig artikel 251, lid 2, onder c) van het EG-Verdrag, over de amendementen van het Europees Parlement op het gemeenschappelijk standpunt van de Raad inzake het voorstel voor een RICHTLIJN VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD TOT WIJZIGING VAN RICHTLIJN 93/104/EG VAN 23 NOVEMBER 1993 BETREFFENDE EEN AANTAL ASPECTEN VAN DE ARBEIDSTIJD OM DE VAN DEZE RICHTLIJN UITGESLOTEN SECTOREN EN ACTIVITEITEN TE BESTRIJKEN HOUDENDE WIJZIGING VAN HET VOORSTEL VAN DE COMMISSIE overeenkomstig artikel 250, lid 2 van het EG-verdrag 1. Achtergrond De Commissie heeft het voornoemde voorstel voor een richtlijn op grond van artikel 118A van het Verdrag (het huidige artikel 137) op 25 november 1998 naar het Europees Parlement en de Raad gestuurd. Het Economisch en Sociaal Comité heeft op 25 maart 1999 zijn advies uitgebracht. Het Europees Parlement heeft op 14 april 1999 in eerste lezing een advies uitgebracht. De Commissie heeft twaalf door het Parlement voorgestelde amendementen overgenomen. Ze heeft geen gewijzigd voorstel gedaan, maar heeft aan de Raad verslag uitgebracht over haar standpunt inzake alle amendementen. De Raad heeft op 12 juli 1999 met eenparigheid van stemmen zijn gemeenschappelijk standpunt goedgekeurd. De Commissie heeft haar voorstel met betrekking tot de belangrijkste punten gehandhaafd. Op 16 november 1999 heeft het Europees Parlement in tweede lezing 10 amendementen op het gemeenschappelijk standpunt van de Raad goedgekeurd. Dit advies geeft het standpunt van de Commissie ten aanzien van de amendementen van het Europees Parlement aan overeenkomstig artikel 251, lid 2, onder c) van het EG-Verdrag. 2. Doel van het voorstel van de Commissie De Raad heeft op 23 november 1993 zijn goedkeuring gehecht aan Richtlijn 93/104/EG betreffende een aantal aspecten van de organisatie van de arbeidstijd. Een aantal sectoren en activiteiten zijn van het toepassingsgebied van deze richtlijn uitgesloten. Dit zijn het weg-, lucht-, zee- en spoorwegvervoer, de binnenvaart, de zeevisserij, andere activiteiten op zee, alsmede de activiteiten van artsen in opleiding. Dit voorstel maakt deel uit van een pakket maatregelen ter bescherming van de niet onder Richtlijn 93/104/EG vallende werknemers tegen de schadelijke effecten voor hun gezondheid en veiligheid als gevolg van excessief lange werktijden, ongeëigende rusttijden of onregelmatige werkroosters. Dit voorstel is met name bedoeld om deze richtlijn te wijzigen om ervoor te zorgen dat alle niet-mobiele werknemers, alsmede de mobiele werknemers in het spoorwegvervoer, onder de richtlijn vallen, en om een aantal bepalingen voor andere mobiele werknemers vast te stellen. 3. Advies van de Commissie over de door het Parlement voorgestelde amendementen 3.1. Samenvatting van het standpunt van de Commissie De Commissie kan vier van de amendementen volledig en drie andere in beginsel aanvaarden. De Commissie kan drie van de door het Parlement goedgekeurde amendementen niet aanvaarden. 3.2. Amendementen van het Parlement in tweede lezing 3.2.1. Aanvaarde amendementen 3.2.1.1. Amendement 2 (vervoerders "voor eigen rekening") (artikel 1, lid 2) Het amendement zou uit de definitie van "mobiele werknemers" de werknemers verwijderen die als lid van het rijdend, varend of vliegend personeel in dienst zijn van een bedrijf dat voor eigen rekening diensten verricht voor het vervoer van passagiers of goederen over de weg, in de lucht of in de binnenvaart. Het resultaat van dit amendement dat opnieuw het oorspronkelijke voorstel van de Commissie overneemt, zou zijn dat dergelijke werknemers onder de volledige bescherming van de richtlijn zouden vallen. 3.2.1.2. Amendement 3 (afwijking ten aanzien van offshore-werknemers) (artikel 1, lid 5) Dit amendement verduidelijkt de tekst om aan te geven dat de mogelijkheid tot afwijking niet tot offshore-werkzaamheden is beperkt. 3.2.1.3. Amendement 4 (afwijking ten aanzien van werknemers in het openbaar vervoer) (artikel 1, lid 5) Dit amendement schrapt overbodig geachte woorden uit het gemeenschappelijk standpunt. 3.2.1.4. Amendement 8 (tenuitvoerleggingsperiode) (artikel 2) Dit amendement voert de door de Commissie voorgestelde tenuitvoerleggingsperiode opnieuw in. 3.2.2. In beginsel aanvaarde amendementen 3.2.2.1. Amendement 6 (beperking van de arbeidstijd van mobiele en offshore-werknemers) (artikel 1, lid 7) De Commissie stelde voor dat de lidstaten in staat moesten worden gesteld de referentieperiode voor de berekening van het gemiddelde voor de beperking van de arbeidstijd tot 48 uur per week voor mobiele werknemers en offshore-werknemers tot een jaar uit te breiden. Dit amendement zou voor mobiele werknemers dezelfde referentieperioden toepassen als voor andere, reeds onder de richtlijn vallende werknemers. Dit amendement zou echter ook blijven toestaan dat het gemiddelde voor offshore-werknemers over een periode van 1 jaar wordt berekend, hoewel dit nu zou worden gebonden aan bepaalde voorwaarden inzake raadpleging en overleg en een clausule voor herziening na 5 jaar. De formulering moet worden verduidelijkt om ervoor te zorgen dat echte inspanningen worden geleverd om in overleg te treden, teneinde te voorkomen dat een van beide partijen de mogelijkheid tot afwijking blokkeert door te weigeren met de andere partij te overleggen. Bovendien moet de herzieningsclausule in overeenstemming worden gebracht met artikel 3 van het gemeenschappelijk standpunt om de Commissie in staat te stellen zo nodig passende wijzigingen voor te stellen. 3.2.2.2. Amendement 7 (beperking van de arbeidstijd van werknemers aan boord van zeevissersvaartuigen) (artikel 1, lid 7) Dit amendement tracht een beperking in te voeren van het aantal uren dat werknemers aan boord van zeevissersvaartuigen toegestaan wordt te werken over een periode van 12 maanden. Dit zou gemiddeld maximaal 48 uur per week zijn, berekend over een referentieperiode van 12 maanden. Er zouden geen afwijkingen van deze bepalingen worden toegestaan. De formulering van deze bepaling moet in overeenstemming worden gebracht met de formulering van artikel 6 van Richtlijn 93/104/EG. 3.2.2.3. Amendement 9 (werknemers in het openbaar vervoer in stadsgebieden) (artikel 3 bis (nieuw)) Het doel van dit amendement is binnen 5 jaar een nieuw onderzoek uit te voeren naar de wijze van toepassing van de bepalingen ten aanzien van de werknemers in het openbaar vervoer in stadsgebieden om te zorgen voor een coherente aanpak van het weg- en spoorwegvervoer. De herzieningsclausule moet in overeenstemming worden gebracht met artikel 3 van het gemeenschappelijk standpunt om de Commissie in staat te stellen zo nodig passende wijzigingen voor te stellen. 3.2.3. Niet aanvaarde amendementen 3.2.3.1. Amendement 1 (zondagsrust) (overweging 15) De Commissie is van mening dat het voorgestelde amendement op de overweging ten aanzien van de zondagsrust niet passend is in de context van dit voorstel. 3.2.3.2. Amendement 5 (Artsen in opleiding) (artikel 1, lid 6) De Commissie handhaaft haar oorspronkelijk voorstel ten aanzien van artsen in opleiding. Volgens het voorstel zijn alle bepalingen van de richtlijn inzake de arbeidstijd van toepassing op artsen in opleiding. De Commissie stelde echter voor de tenuitvoerlegging van de gemiddelde maximale wekelijkse arbeidstijd van 48 uur een overgangsperiode van zeven jaar vanaf de datum van goedkeuring voor, als er een overeenkomst tussen de werkgever en de vertegenwoordigers van de werknemers bestaat. De gemiddelde maximale wekelijkse arbeidstijd zou daarbij niet meer mogen bedragen dan 54 uur over een referentieperiode van 4 maanden voor de berekening van het gemiddelde. De Commissie is van mening dat haar voorstel realistisch blijft, vergeleken met het amendement van het Parlement ten gunste van een overgangsperiode van 4 jaar en het gemeenschappelijk standpunt van de Raad dat voorziet in een totale overgangsperiode van 13 jaar. 3.2.3.3. Amendement 10 (Passende rusttijd) (Overweging 11) De Commissie is van mening dat dit amendement niet geëigend is. De betrokken werknemers zouden niet-mobiele werknemers, werknemers in het spoorwegvervoer, artsen in opleiding en offshore-werknemers zijn. De bepalingen van de artikelen 3, 4 en 5 van Richtlijn 93/104/EG (betreffende respectievelijk dagelijkse rusttijd, pauzes en wekelijkse rusttijd) zullen op al deze werknemers volledig van toepassing zijn. Wanneer afwijkingen van deze bepalingen worden toegestaan, moeten overeenkomstig artikel 17, lid 2, van deze richtlijn aan de werknemers "gelijkwaardige compenserende rusttijden" worden toegekend. Dit zal aan de betrokken werknemers een grotere bescherming bieden dan een meer algemene bepaling betreffende "passende rusttijd". Wat de andere werknemers betreft waarop de voorgestelde overweging betrekking heeft, d.w.z. mobiele werknemers en werknemers aan boord van zeevissersvaartuigen, zullen de bepalingen inzake een passende rusttijd reeds van toepassing zijn. Er bestaan geen afwijkingen van deze bepalingen. 3.3. Gewijzigd voorstel De Commissie doet geen gewijzigd voorstel, maar verzoekt de Raad ten volle rekening te houden met dit advies bij de behandeling van de door het Parlement voorgestelde amendementen.