51999PC0652

Gewijzigd voorstel voor een aanbeveling van het Europees Parlement en de Raad betreffende minimumcriteria voor milieu-inspecties in de Lidstaten /* COM/99/0652 def. - COD 99/0358 */


Gewijzigd voorstel voor een AANBEVELING VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD BETREFFENDE MINIMUMCRITERIA VOOR MILIEU-INSPECTIES IN DE LIDSTATEN

(door de Commissie overeenkomstig artikel 250, lid 2 van het EG-verdrag ingediend)

TOELICHTING

Overeenkomstig artikel 250, lid 2, van het EG-Verdrag dient de Commissie een gewijzigd voorstel in voor een aanbeveling van het Europees Parlement en de Raad betreffende minimumcriteria voor milieu-inspecties in de lidstaten [1]. Het gewijzigd voorstel houdt rekening met een aantal inhoudelijke amendementen die door het Europees Parlement tijdens zijn plenaire zitting van 13-17 september 1999 werden aangenomen. Het gewijzigd voorstel komt evenwel niet tegemoet aan de door het Parlement voorgestelde amendementen waardoor het voorgestelde instrument van een aanbeveling in een richtlijn zou worden omgezet. Het gewijzigd voorstel houdt voorts rekening met het advies dat het Economisch en Sociaal Comité op 28 april 1999 heeft uitgebracht.

[1] Voor het oorspronkelijk voorstel, zie COM(98)772 def.

Amendementen van het Europees Parlement die door de Commissie werden aanvaard

De Commissie kan de amendementen 1 en 10 (paragraaf 2bis) in hun geheel aanvaarden met dien verstande dat de vorm van een aanbeveling gehandhaafd blijft. De Commissie aanvaardt in principe de amendementen 16 (zonder de verwijzing naar het Europees Milieuagentschap (EMA)), 17 en 24, met dien verstande dat de vorm van een aanbeveling gehandhaafd blijft. Hieronder volgt enige commentaar op deze amendementen.

Amendement 1 voorziet in de toevoeging van een nieuwe overweging (3bis) met betrekking tot de rol die het EMA kan spelen bij het adviseren van de lidstaten over hun systemen voor de controle op milieumaatregelen en bij het ondersteunen van de coördinatie van de rapportage. Amendement 10 (paragraaf 2bis) voegt aan punt III een nieuwe paragraaf toe die de lidstaten ertoe aanspoort, in samenwerking met IMPEL en de Commissie de coördinatie van inspecties en inspectiediensten te bevorderen teneinde illegale grensoverschrijdende praktijken op milieugebied te voorkomen. Beide amendementen gaan uit van een eendere filosofie als de mededeling van de Commissie betreffende de tenuitvoerlegging van de communautaire milieuwetgeving (COM (96) 500 def.), waarin voor het EMA en IMPEL eveneens een rol op dit gebied in het vooruitzicht werd gesteld. De Commissie kan derhalve met deze amendementen instemmen.

De amendementen 16 en 17 betreffen eveneens de rol van het EMA en IMPEL. Amendement 16 introduceert een nieuw punt VIII bis. De eerste paragraaf daarvan spoort de Commissie ertoe aan, in samenwerking met IMPEL, het EMA en andere belanghebbenden minimumcriteria te ontwikkelen voor de kwalificaties en de accreditatie van milieu-inspecteurs. De Commissie kan dit in beginsel aanvaarden, op voorwaarde dat de verwijzing naar het EMA wordt geschrapt, omdat dit type activiteit niet tot de taken van het agentschap behoort. De tweede paragraaf van het door amendement 16 toegevoegde punt, dat betrekking heeft op opleidingsprogramma's voor inspecteurs, is eveneens in beginsel aanvaardbaar. IMPEL heeft op dit gebied inderdaad al enige activiteit ontwikkeld. (Het Economisch en Sociaal Comité heeft in punt 2.7 van zijn advies een soortgelijk amendement als amendement 16 van het Parlement voorgesteld.) Amendement 17 bepaalt dat het EMA, naast andere instanties, te gepasten tijde betrokken dient te worden bij de evaluatie van het functioneren van de aanbeveling. De Commissie kan hiermee instemmen.

Amendement 24 bepaalt dat de rapporten uiterlijk twee maanden nadat de inspectie heeft plaatsgevonden, openbaar worden gemaakt. Dit is in beginsel aanvaardbaar, met dien verstande dat bedoelde rapporten binnen twee maanden na het bezoek ter plaatse moeten worden voltooid, en dat met betrekking tot elk verzoek van burgers om inzage te krijgen van een dergelijk voltooid rapport, moet worden voldaan aan Richtlijn 90/313/EEG, die bepaalt dat dit soort informatie in eerste instantie zo spoedig mogelijk na het indienen van een verzoek, en uiterlijk binnen twee maanden, beschikbaar moet worden gesteld.

Amendementen van het Europees Parlement die door de Commissie werden verworpen

Amendement 21 verandert het voorgestelde instrument, wat de titel en de vorm betreft, van een aanbeveling in een richtlijn. De Commissie kan de amendementen 2, 6, 7 en 18 tot en met 21, die alle betrekking hebben op de verandering van het voorgestelde instrument van een aanbeveling in een richtlijn, niet aanvaarden. Evenmin kan de Commissie akkoord gaan met de amendementen 3, 13 en 15, die geen formele maar inhoudelijke wijzigingen beogen. Hieronder volgt enige commentaar op deze amendementen.

De amendementen 2, 6, 7 en 18 tot en met 21 beogen alle een verandering van het voorgestelde instrument van een aanbeveling in een richtlijn. De Commissie heeft zich, in overleg met IMPEL en de lidstaten, zorgvuldig beraden over de vorm die zij aan haar voorstel diende te geven. Uiteindelijk werd gekozen voor een aanbeveling, en wel om de volgende redenen:

· In het licht van de grote verschillen die bestaan tussen de milieu-inspectieactiviteiten van de lidstaten, werd het raadzaam geacht, er in een eerste fase voor te zorgen dat de uitvoering van minimale inspectietaken wordt verzekerd; dit laat de mogelijkheid onverlet om te gepasten tijde en in het licht van de ervaring die met het functioneren van de aanbeveling wordt opgedaan, een kaderrichtlijn inzake inspecties in het algemeen (minimumcriteria, frequentie van de inspecties, opleiding, enz.) voor te stellen.

· Lidstaten met minder goed uitgebouwde inspectiesystemen zouden het moeilijk kunnen hebben gehad om onmiddellijk aan de eisen van een richtlijn te voldoen. Het leek verkieslijk, in een eerste fase te zorgen voor de capaciteitsvergroting en ontwikkeling van de alsnog minder ontwikkelde systemen.

· De lidstaten en IMPEL waren sterk tegen een richtlijn gekant.

De amendementen 3, 13 en 15 beogen inhoudelijke wijzigingen. Amendement 3, waardoor een nieuwe overweging 7ter zou worden ingevoerd, betreft omzettingsaspecten waarvoor niet de Commissie maar de lidstaten bevoegd zijn. Amendement 13 betreft de verwerking en opslag van bij bezoeken ter plaatse verzamelde gegevens, en niet de "rapporten" als zodanig; dit amendement komt de nauwkeurigheid en slagkracht van het voorstel van de Commissie niet ten goede. Amendement 15 maakt melding van "beknopte gegevens" in plaats van het uitvoerig rapport over de naleving van specifieke EG-voorschriften; dit amendement kan niet worden aanvaard, aangezien de inspecties ten doel hebben, aan het licht te brengen aan welke specifieke voorschriften niet werd voldaan.

In de onderstaande tekst van het gewijzigd voorstel werden geschrapte tekstgedeelten doorstreept en toegevoegde tekstgedeelten onderstreept en vet gedrukt.

Gewijzigd voorstel voor een

AANBEVELING VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD

BETREFFENDE MINIMUMCRITERIA VOOR MILIEU-INSPECTIES IN DE LIDSTATEN

HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, inzonderheid op artikel 130S 175, lid 1,

Gezien het voorstel van de Commissie [2],

[2] COM(98) 772 def. van 16.12.1998.

Gezien het advies van het Europees Parlement [3],

[3] 16.9.1999.

Gezien het advies van het Economisch en Sociaal Comité [4],

[4] 28.4.1999. (footnote to be numbered 3, as well as in text)

Gezien het advies van het Comité van de Regio's [5],

[5] 16.9.1999 (footnote to be numbered 4, as well as in text)

Handelend overeenkomstig de procedure van artikel 189C 251 van het Verdrag,

(1) Overwegende dat in de resolutie van de Raad en van de vertegenwoordigers van de regeringen der lidstaten, in het kader van de Raad bijeen, van 1 februari 1993 betreffende een beleidsplan en actieprogramma van de Gemeenschap inzake het milieu en duurzame ontwikkeling [6] en het besluit van het Parlement en de Raad betreffende de herziening daarvan [7] via het begrip "gezamenlijke verantwoordelijkheid" het belang van de tenuitvoerlegging van de communautaire milieuwetgeving werd benadrukt;

[6] PB C 138 van 17.5.1993, blz. 1. (footnote to be numbered 5, as well as in text)

[7] PB L 275 van 10.10.1998, blz.1. (footnote to be numbered 6, as well as in text)

(2) Overwegende dat in de mededeling van de Commissie aan de Raad van de Europese Unie en aan het Europees Parlement van 5 november 1996, betreffende de tenuitvoerlegging van de communautaire milieuwetgeving [8], inzonderheid in punt 29, voorgesteld wordt richtsnoeren op te stellen op communautair niveau teneinde de lidstaten bij te staan bij het uitvoeren van inspectietaken en aldus de grote ongelijkheid die zich momenteel qua inspecties door de lidstaten voordoet, te verkleinen;

[8] COM(96) 500 def. van 22.10.1996. (footnote to be numbered 7, as well as in text)

(3) Overwegende dat de Raad in zijn resolutie van 7 oktober 1997 betreffende de opstelling, tenuitvoerlegging en handhaving van de communautaire milieuwetgeving [9] de Commissie heeft verzocht om met het oog op verder overleg in de Raad, met name op basis van de werkzaamheden van het netwerk van de Europese Unie voor de tenuitvoerlegging en handhaving van de milieuwetgeving ("IMPEL") minimumcriteria en/of richtsnoeren voor te stellen voor de inspectietaken die op het niveau van de lidstaten worden uitgevoerd en de manieren waarop de toepassing daarvan in de praktijk door de lidstaten zou kunnen worden gecontroleerd, zodat een uniforme praktische toepassing en een uniform toezicht op de naleving van de milieuwetgeving worden gegarandeerd, en overwegende dat in het voorstel van de Commissie rekening is gehouden met een document van IMPEL met als titel "Minimumcriteria voor inspecties" [10];

[9] PB C 321 van 22.10.1997, blz.1. (footnote to be numbered 8, as well as in text)

[10] November 1997. (footnote to be numbered 9, as well as in text)

(3a) Overwegende dat het Europees Milieuagentschap de lidstaten kan adviseren over het ontwerpen, opzetten en uitbreiden van hun systemen voor de controle op milieumaatregelen en dat het Europees Milieuagentschap assistentie kan verlenen aan de Commissie en de lidstaten bij het controleren van milieumaatregelen door middel van ondersteuning ten behoeve van de rapportage, teneinde de rapportage te coördineren.

(4) Overwegende dat het Parlement met zijn resolutie van 14 mei 1997 [11] betreffende de mededeling van de Commissie om communautaire wetgeving inzake milieu-inspecties heeft verzocht en overwegende dat het Economisch en Sociaal Comité [12] en het Comité van de Regio's [13] een gunstig advies over de mededeling van de Commissie hebben uitgebracht en op het belang van milieu-inspecties hebben gewezen;

[11] EP 259.215/63. (footnote to be numbered 10, as well as in text)

[12] ESC 479/97 ENV/439 van 29.4.1997. (footnote to be numbered 11, as well as in text)

[13] CvdR 437/96 def. van 11-12.6.1997. (footnote to be numbered 12, as well as in text)

(5) Overwegende dat het bestaan van inspectiesystemen en de daadwerkelijke uitvoering van inspecties een afschrikkend effect hebben ten aanzien van overtredingen van de milieuwetgeving, aangezien zij de autoriteiten in staat stellen inbreuken op te sporen en door middel van sancties of andere instrumenten de milieuwetgeving te doen naleven, en dat inspecties derhalve een onmisbare schakel vormen in het geheel van de regelgeving en een doeltreffend instrument zijn om de uniforme naleving en handhaving van de communautaire milieuwetgeving in de hele Gemeenschap te garanderen en concurrentievervalsing te vermijden;

(6) Overwegende dat er momenteel grote verschillen bestaan tussen de inspectiesystemen en -mechanismen van de lidstaten, niet alleen op het stuk van het vermogen om inspectietaken te vervullen maar ook op het stuk van de schaal en de werkingssfeer van de uitgevoerde inspecties en zelfs, in enkele lidstaten, wat het bestaan zelf van inspecties betreft, en dat een dergelijke situatie niet bevredigend kan worden genoemd in het licht van de doelstelling van een doeltreffende en uniforme tenuitvoerlegging, praktische toepassing en handhaving van de Gemeenschapswetgeving inzake milieubescherming;

(7) Overwegende dat derhalve in het kader van een programma van maatregelen betreffende milieu-inspecties in een eerste fase moet worden voorzien in richtsnoeren in de vorm van toepasselijke minimumcriteria als gemeenschappelijke basisnorm voor het uitvoeren van de inspectietaken door de lidstaten;

(8) Overwegende dat de lidstaten er krachtens de milieuwetgeving van de Gemeenschap toe gehouden zijn, voorschriften te doen naleven met betrekking tot bepaalde emissies en lozingen of activiteiten die daarin resulteren; dat in de lidstaten in een eerste fase moet worden voldaan aan minimumcriteria inzake de organisatie en uitvoering van inspecties van industriële installaties en andere ondernemingen en inrichtingen waarop krachtens het milieurecht van de Gemeenschap voorschriften inzake toelatingen of vergunningen van toepassing zijn wat betreft emissies of lozingen of activiteiten die daarin resulteren; dat het voorts wenselijk is dat dergelijke minimumcriteria ook van toepassing zijn op de inspecties van kerninstallaties, inclusief die uit de onderzoeks- en medische sectoren, die worden uitgevoerd door de inspectiediensten voor stralingsbescherming welke door de lidstaten in het leven zijn geroepen krachtens de communautaire wetgeving inzake nucleaire veiligheid die in het kader van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie werd vastgesteld;

(9) Overwegende dat, om de doeltreffendheid van dit inspectiesysteem te garanderen, milieu-inspectieactiviteiten in de lidstaten van tevoren moeten worden gepland;

(10) Overwegende dat bezoeken ter plaatse een belangrijk onderdeel vormen van milieu-inspectieactiviteiten;

(11) Overwegende dat de gegevens en documentatie die ter beschikking worden gesteld door de exploitanten van industriële installaties die in het kader van het communautaire milieubeheer- en milieuauditsysteem [14] zijn aangemeld, in de context van milieu-inspecties een nuttige bron van informatie kunnen vormen;

[14] Verordening (EEG) nr. 1836/93 van de Raad van 29 juni 1993 inzake de vrijwillige deelneming van bedrijven uit de industriële sector aan een communautair milieubeheer- en milieuauditsysteem - PB L 168 van 10.7.1993, blz. 1. (footnote to be numbered 13, as well as in text)

(12) Overwegende dat, om conclusies te kunnen trekken uit de bezoeken ter plaatse, regelmatig rapporten moeten worden opgesteld;

(13) Overwegende dat de verslaglegging van inspectieactiviteiten en de vrije toegang tot de desbetreffende informatie een belangrijke manier zijn om door middel van transparantie de betrokkenheid van burgers, NGO's en andere belanghebbenden bij de tenuitvoerlegging van de communautaire milieuwetgeving te garanderen; overwegende dat dergelijke informatie toegankelijk moet worden gemaakt overeenkomstig het bepaalde in Richtlijn 90/313/EEG van 7 juni 1990 inzake de vrije toegang tot milieu-informatie [15];

[15] PB L 158 van 23.6.1990, blz. 56. (footnote to be numbered 14, as well as in text)

(14) Overwegende dat de lidstaten elkaar administratieve bijstand dienen te verlenen bij de uitvoering van deze aanbeveling;

(15) Overwegende dat de Commissie doorlopend moet toezien op de tenuitvoerlegging en de doeltreffende toepassing van deze aanbeveling, en dat zij daarover, zo spoedig mogelijk na de ontvangst van de verslagen van de lidstaten, bij de Raad en het Europees Parlement verslag dient uit te brengen;

(16) Overwegende dat in het licht van het subsidiariteitsbeginsel en het evenredigheids beginsel als omschreven in artikel 3B 5 van het Verdrag, en gegeven de verschillen in inspectiesystemen en mechanismen in de lidstaten, de doelstellingen van de voorgestelde maatregel derhalve het beste kunnen worden gerealiseerd via de vaststelling van richtsnoeren op Gemeenschapsniveau,

BEVEELT BEVELEN HET VOLGENDE AAN:

Doel

In de lidstaten moeten milieu-inspecties worden uitgevoerd overeenkomstig minimum criteria met betrekking tot de organisatie, de uitvoering, de follow-up en de bekendmaking van de resultaten van die inspecties, teneinde in alle lidstaten de naleving van de communautaire milieuwetgeving kracht bij te zetten en bij te dragen tot een uniforme tenuitvoerlegging en handhaving daarvan.

Werkingssfeer en definities

1. Deze aanbeveling is van toepassing op milieu-inspecties van alle industriële installaties en andere ondernemingen en inrichtingen waarvan de emissies en/of lozingen in het milieu, of de activiteiten die daarin resulteren, krachtens de wetgeving van de Europese Gemeenschap onderworpen zijn aan voorschriften betreffende toelatingen of vergunningen. Zij is eveneens van toepassing op inspecties van kerninstallaties, inclusief die uit de onderzoeks- en medische sectoren. Al deze installaties worden hierna "gecontroleerde installaties" genoemd.

2. In deze aanbeveling wordt onder "milieu-inspectie" een activiteit verstaan welke naar gelang van het geval behelst:

a) de controle en bevordering van de naleving door de gecontroleerde installaties van de milieuvoorschriften welke zijn vervat in de wetgeving van de Europese Gemeenschap en in de wetten, verordeningen, decreten, richtlijnen, verboden, toelatingen en/of vergunningen van de lidstaten waarbij die milieuvoorschriften (hierna "EG-voorschriften" te noemen) worden ten uitvoer gelegd of toegepast;

b) de bewaking van de effecten van de gecontroleerde installaties op het milieu teneinde te bepalen of verdere inspecties of coërcerende maatregelen (met inbegrip van de wijziging of intrekking van enige toelating of vergunning) vereist zijn om de naleving van de EG-voorschriften te garanderen;

c) het verrichten van handelingen voor bovengenoemde doeleinden, met inbegrip van:

- bezoeken ter plaatse;

- bewaking van de milieukwaliteit;

- onderzoek van milieuauditrapporten en milieuverklaringen;

- onderzoek en verificatie van de eventuele zelfmonitoring die door of ten behoeve van de exploitanten van gecontroleerde installaties wordt uitgevoerd;

- beoordeling van de activiteiten en werkzaamheden die in de gecontroleerde installaties plaatsvinden;

- controle van de betrokken infrastructuur, het onderhoud van de voorzieningen en de adequaatheid van het beheer van de locatie;

- controle van de relevante, door de exploitanten van de gecontroleerde installaties bijgehouden bescheiden.

3. Milieu-inspecties, met inbegrip van de bezoeken ter plaatse, geschieden

- stelselmatig, d.w.z. dat zij deel uitmaken van een vooraf vastgesteld inspectie programma, of

- incidenteel, d.w.z. dat zij bijvoorbeeld plaatsvinden naar aanleiding van een klacht, in samenhang met de afgifte, hernieuwing of wijziging van een toelating of vergunning, of in het kader van een onderzoek naar een ongeval, een incident of een geval van niet-naleving van de voorschriften.

4.a) Milieu-inspecties kunnen worden uitgevoerd door gelijk welke door de lidstaat ingestelde of aangewezen nationale, regionale of plaatselijke overheidsinstantie die bevoegd is voor onder deze aanbeveling vallende materies.

b) De onder a) bedoelde instanties kunnen de taken waarin deze aanbeveling voorziet, conform de nationale wetgeving delegeren aan een publiekrechtelijke of privaatrechtelijke rechtspersoon die deze taken op hun gezag en onder hun toezicht uitvoert, op voorwaarde dat bedoelde rechtspersoon geen persoonlijk belang heeft bij de uitkomst van de door hem uitgevoerde inspecties.

c) De onder a) en b) bedoelde instanties worden hierna "de inspecterende instanties" genoemd.

5. In deze aanbeveling wordt onder "exploitant van een gecontroleerde installatie" verstaan iedere natuurlijke of rechtspersoon die de gecontroleerde installatie exploiteert of die de controle daarover heeft of aan wie, voorzover de nationale wetgeving daarin voorziet, economische zeggenschap over het technisch functioneren van de gecontroleerde installatie is overgedragen.

III

Organisatie en uitvoering van milieu-inspecties

1. De lidstaten dienen ervoor te zorgen dat de milieu-inspecties gericht zijn op een hoog niveau van milieubescherming; te dien einde nemen zij de nodige maatregelen om te garanderen dat de milieu-inspecties van gecontroleerde installaties plaatsvinden en worden uitgevoerd overeenkomstig de punten IV, V, VI, VII en VIII van deze aanbeveling.

2. De lidstaten verlenen elkaar administratieve bijstand bij de toepassing van de richtsnoeren van deze aanbeveling door de uitwisseling van relevante informatie en, in voorkomend geval, inspecteurs.

3. Teneinde illegale grensoverschrijdende praktijken op milieugebied te voorkomen, bevorderen de lidstaten in samenwerking met IMPEL en de Commissie de coördinatie van inspecties en inspectiediensten tussen de lidstaten.

Planning van de milieu-inspecties

1. De lidstaten dienen ervoor te zorgen dat de milieu-inspectiesactiviteiten van tevoren worden gepland. Daartoe dienen zij te allen tijde te beschikken over een plan of plannen voor milieu-inspecties dat/die het gehele grondgebied van de lidstaat en de gecontroleerde installaties daarop omvat(ten). Dit plan of deze plannen moet(en) openbaar worden gemaakt overeenkomstig het bepaalde in Richtlijn 90/313/EEG inzake de vrije toegang tot milieu-informatie.

2. Dit plan of deze plannen mag/mogen op nationaal, regionaal of plaatselijk niveau worden vastgesteld, maar de lidstaten dienen ervoor te zorgen dat hun plan of plannen toepasselijk is/zijn op alle milieu-inspecties van gecontroleerde installaties op hun grondgebied en dat de in punt II. 4 bedoelde instanties voor de uitvoering van die inspecties worden aangewezen.

3. De plannen voor milieu-inspecties moeten worden opgesteld op basis van:

a) de EG-voorschriften die moeten worden nageleefd;

b) een register van de gecontroleerde installaties in het gebied waarop het plan betrekking heeft;

c) een algemene evaluatie van de belangrijke milieuvraagstukken in het gebied waarop het plan betrekking heeft en een algemene beoordeling van de mate waarin de EG-voorschriften in de gecontroleerde installaties worden nageleefd;

d) gegevens betreffende, en verkregen in het kader van, eerdere inspectieactiviteiten.

4. De plannen voor milieu-inspecties moeten:

a) aangepast zijn aan de inspectietaken van de betrokken instanties en rekening houden met de aard van de betrokken gecontroleerde installaties en de risico's en milieu-effecten van de emissies en lozingen daarvan;

b) rekening houden met de relevante beschikbare informatie betreffende specifieke locaties of types gecontroleerde installaties, zoals rapporten van de exploitanten van gecontroleerde installaties aan de overheid, gegevens verkregen door zelf monitoring, milieuauditgegevens en milieuverklaringen - met name die welke werden opgesteld door de gecontroleerde installaties die zijn aangemeld bij het communautaire milieubeheer- en milieuauditsysteem -, resultaten van eerdere inspecties en rapporten over de bewaking van milieukwaliteit.

5. Ieder plan voor milieu-inspecties dient ten minste

a) een omschrijving te omvatten van het geografisch gebied waarop het betrekking heeft en dat het geheel of een deel van het grondgebied van de lidstaat beslaat;

b) betrekking te hebben op een nader omschreven tijdsinterval (ten hoogste één jaar);

c) specifieke bepalingen met het oog op zijn eigen herziening te bevatten;

d) de specifieke locaties of het type van de betrokken gecontroleerde installaties te omschrijven;

e) programma's voor stelselmatige milieu-inspecties voor te schrijven, in voorkomend geval met inbegrip van de frequentie van de bezoeken ter plaatse van de diverse types gecontroleerde installaties of van nader gespecificeerde gecontroleerde installaties;

f) te voorzien in procedures voor incidentele milieu-inspecties en een algemene omschrijving daarvan te geven voor gevallen waarin moet worden gereageerd op klachten, ongevallen, incidenten en gevallen van niet-naleving van de voorschriften c.q. waarin de afgifte van een vergunning wordt beoogd.

Bezoeken ter plaatse

1. De lidstaten dienen ervoor te zorgen dat met betrekking tot alle bezoeken ter plaatse aan de volgende criteria wordt voldaan:

a) er moet grondig worden gecontroleerd of de voor de inspectie in kwestie relevante EG-voorschriften worden nageleefd;

b) indien de bezoeken ter plaatse door meer dan één milieu-inspectie-instantie worden uitgevoerd, dienen die instanties onderling gegevens over hun activiteiten uit te wisselen en, voorzover mogelijk, hun bezoeken ter plaatse en hun andere milieu-inspectiewerkzaamheden te coördineren;

c) de bevindingen van de bezoeken ter plaatse moeten worden neergelegd in rapporten overeenkomstig punt VI en indien nodig worden uitgewisseld tussen de betrokken inspecterende, toezichthoudende en andere autoriteiten op nationaal, regionaal en plaatselijk niveau;

d) de inspecteurs of andere functionarissen die bevoegd zijn om bezoeken ter plaatse af te leggen, dienen ten behoeve van de milieu-inspectie een wettelijk recht van toegang tot de locaties en tot de informatie te hebben.

2. De lidstaten zien erop toe dat de inspecterende instanties in het kader van hun stelselmatige milieu-inspecties regelmatig bezoeken ter plaatse afleggen en dat ten aanzien van die bezoeken ter plaatse aan de volgende aanvullende criteria wordt voldaan:

a) er dient een geïntegreerde benadering te worden toegepast waarbij, overeenkomstig de toepasselijke EG-voorschriften, de milieu-inspectieprogramma's en de organisatorische regelingen van de inspecterende instanties, de gehele scala aan milieueffecten wordt onderzocht;

b) dergelijke bezoeken ter plaatse moeten erop gericht zijn de kennis en het inzicht van de exploitanten inzake de relevante EG-voorschriften en communautaire aandachtspunten op milieugebied alsmede de milieueffecten van hun activiteiten te vergroten en te consolideren;

c) de milieurisico's en milieueffecten van de gecontroleerde installatie moeten worden onderzocht ter evaluatie van de doeltreffendheid van de bestaande voorschriften inzake toelatingen of vergunningen en ter beantwoording van de vraag of verbeteringen of andere wijzigingen van die voorschriften noodzakelijk zijn.

3. De lidstaten zien er eveneens op toe dat in de volgende omstandigheden incidentele bezoeken ter plaatse worden afgelegd:

a) bij onderzoek door de bevoegde inspecterende instanties van ernstige milieuklachten, en zulks zo spoedig mogelijk nadat die klachten door de instanties zijn ontvangen;

b) bij het onderzoek van ernstige milieuongevallen, incidenten en gevallen van niet-naleving van de voorschriften, en zulks zo spoedig mogelijk nadat zij ter kennis van de bevoegde inspecterende instanties zijn gebracht;

c) ter beantwoording van de vraag of, en zo ja op welke voorwaarden, een eerste toelating of vergunning moet worden afgegeven voor de toepassing van een procédé of een activiteit in een gecontroleerde installatie of op de daarvoor bestemde locatie;

d) in voorkomend geval, vóór de wederuitreiking, hernieuwing of wijziging van toelatingen of vergunningen.

Rapporten en conclusies na bezoeken ter plaatse

1. De lidstaten zien erop toe dat de inspecterende instanties na ieder bezoek ter plaatse een rapport opstellen dat hun bevindingen bevat ten aanzien van de naleving van de EG-voorschriften alsmede een beoordeling terzake en een conclusie ten aanzien van de vraag of verdere maatregelen, zoals coërcerende procedures, met inbegrip van sancties, de afgifte van een nieuwe of herziene toelating of vergunning dan wel follow-up-inspecties met inbegrip van verdere bezoeken ter plaatse, noodzakelijk zijn.

2. De lidstaten zien erop toe dat bedoelde rapporten naar behoren schriftelijk worden geregistreerd en in een gemakkelijk toegankelijk gegevensbestand worden opgeslagen, aan de exploitant van de betrokken gecontroleerde installatie worden medegedeeld en beschikbaar zijn voor het publiek overeenkomstig het bepaalde in Richtlijn 90/313/EEG inzake de vrije toegang tot milieu-informatie. De rapporten dienen binnen twee maanden na het bezoek ter plaatse te worden voltooid.

VII

Onderzoek van ernstige ongevallen, incidenten en gevallen van niet-naleving van de voorschriften

1. De lidstaten zien erop toe dat het onderzoek van ernstige ongevallen, incidenten en gevallen van niet-naleving van de EG-wetgeving, ongeacht of zij naar aanleiding van een klacht of anderszins ter kennis van de autoriteiten worden gebracht, door de bevoegde inspecterende instantie wordt uitgevoerd teneinde:

a) de oorzaken van het voorval en de effecten daarvan op het milieu, alsmede in voorkomend geval de verantwoordelijkheid en de eventuele aansprakelijkheid voor het gebeurde en de gevolgen daarvan op te helderen en de conclusies te doen toekomen aan de instantie die verantwoordelijk is voor de handhaving van de voorschriften, indien het gaat om een andere dan de inspecterende instantie;

b) de gevolgen voor het milieu van het voorval te verzachten en zo mogelijk te verhelpen via de vaststelling van passende, door de exploitant(en) en de autoriteiten te nemen maatregelen;

c) te bepalen welke maatregelen moeten worden getroffen om verdere ongevallen, incidenten en gevallen van niet-naleving van de voorschriften te voorkomen; en

d) indien passend, de uitvoering van coërcerende maatregelen of sancties mogelijk te maken.

2. De lidstaten nemen de nodige maatregelen om te garanderen dat door de bevoegde inspecterende instantie na een dergelijke milieu-inspectie wordt geverifieerd of de exploitant naar aanleiding van het ongeval, incident of geval van niet-naleving van de voorschriften en het onderzoek daarvan door de inspecterende instantie, de passende stappen onderneemt.

VIII

Verslaglegging van milieu-inspectieactiviteiten in het algemeen

1. De lidstaten zien erop toe dat twee jaar na de in punt X genoemde datum verslag wordt uitgebracht aan de Commissie over de ervaringen met de uitvoering van de aanbeveling, waarbij voorzover mogelijk gebruik wordt gemaakt van de beschikbare informatie afkomstig van de regionale en plaatselijke inspecterende instanties.

2. Die verslagen moeten ter beschikking van de bevolking en van de Commissie worden gesteld en dienen met name de volgende informatie te bevatten:

a) kwantitatieve gegevens over de personele en andere middelen waarover de inspecterende instanties beschikken;

b) nadere bijzonderheden betreffende de rol van de inspecterende instantie en haar bijdrage aan de opstelling en tenuitvoerlegging van het/de betrokken inspectieplan(nen);

c) beknopte gegevens over de uitgevoerde milieu-inspecties, met inbegrip van het aantal bezoeken ter plaatse, het percentage van ieder type gecontroleerde installaties dat werd geïnspecteerd en hoelang het naar schatting zal duren alvorens alle gecontroleerde installaties van dat type zullen zijn geïnspecteerd;

d) de mate waarin door de gecontroleerde installaties aan de EG-voorschriften wordt voldaan blijkens de uitgevoerde inspecties en eventuele andere informatie waarover de bevoegde instantie beschikt met betrekking tot de ligging en het type van de gecontroleerde installaties, de eventuele specifieke EG-voorschriften die niet werden nageleefd en de ernst van de inbreuk;

e) een samenvatting van de maatregelen die werden getroffen naar aanleiding van klachten, ongevallen, incidenten en gevallen van niet-naleving van de voorschriften, met vermelding van het aantal behandelde zaken;

f) een evaluatie van de met de inspectieplannen, voorzover zij op de inspecterende instantie van toepassing zijn, al dan niet behaalde resultaten alsmede aanbevelingen voor in de toekomst op te stellen plannen.

VIIIa

1. IMPEL (het netwerk van de Europese Unie voor de tenuitvoerlegging en handhaving van de milieuwetgeving) ontwikkelt zo spoedig mogelijk, in samenwerking met de Commissie en andere belanghebbenden, minimumcriteria inzake de kwalificaties en de accreditatie van milieu-inspecteurs die bevoegd zijn om ten behoeve van, op gezag van of onder toezicht van de inspecterende instanties inspecties uit te voeren.

2. In samenwerking met IMPEL, de Commissie en andere belanghebbenden ontwikkelen de lidstaten zo spoedig mogelijk opleidingsprogramma's teneinde aan de vraag naar gekwalificeerde milieu-inspecteurs te voldoen.

Evaluatie van het functioneren van de minimumcriteria door de Commissie

Zo spoedig mogelijk na de ontvangst van de in punt VIII genoemde verslagen van de lidstaten evalueert de Commissie het functioneren van deze aanbeveling en de doeltreffendheid ervan, teneinde in het licht van de met de toepassing ervan opgedane ervaring de werkingssfeer van de minimumcriteria uit te breiden; daarbij houdt zij rekening met eventuele bijdragen van belanghebbenden, waaronder IMPEL en het Europees Milieuagentschap.

Tenuitvoerlegging

De lidstaten wordt verzocht deze aanbeveling uiterlijk twaalf maanden na de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen ten uitvoer te leggen en de Commissie hiervan onverwijld in kennis te stellen, en bij die gelegenheid nadere gegevens over de reeds bestaande of geplande milieu-inspectiemechanismen te verstrekken.

Gedaan te Brussel,

Voor het Europees Parlement Voor de Raad

De voorzitter De voorzitter