Voorstel voor een besluit van de Raad betreffende het stelsel van eigen middelen van de Europese Unie - (door de Commissie ingediend) /* COM/99/0333 def. */
Publicatieblad Nr. C 274 E van 28/09/1999 blz. 0039 - 0043
Voorstel voor een BESLUIT VAN DE RAAD betreffende het stelsel van eigen middelen van de Europese Unie (Door de Commissie ingediend) TOELICHTING 1. INLEIDING 1.1. De Europese Raad van 24-25 maart 1999 te Berlijn heeft de Commissie verzocht een nieuw besluit betreffende de eigen middelen op te stellen waarin rekening wordt gehouden met zijn conclusies over de financiering van de Europese Unie in de periode 2000-2006. Het nieuwe besluit zal tijdig door de Raad moeten worden vastgesteld om de aanneming ervan door de lidstaten op 1 januari 2002 te kunnen aanbevelen overeenkomstig de procedure die is neergelegd in artikel 269 van het EG-Verdrag en artikel 173 van het EGA-Verdrag. In zijn conclusies bevestigde de Europese Raad dat: - aan de Unie de nodige middelen moeten worden verschaft om haar beleid te financieren, met inachtneming evenwel van een strenge begrotingsdiscipline; - het stelsel van eigen middelen billijk, doorzichtig, kostendoelmatig en eenvoudig moet zijn; - het stelsel moet worden gebaseerd op criteria die het vermogen van de lidstaten om in de begroting bij te dragen het best tot uitdrukking brengen; - verschillende factoren rechtstreeks of onrechtstreeks een belangrijke rol spelen in de bepaling van de begrotingsonevenwichtigheden. Deze factoren zijn onder meer de samenstelling en het totale bedrag van de EU-uitgaven, alsook de samenstelling van de eigen middelen. 1.2. Het voorstel voor een besluit van de Raad bevat: - bepalingen om uitvoering te geven aan de conclusies van de Europese Raad over de structuur van het financieringsstelsel van de EU. Deze bepalingen worden beschreven in deel A van de toelichting; - bijkomende bepalingen tot wijziging van bestaande regelingen. De Commissie acht deze bepalingen noodzakelijk voor de wettelijke samenhang van de regelingen en de goede werking van het financieringsstelsel in de komende jaren. Deze bepalingen worden beschreven in deel B. A. TENUITVOERLEGGING VAN DE CONCLUSIES VAN DE EUROPESE RAAD 1. Verlaging van het maximale BTW-percentage (artikel 2, lid 4, sub a)) Om steeds beter rekening te houden met het vermogen van elke lidstaat om in de EU-begroting bij te dragen en de regressieve aspecten van het huidige systeem voor de minst welvarende lidstaten te corrigeren, heeft de Europese Raad besloten het maximale afroepingspercentage van de BTW-middelen, thans 1 %, te verlagen tot - 0,75 % in 2002 en 2003, - 0,50 % vanaf 2004. De tekst van het besluit wordt in die zin aangepast. 2. Verhoging van het door de lidstaten als inningskosten ingehouden percentage van de zogenoemde "traditionele eigen middelen" (artikel 2, lid 3) De Europese Raad acht het passend het percentage dat de lidstaten inhouden om de kosten van de inning van de traditionele eigen middelen (middelen vermeld in artikel 2, lid 1, sub a en b, van het besluit betreffende de eigen middelen, in hoofdzaak douanerechten en landbouwheffingen) te dekken, vanaf 2001 op te trekken van de huidige 10 tot 25 %. Artikel 2, lid 3, van het besluit wordt in die zin aangepast. De verhoging geldt voor alle eigen middelen die na 31 december 2000 worden vastgesteld. Middelen die vóór die datum zijn of hadden moeten zijn vastgesteld vallen nog onder de vergoeding van 10 %. Deze verhoging is om verschillende redenen gewettigd. Enerzijds houden de douanewerkzaamheden die namens de Unie worden uitgevoerd steeds meer taken in die niet tot inning van eigen middelen leiden (bijvoorbeeld controle van quota, gezondheids- en veiligheidseisen enz.) en waarvoor de huidige regelingen in geen vergoeding voorzien. Anderzijds zijn de ontdekte fraudes en onregelmatigheden op het gebied van de eigen middelen aanzienlijk toegenomen. In vergelijking met 1995 en 1996 zijn de door de lidstaten gemelde gevallen en de erbij betrokken bedragen sterk gestegen, hetgeen vooral wijst op een grotere betrokkenheid van de georganiseerde misdaad [1]. [1] Zie "Bescherming van de financiële belangen van de Gemeenschappen - Fraudebestrijding", Jaarverslag 1997,COM(98) 276 def. van 6 mei 1998. De lidstaten moeten meer middelen uittrekken voor fraudebestrijding en verbetering van de doelmatigheid van de inning van de landbouwheffingen en de douanerechten. Ook moeten zij nauwer samenwerken met de Commissie. In de nieuwe tekst wordt voorgesteld dat zij volledig verslag uitbrengen over alle onregelmatigheden en in het bijzonder over het niet vaststellen van eigen middelen als gevolg van administratieve fouten. 3. Technische aanpassingen van de correctie voor begrotingsonevenwichtigheden ten behoeve van het Verenigd Koninkrijk (artikel 4) De Europese Raad heeft besloten dat de Britse correctie blijft bestaan. Overeenkomstig de beginselen die tot uiting komen in de conclusies van de Europese Raad van Brussel van 1988 en die van Edinburgh van 1992, besloot de Europese Raad van Berlijn evenwel dat het bedrag ervan geen bijzondere baten mag omvatten die het gevolg zijn van de veranderingen van het financieringssysteem die bij het nieuwe besluit worden ingevoerd. De voorgestelde bepalingen van artikel 4 van het nieuwe besluit betreffende de eigen middelen voorzien dan ook in neutralisatie van de bijzondere baten die het Verenigd Koninkrijk zou kunnen hebben als gevolg van de verhoging van het door de lidstaten voor hun inningskosten ingehouden percentage van de traditionele eigen middelen. Met het oog op de uitbreiding van de Unie besloot de Europese Raad ook dat een aanpassing zal worden uitgevoerd om de Britse correctie te verlagen, waarbij zal worden gezorgd dat de uitgaven die vóór de uitbreiding niet werden gecorrigeerd het ook na de uitbreiding niet worden. De aanpassing zal erin bestaan de totale toegerekende uitgaven te verminderen met een bedrag dat overeenkomt met de pretoetredingsuitgaven in de toetredende lidstaten. Het bedrag van de aanpassing bij elke uitbreiding zal worden overgedragen als permanente aanpassing van de Britse correctie in de volgende jaren. 4. Wijziging van de financiering van de Britse correctie (artikel 5, lid 1) De Europese Raad van Berlijn heeft besloten de regels voor de financiering van de Britse correctie door de andere lidstaten te wijzigen. In het besluit zal worden bepaald dat de financiering van de Britse correctie door de andere lidstaten zodanig wordt gewijzigd dat Duitsland, Nederland, Oostenrijk en Zweden hun bijdrage verlaagd zien tot 25 % van hetgeen zij zouden moeten betalen als de veertien lidstaten de Britse correctie volledig financierden. 5. Onderzoek van het stelsel van eigen middelen (nieuw artikel 9) De Europese Raad heeft de Commissie verzocht de werking van het stelsel van eigen middelen, met inbegrip van de effecten van de uitbreidingen, vóór 1 januari 2006 volledig te onderzoeken. Daarbij moet zij rekening houden met de correctie voor begrotingsonevenwichtigheden ten voordele van het VK en de korting op hun aandeel in de financiering van de Britse correctie die wordt toegestaan aan Duitsland, Nederland, Oostenrijk en Zweden. In feite is het BTW-afroepingspercentage niet vast: het varieert met de Britse correctie. Zoals in het vorige eigenmiddelenbesluit (artikel 10), zal de Commissie van de gelegenheid gebruik maken om regelingen te onderzoeken voor de mogelijke invoering van een vast uniform percentage. Ten slotte wordt de Commissie verzocht het vraagstuk van de invoering van nieuwe autonome eigen middelen voor de EU te onderzoeken. B. AANPASSINGEN EN TOEVOEGINGEN AAN HET BESLUIT BETREFFENDE HET STELSEL VAN EIGEN MIDDELEN VAN 1994 1. Maximum van de eigen middelen (artikel 3) De Europese Raad heeft besloten het maximum van de eigen middelen van de Unie op het huidige niveau van 1,27 % van het BNP van de EU te houden. De toepassing van het nieuwe stelsel van geïntegreerde economische rekeningen overeenkomstig Verordening nr. 2223/96 van de Raad (ESR 95) zou echter kunnen leiden tot afwijkende BNP-ramingen voor de lidstaten en de Unie als geheel [2]. Voorkomen moet dus worden dat de voor de Unie beschikbare middelen louter als gevolg van een verbetering van de statistische methode een verandering ondergaan. [2] In het ESR 95 (Verordening nr. 2223/96 van de Raad) is het concept BNP vervangen door het concept BNI (bruto nationaal inkomen). Hoewel het BNI tegen marktprijzen vrijwel hetzelfde is als het BNP tegen marktprijzen, werd het BNP in het ESER 79 op een andere wijze berekend, zodat er kleine verschillen tussen de twee cijfers zijn; vooral voor de kleinste lidstaten zijn er duidelijke afwijkingen. Om te zorgen dat in het eigenmiddelenbesluit het BNP-concept wordt gebruikt, zal de Raad met algemene stemmen op voorstel van de Commissie door middel van een verordening de definitie van BNP opnemen in Verordening nr. 2223/96, en een nieuwe BNP-richtlijn vaststellen ter vervanging van Richtlijn 89/130/EG, Euratom. Artikel 2, lid 7, van het nieuwe besluit luidt in die zin. Daarom moet het huidige maximum worden aangepast aan de hand van een vergelijking tussen de BNP-cijfers volgens de oude en de nieuwe verordening over een periode van twee of drie jaar. De cijfers zijn nog niet beschikbaar en daarom wordt in het besluit betreffende de eigen middelen voorgesteld een formule voor de aanpassing te bepalen. Voorgesteld wordt dat de Commissie de berekening zal uitvoeren in december 2001. Artikel 3 van het nieuwe besluit betreffende de eigen middelen definieert de relevante bijzonderheden voor de aanpassing van de huidige maxima van 1,27 % (betalingen) en 1,335 % (vastleggingen). Het bepaalt ook dat dezelfde procedure moet worden gevolgd bij toekomstige wijzigingen van het stelsel van economische rekeningen die tot belangrijke veranderingen van de hoogte van het BNP kunnen leiden. 2. Vereenvoudiging van de presentatie van de Britse correctie Momenteel wordt voor de Britse correctie een overbodige dubbele berekening uitgevoerd welke de Commissie voorstelt af te schaffen. Deze vereenvoudiging heeft geen invloed op het resultaat van de berekening. In Besluit 94/728/EG, Euratom is sprake van de concepten en berekening van een "basisbedrag" (artikel 4, lid 1) en een "referentiecompensatie" (artikel 4, lid 2). Het eerste concept is niet van belang voor de berekening van de correctie. Het werd in 1988 ingevoerd om (enigszins onjuist) de invloed van de invoering van de BNP-middelen op de Britse correctie aan te geven. Nu, 12 jaar later en na vele andere veranderingen, heeft het alle betekenis verloren die het oorspronkelijk gehad kan hebben. Daarom stelt de Commissie voor slechts één wijze van berekening van de correctie aan te geven en daartoe in artikel 4 de leden 1 en 3 en in lid 2 het woord "referentie" te schrappen. 3. Consequent gebruik van gegevens op kas- of transactiebasis Er is een onverenigbaarheid in het gebruik van kas- of transactiegegevens tussen de voorlopige ramingen van de correctie (kasgegevens) en de definitieve berekeningen (transactiegegevens). Besluit 94/728/EG, Euratom bepaalt dat de Britse correctie op kasbasis moet worden berekend, en de voorlopige ramingen van de correctie worden op deze basis berekend. Bij de huidige methode worden echter gegevens op transactiebasis gebruikt voor de definitieve berekening, en sinds het begin van het stelsel zijn de definitieve bedragen op deze wijze berekend. Dit gebrek aan consequentie heeft geen invloed op de uiteindelijke uitkomst, maar het leidt tot een onnodige variabiliteit van de bedragen die op voorlopige grondslag in de begroting van het jaar na dat waarvoor de correctie verschuldigd is (oorspronkelijke begroting en eventueel gewijzigde en aanvullende begrotingen) worden opgenomen. Gebleken is dat aanpassingen van de voorlopige raming van de Britse correctie op basis van kasgegevens niet altijd bijdragen tot overeenstemming tussen de voorlopige en de definitieve berekening van de correctie. De reden is dat bij aanpassingen op basis van kasgegevens rekening moet worden gehouden met de saldi van de voorafgaande jaren, die niet altijd een voorspellende waarde hebben voor de definitieve correctie. Voorgesteld wordt artikel 4 te wijzigen en alle berekeningen van de compensatie te baseren op transactiegegevens, zodat de berekening van de voorlopige ramingen klopt met die van de definitieve correctie. 4. Algemene bepalingen (nieuw artikel 10) Het nieuwe besluit treedt in werking op de eerste dag van de maand na ontvangst van de laatste van de kennisgevingen. Het is van kracht met ingang van 1 januari 2002. Artikel 2, leden 3 en 4, heeft terugwerkende kracht tot 1 januari 2001. De bepalingen betreffende de berekening van de middelen en de correctie voor begrotingsonevenwichtigheden voor de aan 2002 respectievelijk 2001 voorafgaande jaren blijven van toepassing voor de aanpassingen van de middelen en de correcties voor deze jaren die na het van kracht worden van het nieuwe besluit worden uitgevoerd. 5. Ondergeschikte wijzigingen en in het nieuwe besluit te schrappen bepalingen (oud) Artikel 6: lid 1 verwees slechts naar één soort bijdragen, niet naar de andere opgenomen in artikel 4, lid 2, van het Financieel Reglement. Omdat deze aangelegenheid in het Financieel Reglement wordt behandeld, is dit lid geschrapt. (oud) Artikel 9: het mechanisme van de degressieve restituties aan Griekenland (tot 1985) en Spanje en Portugal (tot 1991) op grond van de Toetredingsakten zal in het nieuwe besluit niet meer voorkomen, want die jaren zijn lang voorbij. (oud) Artikel 11, lid 2, sub b, eerste zin: de bepalingen betreffende de berekening van middelen voor de jaren voorafgaand aan 1988 zijn niet meer nodig. Voorstel voor een BESLUIT VAN DE RAAD betreffende het stelsel van eigen middelen van de Europese Unie (../ /EG, Euratom) DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE, Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, inzonderheid op artikel 269, Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie, inzonderheid op artikel 173, Gezien het voorstel van de Commissie [3], [3] PB C ... van ... 1999, blz. ... Gezien het advies van het Europees Parlement [4], [4] PB C ... van ... 1999, blz. ... Gezien het advies van de Rekenkamer [5], [5] PB C ... van ... 1999, blz. ... Gezien het advies van het Economisch en Sociaal Comité [6], [6] PB C ... van ... 1999, blz. ... Gezien het advies van het Comité van de Regio's [7], [7] PB C ... van ... 1999, blz. ... (1) Overwegende dat Besluit 94/728/EG, Euratom van de Raad van 31 oktober 1994 betreffende het stelsel van eigen middelen van de Europese Gemeenschappen [8] de vaststelling van de eigen middelen voor het jaar 1999 heeft gewijzigd door de grondslag van de BTW-middelen af te toppen op 50 % van het bruto nationaal product (BNP) tegen marktprijzen en door het maximale BTW-afroepingspercentage te verlagen tot 1,0 %; [8] PB L 293 van 12.11.1994, blz. 9. (2) Overwegende dat bij het genoemde besluit het maximum van de eigen middelen voor 1999 op 1,27 % van het BNP van de Europese Unie tegen marktprijzen werd vastgesteld en dat voor de vastleggingskredieten een algemeen maximum van 1,335 % van het BNP van de Unie werd bepaald; (3) Overwegende dat de Europese Raad van Berlijn van 24-25 maart 1999 bepaalde conclusies heeft bereikt; (4) Overwegende dat het stelsel van eigen middelen van de Unie de zekerheid moet bieden van toereikende middelen voor een geordende ontwikkeling van het beleid van de Unie, met inachtneming van een strakke begrotingsdiscipline; (5) Overwegende dat het stelsel billijk, doorzichtig, kostendoelmatig en eenvoudig moet zijn; (6) Overwegende dat het stelsel gebaseerd moet zijn op criteria die het bijdragevermogen van elke lidstaat het best tot uitdrukking brengen; (7) Overwegende dat de beste gegevens moeten worden gebruikt voor de begroting en de eigen middelen van de EU; dat bij het van kracht worden van een nieuw besluit tot intrekking van Besluit 94/278/EG, Euratom van de Raad de toepassing van het nieuwe stelsel van geïntegreerde economische rekeningen overeenkomstig Verordening nr. 2223/96 van de Raad (ESR 95) [9] de meting van de gegevens van de nationale rekeningen zal verbeteren; dat het gebruik van het nieuwe stelsel kan leiden tot een verandering van het maximumbedrag aan middelen dat de EU ter beschikking wordt gesteld volgens de in percent van het BNP uitgedrukte BNP-maxima; dat het in percent van het BNP uitgedrukte maximum moet worden aangepast teneinde het bedrag van de financiële middelen dat ter beschikking van de Unie wordt gesteld ongewijzigd te houden; dat betrouwbare ramingen van het BNP van de EU zowel volgens het ESR 95 als de tweede editie van het ESER binnen afzienbare tijd beschikbaar zullen zijn; dat een formule moet worden vastgesteld voor het bepalen van de nieuwe maxima die moeten worden gebruikt in verband met het volgens het ESR 95 berekende BNP, welke bij het van kracht worden van dit besluit moet worden toegepast; [9] PB L 310 van 30.11.1996, blz. 1. (8) Overwegende dat in de toekomst, bij gelegenheid van veranderingen in het stelsel van nationale rekeningen die belangrijke gevolgen voor de hoogte van het BNP hebben, dezelfde methode moet worden gebruikt; (9) Overwegende dat het bij Verordening nr. 2223/96 van de Raad vastgestelde Europees stelsel van economische rekeningen (ESR 95) geen expliciete vermelding van het BNP-concept bevat en dat de definitie van BNP er in moet worden opgenomen; dat Richtlijn 89/130/EG, Euratom van de Raad [10] moet worden aangepast om rekening te houden met Verordening nr. 2223/96 (ESR 95); [10] PB L 49 van 21.2.1989, blz. 26. (10) Overwegende dat moet worden gezorgd voor een geordende ontwikkeling van de vastleggingskredieten en de betalingskredieten; (11) Overwegende dat, ter voorzetting van het proces waarbij rekening wordt gehouden met het vermogen van elke lidstaat om aan het stelsel van eigen middelen bij te dragen en waarbij voor de minst welvarende lidstaten de regressieve elementen van het huidige stelsel worden bijgesteld, de Europese Raad tot de conclusie kwam dat de financieringsregels van de Unie als volgt moeten worden gewijzigd: - het maximale afroepingspercentage van de BTW-middelen wordt in 2002 en 2003 tot 0,75 % en vanaf 2004 tot 0,50 % verlaagd; - de BTW-grondslag van de lidstaten blijft afgetopt op 50 % van hun BNP; (12) Overwegende dat de Europese Raad het passend heeft geacht het bedrag te verhogen dat de lidstaten inhouden ter dekking van de kosten van inning, controle, fraudebestrijding en verslaglegging met betrekking tot de zogenaamde traditionele eigen middelen die aan de begroting van de Europese Unie worden afgedragen; dat het wenselijk is de doelmatigheid van het beheer van deze middelen nog te verbeteren en dat de lidstaten, om redenen van doorzichtigheid en goed financieel beheer, verantwoording moeten afleggen voor alle onregelmatigheden die zich voordoen bij de toepassing van de inningssystemen; (13) Overwegende dat de begrotingsonevenwichtigheden zodanig moeten worden gecorrigeerd dat de voor het beleid van de Europese Unie beschikbare eigen middelen niet worden beïnvloed; (14) Overwegende dat de Europese Raad van 24 en 25 maart 1999 besloten heeft de wijze van berekening van de correctie voor begrotings-onevenwichtigheden als omschreven in Besluit 88/376/EEG, Euratom en bevestigd bij Besluit 94/728/EG, Euratom te wijzigen om bijzondere baten die voortvloeien uit veranderingen van het financieringssysteem en de toekomstige uitbreidingen, uit te sluiten; (15) Overwegende dat de Europese Raad van 24 en 25 maart 1999 besloten heeft de financiering van de correctie voor begrotingsonevenwichtigheden ten behoeve van het Verenigd Koninkrijk te wijzigen om Duitsland, Nederland, Oostenrijk en Zweden een verlaging van hun aandeel in de financiering tot 25 % van het normale aandeel toe te kennen; (16) Overwegende dat de monetaire reserve, hierna "monetaire reserve EOGFL" genoemd, de reserve voor de financiering van het Garantiefonds en de reserve voor spoedhulp in niet-lidstaten onder bijzondere regelingen vallen; (17) Overwegende dat de Europese Raad van 24 en 25 maart 1999 de Commissie heeft verzocht vóór 1 januari 2006 een verslag in te dienen over de werking van het stelsel van eigen middelen en in het bijzonder de gevolgen van de uitbreiding voor de financiering van de begroting; dat in het verslag ook de correctie voor begrotingsonevenwichtigheden ten behoeve van het Verenigd Koninkrijk en de verlaging van het aandeel van Duitsland, Nederland, Oostenrijk en Zweden in de financiering van deze correctie zou moeten worden behandeld; dat in het verslag tevens de mogelijkheid zou moeten onderzocht worden om nieuwe autonome eigen middelen te creëren, alsook regelingen voor de mogelijke invoering van een vast uniform percentage dat op de BTW-grondslagen moet worden toegepast; (18) Overwegende dat dient te worden voorzien in bepalingen die de overgang mogelijk maken van het bij Besluit 94/728/EG, Euratom ingevoerde stelsel naar het uit dit besluit voortvloeiende stelsel; (19) Overwegende dat de Europese Raad heeft bepaald dat dit besluit op 1 januari 2002 van kracht wordt, HEEFT DE VOLGENDE BEPALINGEN VASTGESTELD WAARVAN HIJ DE AANNEMING DOOR DE LIDSTATEN AANBEVEELT: Artikel 1 Aan de Europese Unie worden overeenkomstig de in de volgende artikelen vastgelegde regels eigen middelen toegekend voor de financiering van haar begroting overeenkomstig artikel 269 van het EG-Verdrag en artikel 173 van het EGA-Verdrag. De begroting van de Unie wordt, onverminderd andere ontvangsten, geheel uit de eigen middelen van de Unie gefinancierd. Artikel 2 1. Vormen op de begroting van de Unie opgevoerde eigen middelen, de ontvangsten uit: a) de heffingen, premies, extra bedragen of compenserende bedragen, aanvullende bedragen of aanvullende elementen en de overige door de instellingen van de Unie in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid ingevoerde of in te voeren rechten op het handelsverkeer met niet-lidstaten, alsmede de bijdragen en andere heffingen die in het kader van de gemeenschappelijke ordening der markten in de sector suiker zijn vastgesteld; b) de rechten van het gemeenschappelijk douanetarief en de overige door de instellingen van de Unie ingevoerde of in te voeren rechten op het handelsverkeer met niet-lidstaten, alsmede de douanerechten op de onder het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal vallende producten; c) de toepassing van een voor alle lidstaten geldend uniform percentage op de BTW-grondslag die op uniforme wijze is vastgesteld volgens EU-voorschriften. De hiertoe in aanmerking te nemen grondslag mag niet meer bedragen dan 50 % van het BNP van elke lidstaat; d) de toepassing van een, met inachtneming van alle andere ontvangsten, in het kader van de begrotingsprocedure vast te stellen percentage op de som van het BNP van alle lidstaten. 2. De ontvangsten uit andere belastingen die in het kader van een gemeenschappelijk beleid overeenkomstig het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap of het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie worden ingesteld, voor zover de procedure van artikel 269 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap of van artikel 173 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie is voltooid, vormen eveneens eigen middelen die op de begroting van de Unie worden opgevoerd. 3. Als innings-, controle-, fraudebestrijdings- en verslagleggingskosten houden de lidstaten 25 % in op de in lid 1, sub a) en b), bedoelde bedragen die na 31 december 2000 zijn vastgesteld. Op bedragen die vóór die datum zijn of moesten worden vastgesteld wordt 10 % ingehouden. 4. Het in lid1, sub c), bedoelde uniforme percentage is gelijk aan het verschil tussen: a) het maximale afroepingspercentage van de BTW-middelen, dat wordt vastgesteld op - 0,75 % in 2002 en 2003, - 0,50 % vanaf 2004, en b) een percentage ("bevroren percentage") dat overeenkomt met de verhouding tussen het bedrag van de in artikel 4 bedoelde correctie en de som van de BTW-grondslagen, vastgesteld overeenkomstig artikel 2, lid 1, sub c), van alle lidstaten, in aanmerking nemend dat het Verenigd Koninkrijk niet deelneemt in de financiering van zijn correctie en dat het aandeel van Duitsland, Nederland, Oostenrijk en Zweden in de financiering van de Britse correctie tot een vierde van zijn normale waarde wordt teruggebracht. 5. Het overeenkomstig lid 1, sub d), vastgestelde percentage is van toepassing op het BNP van elke lidstaat. 6. Indien de begroting aan het begin van het begrotingsjaar niet is vastgesteld, blijven het voordien vastgestelde uniforme BTW-percentage en het op het BNP van de lidstaten toe te passen percentage, onverminderd de bepalingen die overeenkomstig artikel 8, lid 2, worden vastgesteld voor de monetaire reserve EOGFL, de reserve voor de financiering van het Garantiefonds en de reserve voor noodhulp in derde landen, van toepassing tot de inwerkingtreding van de nieuwe percentages. 7. Voor de toepassing van dit besluit stelt de Raad met algemene stemmen op voorstel van de Commissie en na raadpleging van het Parlement bij verordening een definitie van BNP vast die moet worden opgenomen in Verordening nr. 2223/96, alsook een nieuwe BNP-richtlijn ter vervanging van Richtlijn 89/130/EG, Euratom. Artikel 3 1. Het totale bedrag van de aan de Unie ter dekking van de betalingskredieten toegewezen eigen middelen mag een bepaald percentage van de som van het BNP van de lidstaten niet overschrijden. Dit percentage, met twee decimalen, wordt door de Commissie in december 2001 bepaald volgens de volgende formule: MAXIMUM VAN DE EIGEN MIDDELEN = 1,27% x BNP van 1998 +1999+ 2000 volgens ESER tweede editie BNP van 1998 + 1999 + 2000 volgens ESR 1995 2. De in de algemene begroting van de Unie opgevoerde vastleggingskredieten moeten een geordende ontwikkeling te zien geven tot een totaal bedrag dat een bepaald percentage van de som van het BNP van de lidstaten niet overschrijdt. Dit percentage, met twee decimalen, wordt door de Commissie in december 2001 bepaald volgens de volgende formule: MAXIMUM VAN DE VASTLEGGINGSKREDIETEN = 1,335% x BNP van 1998 +1999+ 2000 volgens ESER tweede editie BNP van 1998 + 1999 + 2000 volgens ESR 1995 Een gepaste verhouding tussen de vastleggingskredieten en de betalingskredieten wordt in acht genomen om ervoor te zorgen dat zij verenigbaar zijn en om in de volgende jaren de hand te kunnen houden aan het in lid 1 vermelde maximum. 3. De Commissie deelt de begrotingsautoriteit de nieuwe maxima voor de eigen middelen mede vóór 31 december 2001. 4. Dezelfde procedure als beschreven in dit artikel, leden 1 en 2, wordt gevolgd bij wijzigingen van het Europees stelsel van economische rekeningen (ESR) die tot belangrijke veranderingen van de hoogte van het BNP kunnen leiden. Artikel 4 Aan het Verenigd Koninkrijk wordt een correctie voor begrotingsonevenwichtigheden toegestaan. Deze correctie wordt bepaald: a) door het verschil in het voorafgaande begrotingsjaar te berekenen tussen: - het procentuele aandeel van het Verenigd Koninkrijk in de som van de niet-afgetopte BTW-grondslagen, - het procentuele aandeel van het Verenigd Koninkrijk in de totale toegerekende uitgaven; b) door het aldus verkregen verschil te vermenigvuldigen met de totale toegerekende uitgaven; c) door het resultaat van b) te vermenigvuldigen met 0,66; d) door van het resultaat van c) de effecten af te trekken die de overgang naar de afgetopte BTW en de in artikel 2, lid 1, sub d), bedoelde afdrachten voor het Verenigd Koninkrijk meebrengen, dat wil zeggen het verschil tussen: - het bedrag dat door het Verenigd Koninkrijk zou zijn afgedragen voor de bedragen gefinancierd uit de middelen bedoeld in artikel 2, lid 1, sub c) en d), indien het uniforme percentage was toegepast op de niet-afgetopte BTW-grondslagen, - de uit de toepassing van artikel 2, lid 1, sub c) en d), voorvloeiende afdrachten van het Verenigd Koninkrijk; e) door met ingang van 2001 van het resultaat van d) de voordelen voor het Verenigd Koninkrijk af te trekken die het gevolg zijn van de verhoging van het percentage van de in artikel 2, lid 1, sub a) en b), bedoelde middelen dat door de lidstaten ter dekking van hun inningskosten en verwante kosten wordt ingehouden; f) bij elke uitbreiding van de Europese Unie zal het resultaat van e) worden aangepast om de Britse correctie te verlagen, opdat de uitgaven waarvoor thans geen correctie geldt ook na de uitbreiding niet worden gecorrigeerd. De aanpassing zal geschieden door de totale toegerekende uitgaven te verlagen met een bedrag dat gelijk is aan de jaarlijkse pretoetredingsuitgaven in de toetredende landen. Alle aldus berekende bedragen worden overgedragen naar het volgende jaar en worden jaarlijks aangepast door toepassing van de BNP-deflator die voor de aanpassing van de financiële vooruitzichten [11] wordt gebruikt. [11] PB C 172 van 18.6.1999, blz. 3. Artikel 5 1. De financiële last van de correctie wordt als volgt door de overige lidstaten gedragen: De verdeling van de last wordt eerst berekend volgens het aandeel van iedere lidstaat in de in artikel 2, lid 1, sub d), bedoelde overmakingen, waarbij het Verenigd Koninkrijk buiten beschouwing wordt gelaten; vervolgens wordt de verdeling zodanig aangepast dat het aandeel van Duitsland, Nederland, Oostenrijk en Zweden tot een vierde van hun aldus berekende aandeel wordt beperkt. 2. De correctie wordt aan het Verenigd Koninkrijk toegekend in de vorm van een vermindering van zijn afdrachten ten gevolge van de toepassing van artikel 2, lid 1, sub c) en d). De door de overige lidstaten gedragen financiële last wordt toegevoegd aan hun afdrachten ten gevolge van de toepassing voor elke lidstaat van artikel 2, lid 1, sub c) en d). 3. De Commissie voert de voor de toepassing van artikel 4 en dit artikel vereiste berekeningen uit. 4. Indien de begroting aan het begin van het begrotingsjaar niet is vastgesteld, blijven de correctie ten behoeve van het Verenigd Koninkrijk en de door de overige lidstaten gedragen financiële last van toepassing zoals zij in de laatste definitief vastgestelde begroting waren opgenomen. Artikel 6 De in de begroting opgenomen ontvangsten die nodig zijn voor de gehele of gedeeltelijke dekking van de monetaire reserve EOGFL, de reserve voor de financiering van het Garantiefonds en de reserve voor noodhulp in derde landen worden eerst bij de lidstaten afgeroepen wanneer de reserves worden aangelegd. Bepalingen betreffende de werking van deze reserves zullen, indien nodig, worden vastgesteld overeenkomstig artikel 8, lid 2. Artikel 7 Het eventuele overschot van de ontvangsten van de Unie ten opzichte van de totale werkelijke uitgaven gedurende een begrotingsjaar wordt naar het volgende begrotingsjaar overgedragen. Eventuele overschotten als gevolg van een overschrijving uit de hoofdstukken van het EOGFL, Afdeling Garantie, of een overschot van het Garantiefonds als gevolg van externe maatregelen, naar de staat van ontvangsten van de begroting worden als eigen middelen beschouwd. Artikel 8 1. De in artikel 2, lid 1, sub a) en b), bedoelde eigen middelen van de Unie worden door de lidstaten geïnd overeenkomstig de nationale wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen, die waar nodig aan de communautaire voorschriften worden aangepast. De Commissie onderzoekt regelmatig de nationale bepalingen waarvan de lidstaten haar in kennis stellen, deelt de lidstaten de aanpassingen mede die zij noodzakelijk acht om deze bepalingen in overeenstemming te brengen met de communautaire voorschriften, en brengt verslag uit aan de begrotingsautoriteit. De lidstaten stellen de in artikel 2, lid 1, sub a) tot d), bedoelde middelen ter beschikking van de Commissie. De lidstaten delen de Commissie regelmatig de bij de inning ontdekte onregelmatigheden die financiële gevolgen hebben mede, met name wanneer zij bij vergissing het recht van de Unie op de in artikel 2, lid 1, sub a) en b), genoemde eigen middelen niet hebben vastgesteld of wanneer zij dit recht te laat hebben vastgesteld. 2. Onverminderd het in artikel 248 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap en artikel 160C van het EGA-Verdrag bedoelde onderzoek van de rekeningen en van de wettigheid en regelmatigheid, waarbij met name de betrouwbaarheid en doelmatigheid van de nationale stelsels en methoden voor de vaststelling van de grondslag van de eigen middelen uit de BTW en het BNP worden onderzocht, en onverminderd de krachtens artikel 279, sub c), van het EG-Verdrag en artikel 183, sub c), van het EGA-Verdrag georganiseerde controles, stelt de Raad met eenparigheid van stemmen, op voorstel van de Commissie en na raadpleging van het Europees Parlement, de bepalingen vast die nodig zijn voor de tenuitvoerlegging van dit besluit, alsmede de bepalingen betreffende het toezicht op de inning, de terbeschikkingstelling aan de Commissie en de betaling van de in de artikelen 2 en 5 bedoelde ontvangsten. Artikel 9 De Commissie brengt vóór 1 januari 2006 een verslag uit over de werking van het stelsel van eigen middelen en, in het bijzonder, de gevolgen van de uitbreiding van de Unie voor de financiering van de begroting. Het verslag omvat een onderzoek van de aan het Verenigd Koninkrijk toegestane correctie voor begrotingsonevenwichtigheden en de in artikel 5, lid 1, bedoelde verlaging voor Duitsland, Nederland, Oostenrijk en Zweden. In het verslag wordt ook ingegaan op de mogelijkheid tot wijziging van de samenstelling van de eigen middelen door de schepping van nieuwe autonome eigen middelen, alsook op de regelingen voor de mogelijke invoering van een op de BTW-grondslag toe te passen vast uniform percentage. Artikel 10 1. Dit besluit wordt door de Secretaris-generaal van de Raad ter kennis van de lidstaten gebracht en wordt bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen. De lidstaten stellen de Secretaris-generaal van de Raad onverwijld in kennis van de voltooiing van de volgens hun grondwettelijke bepalingen voor de aanneming van dit besluit vereiste procedures. Dit besluit treedt in werking op de eerste dag van de maand volgende op de datum van ontvangst van de laatste van de in de tweede alinea bedoelde kennisgevingen. Het is van kracht met ingang van 1 januari 2002, behalve voor artikel 2, leden 3 en 4, die van kracht worden op 1 januari 2001. 2. a) Behoudens het bepaalde onder b) wordt Besluit 94/728/EG, Euratom op 1 januari 2002 ingetrokken. Verwijzingen naar het besluit van de Raad van 21 april 1970 betreffende de vervanging van de financiële bijdragen van de lidstaten door eigen middelen van de Gemeenschappen [12], Besluit 85/257/EEG, Euratom van de Raad van 7 mei 1985 betreffende het stelsel van eigen middelen van de Gemeenschappen [13], Besluit 88/376/EEG, Euratom [14] of Besluit 94/728/EG, Euratom worden opgevat als verwijzingen naar het onderhavige besluit. [12] PB L 94 van 28. 4. 1970, blz. 19. [13] PB L 128 van 14. 5. 1985, blz. 15. Besluit ingetrokken bij Besluit 88/376/EEG, Euratom. [14] PB L 185 van 15. 7. 1988, blz. 24. b) De artikelen 2, 4 en 5 van Besluit 88/376/EEG, Euratom en Besluit 94/728/EG, Euratom blijven van toepassing op de berekening en de aanpassing van de ontvangsten die voortvloeien uit de toepassing van een voor alle lidstaten geldend uniform percentage op de BTW-grondslag die op uniforme wijze is vastgesteld en beperkt tot 50 of 55 % van het BNP van elke lidstaat, al naar het jaar, en op de berekening van de correctie voor begrotingsonevenwichtigheden ten behoeve van het Verenigd Koninkrijk voor de jaren 1988 tot 2000. Gedaan te Brussel/Luxemburg, Voor de Raad De Voorzitter