51999IP0030

Resolutie over de constitutionele gevolgen van de EMU in het kader van de uitbreiding

Publicatieblad Nr. C 150 van 28/05/1999 blz. 0348


A4-0030/99

Resolutie over de constitutionele gevolgen van de EMU in het kader van de uitbreiding

Het Europees Parlement,

- gelet op Titel VII (voormalige Titel VI) van het Verdrag van Amsterdam,

- gezien de overgang naar de derde fase van de EMU,

- onder verwijzing naar zijn resolutie van 14 november 1996 over het verslag van de Commissie uit hoofde van artikel 189 B, lid 8 van het EG-Verdrag inzake de werkingssfeer van de medebeslissingsprocedure (SEC(96)1225 - C4-0464/96) ((PB C 362 van 2.12.1996, blz. 267.)),

- onder verwijzing naar zijn resolutie van 10 december 1996 over de deelneming van de burgers en de sociale partners aan het institutionele stelsel van de Europese Unie ((PB C 20 van 20.1.1997, blz. 31-35.)),

- onder verwijzing naar zijn resolutie van 2 april 1998 over de democratische verantwoording in de derde fase van de EMU ((PB C 138 van 4.5.1998, blz. 177.)),

- onder verwijzing naar zijn resolutie van 14 mei 1998 over verbeteringen in het functioneren van de instellingen zonder wijziging van de Verdragen - het EU-beleid openen en democratischer maken ((PB C 167 van 1.6.1998, blz. 211.)),

- onder verwijzing naar zijn resolutie van 22 oktober 1998 over de voorbereiding van de bijeenkomst van de staatshoofden en regeringsleiders in oktober 1998 over de politieke toekomst van de Europese Unie ((Deel II, punt 2 van de notulen van 22.10.1998.)),

- gezien de hoorzitting van zijn Commissie institutionele zaken op 29 oktober 1998,

- gezien het voorstel van de Commissie over de externe vertegenwoordiging van de Gemeenschap in het kader van de EMU, dat op 1 januari 1999 in werking zou moeten treden,

- gezien de conclusies van de informele Europese Raad in Pörtschach van 24/25 oktober 1998 en van de Europese Raad van Wenen van 11/12 december 1998,

- gezien artikel 148 van zijn Reglement,

- gezien het verslag van de Commissie institutionele zaken en het advies van de Commissie economische en monetaire zaken en industriebeleid (A4-0030/99),

A. overwegende dat het thans een vaststaand feit is dat de eerstvolgende uitbreiding zal worden voorafgegaan door een nieuwe herziening van de verdragen tijdens welke vooral op bevredigende wijze de institutionele kwesties moeten worden aangesneden, die in Amsterdam niet zijn opgelost,

B. overwegende dat de fundamentele vraag moet worden beantwoord of de bepalingen van de oude Titel VI van het Verdrag van Maastricht zullen volstaan voor het welslagen van de EMU, aangezien het argument van de "doos van Pandora" niet langer geldt in het kader van een herziening van de institutionele opbouw van de uitgebreide Unie,

C. overwegende dat de EU met de lancering van de euro de beschikking krijgt over een gemeenschappelijk monetair beleid en dat krachtens artikel 105 van het EGV het hoofddoel van het ESCB het handhaven van prijsstabiliteit en het ondersteunen van het gehele beleid van de EU is,

D. overwegende dat een zwakte in de volgende drie essentiële punten is gelegen:

a) het niet-bindende karakter van de globale richtsnoeren voor het economisch beleid en van de resultaten van het multilaterale toezicht dat de aanbeveling als instrument heeft;

b) de controle van "gelijkwaardige partners" op het gebied van het multilaterale toezicht en

c) het democratische tekort,

E. overwegende dat ervoor moet worden gezorgd dat bij de controle en de democratische verantwoording van de ECB ten volle rekening wordt gehouden met de bepalingen van het Verdrag, met name voor wat betreft zijn onafhankelijkheid,

F. overwegende dat de Raad van bestuur van de ECB als college naar voren moet treden en niet als een optelsom van stemmen, dat hierin de presidenten van elke nationale centrale bank collegiaal moeten werken en dat elk risico van nationalisatie door de centrale banken moet worden voorkomen,

G. overwegende dat met het oprichten van de gemeenschappelijke monetaire autoriteit bij ontstentenis van een daadwerkelijke bijbehorende politieke autoriteit andermaal het probleem voor het voetlicht wordt gebracht van het zeer ontoereikende niveau van democratische legitimiteit bij de Europese opbouw en overwegende dat het ontbreken van duidelijke definities van de doelstellingen van het economisch beleid en van een toereikende coördinatie tengevolge van het ontbreken van een politieke tegenhanger van de ECB laatstgenoemde zou kunnen verleiden tot een uiterst strikt monetair beleid tengevolge van het ontbreken van een bijbehorend economisch beleid,

H. overwegende dat in zijn reeds genoemde resolutie van 2 april 1998 over de democratische verantwoording van de ECB de ECB wordt opgeroepen een gestructureerde dialoog met het Europees Parlement op te zetten over de kwesties, die in genoemde resolutie aan bod komen, en met name over:

a) de weerslag van de doelstellingen en regels inzake het monetair beleid op de andere beleidsterreinen,

b) de wijze waarop de bekendmaking van de verwachte inflatie- en rentepercentages het gedrag van de marktdeelnemers beïnvloedt,

c) de wijze waarop een gemeenschappelijk communicatiebeleid van de ECB en het Parlement kan worden ontwikkeld om het publiek voor te lichten over het besluit van de ECB om zijn werkdoelstelling te veranderen en het publiek ertoe te bewegen dit te accepteren,

d) het eventuele gebruik van alternatieve maatregelen inzake prijsstabiliteit, andere dan de geharmoniseerde index van de consumentenprijzen, voor het vastleggen van de doelstelling van prijsstabiliteit,

e) de vraag of van tevoren aangekondigde streefpercentages voor de inflatie, gezien het achterblijven van het monetair beleid, een criterium kunnen vormen voor de evaluatie van de prestaties van de ECB,

I. overwegende dat in artikel 99, lid 1 van het EGV (ex art. 103, lid 1) wordt bepaald dat de lidstaten hun economisch beleid moeten beschouwen als een "aangelegenheid van gemeenschappelijk belang" en dat dit veronderstelt dat hun handelwijzen binnen de Raad nauw op elkaar worden afgestemd,

J. overwegende dat de EG zich, naast de grondbeginselen van het economisch beleid, zoals bedoeld in artikel 4 van het EGV (ex art. 3 A), in de nieuwe titel VIII van het Verdrag van Amsterdam ertoe heeft verbonden een hoog werkgelegenheidsniveau te bereiken,

K. overwegende dat de onderlinge afstemming van het fiscaal en sociaal beleid geen voorwaarde voor de verwezenlijking van de EMU was, maar dat de dynamiek hiervan de lidstaten van de euro-zone ertoe zal stimuleren op dit gebied vooruitgang te boeken,

L. overwegende dat de werking van de EMU - krachtens de diverse hiermee gemoeide vormen van harmonisatie en coördinatie - noopt tot grotere efficiëntie (stemming bij gekwalificeerde meerderheid) waarbij moet worden gewerkt onder omstandigheden met een groter democratisch gehalte (taak en bevoegdheden van het EP, politieke verantwoording van de Commissie, taak van de Raad, betrekkingen met de nationale parlementen), alsmede met inachtneming van passende normen inzake transparantie en duidelijkheid,

M. overwegende dat de Commissie in het kader van de EMU moet kunnen rekenen op een andermaal bevestigde en versterkte taak inzake het geven van beleidsstimulansen en het ontplooien van initiatieven, en dat de versterking van de taak van de Commissie een toename van de politieke controle vereist waaraan zij zich dient te onderwerpen, waarbij de door het Verdrag van Amsterdam geboden mogelijkheden moeten worden uitgediept,

N. overwegende dat het een uitgebreidere taak zou moeten hebben, niet alleen bij de goedkeuring van wetgeving, maar ook wanneer het Verdrag voorziet in de goedkeuring door de Raad van aanbevelingen en economische richtsnoeren en wanneer het gaat om het multilaterale toezicht,

O. overwegende dat het stabiliteitspact slechts een herlezing van artikel 104 van het EGV (ex art. 104 C) is (het pact is immers noch precies noch bindend), zelfs wanneer dit is voorgesteld als een institutionele innovatie, dat de besluiten inzake de coördinatie van het economisch beleid slechts de vorm hebben van een intentieverklaring en dat het stabiliteitspact geen alternatief kan zijn voor het ontbreken van bestuurlijke of economische machtsinstrumenten, d.w.z. van een instelling die tot taak heeft de maatregelen te treffen om aan een interne of internationale crisis het hoofd te bieden,

P. overwegende dat het een beroep doet op de Commissie en de Raad, zoals reeds is geschied in zijn voornoemde resolutie van 14 mei 1998, om de discussie te starten met het oog op het vastleggen van een ontwerp van interinstitutioneel akkoord over de coördinatie van het nationaal economisch beleid en het toezicht op het stabiliteits- en groeipact, hetzij om, als alternatief, tijdens het eerste kwartaal 1999 een wetgevingsvoorstel in te dienen met "nadere bepalingen voor de multilaterale toezichtprocedure", zoals bedoeld in artikel 99, lid 5 van het EGV (ex artikel 103, lid 5),

Q. overwegende dat de euro de eerste valuta zal zijn waarmee de suprematie van de dollar sedert de Tweede Wereldoorlog kan worden gedwarsboomd en dat deze evolutie slechts zal doorzetten als de EMU in het internationale stelsel op autonome wijze met één stem spreekt, hetgeen een passende oplossing nodig maakt voor het vraagstuk van de externe vertegenwoordiging van de Unie in het kader van de EMU, in overeenstemming met haar positie als economische en handelsmacht,

R. overwegende dat, indien de Raad de Unie wil laten deelnemen aan een formeel stelsel, zijn besluit voor wat betreft het akkoord inzake de vaste wisselkoersen met eenparigheid van stemmen moet worden genomen, hetgeen met zich meebrengt dat in een uitgebreide Unie voor een formeel akkoord eenparigheid van stemmen van 15 à 25 landen vereist is,

S. overwegende dat het zeer gevaarlijk zou zijn zich in een herziening van de Verdragen te storten, die niet is voorbereid middels een overpeinzing van de gewenste doelstellingen voor het Europa van de 21ste eeuw en dat het duidelijk is dat bij de overpeinzingen in dit kader niet alleen rekening moet worden gehouden met de uitbreiding, maar ook met de noodzaak die voortvloeit uit de culturele revolutie, die de EMU nu eenmaal is, om de kwesties te regelen waarvoor binnen de bestaande Verdragen geen oplossing kan worden gevonden,

CONSTITUTIONEEL KADER VAN DE EU

1. is van oordeel dat de kwalitatieve verandering ("culturele revolutie") van de verhouding tussen de soevereiniteit van de lidstaten en de bevoegdheden van de EU welke wordt gevormd door de overgang tot een eenheidsmunt, vergezeld moet gaan van de daadwerkelijke mogelijkheid om op Europees niveau een gecoördineerd economisch beleid in te stellen en te waarborgen waarmee de solidariteit, de economische en sociale samenhang en de gelijke kansen voor de burgers van alle lidstaten kan worden bevorderd. Hiervoor is met name het volgende vereist:

- een economische en sociale unie gebaseerd op de beginselen van solidariteit en subsidiariteit als politieke tegenhanger van de Monetaire Unie,

- een Europese sociale orde, die gebaseerd moet zijn op een geleidelijke, van minimumnormen uitgaande en gecoördineerde harmonisatie (b.v. arbeidswetgeving, sociale zekerheid, bestrijding van sociale marginalisering, bevordering van de werkgelegenheid),

- de externe vertegenwoordiging van de EMU dankzij welke de instellingen van de EU met één enkele stem op wereldniveau de doelstellingen van het Verdrag kunnen doen gelden,

- de institutionele hervorming die de doelmatigheid van de instellingen, alsmede de middelen van democratische controle en participatie van de burgers moet versterken;

- een strikte naleving van transparantie en duidelijkheid in al het optreden met betrekking tot de EMU, opdat de verschillende nationale instanties en de burgers telkens opnieuw en volledig hiervan op de hoogte worden gesteld;

MONETAIRE UNIE

2. herinnert het ESCB eraan dat, overeenkomstig het Verdrag van Maastricht, het delegeren van beleid, de onafhankelijkheid inzake het vastleggen van doelstellingen en instrumenten, alsmede de bevoegdheden, die aan de ECB en de nationale centrale banken zijn toegekend, hun niet toebehoren, maar door de politieke autoriteiten aan hun zijn overgedragen, die op hun beurt verantwoording aan de burgers moeten afleggen,

3. is van oordeel dat de geplande hervormingen een allesomvattende visie vereisen op de toekomstige institutionele configuratie van de EU, terwijl voor de monetaire aspecten slechts "gerichte" verbeteringen noodzakelijk zijn;

4. is van mening dat de bepalingen van de statuten van het ESCB en de ECB zouden moeten kunnen worden gewijzigd via een vereenvoudigde herzieningsprocedure (art. 107, ex art. 106 EGV), waarbij de onafhankelijkheid van de ECB niet onder deze vereenvoudigde herzieningsprocedure mag vallen;

5. merkt op dat de bepalingen van artikel 105, lid 6 van het EG-Verdrag (art. 25, lid 2 van de statuten van de ECB) een rechtsgrond zouden moeten kunnen vormen om, eventueel, een optreden van de EU en niet alleen van de ECB mogelijk te maken voor wat betreft het bedrijfseconomisch toezicht op de financiële instellingen;

6. is van mening dat in het licht van de uitbreiding van de EU een systeem moet worden ingevoerd teneinde het tweeledige risico te vermijden dat de Raad van bestuur ontaardt in een kamer van nationale vertegenwoordigers en dat de ECB verwordt tot een secretariaat van het ESCB;

7. is van oordeel dat de hoorzittingen ter bevestiging ook dienen te gelden voor:

a) de leden van de Raad van Bestuur van de ECB;

b) de door de Commissie en de ECB voor het Economisch en Financieel Comité benoemde kandidaten (zie artikel 114 C, lid 2) (ex artikel 109 C),

c) de door de Commissie en de ECB benoemde leden voor het waarnemingsbureau van de Gemeenschap bij het IMF totdat de wijziging van de IMF-regels inzake vertegenwoordiging is goedgekeurd;

verwacht dat, indien het Parlement een kandidaat weigert, deze kandidaat zijn kandidatuur zal intrekken, en verzoekt de voorzitters van de betrokken instellingen hun reactie mede te delen op dit streven naar een nieuw evenwicht tussen de instellingen met het oog op het gedeeltelijk wegnemen van het democratisch tekort;

8. acht het van fundamenteel belang dat de benoeming van de president van de ECB niet plaatsvindt "in onderlinge overeenstemming door de regeringen van de lidstaten", vooral wanneer het aantal lidstaten toeneemt;

ECONOMISCHE UNIE

9. vindt dat de coördinatie van het concrete nationale economische en sociale beleid moet worden herzien teneinde tot een samenhangend en doelmatig economisch beleid op EU-niveau en in de lidstaten te komen, een democratische maatschappelijke discussie te waarborgen (met een betere coördinatie tussen de nationale parlementen en het Europees Parlement) over de Europese economische keuzemogelijkheden en het besluitvormingsproces en de transparantie ervan te verbeteren; is van oordeel, ook met het oog op de steeds belangrijker rol van de Euro-11-bijeenkomsten in de ECOFIN-Raad buiten het algemeen institutioneel kader van de Europese Unie, dat er grote behoefte bestaat aan een interinstitutioneel akkoord tussen het Europees Parlement, de Raad en de Commissie dat leidt tot democratischer besluitvormingsprocedures tussen deze instellingen met het oog op de vaststelling en goedkeuring van de jaarlijkse algemene economische richtsnoeren;

10. onderstreept dat te dien einde enerzijds de globale richtsnoeren voor het economisch beleid ook van toepassing moeten zijn op de diverse macro-economische beleidsvormen (begrotingsbeleid, verbetering van het concurrentievermogen, structuurbeleid op het gebied van goederen en diensten en op de arbeidsmarkt), waarvoor geen wijziging van het Verdrag noodzakelijk is, en anderzijds moet met de wijziging van artikel 99 van het EGV (ex 103) een "policy mix" worden ingevoerd, waar andere dwingende beleidsonderdelen dan uitsluitend het begrotingstekort deel van uitmaken; op basis hiervan kan worden overwogen dat:.

- de Raad, op voorstel van de Commissie en na een instemmingsbesluit van het Europees Parlement alsmede het advies van het Economisch en Sociaal Comité, met gekwalificeerde meerderheid zijn goedkeuring hecht aan de globale richtsnoeren voor het economisch beleid, welke bindend zijn,

- het instrument van de aanbeveling voor wat betreft de globale richtsnoeren voor het economisch beleid, met volstrekte eerbiediging van het stabiliteitspact en de onafhankelijkheid van de ECB wordt omgezet in dat van het besluit,

- het multilaterale toezicht door de Raad wordt uitgeoefend en uitmondt in bindende besluiten die met een gekwalificeerde meerderheid op voorstel van de Commissie worden goedgekeurd,

- het Europees Parlement gedurende de gehele procedure moet worden geraadpleegd, met name bij twee gelegenheden:

7 het debat over het economische beleid op basis van de aanbeveling van de Commissie inzake de globale richtsnoeren voor het economisch beleid met actieve deelneming van de Commissie en de Raad;

7 de deelneming van de Voorzitter van het Europees Parlement en de president van de ECB aan de Europese Raad die elk jaar in juni plaatsvindt en tijdens welke wordt beraadslaagd over het economisch beleid, waardoor een duidelijker beeld ontstaat van de gemaakte keuzen en de acceptatie door de publieke opinie wordt vergemakkelijkt;

11. verzoekt de Commissie en de Raad opheldering te verschaffen over de inhoud van artikel 104 EGV (ex-artikel 104 C), gezien de rol die de overheidsinvesteringen bij de beoordeling van het overheidstekort van de lidstaten spelen;

INSTELLINGEN

taak van het Europees Parlement12. is van oordeel dat het EP meer zeggenschap zou moeten hebben voor wat betreft de EMU met uitzondering van de besluiten van de ECB die onder zijn onafhankelijke status vallen, en waarover passende voorlichting moet worden verschaft en een passende dialoog moet worden gevoerd ((Zie zijn resolutie van 2 april 1998 over de democratische verantwoording in de derde fase van de EMU

(PB C 138 van 4.5.1998, blz. 177).)); vindt dat de samenwerkingsprocedure zou moeten worden vervangen door de medebeslissingsprocedure voor alle besluiten met een wetgevend karakter, met name volgens de artikelen 99, lid 5, 102, lid 2 en 103, lid 2 (ex art. 103, lid 5, 104 A, lid 2 en 104 B, lid 2) betreffende respectievelijk nadere bepalingen voor de tenuitvoerlegging van de multilaterale-toezichtsprocedure, het verbod op bevoorrechte toegang en op het stelsel van vooruitbetalingen aan de staat, en dat artikel 106, lid 2 (ex art. 105 A, lid 2) betreffende de maatregelen tot harmonisatie van de nominale waarden en de munten naar de raadplegingsprocedure zou kunnen worden overgeheveld;

over de taak van de Commissie

13. is van mening dat de Commissie een grotere taak zou moeten krijgen voor wat betreft het toezicht op het beleid van de lidstaten, waarbij zij moet zorgen voor een perfecte synchronisatie tussen de richtsnoeren inzake de werkgelegenheid die in het najaar worden goedgekeurd, en de globale richtsnoeren voor het economisch beleid die in het daaropvolgende voorjaar worden goedgekeurd, waarbij rekening moet worden gehouden met de besluiten inzake de werkgelegenheid van het najaar; vindt dat de richtsnoeren inzake de werkgelegenheid en de globale richtsnoeren inzake het economisch beleid beter tegelijkertijd kunnen worden goedgekeurd;

over de taak van de Raad

14. verklaart dat de Raad de nadere bepalingen inzake interne organisatie en coördinatie moet goedkeuren teneinde te zorgen voor de politieke sturing van het gehele macro-economische bestel (niet alleen de Raad Economische en Financiële Zaken, maar ook voor de andere gespecialiseerde bijeenkomsten van de Raad in overleg met de Raad Algemene Zaken);

15. is van oordeel dat de Euro-Raad zou moeten kunnen beschikken over een in het Verdrag erkend statuut en voor de leden van de Monetaire Unie over dezelfde bevoegdheden kunnen beschikken als de Raad voor de gehele Unie, d.w.z. besluiten moeten kunnen nemen; de voordelen van informele coördinatie zijn immers onbetwistbaar, maar ook de beperkingen ervan zijn aanzienlijk, indien het de bedoeling is dat hetgeen tijdens een informele Raad wordt besproken, uitmondt in besluiten van de nationale parlementen op het gebied van begroting, sociale zaken en milieubeleid;

INTERPARLEMENTAIRE SAMENWERKING (EUROPEES PARLEMENT EN NATIONALE PARLEMENTEN)

16. onderstreept dat de samenwerking tussen het Europees Parlement en de nationale parlementen moet worden geanalyseerd in een groter samenwerkingsverband, teneinde de rol van de COSAC enerzijds en de parallelle circuits die reeds bestaan in de vorm van de gespecialiseerde commissies anderzijds, te evalueren zowel vanuit het oogpunt van doelmatigheid als van rationalisatie van het democratische toezicht zonder dat hierdoor nieuwe instellingen of "parlementaire comités" worden gecreëerd;

NIEUWE EUROPESE BELEIDSVORMEN

17. is van mening dat het ontbreken van een gemeenschappelijk economisch en fiscaal beleid in het geheel niet lijkt te stroken met het eenvormige beheer van het monetair beleid; vanuit het oogpunt van fiscaal beleid zou een harmonisatie van de belastingwetgeving van de lidstaten van de euro-zone wenselijk zijn, met name voor wat betreft de belasting op spaartegoeden en de bedrijfsbelasting waarover met gekwalificeerde meerderheid moet kunnen worden beslist;

18. is van oordeel dat voor wat betreft het sociaal beleid de euro een stimulans voor de lidstaten zou moeten zijn om een minimum aan gemeenschappelijke regels goed te keuren om te komen tot een daadwerkelijk Europees model, volledige werkgelegenheid, een gezond milieu waar de Europese burgers rechtstreeks van profiteren en de instelling van een vrije, veilige en rechtvaardige omgeving waarin de fundamentele rechten worden erkend en de procedures en structuren voor de judiciële en politiële samenwerking worden versterkt; is van mening dat de mechanismen voor solidariteit en economische, sociale en territoriale cohesie in het vooruitzicht van de uitbreiding moeten worden geperfectioneerd;

19. onderstreept dat voor de opbouw van de Monetaire Unie een begrotingssysteem op "federale leest" noodzakelijk is of, ten minste een institutioneel en financieel mechanisme aan de hand waarvan een crisissituatie van een of meerdere lidstaten kan worden aangepakt; dat de toekomstige financiering van de Europese Unie de nagestreefde economische, sociale en territoriale cohesie, zoals bepaald door het Verdrag, moet weerspiegelen door voorbij te gaan aan de zogenaamde "juste retour" voor wat betreft de eigen middelen en het geheel van de budgettaire en niet-budgettaire voordelen als gevolg van de deelneming aan de Europese opbouw in overweging te nemen;

EXTERNE VERTEGENWOORDIGING VAN DE EMU

20. neemt kennis van het besluit van de Europese Raad van Wenen om akkoord te gaan met een "drievoudige vertegenwoordiging" (Raad, Commissie en ECB) op het gebied van economische en monetaire zaken en afspraken inzake wisselkoersen;

21. is van mening dat artikel 111, lid 4 (ex art. 109, lid 4) van het Verdrag waarin eenparigheid van stemmen vereist is van de landen die aan de euro-zone deelnemen met raadpleging van het EP, zou moeten worden vervangen door een bepaling die voorziet in een stemming bij gekwalificeerde meerderheid, zeker in het licht van de uitbreiding;

22. is van oordeel dat een gepaste herziening van de statuten van de internationale instanties, zoals het IMF, ter erkenning van de nieuwe situatie die ontstaat tengevolge van de EMU, noodzakelijk zou zijn;

°

° °

23. verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Europese Raad, de Raad, de Commissie en de regeringen en parlementen van de lidstaten.