Voorstel voor een Verordening (EG) van de Raad tot instelling van een steunregeling voor producenten van bepaalde akkerbouwgewassen /* COM/98/0158 def. - CNS 98/0108 */
Publicatieblad Nr. C 170 van 04/06/1998 blz. 0004
98/0108 (CNS) Voorstel voor een VERORDENING (EG) Nr. . . . VAN DE RAAD van . . . tot instelling van een steunregeling voor producenten van bepaalde akkerbouwgewassen (98/C 170/02) DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE, Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, en met name op de artikelen 42 en 43, Gezien het voorstel van de Commissie, Gezien het advies van het Europees Parlement, Gezien het advies van het Economisch en Sociaal Comité, Overwegende dat met het gemeenschappelijk landbouwbeleid de doeleinden worden nagestreefd die zijn vermeld in artikel 39 van het Verdrag, daarbij rekening houdende met de marktsituatie; Overwegende dat, om tot een beter marktevenwicht te komen, een nieuwe steunregeling is ingesteld bij Verordening (EEG) nr. 1765/92 van de Raad van 30 juni 1992 tot instelling van een steunregeling voor producenten van bepaalde akkerbouwgewassen (1); Overwegende dat sinds de hervorming van het gemeenschappelijk landbouwbeleid in 1992 een aanzienlijke verbetering is opgetreden in het marktevenwicht; Overwegende dat de braaklegging in het kader van de steunregeling voor producenten van bepaalde akkerbouwgewassen die in 1992 is ingesteld tegelijk met een verlaging van de interventieprijs, de productie onder controle heeft helpen houden, terwijl concurrerender prijzen het mogelijk hebben gemaakt dat belangrijke extra hoeveelheden graan zijn verbruikt op de interne markt, vooral voor vervoedering; Overwegende dat de steunverlening op basis van de in 1992 ingestelde regeling moet worden voortgezet, rekening houdende evenwel met de marktontwikkelingen en de bij de toepassing opgedane ervaring; Overwegende dat bij de hervorming van de steunregeling rekening moet worden gehouden met de internationale verplichtingen van de Gemeenschap; Overwegende dat het doel van marktevenwicht het beste kan worden bereikt door de prijzen van de Gemeenschap dichter te laten aansluiten bij die op de wereldmarkt en te voorzien in niet-gewasgebonden areaalbetalingen; Overwegende dat de areaalbetalingen dienen te worden herzien als de marktvoorwaarden afwijken van de huidige vooruitzichten dienaangaande; Overwegende dat het in aanmerking komende gebied dient te worden beperkt tot het gebied dat in het verleden met akkerbouwgewassen was ingezaaid of in het kader van een door de overheid gesubisidieerde regeling was braakgelegd; Overwegende dat voor gevallen waarin het totaal van de arealen waarvoor op grond van de regeling betaling wordt gevraagd, groter is dan het basisareaal, moet worden voorzien in een verlaging van het in aanmerking komende areaal per bedrijf om het marktevenwicht te waarborgen; Overwegende dat in de areaalbetalingen de specifieke structurele factoren moeten worden verdisconteerd die van invloed zijn op de opbrengsten; dat het opstellen van een op objectieve criteria gebaseerd regioplan aan de lidstaten moet worden overgelaten; dat in de regioplannen met gemiddelde graanopbrengst moet worden gewerkt; dat de regioplannen coherent moeten zijn met de gemiddelde opbrengsten in elke regio over een bepaalde periode, rekening houdende met eventuele structurele verschillen tussen productieregio's; dat een specifieke procedure moet worden vastgesteld voor het onderzoek van deze plannen op Gemeenschapsniveau; Overwegende dat een differentiatie van de opbrengsten voor met en zonder bevloeiing beteelde oppervlakten kan worden toegestaan, op voorwaarde dat een afzonderlijk basisareaal voor met bevloeiing geteelde gewassen wordt vastgesteld en het totale basisareaal niet wordt vergroot; Overwegende dat, om de areaalbetaling te berekenen, een basisbedrag per ton dient te worden vermenigvuldigd met de gemiddelde graanopbrengst voor de betrokken regio; Overwegende dat één areaalbetaling voor akkerbouwgewassen moet worden vastgesteld; dat de basisbedragen per ton moeten worden verhoogd, rekening houdende met de verlaging van de interventieprijs voor granen; dat gewasgebonden betalingen voor oliehoudende zaden en lijnzaad moeten worden afgeschaft; dat een specifieke areaalbetaling moet gelden voor eiwithoudende gewassen om deze concurrerend met granen te houden; Overwegende dat moet worden voorzien in een bijzondere regeling voor durumtarwe die een productie waarborgt welke toereikend is voor de voorziening van de verwerkende industrie, maar die de beheersing van de begrotingsuitgaven niet in gevaar brengt; dat dit doel kan worden bereikt door de invoering van een toeslag die voor elke betrokken lidstaat beperkt is tot een maximumareaal durumtarwe; dat een eventuele overschrijding van deze arealen moet leiden tot een bijstelling van de aanvragen die met het oog op de toekenning van de toeslag zijn ingediend; Overwegende voorts dat in bepaalde lidstaten de productie van durumtarwe goed is ingeburgerd in gebieden buiten de traditionele gebieden; dat het wenselijk is om in die gebieden een bepaald productieniveau te handhaven door de toekenning van specifieke steun; Overwegende dat producenten die aanspraak willen maken op de areaalbetalingen een vooraf bepaald percentage van hun oppervlakte cultuurgrond uit productie moeten nemen; dat het braakgelegde land zo dient te worden onderhouden dat aan bepaalde minimum milieuvereisten wordt voldaan; dat de uit productie genomen grond ook voor de teelt van niet voor de voeding bestemde gewassen mag worden gebruikt op voorwaarde dat doeltreffende controlesystemen kunnen worden toegepast; Overwegende dat de braakleggingsverplichting bij de huidige marktsituatie moet worden vastgesteld op 0 %; dat dit percentage opnieuw moet worden bezien in het licht van de ontwikkeling van de productie en de marktsituatie; Overwegende dat aan de verplichting om grond uit productie te nemen een adequate compensatie moet worden verbonden; dat de compensatie moet overeenkomen met de voor akkerbouwgewassen, andere dan eiwithoudende gewassen, toegekende areaalbetalingen; Overwegende dat het dienstig is geen braakleggingsverplichting op te leggen aan kleine producenten wier aanvragen voor areaalbetalingen een bepaald niveau niet overschrijden; dat dit niveau moet worden vastgesteld; Overwegende dat voor vrijwillige braaklegging basisvoorwaarden op het niveau van de Gemeenschap dienen te worden vastgesteld; Overwegende dat de areaalbetalingen voor een bepaalde oppervlakte éénmaal per jaar moeten worden uitgekeerd; dat oppervlakten die onmiddellijk vóór de inwerkingtreding van Verordening (EEG) nr. 1765/92 niet in productie waren, niet voor betaling in aanmerking moeten komen; dat, waar de gevolgen van deze bepaling in sommige specifieke situaties te zwaar zijn, bepaalde door de lidstaten te beheren uitzonderingen moeten worden toegestaan; Overwegende dat een aantal voorwaarden moeten worden vastgesteld voor het aanvragen van de areaalbetalingen en dat nader moet worden bepaald wanneer de betalingen aan de producenten worden uitgekeerd; Overwegende dat de uitkeringsdata zo moeten worden vastgesteld dat de afzet van akkerbouwgewassen gelijkmatig over het verkoopseizoen wordt gespreid; Overwegende dat de inzaaidata aangepast moeten worden aan de natuurlijke omstandigheden in de verschillende productiegebieden; Overwegende dat de uitgaven die door de lidstaten worden gedaan in verband met de verplichtingen die voortvloeien uit de toepassing van deze verordening, door de Gemeenschap moeten worden gefinancierd overeenkomstig de artikelen 1 en 2 van Verordening (EG) nr. . . . ./. . van de Raad betreffende de financiering van het gemeenschappelijk landbouwbeleid; Overwegende dat moet worden voorzien in overgangsmaatregelen en dat de Commissie in staat moet worden gesteld om, indien nodig, bijkomende overgangsmaatregelen vast te stellen; Overwegende dat de aanpassingen van de steunregeling voor akkerbouwgewassen dienen te worden ingevoerd met ingang van het verkoopseizoen 2000/2001; Overwegende dat het met het oog op de duidelijkheid en gezien deze aanpassingen in de thans geldende steunregeling en de reeds eerder vastgestelde wijzigingen, dienstig is Verordening (EEG) nr. 1765/92 te vervangen door een nieuwe verordening, HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD: Artikel 1 1. Bij deze verordening wordt ten behoeve van producenten van akkerbouwgewassen een stelsel van areaalbetalingen ingesteld. 2. Voor de toepassing van deze verordening: - begint het verkoopseizoen op 1 juli en eindigt het op 30 juni; - worden als "akkerbouwgewassen" aangemerkt de gewassen die zijn opgenomen in bijlage I. HOOFDSTUK I Areaalbetalingen Artikel 2 1. In de Gemeenschap gevestigde producenten van akkerbouwgewassen kunnen onder de in dit hoofdstuk aangegeven voorwaarden een areaalbetaling aanvragen. 2. De areaalbetaling wordt vastgesteld per hectare en wordt naar regio gedifferentieerd. De areaalbetaling wordt toegekend voor een met akkerbouwgewassen ingezaaide oppervlakte of een overeenkomstig artikel 6 uit productie genomen oppervlakte die niet groter is dan een regionaal basisareaal. Dit areaal wordt vastgesteld op het gemiddeld aantal hectares in die regio dat gedurende 1989, 1990 en 1991 met akkerbouwgewassen is ingezaaid of, eventueel, braakgelegd overeenkomstig een door de overheid gesubsidieerde regeling. Onder "regio" in deze zin dient te worden verstaan een lidstaat of een gebied in een lidstaat, naar keuze van de betrokken lidstaat. 3. Producenten die de areaalbetaling aanvragen, verbinden zich ertoe een deel van hun areaal uit productie te nemen en ontvangen een compensatie voor deze verplichting. 4. Wanneer het totaal van de arealen waarvoor op grond van de regeling ten behoeve van producenten van akkerbouwgewassen betaling wordt gevraagd, inclusief de in het kader daarvan uit productie genomen grond, groter is dan het basisareaal, wordt het in aanmerking komende areaal per producent verhoudingsgewijs verlaagd voor alle op grond van dit hoofdstuk in de betrokken regio gedurende hetzelfde verkoopseizoen toegekende betalingen. Arealen waarvoor geen aanvraag om areaalbetaling krachtens deze verordening wordt ingediend, maar waarvoor steun krachtens Verordening (EG) nr. . . . ./. . wordt gevraagd, worden ook in aanmerking genomen voor de berekening van het areaal waarvoor de areaalbetaling wordt gevraagd. Artikel 3 1. Met het oog op de vaststelling van de gemiddelde opbrengsten die worden gebruikt voor de berekening van de areaalbetaling, stelt elke lidstaat een regioplan op met daarin de adequate en objectieve criteria voor het bepalen van afzonderlijke productieregio's met het doel te komen tot een verdeling in homogene zones. In deze context houden de lidstaten bij de opstelling van hun regioplannen rekening met specifieke situaties. Met name kunnen zij de gemiddelde opbrengsten differentiëren om rekening te houden met eventuele structurele verschillen tussen productieregio's. De lidstaten kunnen in hun regioplannen de opbrengsten voor bevloeide oppervlakten en nietbevloeide oppervlakten differentiëren. In dat geval stellen zij een afzonderlijk basisareaal vast voor bevloeide gewassen. Het bevloeide basisareaal is gelijk aan het gemiddelde van de bevloeide oppervlakten voor akkerbouwgewassen in de jaren 1989 tot en met 1991, inclusief de verhogingen welke op grond van artikel 3, lid 1, vierde alinea, laatste zin, van Verordening (EEG) nr. 1765/92 zijn toegepast. De vaststelling van het bevloeide basisareaal mag het totale basisareaal van de betrokken lidstaat op geen enkele wijze doen toenemen. Indien dit basisareaal wordt overschreden is artikel 2, lid 4, van toepassing. Het regioplan moet in alle gevallen garanderen dat de gemiddelde opbrengst van de betrokken lidstaat die is vastgesteld voor de periode en aan de hand van de criteria als bedoeld in lid 2, in acht worden genomen. 2. Voor elke productieregio moet de lidstaat gedetailleerde gegevens verstrekken over het areaal en de opbrengsten van akkerbouwgewassen in de betrokken regio in de periode van vijf jaar van 1986/1987 tot en met 1990/1991. Voor elke regio wordt een gemiddelde graanopbrengst per hectare berekend, waarbij het jaar met de hoogste en dat met de laagste opbrengst in de betrokken periode buiten beschouwing worden gelaten. In het geval van Portugese graansoorten kan aan deze verplichting worden voldaan door de gegevens te verstrekken die zijn verschaft in het kader van de toepassing van Verordening (EEG) nr. 3653/90 van de Raad van 11 december 1990 houdende overgangsbepalingen inzake de gemeenschappelijke marktordening voor granen en rijst voor Portugal (2) en in het geval van de vijf nieuwe Duitse Länder door gegevens te verstrekken over de gemiddelde oogstopbrengst in de andere Duitse Länder. Indien een lidstaat besluit de met bevloeiing beteelde oppervlakten apart van de zonder bevloeiing beteelde oppervlakten te behandelen, dient de desbetreffende gemiddelde opbrengst, die niet mag worden gewijzigd, te worden opgesplitst naar de twee categorieën oppervlakten. 3. De lidstaten moeten hun regioplan uiterlijk op 1 augustus 1999 bij de Commissie indienen, met alle daarbij dienstige gegevens. Zij kunnen aan deze verplichting voldoen door te verwijzen naar het overeenkomstig Verordening (EEG) nr. 1765/92 bij de Commissie ingediende regioplan. 4. De Commissie onderzoekt de door de lidstaten ingediende regioplannen en ziet erop toe dat elk plan gebaseerd is op adequate, objectieve criteria en in overeenstemming is met de beschikbare historische gegevens. De Commissie kan bezwaar maken tegen plannen die niet beantwoorden aan de bovengenoemde criteria, in het bijzonder die met betrekking tot de gemiddelde opbrengst in de lidstaat. In dat geval moeten de plannen door de betrokken lidstaat worden bijgesteld na overleg met de Commissie. 5. De regioplannen kunnen door de betrokken lidstaat worden herzien op verzoek van de Commissie of op initiatief van die lidstaat overeenkomstig de in de leden 1 tot en met 4 neergelegde procedure. 6. Indien een lidstaat op grond van lid 1 productieregio's wil bepalen waarvan de grenzen afwijken van die van regionale basisarealen, zendt hij de Commissie een overzicht van alle betalingsaanvragen en van de betrokken opbrengsten. Indien uit deze gegevens blijkt dat, voor een bepaalde lidstaat, de gemiddelde opbrengst die resulteert uit het in 1993 toegepaste regioplan of, voor de nieuwe lidstaat, de gemiddelde opbrengst die resulteert uit het in 1995 toegepaste regioplan, wordt overschreden, worden alle in die lidstaat uit te keren betalingen voor het volgende verkoopseizoen in verhouding tot de geconstateerde overschrijding verlaagd. Deze bepaling is echter niet van toepassing wanneer de hoeveelheid waarvoor aanvragen zijn ingediend, uitgedrukt in tonnen granen, niet groter is dan het product van de basisarealen van de lidstaat vermenigvuldigd met bovengenoemde gemiddelde opbrengst. De lidstaten kunnen kiezen voor de vaststelling van een eventuele overschrijding van de gemiddelde opbrengst per basisareaal. In dat geval moeten de bepalingen van dit lid worden toegepast op de in elk betrokken basisareaal uit te keren betalingen. Artikel 4 1. De areaalbetaling wordt berekend door het basisbedrag per ton te vermenigvuldigen met de in het regioplan voor de betrokken regio vastgestelde gemiddelde graanopbrengst. 2. Het basisbedrag per ton wordt vastgesteld op: - 72,5 ECU voor eiwithoudende gewassen en - 66 ECU voor andere akkerbouwgewassen. Artikel 5 Voor met durumtarwe ingezaaide oppervlakten in de in bijlage II vermelde traditionele productiegebieden wordt een toeslag van 344,5 ECU/ha op de areaalbetaling uitgekeerd tot het in bijlage III vastgestelde maximumareaal. Als in een verkoopseizoen de som van de oppervlakten waarvoor een toeslag op de areaalbetaling wordt aangevraagd, groter is dan het bovenbedoelde maximum, wordt de oppervlakte per producent waarvoor de toeslag kan worden betaald, verhoudingsgewijs verlaagd. De lidstaten kunnen echter, met inachtneming van de per lidstaat in bijlage III vastgestelde beperkingen, de bovenbedoelde oppervlakten over de in die bijlage genoemde productiegebieden of, zo nodig, de in artikel 3 bedoelde productiegebieden verdelen op basis van de betekenis van de teelt van durumtarwe in de periode van 1993 tot en met 1997. Als in dit geval in een verkoopseizoen de som van de oppervlakten waarvoor in een productiegebied een toeslag op de areaalbetaling wordt aangevraagd, groter is dan het betrokken regionale maximum, wordt de oppervlakte per producent in dat productiegebied waarvoor de toeslag kan worden betaald, proportioneel verlaagd. Deze verlaging wordt toegepast nadat in een lidstaat de oppervlakten van gebieden die niet hun regionale limiet hebben bereikt, zijn verdeeld over de gebieden die die limiet hebben overschreden. In de niet in bijlage II bedoelde gebieden met een goed ingeburgerde productie van durumtarwe wordt een specifiek steunbedrag van 138,9 ECU/ha toegekend voor ten hoogste het in bijlage IV aangegeven aantal hectaren. Artikel 6 1. De braakleggingsverplichting wordt voor elke producent die areaalbetalingen aanvraagt, vastgesteld als een proportioneel gedeelte van zijn areaal dat met de betrokken akkerbouwgewassen is ingezaaid en waarvoor een aanvraag wordt ingediend, alsmede zijn areaal dat op grond van deze verordening uit productie wordt genomen. De braakleggingsverplichting bedraagt momenteel 0 %. 2. De lidstaten nemen adequate milieubeschermingsmaatregelen die beantwoorden aan de specifieke situatie van de uit productie genomen grond. 3. De braakgelegde grond mag worden gebruikt voor de productie van grondstoffen voor de vervaardiging, in de Gemeenschap, van niet specifiek voor voeding of vervoedering bestemde producten, op voorwaarde dat doeltreffende controlesystemen kunnen worden toegepast. De lidstaten mogen ten behoeve van de producenten een nationale steunregeling invoeren om hen te helpen bij de financiering van de kosten voor de aanplant van meerjarige gewassen voor de productie van biomassa. De steun mag evenwel niet hoger zijn dan het bedrag van de rente van een in vijf gelijke jaarlijkse termijnen terug te betalen lening die niet hoger mag zijn dan de in een periode van vijf jaar uit te keren areaalbetalingen voor de betrokken oppervlakten. 4. De betaling voor braaklegging wordt berekend zoals de areaalbetaling op grond van het bepaalde in artikel 4, lid 1 en lid 2, tweede streepje. Als verschillende opbrengsten zijn vastgesteld voor bevloeide en voor niet-bevloeide oppervlakten, wordt uitgegaan van de opbrengsten voor nietbevloeide oppervlakten. Voor Portugal wordt bij de areaalbetaling rekening gehouden met de bij Verordening (EEG) nr. 3653/90 ingestelde steunregeling. 5. De betaling voor braaklegging kan aan de producenten worden toegekend voor een braaklegging die hun verplichting overschrijdt. In dit geval mag het braakgelegde areaal niet groter zijn dan een door de lidstaten met inachtneming van de specifieke situaties vast te stellen oppervlakte die tevens een toereikende mate van gebruik van de cultuurgrond waarborgt. Het braakgelegde areaal moet ten minste 10 % bedragen van het areaal dat met akkerbouwgewassen is ingezaaid en waarvoor een aanvraag wordt ingediend, alsmede het areaal dat op grond van deze verordening uit productie wordt genomen. De betaling voor braaklegging mag voor meerdere jaren worden toegekend, met een maximum van vijf jaar. 6. Producenten die een betalingsaanvraag indienen voor een kleinere oppervlakte dan die welke volgens de voor hun regio vastgestelde opbrengst nodig is om 92 ton granen te produceren, zijn vrijgesteld van de braakleggingsverplichting. Artikel 7 Er kunnen geen betalingsaanvragen worden ingediend voor grond die op 31 december 1991 als blijvend grasland, voor meerjarige teelten, als bosgrond of voor niet-agrarische doeleinden in gebruik was. De lidstaten kunnen, onder nader te bepalen voorwaarden, van de eerste alinea afwijken om rekening te houden met bepaalde specifieke situaties, met name voor oppervlakten die bij een herstructureringsprogramma zijn betrokken of voor oppervlakten met meerjarige akkerbouwgewassen die in vruchtwisseling met de in bijlage I bedoelde gewassen worden geëxploiteerd. In dit geval nemen de lidstaten passende maatregelen om te voorkomen dat de toepassing van dergelijke afwijkende maatregelen leidt tot een belangrijke toeneming van het totale landbouwareaal dat in aanmerking komt. Deze maatregelen kunnen met name voorzien in de mogelijkheid om oppervlakten die tevoren in aanmerking kwamen in plaats van andere inmiddels in aanmerking komende oppervlakten, als niet in aanmerking komend te beschouwen. De lidstaten kunnen eveneens van de eerste alinea afwijken om rekening te houden met bepaalde specifieke situaties die verband houden met enigerlei overheidsmaatregel die een landbouwer ertoe brengt om, teneinde zijn normale landbouwactiviteit voort te zetten, grond te bebouwen die voordien als niet voor een areaalbetaling in aanmerking komend werd beschouwd, en indien de betrokken maatregel meebrengt dat aanvankelijk wel voor een areaalbetaling in aanmerking komende gronden niet meer in aanmerking komen, zodat de totale hoeveelheid in aanmerking komende grond vrijwel niet toeneemt. Bovendien kunnen de lidstaten voor bepaalde gevallen die niet onder de vorige twee alinea's vallen, van de eerste alinea afwijken, mits zij in een aan de Commissie voorgelegd plan aantonen dat de totale hoeveelheid voor een areaalbetaling in aanmerking komende grond ongewijzigd blijft. Artikel 8 1. De betalingen worden uitgekeerd tussen 1 januari en 31 maart volgende op de oogst. 2. Om voor de areaalbetaling in aanmerking te komen, moet de producent uiterlijk op 31 mei voorafgaand aan de betrokken oogst hebben ingezaaid en uiterlijk op 15 mei een aanvraag hebben ingediend. 3. De lidstaten nemen de nodige maatregelen om de aanvragers erop te wijzen dat zij de milieuwetgeving moeten naleven. Artikel 9 Volgens de procedure van artikel 23 van Verordening (EEG) nr. 1766/92 van de Raad (3) worden nadere bepalingen voor de uitvoering van dit hoofdstuk vastgesteld, met name: - de bepalingen inzake de vaststelling en het beheer van basisarealen, - de bepalingen betreffende het opstellen van de regioplannen voor de productie, - de bepalingen betreffende de toekenning van de areaalbetaling, - de bepalingen betreffende de voor betaling in aanmerking komende minimumoppervlakte; bij de vaststelling van deze bepalingen wordt met name rekening gehouden met de controlevereisten en de nagestreefde doeltreffendheid van de betrokken regeling, - de bepalingen inzake de vaststelling van de eisen om voor durumtarwe voor de in artikel 5 bedoelde toeslag op de areaalbetaling en voor de in dat artikel bedoelde specifieke steun in aanmerking te komen, en met name inzake de aanwijzing van de betrokken regio's, - de bepalingen inzake het uit productie nemen van grond, en met name de bepalingen voor artikel 6, lid 3; deze voorwaarden kunnen voorzien in het telen van producten zonder betaling, - de bepalingen betreffende de voorwaarden voor de toepassing van artikel 7; de omstandigheden waaronder afwijkingen van dit artikel kunnen worden toegestaan en de verplichting voor de lidstaten om de overwogen maatregelen ter goedkeuring aan de Commissie voor te leggen, worden in deze voorwaarden omschreven. Volgens diezelfde procedure kan de Commissie: - ofwel de toekenning van de betalingen laten afhangen van het gebruik van specifiek zaad, van gecertificeerd zaad van durumtarwe of van zaad van bepaalde rassen van oliehoudende zaden, durumtarwe en lijnzaad, ofwel bepalen dat de lidstaten de toekenning van de betalingen van dergelijke eisen kunnen laten afhangen, - toestaan dat de in artikel 8, lid 2, bedoelde data worden aangepast in bepaalde zones waar wegens de uitzonderlijke klimaatsomstandigheden de normale data niet toegepast kunnen worden. - onder voorbehoud van de budgettaire situatie, toestaan dat in afwijking van artikel 8, lid 1, in jaren waarin als gevolg van uitzonderlijke weersomstandigheden de oogsten zoveel kleiner zijn dat de producenten zich geconfronteerd zien met ernstige financiële moeilijkheden, in bepaalde gebieden 50 % van de areaalbetalingen en van de betalingen voor de braaklegging vóór 1 januari wordt uitgekeerd. Artikel 10 De in dit hoofdstuk vervatte maatregelen worden beschouwd als interventiemaatregelen ter regulering van de landbouwmarkten in de zin van artikel . . . van Verordening (EG) nr. . . . ./. . HOOFDSTUK II Algemene bepalingen en overgangsbepalingen Artikel 11 De areaalbetalingen, de betaling voor de braaklegging en het braak te leggen percentage bouwland die in deze verordening zijn vastgesteld, kunnen op grond van de ontwikkelingen op het vlak van productie, productiviteit en markten worden gewijzigd volgens de procedure van artikel 43, lid 2, van het Verdrag. Artikel 12 Als specifieke maatregelen nodig zijn om de overgang van de geldende regeling naar de bij deze verordening ingestelde regeling te vergemakkelijken, dan worden die maatregelen vastgesteld volgens de procedure van artikel 23 van Verordening (EEG) nr. 1766/92. Artikel 13 Verordening (EEG) nr. 1765/92 wordt ingetrokken. Artikel 14 1. Deze verordening treedt in werking op de zevende dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen. 2. Deze verordening is van toepassing met ingang van het verkoopseizoen 2000/2001. 3. Verordening (EEG) nr. 1765/92 blijft van toepassing voor het verkoopseizoen 1999/2000. Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat. Gedaan te . . . Voor de Raad . . . (1) PB L 181 van 1.7.1992, blz. 12. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 2309/97 (PB L 321 van 22.11.1997, blz. 3). (2) PB L 362 van 27.12.1990, blz. 28. (3) PB L 181 van 1.7.1992, blz. 21. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 923/96 (PB L 126 van 24.5.1996, blz. 37). BIJLAGE I Omschrijving van de producten >RUIMTE VOOR DE TABEL> BIJLAGE II Traditionele productiegebieden voor durumtarwe GRIEKENLAND Nomoi (prefecturen) van de volgende regio's Centraal Griekenland Peloponnesos Ionische eilanden Thessalië Macedonië Egeïsche eilanden Thracië OOSTENRIJK Pannonië SPANJE Provincies Almería Badajoz Burgos Cádiz Córdoba Granada Huelva Jaén Málaga Navarra Salamanca Sevilla Toledo Zamora Zaragoza FRANKRIJK Regio's Midi-Pyrénées Provence-Alpes-Côte d'Azur Languedoc-Roussillon Departmenten (1) Ardèche Drôme ITALIË Gewesten Abruzzen Basilicata Calabrië Campanië Lazio Marche Molise Umbrië Apulië Sardinië Sicilië Toscanië PORTUGAL Distritos Santarém Lisboa Setúbal Portalegre Évora Beja Faro (1) Elk van deze departementen kan bij één van de bovenstaande regio's worden gevoegd. BIJLAGE III Gegarandeerde maximumarealen voor de toeslag op de areaalbetaling voor durumtarwe >RUIMTE VOOR DE TABEL> BIJLAGE IV Gegarandeerde maximumarealen voor de specifieke steun voor durumtarwe > RUIMTE VOOR DE TABEL>