51998IP0981

Resolutie over de mededeling van de Commissie - Een partnerschap met het oog op integratie - Een strategie voor de integratie van het milieu in het beleid van de Europese Unie (COM(98)0333 C4-0410/98)

Publicatieblad Nr. C 359 van 23/11/1998 blz. 0091


B4-0981/98

Resolutie over de mededeling van de Commissie - Een partnerschap met het oog op integratie - Een strategie voor de integratie van het milieu in het beleid van de Europese Unie (COM(98)0333 - C4-0410/98)

Het Europees Parlement,

- gezien de mededeling van de Commissie (COM(98)0333 - C4-0410/98),

- gezien de conclusies van het voorzitterschap na de Europese Top van Cardiff op 15 en 16 juni 1998 ((Bulletin 17.6.1998.)),

- onder verwijzing naar zijn resolutie van 18 juni 1998 over de resultaten van de Europese Top van Cardiff van 15 en 16 juni 1998 ((PB C 210 van 6.7.1998, blz. 192.)),

- gezien besluit nr. 2179/98/EG van het Europees Parlement en de Raad inzake de herziening van het beleids- en actieprogramma van de Europese Gemeenschap met betrekking tot het milieu en duurzame ontwikkeling "Op weg naar duurzaamheid" ((PB L 275 van 10.10.1998, blz. 1.)),

- gelet op de artikelen 6, 2 en 3 van het Verdrag van Amsterdam,

- gezien Agenda 2000 en de wetgevingsvoorstellen daarin,

- gezien de verplichtingen van de Europese Unie uit hoofde van Kyoto en onder verwijzing naar zijn resolutie van 17 september 1998 over klimaatverandering in de voorbereidingsfase van Buenos Aires ((Deel II, punt 6 van de notulen van die datum.)),

- gezien de strategie die de Commissie heeft vastgesteld op het gebied van biologische verscheidenheid (COM(98)0042 - C4-0140/98) en de aanbevelingen van het Europees Parlement en de Raad ter zake,

- gezien de toekomstige uitbreiding van de Europese Gemeenschap en de lopende onderhandelingen,

- gezien de conclusies van de gezamenlijke Raad van ministers van Milieu en Vervoer van 17 juni 1998,

- onder verwijzing naar zijn resolutie van 14 mei 1997 over de mededeling van de Commissie over de tenuitvoerlegging van de communautaire milieuwetgeving (COM(96)0500 - C4-0591/96) ((PB C 167 van 2.6.1997, blz. 92.)),

A. overwegende dat in de mededeling van de Commissie "Integratiepartnerschappen" helder en beknopt wordt uiteengezet wat er op het spel staat, en dat met nadruk wordt gewezen op de noodzaak van verdere integratie, die in haar eigen woorden niet langer een mogelijkheid is maar een verplichting,

B. overwegende dat de aanbevelingen in de mededeling niet nauwkeurig en concreet genoeg zijn om een snelle en gestage vooruitgang in de richting van integratie te waarborgen,

C. overwegende dat in de conclusies van het voorzitterschap van de Europese Top van Cardiff van juni 1998 (paragrafen 32 t/m 36) aan alle relevante Raden van Ministers de duidelijke boodschap wordt gegeven dat zij erop moeten toezien dat integratie van het milieu in iedere vorm van communautair beleid werkelijkheid wordt,

D. overwegende dat de huidige interne organisatie van de werkzaamheden van Raad en Commissie niet de juiste grondslag biedt voor tenuitvoerlegging van het integratiebeginsel zoals dit in het Verdrag is vastgelegd,

E. overwegende dat de Gemeenschap niet beschikt over de richtsnoeren en indicatoren die noodzakelijk zijn om de mate van integratie te controleren en dat zij evenmin beschikt over mechanismen om een situatie van onvoldoende integratie recht te trekken,

F. overwegende dat het uiteindelijke doel, gezien het feit dat het Europees Hof van Justitie bevoegd is de integratie-eisen van de Gemeenschap te interpreteren, slechts kan worden bereikt door een gedragswijziging van besluitvormers te bewerkstelligen zodat deze de sectorgerichte processen en denkwijzen die zij van oudsher hanteren achter zich laten,

G. overwegende dat geen wetgevingsvoorstellen op het programma staan om het integratiebeginsel ten uitvoer te leggen,

H. overwegende dat de eis van milieu-integratie door herziening van het Vijfde Actieprogramma krachtiger is geformuleerd en dat in dit actieprogramma een gedetailleerde opsomming wordt gegeven van prioritaire doelstellingen van de Gemeenschap inzake andere beleidsterreinen zoals landbouw, vervoer, energie, industrie en toerisme,

I. overwegende dat in artikel 3C van het Verdrag van Amsterdam (artikel 6 van het geconsolideerde Verdrag) de verplichting wordt vastgelegd milieu-eisen te betrekken in vaststelling en tenuitvoerlegging van iedere vorm van communautair beleid en actie,

J. overwegende dat het pakket maatregelen in Agenda 2000, de strategie van de Gemeenschap voor de tenuitvoerlegging van het protocol van Kyoto en de mededeling van de Commissie over een Gemeenschapsstrategie inzake de biologische verscheidenheid voor de Gemeenschap niet alleen op zichzelf, maar ook wat betreft de uitvoering van het integratiebeginsel, uitdagingen van betekenis vormen,

K. overwegende dat het uitbreidingsproces de volmaakte gelegenheid zou kunnen scheppen om het integratiebeginsel aan het begin van een wetgevingsprocedure toe te passen, d.w.z. via toepassing van de communautaire wetgeving door de kandidaatlanden,

L. overwegende dat gezamenlijke zittingen van de Raad van ministers van Milieu en andere Raden zeldzaam zijn,

M. overwegende dat er een nauw verband bestaat tussen integratie van milieu-eisen in ander beleid van de Gemeenschap en doelmatige toepassing en afdwinging van de milieuwetgeving van de Unie,

1. juicht de mededeling van de Commissie toe en is van mening dat deze een realistische en degelijke grondslag vormt voor verwezenlijking van de algemene doelstelling van duurzame ontwikkeling via integratie van milieueisen in andere vormen van EU-beleid;

2. betreurt echter dat de aanbevelingen in de mededeling niet ambitieus genoeg zijn en is van mening dat een gedetailleerder actieprogramma met door iedere Instelling te nemen specifieke maatregelen en tijdschema's noodzakelijk is om het beoogde resultaat te bereiken;

3. beseft welke rol het moet spelen in het voorgestelde "integratiepartnerschap" tussen Raad, Parlement en Commissie, dat erop gericht is het milieu op te nemen in andere sectoren van Gemeenschapsbeleid; is bereid bij te dragen tot bevordering van dit partnerschap en doet op zijn partners een beroep soortgelijke bijdragen te leveren;

4. is bereid samen met Raad en Commissie verantwoordelijkheid te dragen voor de praktische tenuitvoerlegging van de bepalingen in artikel 6 van het Verdrag van Amsterdam;

5. zegt toe zijn organisatieprocedures te herzien om ervoor te zorgen dat rekening wordt gehouden met de noodzaak milieuaspecten op te nemen in de besluitvorming;

6. verzoekt de Commissie ervoor te zorgen dat alle desbetreffende voorstellen voortaan vergezeld gaan van milieueffectrapportages, bij voorbeeld naar analogie van de verklaringen die worden gebruikt om de gevolgen van voorstellen voor het midden- en kleinbedrijf te evalueren;

7. verzoekt de Raad zo spoedig mogelijk het voorstel van de Commissie voor een richtlijn van de Raad te behandelen over de evaluatie van de gevolgen van sommige plannen en programma's voor het milieu (COM(96)0511 - C4-0191/97) ((PB C 129 van 25.4.1997, blz. 14.)) en onverwijld tot een gemeenschappelijk standpunt te komen;

8. verzoekt nogmaals om bindende wetgeving inzake integratie van milieu en duurzaamheid en inzake consumentenbescherming in de vorm van een kaderrichtlijn;

9. verzoekt toekomstige voorzitterschappen van de Raad iedere zes maanden ten minste één gezamenlijke Raadszitting te plannen waaraan wordt deelgenomen door de ministers van Milieu en de ministers die verantwoordelijk zijn voor landbouw, vervoer, energie, industrie en toerisme, de sectoren die volgens het vijfde milieuactieprogramma het meest milieugevoelig zijn; deze gezamenlijke zittingen moeten de gewone zittingen van de Raad van Milieuministers niet vervangen en in de agenda's moet specifiek de nadruk worden gelegd op praktische integratieproblemen en op de wetgeving die in behandeling is; alle zittingen van ECOFIN en andere Raden die zich bezighouden met de problematiek van de structuurfondsen moeten de Raad van Milieuministers raadplegen over de praktische tenuitvoerlegging van de integratie;

10. verzoekt de Raad erop toe te zien dat integratie, implementatie en afdwinging door de ter zake bevoegde Raden ten minste eens per half jaar worden behandeld, zodat de vooruitgang naar duurzame ontwikkeling kan worden gecontroleerd;

11. verzoekt de Commissie in haar jaarlijkse werkprogramma duidelijk aan te geven hoe zij te werk denkt te gaan bij de tenuitvoerlegging van haar mededeling;

12. verzoekt de Commissie duidelijke richtsnoeren en indicatoren op te stellen voor toezicht en evaluatie van de mate waarin de integratie verwezenlijkt is; reeds bestaande of overwogen richtsnoeren inzake gedragscodes voor de landbouw kunnen hierbij als voorbeeld dienen;

13. dringt erop aan dat het belang van milieuvraagstukken wordt erkend in verband met Agenda 2000, de strategie van de Gemeenschap voor de tenuitvoerlegging van het Protocol van Kyoto en de strategie van de Europese Gemeenschap inzake de biologische verscheidenheid, en staat welwillend tegenover eventueel overleg met de Raad en de Commissie over mechanismen die waarborgen dat deze initiatieven ten uitvoer kunnen worden gelegd; acht het eveneens noodzakelijk dat bepalingen worden geformuleerd om de verwezenlijkte vooruitgang gezamenlijk in het oog te houden;

14. is van mening dat de belangrijke uitdagingen waaraan de Gemeenschap het hoofd moet bieden, zoals de uitbreiding, de hervormingen in het kader van "Agenda 2000", de strategie voor de periode na Kyoto en de strategie van de Europese Gemeenschap inzake de biologische verscheidenheid de Instellingen van de Gemeenschap en de lidstaten de gelegenheid bieden te laten zien dat zij vastbesloten zijn het integratiebeginsel uit het EU-Verdrag te verwezenlijken;

15. verzoekt de Europese Top van Wenen in december 1998 een bestandsopname te maken van de vooruitgang en in te gaan op de in deze resolutie geformuleerde verzoeken;16. verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Europese Raad, de Raad, de Commissie en de parlementen van de lidstaten.