Advies van het Economisch en Sociaal Comité over het "Voorstel voor een verordening (EG) van de Raad tot wijziging van Verordening (EG) nr. 2236/95 van de Raad tot vaststelling van de algemene regels voor het verlenen van financiële bijstand van de Gemeenschap op het gebied van Trans-Europese netwerken"
Publicatieblad Nr. C 407 van 28/12/1998 blz. 0120
Advies van het Economisch en Sociaal Comité over het "Voorstel voor een verordening (EG) van de Raad tot wijziging van Verordening (EG) nr. 2236/95 van de Raad tot vaststelling van de algemene regels voor het verlenen van financiële bijstand van de Gemeenschap op het gebied van Trans-Europese netwerken" () (98/C 407/23) De Raad heeft op 19 mei 1998 besloten het Economisch en Sociaal Comité overeenkomstig artikel 129 D van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap te raadplegen over het voornoemde voorstel. De Afdeling voor vervoer en communicatie, die was belast met de voorbereiding van het advies, heeft haar advies op 15 juli 1998 goedgekeurd; rapporteur was de heer Whitworth. Het Comité heeft tijdens zijn op 9 en 10 september 1998 gehouden 357e Zitting (vergadering van 9 september) het volgende advies uitgebracht, dat met 107 stemmen vóór en twee stemmen tegen, bij twee onthoudingen, is goedgekeurd. 1. Inleiding en achtergrond 1.1. Het Verdrag betreffende de Europese Unie, dat in februari 1992 te Maastricht werd getekend, voorzag in het basiskader voor de ontwikkeling van Trans-Europese netwerken in de sectoren vervoer, telecommunicatie en energie, en creëerde de mogelijkheid voor de EU om financiële bijstand te verlenen t.b.v. TEN-projecten van gemeenschappelijk belang (artikel 129 C). 1.2. In Verordening (EG) nr. 2236/95 werden uitvoerige regels voor het verstrekken van dergelijke financiële bijstand vastgelegd, terwijl in Beschikking (EG) nr. 1692/96 richtsnoeren werden opgenomen voor de ontwikkeling van de TEN's en het selecteren van projecten van gemeenschappelijk belang. 1.3. Dit soort verordeningen en beschikkingen zijn altijd gebaat bij herziening op grond van de opgedane ervaringen. Het Comité heeft reeds een advies uitgebracht over de voorstellen van de Commissie tot wijziging van Beschikking (EG) nr. 1692/96. Bovendien staat in artikel 19 van Verordening (EG) nr. 2236/95 dat herziening vóór eind 1999 dient plaats te vinden. 2. De Commissievoorstellen 2.1. De Commissie heeft nu voorstellen i.v.m. de herziening van Verordening (EG) nr. 2236/95 ingediend. De belangrijkste wijzigingen kunnen als volgt worden samengevat: - er moet een meerjarenbenadering voor financiering en begroting komen; - studies van strategische aard die op initiatief van de Commissie worden ondernomen, kunnen voor 100 % worden gefinancierd; - rentesubsidies worden niet langer tot vijf jaar beperkt; - er kan EU-steun t.b.v. de financiering van TEN-projecten met risicokapitaal worden verleend; - met de EU-steun moet een zo sterk mogelijk multiplier-effect worden gesorteerd door financiering door het bedrijfsleven te stimuleren, met name via openbaar/particuliere partnerschappen; - bij projecten van buitengewoon Trans-Europees belang mag de EU voortaan 20 % i.p.v. de huidige 10 % van de totale investeringskosten voor haar rekening nemen; - de procedures voor voorafgaande beoordeling, toezicht en evaluatie worden herzien. 2.2. Verder worden nog enkele minder belangrijke wijzigingen voorgesteld, waarvan de opmerkelijkste is dat bij het betrokken infrastructuurproject een bord moet worden geplaatst waarop staat dat dit project met steun van de EU wordt gerealiseerd. 2.3. De Commissie wijst erop dat artikel 129 C (thans artikel 155) met het Verdrag van Amsterdam in die zin is gewijzigd dat de EU financiële steun kan verlenen aan projecten die worden gesteund (maar niet noodzakelijkerwijze worden gefinancierd) door de lid-staten. Dit betekent dat de verordening nogmaals zal moeten worden gewijzigd wanneer het Verdrag van Amsterdam van kracht wordt. 2.4. In het financieel memorandum dat bij de voorgestelde verordening is gevoegd, worden de begrotingslijnen voor de TEN's op het gebied van vervoer, energie en telecommunicatie voor de periode 2000-2006 voorgelegd. De totale uitgaven worden geraamd op 5,5 miljard ecu, waarvan 4,992 miljard is bestemd voor het vervoer (dit was 1,8 miljard in de periode 1995-1999). 3. Eerdere adviezen van het Comité 3.1. Het Economisch en Sociaal Comité is in iedere ontwikkelingsfase van de TEN's over verschillende specifieke aspecten geraadpleegd. In oktober 1991 sprak het Comité zijn steun uit voor de algemene benadering t.a.v. de TEN's (). In april 1994 bracht het een advies uit over het voorstel voor een verordening voor het verlenen van financiële bijstand () (thans onderhavige Verordening (EG) nr. 2236/95). In november van dat jaar volgde een advies over het voorstel voor een Beschikking inzake richtsnoeren voor de ontwikkeling van de TEN's (). Meer recentelijk bracht het een advies uit over de mededeling van de Commissie inzake openbaar/particuliere partnerschappen bij TEN-projecten (). In zijn meest recente advies op dit vlak ging het Comité in op de herziening van de richtsnoeren van 1996, () zoals reeds opgemerkt in paragraaf 1.3. 3.2. In iedere fase heeft het Comité zijn onvoorwaardelijke steun uitgesproken voor het TEN-concept en heeft het aangedrongen op duidelijke criteria en adequate financiering. Laatst heeft het zich nog wel teleurgesteld getoond omdat de ontwikkeling van de TEN's langzamer vordert dan aanvankelijk werd verwacht en een overkoepelende strategie ontbreekt. Het heeft de Commissie verzocht, binnen afzienbare tijd een overzicht van de gehele TEN-structuur voor te leggen en daarna de geboekte vooruitgang te beoordelen en doelstellingen voor de toekomst vast te stellen. 4. Algemene opmerkingen 4.1. Uit principe is het Comité ermee ingenomen dat het functioneren van verordeningen als Verordening (EG) nr. 2236/95 voortdurend in de gaten wordt gehouden, om ze aan de hand van de opgedane ervaringen te verbeteren en ervoor te zorgen dat de beoogde doelstellingen daadwerkelijk worden gerealiseerd. In het licht van de overwegingen die de Commissie in de toelichting uiteenzet, is het Comité het ermee eens dat Verordening (EG) nr. 2236/95 aan herziening toe is. 4.2. Het Comité steunt de belangrijkste voorstellen zoals kort opgesomd in paragraaf 2.1 van dit advies. Al deze voorstellen dragen bij tot een effectievere inzet van de financiële bijstand van de EU, waarbij de aandacht vooral is gericht op die gebieden waar de ontwikkeling van strategische projecten en van projecten die met risicokapitaal worden gefinancierd, kan worden gestimuleerd en de vorming van openbaar/particuliere partnerschappen kan worden aangemoedigd. Hèt argument om financiële bronnen van de EU in te zetten is dat dan belangrijke strategische doelstellingen gemakkelijker gerealiseerd kunnen worden en de lid-staten en het bedrijfsleven worden aangemoedigd om TEN-projecten aan te vangen, die zonder deze stimulans van de EU wellicht helemaal niet van de grond zouden komen. 4.3. Wat de strategische projecten betreft, hecht het Comité extra belang aan de voorgestelde wijziging van artikel 4 lid 1 sub a), waardoor de Commissie in staat wordt gesteld studies van algemeen strategische aard die op haar initiatief worden uitgevoerd, voor 100 % te financieren. In dit verband bestaan tal van mogelijkheden om onderzoek te doen naar de omvang en aard van de verkeersstromen tussen de regio's van de EU, ten einde te kunnen bepalen hoe iedere vervoerswijze apart en in combinatie met andere vervoerswijzen optimaal kan worden ingezet. Dergelijke gegevens zijn van groot belang voor de ontwikkeling van milieuvriendelijk intermodaal vervoer, zoals de kustvaart/korte vaart. Het Comité meent dat de Commissie na de herziening van de Verordening prioriteit dient te geven aan het instellen van dergelijke studies. 4.4. Het Comité is met name te spreken over het fors verruimde budget voor de periode 2000-2006, vooral op het gebied van vervoer, en hoopt dat dit tot een snellere ontwikkeling en voltooiing van de TEN-projecten zal leiden. 4.5. Het Comité wijst erop dat de veranderingen in de procedures voor voorafgaande beoordeling, toezicht en evaluatie, zoals voorzien in artikel 15, op zich vrij klein zijn, maar dat het zeer belangrijk is dat projecten die door de EU worden gesteund, tot een succesvol einde worden gebracht en dat de doelstellingen die de bijstand van de EU rechtvaardigden, worden gerealiseerd. Het is van essentieel belang dat de EU waar voor haar geld krijgt, een gezonde financiële controle uitoefent en fraude bestrijdt. De resultaten hiervan in de sectoren energie, telecommunicatie en vervoer dienen ook te worden weergegeven in het jaarverslag dat het Comité en andere organen op grond van artikel 16 moet worden voorgelegd. 4.6. Het Comité neemt nota van de opmerking van de Commissie dat de verordening reeds in haar huidige vorm financiering van verbindingen met derde landen mogelijk maakt. Deze mogelijkheden zijn zeer belangrijk voor de realisering van de infrastructuurprojecten voor de 10 corridors in de landen van Midden- en Oost-Europa, die tijdens de pan-Europese Vervoersconferenties zijn vastgelegd. Het verwelkomt dan ook de suggestie van de Commissie om hiervan met het oog op de uitbreiding van de EU beter gebruik te maken. 5. Specifieke opmerkingen 5.1. Hoewel het Comité de doelstellingen van de voorgestelde wijzigingen in het algemeen steunt, meent het dat enkele sommige bepalingen in het voorstel duidelijker geformuleerd kunnen worden. 5.2. Deelneming in risicokapitaal wordt krachtens het nieuwe artikel 4 lid 1 sub e) en het herziene artikel 11 lid 7 toegestaan. Het Comité maakt uit het Commissiedocument op dat het daarbij niet de bedoeling is rechtstreeks te investeren in projecten met een verhoogd risico, maar eerder om beperkte hoeveelheden financiële middelen (tot 10 à 20 % van het totale investeringskapitaal) in te brengen in bepaalde geselecteerde institutionele beleggingsfondsen die risicokapitaal verstrekken voor geschikte TEN-projecten; deze beleggingsfondsen dienen onder leiding van een onafhankelijk bestuur te staan, dat de besluiten over de investeringen neemt. Doel van de deelneming van de EU is de vorming van dergelijke beleggingsfondsen aan te moedigen en particulier risicokapitaal voor TEN-projecten aan te trekken. Uiteraard zal de Commissie passende criteria voor het selecteren van de fondsen moeten vaststellen. Deze vorm van deelneming moet niet als subsidie worden beschouwd; het gaat hier om een investering die rendement kan opleveren. 5.3. In het nieuwe artikel 4 lid 3 wordt met de term "multiplicatoreffect" de mate bedoeld waarin het aannemelijk wordt geacht dat inbreng van EU-middelen in projecten waar overheidsfinanciering beperkt is, op zich al tot een grotere deelname van het bedrijfsleven zal leiden. Het Comité pleitte in zijn advies over openbaar-particuliere partnerschappen voor een grotere financiële deelname van het bedrijfsleven aan TEN-projecten. 5.4. De indicatieve aard van de financiële programmering in het kader van de meerjarenfinanciering die met het nieuwe artikel 5 sub a) wordt ingevoerd, zou wellicht duidelijker gedefinieerd kunnen worden. Met de nieuwe opzet wordt de Commissie in staat gesteld om binnen de jaarlijkse begrotingsprocedure besluiten op langere termijn te nemen. Na goedkeuring door het adviescomité (artikel 17) kan de Commissie een meerjarig financieringsprogramma ontwerpen, waarbij de jaarlijkse allocatie ieder jaar door de begrotingsautoriteit goedgekeurd moet worden. De Commissie kan dan dus - met inachtneming van de jaarlijkse begrotingsprocedure - financieringsbesluiten nemen en de verdeling van de middelen over de projecten veranderen, mocht dit gezien de vorderingen wenselijk zijn. Het herziene artikel 10 ontslaat de Commissie expliciet van de plicht om het adviescomité ieder jaar weer te raadplegen over projecten die in een meerjarenprogramma zijn opgenomen. 5.5. Het Comité meent dat dit een verstandige en praktische benadering is waarbij tijdrovende bureaucratische procedures tot een minimum beperkt zullen blijven. 5.6. De aanvulling op artikel 12 lid 1 om de Commissie een rechtstreekse rol toe te kennen bij de financiële controle op bepaalde projecten, loopt vooruit op de bevoegdheid die de Commissie krijgt als het Verdrag van Amsterdam eenmaal is geratificeerd, nl. om TEN-steun rechtstreeks aan particuliere ondernemingen toe te kennen. Deze situatie zal zich met name voordoen in de sectoren telecommunicatie en energie, waar particuliere bedrijven kunnen helpen bij de uitvoering van projecten van gemeenschappelijk belang. Brussel, 9 september 1998. De voorzitter van het Economisch en Sociaal Comité T. JENKINS () PB C 175 van 9.6.1998, blz. 7. () PB C 14 van 20.1.1992. () PB C 195 van 18.7.1994, blz. 74. () PB C 397 van 31.12.1994, blz. 23. () PB C 129 van 27.4.1998, blz. 58. () PB C 214 van 10.7.1998.