Voorstel voor een verordening (EG) van de Raad tot instelling van een mechanisme voor optreden van de Commissie ter opheffing van bepaalde handelsbelemmeringen /* COM/97/0619 def. - CNS 97/0330 */
Publicatieblad Nr. C 010 van 15/01/1998 blz. 0014
Voorstel voor een verordening (EG) van de Raad tot instelling van een mechanisme voor optreden van de Commissie ter opheffing van bepaalde handelsbelemmeringen (98/C 10/13) (Voor de EER relevante tekst) COM(97) 619 def. - 97/0330(CNS) (Door de Commissie ingediend op 26 november 1997) DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE, Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, inzonderheid op artikel 235, Gezien het voorstel van de Commissie, Gezien het advies van het Europees Parlement, 1. Overwegende dat de Europese Raad van Amsterdam van 16 en 17 juni 1997 de Commissie heeft verzocht te onderzoeken op welke wijze het vrije verkeer van goederen op doeltreffende wijze kan worden gewaarborgd, met inbegrip van de mogelijkheid lidstaten sancties op te leggen, en hiertoe voorstellen in te dienen; 2. Overwegende dat de interne markt, overeenkomstig artikel 7A van het Verdrag, een ruimte zonder binnengrenzen omvat, waarin in het bijzonder het vrije verkeer van goederen moet worden gewaarborgd volgens het bepaalde in de artikelen 30 tot en met 36 van het Verdrag; 3. Overwegende dat inbreuken op dit beginsel, zoals gevallen waarin uit andere lidstaten afkomstige goederen, worden opgehouden of vernietigd, of de invoer van deze goederen plotseling en ongerechtvaardigd wordt verboden, de goede werking van de interne markt ernstig kunnen verstoren en de benadeelden grote schade kunnen toebrengen, zonder dat de in de artikelen 169 en 186 van het Verdrag voorziene procedures dergelijke inbreuken op tijd kunnen verhelpen; 4. Overwegende dat dergelijke inbreuken niet alleen het gevolg kunnen zijn van een handeling van een lidstaat, maar ook van diens nalaten te handelen; dat dit met name het geval is wanneer dergelijke handelingen van particulieren afkomstig zijn en de lidstaat zich ervan onthoudt de noodzakelijke en evenredige maatregelen te nemen waarover hij beschikt en die het mogelijk maken het vrije verkeer van goederen te waarborgen, zonder dat hierbij de uitoefening van door het nationale recht erkende fundamentele rechten wordt belemmerd; 5. Overwegende dat, indien niet onmiddellijk wordt opgetreden, het gevaar bestaat dat de genoemde verstoringen en schade voortduren, zich uitbreiden of verergeren; dat aldus de handelsstromen en de contractuele betrekkingen waarop deze berusten, kunnen worden verstoord; 6. Overwegende dat dergelijke situaties de verworvenheden en de geloofwaardigheid van de interne markt in gevaar kunnen brengen; 7. Overwegende dat het Gemeenschapsrecht geen toereikende mogelijkheden biedt om met de nodige doeltreffendheid en spoed een einde aan dit soort belemmeringen te maken, en dat de benadeelde partijen niet over een passend instrument beschikken om de bescherming van hun rechten te doen gelden; 8. Overwegende dat de Commissie derhalve over de mogelijkheid moet beschikken, door middel van een beschikking, tegen de betrokken lidstaat op te treden, opdat deze snel en doeltreffend een einde aan de voornoemde belemmeringen van het vrije verkeer van goederen maakt en de particulieren hun rechten kunnen doen gelden binnen de nationale rechtsorde; 9. Overwegende dat, wanneer de betrokken lidstaat de beschikking van de Commissie niet naleeft, laatstgenoemde de zaak snel uit hoofde van artikel 169 van het Verdrag bij het Hof van Justitie aanhangig moet kunnen maken; dat hiertoe strikte termijnen voor de precontentieuze fase van de procedure moeten worden vastgelegd; 10. Overwegende dat het Verdrag voor de vaststelling van de onderhavige verordening, in geen andere bevoegdheden voorziet dan die van artikel 235 van het Verdrag, HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD: Artikel 1 1. Deze verordening is van toepassing op duidelijke, uitgesproken en ongerechtvaardigde belemmeringen van het vrije verkeer van goederen in de zin van de artikelen 30 tot en met 36 van het Verdrag, welke het gevolg zijn van een handeling van of het nalaten te handelen van een lidstaat, en die: - een ernstige verstoring van het vrije verkeer van goederen veroorzaken; - de benadeelde particulieren ernstige schade toebrengen en - een onmiddellijk optreden vereisen om een eventuele voortduring, uitbreiding of verergering van de bedoelde verstoring of schade te voorkomen. 2. Er is nalaten te handelen in de zin van deze verordening, wanneer een lidstaat, ten aanzien van acties van particulieren, nalaat de noodzakelijke en evenredige maatregelen te nemen waarover hij beschikt en die het mogelijk maken het vrije verkeer van goederen te waarborgen, zonder dat hierbij de uitoefening van door het nationale recht erkende fundamentele rechten wordt belemmerd. Artikel 2 Wanneer de Commissie vaststelt dat in een lidstaat belemmeringen in de zin van artikel 1 bestaan, richt zij een beschikking tot deze lidstaat waarin zij deze gelast de noodzakelijke en evenredige maatregelen te nemen om binnen een termijn die zij vaststelt, een einde aan de bedoelde belemmeringen te maken. Artikel 3 1. De Commissie leidt niet later dan vijf dagen na de dag waarop zij over alle feiten met betrekking tot de bedoelde belemmeringen beschikt, de in dit artikel vastgestelde procedure in. 2. Alvorens de in artikel 2 bedoelde beschikking vast te stellen, biedt de Commissie de betrokken lidstaat de mogelijkheid zijn standpunt kenbaar te maken binnen een termijn die zij vaststelt naargelang van de spoedeisendheid van de zaak en die is gelegen binnen 3 tot 5 werkdagen vanaf de dag dat de Commissie zich tot deze lidstaat heeft gericht. 3. De Commissie stelt de in artikel 2 bedoelde beschikking zo snel mogelijk vast, doch niet later dan tien dagen na het verstrijken van de in lid 2 voorziene termijn. Artikel 4 1. Indien de lidstaat waartoe de beschikking is gericht, hieraan niet binnen de daarin vastgestelde termijn voldoet, maant de Commissie hem onmiddellijk aan binnen drie dagen zijn opmerkingen te maken. 2. Indien de belemmering na afloop van de in lid 1 genoemde termijn van drie dagen, niet is opgeheven, brengt de Commissie onverwijld een met redenen omkleed advies uit waarin de lidstaat wordt gelast hieraan binnen drie dagen te voldoen. 3. Indien de lidstaat na afloop van de in lid 2 genoemde termijn het met redenen omklede advies niet is nagekomen, kan de Commissie de zaak bij het Hof van Justitie aanhangig maken. Artikel 5 De Commissie maakt de beschikking die zij uit hoofde van artikel 2 van deze verordening vaststelt, bekend in het Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen en deelt de tekst ervan onmiddellijk mee aan de belanghebbenden die hierom verzoeken. Artikel 6 Deze verordening treedt in werking op de eenentwintigste dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen. Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.