Voorstel voor een akte van de Raad tot vaststelling van het Verdrag betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging in de Lid-Staten van de Europese Unie van beslissingen in burgerlijke en handelszaken /* COM/97/0609 def. - CNS 97/0339 */
Publicatieblad Nr. C 033 van 31/01/1998 blz. 0020
Voorstel voor een Akte van de Raad tot vaststelling van het Verdrag betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging in de lidstaten van de Europese Unie van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (98/C 33/05) COM(97) 609 def. - 97/0339(CNS) (Door de Commissie ingediend op 22 december 1997) DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE, GELET OP het Verdrag betreffende de Europese Unie, inzonderheid op artikel K.3, lid 2, onder c), GEZIEN het voorstel van de Europese Commissie, GEZIEN het advies van het Europees Parlement, OVERWEGENDE dat de lidstaten, met het oog op de verwezenlijking van de doelstellingen van de Europese Unie, de samenwerking op het gebied van de bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken als een aangelegenheid van gemeenschappelijk belang beschouwen, die onder de bij Titel VI van het Verdrag ingestelde justitiële samenwerking in burgerlijke zaken valt; BESLUIT dat het verdrag en het protocol betreffende de uitlegging ervan waarvan de teksten aan deze akte zijn gehecht, en die heden door de vertegenwoordigers van de regeringen van de lidstaten worden ondertekend, zijn vastgesteld; BEVEELT AAN dat de lidstaten dit verdrag overeenkomstig hun onderscheiden grondwettelijke bepalingen aannemen. DE HOGE VERDRAGSLUITENDE PARTIJEN, lidstaten van de Europese Unie, GELET OP de akte van de Raad van de Europese Unie van . . . VERLANGEND het vrije verkeer van beslissingen in burgerlijke en handelszaken binnen de lidstaten van de Europese Unie te verbeteren en te versnellen en de formaliteiten waaraan de erkenning en de voorlopige tenuitvoerlegging van rechterlijke beslissingen zijn onderworpen in dit verband te vereenvoudigen; WENSENDE de juridische bescherming van in de lidstaten van de Europese Unie gevestigde personen te verbeteren; OVERWEGENDE dat volgens artikel K.3, lid 2, onder c), van het Verdrag betreffende de Europese Unie in overeenkomsten die op grond van artikel K.3 zijn opgesteld kan worden bepaald dat het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen bevoegd is om de bepalingen van die overeenkomsten uit te leggen volgens regelingen die in die overeenkomsten kunnen worden omschreven; HEBBEN OVEREENSTEMMING BEREIKT omtrent de volgende bepalingen: TITEL I - TOEPASSINGSGEBIED Artikel 1 (Ongewijzigd (1)) TITEL II - BEVOEGDHEID Afdeling 1 Algemene bepalingen Artikel 2 1. Onverminderd de bepalingen van dit Verdrag worden zij die hun gewone verblijfplaats hebben op het grondgebied van een verdragsluitende staat, ongeacht hun nationaliteit, opgeroepen voor de gerechten van die staat. Voor degenen die niet de nationaliteit bezitten van de staat waar zij hun gewone verblijfplaats hebben, gelden de regels van rechterlijke bevoegdheid die op de eigen onderdanen van die staat van toepassing zijn. 2. Voor de toepassing van dit verdrag wordt de plaats van het centrale bestuur van vennootschappen en andere rechtspersonen, of, bij gebreke daarvan, die van hun statutaire zetel gelijkgesteld met de gewone verblijfplaats van natuurlijke personen. Artikel 3 Degenen die op het grondgebied van een verdragsluitende staat hun gewone verblijfplaats hebben kunnen niet voor de rechter van een andere verdragsluitende staat worden opgeroepen dan krachtens de in de afdelingen 2 tot en met 6 bis van deze titel gegeven regels. Tegen hen kunnen met name niet worden ingeroepen: (Ongewijzigd) Artikel 4 Indien de verweerder zijn gewone verblijfplaats niet heeft op het grondgebied van een verdragsluitende staat, wordt de bevoegdheid in elke verdragsluitende staat geregeld door de wetgeving van die staat, onverminderd de toepassing van het bepaalde in de artikelen 16, 17 en 18. Tegen deze verweerder kan ieder, ongeacht zijn nationaliteit, die op het grondgebied van een verdragsluitende staat zijn gewone verblijfplaats heeft aldaar op dezelfde voet als de eigen onderdanen van die staat de bevoegdheidsregels inroepen die er van kracht zijn, met name de regels bedoeld in artikel 3, tweede alinea. Afdeling 2 Bijzondere bevoegdheid Artikel 5 De verweerder die zijn gewone verblijfplaats op het grondgebied van een verdragsluitende staat heeft, kan in een andere verdragsluitende staat voor de navolgende gerechten worden opgeroepen: 1. ten aanzien van overeenkomsten betreffende de verkoop van goederen: voor het gerecht van de plaats waar de levering heeft of moest hebben plaatsgehad, behalve indien de goederen op verschillende plaatsen zijn of moesten worden geleverd; 2. ten aanzien van onderhoudsverplichtingen: voor het gerecht van de plaats waar degene die onderhoud eist zijn woonplaats of zijn gewone verblijfplaats heeft of, indien het een bijkomende eis is die verbonden is met een vordering betreffende de staat van personen, voor het gerecht dat volgens zijn eigen wet bevoegd is daarvan kennis te nemen (2); behalve in het geval dat deze bevoegdheid uitsluitend berust op de nationaliteit van een der partijen; 3. ten aanzien van verbintenissen uit onrechtmatige daad: voor het gerecht van de plaats waar het schadevoortbrengende feit zich heeft voorgedaan of voor het gerecht van de plaats waar de schade, of een deel van de schade, is ingetreden; 4. ten aanzien van een op een strafbaar feit gegronde rechtsvordering tot schadevergoeding of tot teruggave: voor het gerecht waarbij de strafvervolging is ingesteld, zulks voor zover volgens de interne wetgeving dit gerecht van de burgerlijke vordering kennis kan nemen; 5. ten aanzien van een geschil betreffende de exploitatie van een filiaal, van een agentschap of enige andere vestiging: voor het gerecht van de plaats waar zij gelegen zijn; 6. als oprichter, trustee of begunstigde van een trust, die in het leven is geroepen op grond van de wet of bij geschrifte dan wel bij een schriftelijk bevestigde mondelinge overeenkomst: voor de gerechten van de verdragsluitende staat op het grondgebied waarvan de trust is gevestigd; 7. ten aanzien van een geschil betreffende de betaling van de beloning wegens de hulp en berging die aan een lading of vracht ten goede is gekomen: voor het gerecht in het rechtsgebied waarvan op deze lading of de daarop betrekking hebbende vracht: a) beslag is gelegd tot zekerheid van deze betaling, of b) daartoe beslag had kunnen worden gelegd, maar borgtocht of andere zekerheid is gesteld; deze bepaling is slechts van toepassing indien wordt beweerd dat de verweerder een recht heeft op de lading of de vracht, of dat hij daarop een zodanig recht had op het tijdstip van deze hulp of berging. Artikel 5 bis 1. Ten aanzien van individuele verbintenissen uit arbeidsovereenkomst kan de verweerder die zijn gewone verblijfplaats op het grondgebied van een verdragsluitende staat heeft, in een andere verdragsluitende staat worden opgeroepen voor het gerecht van de plaats waar de werknemer gewoonlijk zijn arbeid verricht. Wanneer de werknemer zijn arbeid gewoonlijk niet in een zelfde land verricht, kan de werkgever tevens worden opgeroepen voor het gerecht van de plaats waar zich de vestiging bevindt . . . die de werknemer in dienst heeft genomen. 2. Een tussen twee partijen gesloten overeenkomst tot aanwijzing van een bevoegde rechter heeft alleen rechtsgevolgen indien deze is gesloten na het ontstaan van het geschil of indien de werknemer zich daarop beroept om zich tot een ander gerecht te wenden dan dat van de gewone verblijfplaats van de verweerder of het in lid 1 genoemde gerecht. Artikel 6 De verweerder die zijn gewone verblijfplaats op het grondgebied van een verdragsluitende staat heeft, kan ook in een andere verdragsluitende staat worden opgeroepen: 1. indien er meer dan één verweerder is: voor het gerecht van de gewone verblijfplaats van een hunner, tenzij de eis enkel is ingesteld om de medeverweerders van hun gerecht af te trekken. De eerste alinea is niet van toepassing op de medeverweerder die met de eiser een overeenkomst tot aanwijzing van een bevoegde rechter overeenkomstig het bepaalde in artikel 17 heeft gesloten; 2. bij een vordering tot vrijwaring of bij een vordering tot voeging of tussenkomst: voor het gerecht waarvoor de oorspronkelijke vordering aanhangig is, tenzij de vordering slechts is ingesteld om de opgeroepene af te trekken van de rechter die de wet hem toekent; 3. ten aanzien van een tegeneis die voortspruit uit de overeenkomst of uit het rechtsfeit waarop de oorspronkelijke eis is gegrond: voor het gerecht waar deze laatste aanhangig is; 4. ten aanzien van een verbintenis uit overeenkomst, indien de vordering vergezeld kan gaan van een zakelijke vordering betreffende een onroerend goed tegen dezelfde verweerder: voor de gerechten van de verdragsluitende staat waarin het onroerend goed gelegen is. Artikel 6 bis (Ongewijzigd) Afdeling 3 Bevoegdheid in verzekeringszaken Artikel 7 (Ongewijzigd) Artikel 8 De verzekeraar die zijn gewone verblijfplaats op het grondgebied van een verdragsluitende staat heeft, kan worden opgeroepen: 1. in een andere verdragsluitende staat, voor het gerecht van de gewone verblijfplaats van de verzekeringsnemer, of 2. indien het een medeverzekeraar betreft, voor het gerecht van een verdragsluitende staat waar de vordering tegen de eerste verzekeraar is ingesteld. Wanneer de verzekeraar zijn gewone verblijfplaats niet op het grondgebied van een verdragsluitende staat heeft, maar in een verdragsluitende staat een filiaal, een agentschap of enige andere vestiging heeft, wordt hij voor de geschillen betreffende de exploitatie daarvan geacht zijn gewone verblijfplaats op het grondgebied van die staat te hebben. Artikel 9 De verzekeraar kan bovendien worden opgeroepen voor het gerecht van de plaats waar het schadevoortbrengende feit zich heeft voorgedaan of voor het gerecht van de plaats waar de schade, of een deel van de schade, is ingetreden indien het geschil een aansprakelijkheidsverzekering of een verzekering welke betrekking heeft op onroerende goederen, betreft. Hetzelfde geldt voor het geval dat de verzekering zowel betrekking heeft op onroerende als op roerende goederen die door een zelfde polis zijn gedekt en door hetzelfde onheil zijn getroffen. Artikel 10 (Ongewijzigd) Artikel 11 Onverminderd het bepaalde in artikel 10, derde alinea, kan de vordering van de verzekeraar slechts worden gebracht voor de gerechten van de verdragsluitende staat, op het grondgebied waarvan de verweerder zijn gewone verblijfplaats heeft, ongeacht of deze laatste verzekeringsnemer, verzekerde of begunstigde is. De bepalingen van deze afdeling laten het recht om een tegeneis in te stellen bij het gerecht, voor hetwelk met inachtneming van deze afdeling de oorspronkelijke eis is gebracht, onverlet. Artikel 12 Van de bepalingen van deze afdeling kan slechts worden afgeweken door overeenkomsten: (punten 1 en 2 ongewijzigd) 3. die zijn gesloten tussen een verzekeringsnemer en een verzekeraar, die op het tijdstip van de sluiting van de overeenkomst, hun gewone verblijfplaats in dezelfde verdragsluitende staat hebben en die tot gevolg hebben dat, zelfs als het schadevoortbrengende feit zich in het buitenland heeft voorgedaan, de gerechten van die staat bevoegdheid wordt verleend, tenzij de wetgeving van die staat dergelijke overeenkomsten verbiedt, of . . . 4. gesloten door een verzekeringsnemer die zijn gewone verblijfplaats niet in een verdragsluitende staat heeft, behoudens in geval van verplichte verzekering dan wel in geval van verzekering van een in een verdragsluitende staat gelegen onroerend goed, of 5. (ongewijzigd) Artikel 12 bis De in artikel 12, punt 5, bedoelde risico's zijn de volgende: (punten 1 tot en met 4 ongewijzigd) 5. Alle grote risico's bedoeld in artikel 5 van Richtlijn 88/357/EEG. Afdeling 4 Bevoegdheid inzake door consumenten gesloten overeenkomsten Artikel 13 Ter zake van overeenkomsten gesloten door een persoon voor een gebruik dat als niet bedrijfs- of beroepsmatig kan worden beschouwd, hierna "de consument" genoemd, wordt de bevoegdheid geregeld door deze afdeling, onverminderd het bepaalde in artikel 4 en artikel 5, punt 5, 1. wanneer het gaat om koop en verkoop op afbetaling van roerende lichamelijke zaken of om bruikleen op afbetaling of om andere kredietovereenkomsten waarop Richtlijn 87/102/EEG van de Raad van toepassing is; 2. voor elke andere overeenkomst die betrekking heeft op de levering van roerende lichamelijke zaken of op de verrichting van diensten indien: a) de sluiting van de overeenkomst in de staat waar de consument zijn gewone verblijfplaats heeft, is voorafgegaan door een bijzonder voorstel of reclame, of b) de wederpartij van de consument of haar vertegenwoordiger de bestelling van de consument heeft ontvangen in het land waar deze laatste zijn gewone verblijfplaats heeft, of c) de consument zich van de staat van zijn gewone verblijfplaats naar een andere verdragsluitende staat heeft begeven en er de bestelling heeft gedaan, op voorwaarde dat de reis is georganiseerd teneinde de consument ertoe aan te zetten een koopovereenkomst te sluiten. Het bepaalde in de eerste alinea, punt 2, is van toepassing op overeenkomsten inzake de verkrijging van het gebruiksrecht in gedeelde tijd op een onroerend goed. Wanneer de wederpartij van de consument zijn gewone verblijfplaats niet op het grondgebied van een verdragsluitende staat heeft, maar in een verdragsluitende staat een filiaal, een agentschap of enige andere vestiging heeft, wordt hij voor de geschillen betreffende de exploitatie daarvan geacht zijn gewone verblijfplaats op het grondgebied van die staat te hebben. Artikel 14 De rechtsvordering die door een consument wordt ingesteld tegen de wederpartij bij de overeenkomst, kan worden gebracht hetzij voor de gerechten van de verdragsluitende staat op het grondgebied waarvan die partij haar gewone verblijfplaats heeft, hetzij voor de gerechten van de verdragsluitende staat op het grondgebied waarvan de consument zijn gewone verblijfplaats heeft. De rechtsvordering die tegen de consument wordt ingesteld door de andere partij bij de overeenkomst kan slechts worden gebracht voor de gerechten van de verdragsluitende staat op het grondgebied waarvan de consument zijn gewone verblijfplaats heeft. Deze bepalingen laten het recht om een tegeneis in te stellen bij het gerecht, waarvoor met inachtneming van deze afdeling de oorspronkelijke eis is gebracht, onverlet. Artikel 15 Van de bepalingen van deze afdeling kan slechts worden afgeweken door overeenkomsten: 1. gesloten na het ontstaan van het geschil, of 2. die aan de consument de mogelijkheid geven de zaak bij andere gerechten dan de in deze afdeling genoemde aanhangig te maken, of 3. waarbij een consument en zijn wederpartij, die op het tijdstip van het sluiten van de overeenkomst . . . hun gewone verblijfplaats in dezelfde verdragsluitende staat hebben, de gerechten van die staat bevoegd verklaren, tenzij de wetgeving van die staat dergelijke overeenkomsten verbiedt. Afdeling 5 Uitsluitende bevoegdheden Artikel 16 Zijn bij uitsluiting bevoegd: 1. a) (Ongewijzigd) b) ten aanzien evenwel van huur en verhuur, pacht en verpachting van onroerende goederen voor tijdelijk particulier gebruik voor ten hoogste zes opeenvolgende maanden: eveneens de gerechten van de verdragsluitende staat waar de verweerder zijn gewone verblijfplaats heeft mits de eigenaar en de huurder of pachter natuurlijke personen zijn en zij woonplaats in dezelfde verdragsluitende staat hebben: 2. ten aanzien van de geldigheid, de nietigheid of de ontbinding van vennootschappen of andere rechtspersonen met statutaire zetel in een verdragsluitende staat . . . de gerechten van die staat; (punten 3, 4 en 5 ongewijzigd). Afdeling 6 Door partijen aangewezen bevoegde rechter Artikel 17 "Wanneer de partijen . . . een gerecht of de gerechten van een verdragsluitende staat hebben aangewezen voor de kennisneming van geschillen welke naar aanleiding van een bepaalde rechtsbetrekking zijn ontstaan of zullen ontstaan, is dit gerecht of zijn de gerechten van die staat bij uitsluiting bevoegd. Deze overeenkomst tot aanwijzing van een bevoegde rechter dient te worden gesloten: a) hetzij bij een schriftelijke overeenkomst, hetzij bij een schriftelijk bevestigde mondelinge overeenkomst; b) hetzij in een vorm die wordt toegelaten door de handelwijzen die tussen de partijen gebruikelijk zijn geworden; c) hetzij, in de internationale handel, in een vorm die overeenstemt met een gewoonte waarvan de partijen op de hoogte zijn of hadden behoren te zijn en die in de internationale handel algemeen bekend is en door partijen bij dergelijke overeenkomsten in de betrokken handelsbranche doorgaans in acht wordt genomen. Wanneer een dergelijke overeenkomst wordt gesloten door partijen die geen van allen hun gewone verblijfplaats op het grondgebied van een verdragsluitende staat hebben, kunnen de gerechten van de andere verdragsluitende staten van het geschil geen kennis nemen, zolang het aangewezen gerecht of de aangewezen gerechten zich niet onbevoegd hebben verklaard." (De rest van het artikel blijft ongewijzigd, met uitzondering van de laatste alinea, die wordt geschrapt) Artikel 18 Buiten de gevallen waarin zijn bevoegdheid uit andere bepalingen van dit Verdrag voortvloeit, is het gerecht van een verdragsluitende staat bevoegd waarvoor de verweerder verschijnt en vrijwillig andere processuele handelingen verricht dan die welke rechtstreeks of onrechtstreeks, accessoir of subsidiair ertoe strekken de bevoegdheid van dit gerecht te betwisten. De nationale bepalingen betreffende de vorm waarin of de middelen waarmee de onbevoegdheid van het gerecht kan worden opgeworpen, kunnen in geen geval afbreuk doen aan de ondubbelzinnige uiting van de wil van de verweerder om de bevoegdheid van dit gerecht te betwisten. De eerste alinea is niet van toepassing indien een ander gerecht krachtens artikel 16 bij uitsluiting bevoegd is. Afdeling 6 bis Bevoegdheid inzake voorlopige en bewarende maatregelen Artikel 18 bis 1. De in de wetgeving van een verdragsluitende staat voorziene voorlopige en bewarende maatregelen kunnen, indien zij op zijn grondgebied moeten worden uitgevoerd, ongeacht de plaats waar zij hun gevolgen hebben, in deze staat worden gevorderd, zelfs wanneer het gerecht van een andere verdragsluitende staat krachtens dit Verdrag bevoegd is van de zaak ten gronde kennis te nemen. 2. Onder voorlopige en bewarende maatregelen worden in de zin van dit Verdrag verstaan spoedeisende maatregelen die bedoeld zijn voor het onderzoek van de zaak, voor het behoud van bewijzen of goederen met het oog op de beslissing of de gedwongen tenuitvoerlegging, of voor de handhaving of beslechting van een feitelijke of rechtstoestand teneinde rechten te bewaren waarvan de erkenning aan de rechter ten gronde wordt of kan worden gevraagd. Afdeling 7 Toetsing van de bevoegdheid en de ontvankelijkheid Artikel 19 (Ongewijzigd) Artikel 20 Wanneer de verweerder voor een gerecht van een verdragsluitende staat wordt opgeroepen en niet verschijnt, verklaart de rechter zich ambtshalve onbevoegd indien zijn bevoegdheid niet berust op de bepalingen van dit Verdrag. (Ongewijzigd) De contractsluitende partijen passen het bepaalde in de tweede alinea slechts toe tot de inwerkingtreding te hunnen aanzien van het bepaalde in artikel 9 van het Verdrag inzake de betekening en de kennisgeving in de lidstaten van de Europese Unie van gerechtelijke en buitengerechtelijke stukken in burgerlijke of in handelszaken. Afdeling 8 Aanhangigheid en samenhang Artikel 21 Wanneer voor gerechten van verschillende verdragsluitende staten tussen dezelfde partijen vorderingen aanhangig zijn, welke hetzelfde onderwerp betreffen en op dezelfde oorzaak berusten, houdt het gerecht waarbij de zaak het laatst is aangebracht zijn uitspraak ambtshalve aan, totdat de bevoegdheid van het gerecht waarbij de zaak het eerst is aangebracht vaststaat. Wanneer de bevoegdheid van het gerecht waarbij de zaak het eerst is aangebracht vaststaat, verklaart het gerecht waarbij de zaak het laatst is aangebracht zich onbevoegd. Een zaak is in de zin van dit Verdrag bij een gerecht aangebracht wanneer de vordering bij dit gerecht is ingesteld en het stuk dat het geding inleidt of een gelijkwaardig stuk, overeenkomstig artikel 20, tweede of derde alinea aan de verweerder is betekend of medegedeeld. Artikel 22 Wanneer samenhangende vorderingen bij gerechten van verschillende verdragsluitende staten aanhangig zijn, kan het gerecht bij hetwelk de zaak het laatst is aangebracht zijn uitspraak aanhouden. Dit gerecht kan, op verzoek van een der partijen, ook tot verwijzing overgaan mits de vorderingen in dezelfde aanleg aanhangig zijn, het gerecht waarbij de zaak het eerst is aangebracht, bevoegd is van deze vorderingen kennis te nemen, en zijn wetgeving de voeging van samenhangende zaken toestaat. Samenhangend in de zin van dit artikel zijn vorderingen waartussen een zodanig nauwe band bestaat dat een goede rechtsbedeling vraagt om hun gelijktijdige behandeling en berechting, teneinde te vermijden dat bij afzonderlijke berechting van de zaken onverenigbare uitspraken worden gegeven. Artikel 23 (Lid 1 ongewijzigd) 2. Wanneer enkel het gerecht waarbij de zaak het laatst is aangebracht een uitsluitende bevoegdheid heeft, is dit gerecht niet gehouden zijn uitspraak aan te houden, totdat het gerecht waarbij de zaak het eerst is aangebracht zich over zijn bevoegdheid heeft uitgesproken. Afdeling 9 Voorlopige maatregelen en maatregelen tot bewaring van recht Artikel 24 Dit artikel wordt geschrapt. TITEL III - ERKENNING EN TENUITVOERLEGGING Artikel 25 (Ongewijzigd) Afdeling 1 Erkenning Artikel 26 (Ongewijzigd) Artikel 27 Ook wanneer zij in de aangezochte staat uitvoerbaar zijn of nog niet in de zin van artikel 31 uitvoerbaar zijn verklaard, bewijzen de in een verdragsluitende staat gegeven beslissingen, voorzover het uitgesproken veroordelingen betreft, het bestaan van een schuldvordering, op grond waarvan volgens de wetgeving van de aangezochte staat voorlopige en bewarende maatregelen kunnen worden genomen. Artikel 28 Dit artikel wordt geschrapt. Artikel 29 Dit artikel wordt geschrapt. Artikel 30 (Ongewijzigd) Afdeling 2 Tenuitvoerlegging Artikel 31 De beslissingen die in een verdragsluitende staat gegeven zijn en daar uitvoerbaar zijn, hebben in een andere verdragsluitende staat, nadat zij aldaar, ten verzoeke van iedere belanghebbende partij, uitvoerbaar zijn verklaard, dezelfde gevolgen, als die welke verbonden zijn aan een beslissing die in die andere staat uitvoerbaar is. In het Verenigd Koninkrijk worden deze beslissingen in Engeland en Wales, in Schotland of in Noord-Ierland echter eerst ten uitvoer gelegd na onderzoek van iedere belanghebbende partij in het betrokken deel van het Verenigd Koninkrijk voor tenuitvoerlegging te zijn geregistreerd. Artikel 32 1. Het verzoek wordt gericht: . . . 2. In de verdragsluitende staten waar verscheidene gerechten of autoriteiten zijn aangewezen, is het gerecht of de autoriteit van de gewone verblijfplaats van de partij tegen wie de tenuitvoerlegging wordt gevraagd, relatief bevoegd. Wanneer deze partij in de aangezochte staat geen gewone verblijfplaats heeft, wordt de bevoegdheid door de plaats van tenuitvoerlegging bepaald. Artikel 33 De vereisten waaraan het verzoek moet voldoen, worden vastgesteld door de wet van de aangezochte staat. De verzoeker moet, binnen het rechtsgebied van het gerecht dat of de autoriteit die van het verzoek kennis neemt, woonplaats kiezen. Kent echter de wetgeving van de aangezochte staat geen woonplaatskeuze, dan kan de verzoeker een procesgemachtigde aanwijzen. Bij het verzoek worden de in de artikel 46 . . . genoemde stukken gevoegd. Artikel 34 1. Het gerecht of de autoriteit waartoe het verzoek is gericht doet uitspraak binnen een termijn van ten hoogste vijftien dagen te rekenen vanaf de indiening van het verzoek. 2. Het gerecht of de autoriteit waartoe het verzoek is gericht onderzoekt de formele regelmatigheid van het verzoek en van de in artikel 46 bedoelde stukken. 3. De partij tegen wie de tenuitvoerlegging wordt gevraagd, wordt in deze stand van de procedure niet gehoord. Artikel 35 (Ongewijzigd) Artikel 36 1. De beslissing houdende verlof tot tenuitvoerlegging wordt aan de partij tegen wie de tenuitvoerlegging wordt gevraagd betekend of medegedeeld. Deze kan binnen één maand na de betekening ervan tegen de beslissing verzet doen. 2. Indien deze partij haar gewone verblijfplaats in een andere verdragsluitende staat heeft dan in die waar de beslissing houdende verlof tot tenuitvoerlegging is gegeven, beloopt de termijn twee maanden en vangt hij aan op de dag dat de beslissing aan de partij in persoon of aan haar gewone verblijfplaats is betekend. Deze termijn mag niet op grond van de afstand worden verlengd. 3. De beslissing houdende verlof tot tenuitvoerlegging is van rechtswege bij voorraad uitvoerbaar. Maatregelen inzake verkoop of toewijzing of alle andere maatregelen ter waarborging van de in de beslissing neergelegde rechten worden evenwel geschorst gedurende de in lid 1 bedoelde termijn voor verzet en, indien verzet wordt gedaan, totdat daarover bij een in kracht van gewijsde gegane beslissing uitspraak is gedaan. Het gerecht waar het verzet is gedaan, kan evenwel anders beslissen, eventueel onder voorbehoud van het stellen van een door hem vastgestelde waarborg. 4. De beslissing waarbij de tenuitvoerlegging wordt toegestaan, houdt in ieder geval tevens het verlof in, met betrekking tot de goederen en jegens de partij tegen wie de tenuitvoerlegging is toegestaan, bewarende maatregelen te nemen. Artikel 37 (Ongewijzigd) Artikel 37 bis 1. Het in artikel 36, lid 1, bedoelde verzet wordt toegewezen indien de partij tegen wie de tenuitvoerlegging wordt toegestaan, aantoont: 1) (geschrapt) 2) in het geval van een bij verstek gegeven beslissing, - ofwel, dat het stuk dat het geding inleidt of een gelijkwaardig stuk, haar niet regelmatig is betekend of medegedeeld en dat deze onregelmatigheid haar schade heeft veroorzaakt; - ofwel, dat dit stuk haar niet zo tijdig als met het oog op haar verdediging nodig was, is betekend of medegedeeld. Het verzet wordt evenwel afgewezen indien deze partij geen enkel rechtsmiddel tegen de gegeven beslissing heeft aangewend, ofschoon zij hiervan regelmatig en tijdig in kennis was gesteld; 3) dat de beslissing onverenigbaar is met een tussen dezelfde partijen in de aangezochte staat of in een andere verdragsluitende staat gegeven beslissing; 4) (geschrapt) 5) dat de gegeven beslissing onverenigbaar is met een beslissing die vroeger in een niet bij het Verdrag partij zijnde staat tussen dezelfde partijen is gegeven in een geschil dat hetzelfde onderwerp betreft en op dezelfde oorzaak berust, mits deze laatste beslissing voldoet aan de voorwaarden voor erkenning in de aangezochte staat. 2. In geen geval wordt de juistheid van de in de verdragsluitende staat van herkomst gegeven beslissing onderzocht. Artikel 37 ter Het in artikel 36 bedoelde verzet wordt toegewezen indien de partij tegen wie de tenuitvoerlegging is toegestaan, aantoont dat de bepalingen van de afdelingen 3, 4 en 5 van titel II zijn geschonden, alsook indien het in artikel 59 bedoelde geval zich voordoet. Bij de toetsing van de in de eerste alinea genoemde bevoegdheidsregels is het gerecht dat over het verzet oordeelt, gebonden aan de feitelijke overwegingen op grond waarvan het gerecht van de staat van herkomst zijn bevoegdheid heeft aangenomen. Onverminderd het bepaalde in de eerste alinea, mag de bevoegdheid van de gerechten van de staat van herkomst niet worden getoetst. Artikel 38 Het gerecht dat over het verzet oordeelt, kan op verzoek van de partij die het verzet heeft gedaan, zijn uitspraak aanhouden, indien tegen de in de vreemde gegeven beslissing in de staat van herkomst een gewoon of buitengewoon rechtsmiddel is aangewend of indien de termijn daarvoor nog niet is verstreken, in dit laatste geval kan het gerecht een termijn stellen binnen welke het rechtsmiddel moet worden aangewend. (Tweede en derde alinea geschrapt) Artikel 39 (Geschrapt) Artikel 40 1. (Ongewijzigd) 2. De partij tegen wie de tenuitvoerlegging is gevraagd, wordt opgeroepen te verschijnen voor het gerecht bij hetwelk het beroep is ingesteld. In geval van verstek zij de bepalingen van artikel 20, tweede en derde alinea, van toepassing. Artikel 41 (Ongewijzigd) Artikel 42 Wanneer in de in den vreemde gegeven beslissing uitspraak is gedaan over meer dan één punt van de eis, en de tenuitvoerlegging niet voor het geheel kan worden toegestaan, staat het gerecht of de autoriteit waartoe het verzoek is gericht, de tenuitvoerlegging toe voor één of meer onderdelen daarvan. De verzoeker kan vorderen dat het verlof tot tenuitvoerlegging een gedeelte van de uitspraak betreft. Artikel 43 Onverminderd bewarende en voorlopige maatregelen ter waarborging van de tenuitvoerlegging ervan kunnen in den vreemde gegeven beslissingen die een veroordeling tot een dwangsom inhouden, in de aangezochte staat slechts ten uitvoer worden gelegd indien het bedrag ervan door de gerechten van de staat van herkomst definitief is bepaald. Artikel 44 en 45 (Ongewijzigd) Afdeling 3 Gemeenschappelijk bepalingen Artikel 46 De partij die de erkenning inroept of een verzoek tot tenuitvoerlegging van een beslissing doet, moet overleggen: 1. een expeditie ervan die aan de voor haar echtheid nodige voorwaarden voldoet; 2. het origineel of het voor eensluidend gewaarmerkte afschrift van een verklaring die een rechterlijke instantie of een autoriteit van de verdragsluitende staat waar de beslissing is gegeven, overeenkomstig het aan dit Verdrag gehechte model heeft opgesteld. Deze verklaring wordt in de officiële taal van de aangezochte verdragsluitende staat ingevuld, of indien in deze verdragsluitende staat meer officiële talen bestaan, in de officiële taal of in één van de officiële talen van de plaats waar de beslissing ten uitvoer moet worden gelegd, of in elke andere taal die de aangezochte verdragsluitende staat heeft meegedeeld te kunnen aanvaarden. Op het tijdstip van de in artikel 61, lid 2, bedoelde kennisgeving doet elke verdragsluitende staat opgave van de andere officiële taal of talen van de Europese Unie dan zijn eigen taal of talen, waarin het formulier mag worden ingevuld; 3. indien de beslissing bij verstek is gewezen, het origineel of een voor eensluidend gewaarmerkt afschrift van het stuk waaruit blijkt dat het stuk dat het geding heeft ingeleid of een gelijkwaardig stuk aan de niet verschenen partij is betekend of is medegedeeld; 4. voor zover nodig, een stuk waaruit blijkt dat de verzoeker in de staat van herkomst verlof heeft gekregen kosteloos of tegen een verminderd tarief te procederen. Artikel 47 (Geschrapt) Artikel 48 Bij gebreke van overlegging van de in artikel 46, punten 2 en 3, bedoelde stukken, kan de rechterlijke instantie of de autoriteit voor de overlegging een termijn bepalen of gelijkwaardige stukken aanvaarden, dan wel, indien zij zich voldoende voorgelicht acht, van de overlegging vrijstelling verlenen. Wanneer het gerecht of de autoriteit zulks verlangt, wordt van de in artikel 46, punten 1, 3 en 4, bedoelde stukken een vertaling overgelegd; de vertaling wordt gewaarmerkt door degene die in een van de verdragsluitende Staten daartoe gemachtigd is. Artikel 49 (Ongewijzigd) TITEL IV - AUTHENTIEKE AKTEN EN GERECHTELIJKE SCHIKKINGEN Artikel 50 1. Authentieke akten, verleden en uitvoerbaar in een verdragsluitende staat, worden op verzoek, overeenkomstig de in artikel 31 tot en met 45 bedoelde procedure, in een andere verdragsluitende staat uitvoerbaar verklaard. Het verzoek kan niet worden afgewezen. Authentieke akten in de zin van dit Verdrag zijn instrumenten die een openbaar gezag overeenkomstig de bevoegdheidsregels en de vormvoorschriften die zijn neergelegd in de wetgeving van de staat in welks naam dat gezag handelt, heeft opgesteld. 2. De overgelegde akte moet voldoen aan de voorwaarden die in de staat van herkomst voor haar echtheid nodig zijn. 3. De artikelen 46 tot en met 49 zijn, voorzover nodig, van toepassing. Artikel 51 (Ongewijzigd) TITEL V - UITLEGGING DOOR HET HOF VAN JUSTITIE Artikel 52 Het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen is bevoegd uitspraak te doen over de uitlegging van dit Verdrag overeenkomstig de bepalingen van het in de bijlage opgenomen Protocol nr. 2. Artikel 53 (Geschrapt) TITEL VI - OVERGANGSBEPALINGEN Artikel 54 (Ongewijzigd) Artikel 54 bis (Geschrapt) TITEL VII - VERHOUDING TOT ANDERE VERDRAGEN Artikelen 55 en 56 (Ongewijzigd) Artikel 57 (Lid 1: ongewijzigd) 2. Ten einde de eenvormige uitlegging van lid 1 te waarborgen wordt dit lid als volgt toegepast: a) Dit Verdrag staat er niet aan in de weg dat een gerecht van een verdragsluitende staat die partij is bij een verdrag over een bijzonder onderwerp, overeenkomstig dat verdrag kennis neemt van een zaak, ook indien de verweerder zijn gewone verblijfplaats op het grondgebied van een verdragsluitende staat heeft, die geen partij is bij dat verdrag. Het gerecht past in ieder geval artikel 20 van dit Verdrag toe. (De rest van dit artikel: ongewijzigd) Artikel 58 (Geschrapt) Artikel 59 Dit Verdrag belet niet, dat een verdragsluitende staat zich tegenover een derde staat, bij een verdrag betreffende de erkenning en de tenuitvoerlegging van rechterlijke beslissingen, verbindt om een beslissing niet te erkennen, welke, met name in een andere verdragsluitende staat, gegeven is tegen een verweerder, die zijn gewone verblijfplaats had in het gebied van de derde staat, indien in een door artikel 4 voorzien geval de beslissing slechts gegrond kon worden op een bevoegdheid als bedoeld in artikel 3, tweede alinea. (De rest van dit artikel: ongewijzigd) TITEL VIII - SLOTBEPALINGEN Artikel 60 Dit Verdrag vervangt tussen de verdragsluitende staten het Verdrag van Brussel van 27 september 1968 betreffende de rechterlijke bevoegdheid en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken, zoals dit is gewijzigd bij de Verdragen van 1978, 1982, 1989 en 1996 inzake de toetreding tot het Verdrag van Brussel. Artikel 61 1. Dit Verdrag wordt door de verdragsluitende staten overeenkomstig hun onderscheiden grondwettelijke procedures aangenomen. 2. De verdragsluitende staten geven de bewaarder kennis van de voltooiing van de grondwettelijke procedures voor de aanneming van dit Verdrag. 3. Dit Verdrag treedt negentig dagen na de in lid 2 bedoelde kennisgeving door de staat die deze handeling als laatste verricht, in werking. 4. Tot de inwerkingtreding van dit Verdrag kan elke verdragsluitende staat op het tijdstip van de in lid 2 bedoelde kennisgeving of op enig later tijdstip verklaren, dat het Verdrag te zijnen aanzien is in zijn betrekkingen met de verdragsluitende staten die dezelfde verklaring hebben afgelegd. Deze verklaringen zijn 90 dagen nadat zij zijn neergelegd, van toepassing. Artikel 62 1. Elke verdragsluitende staat of de Commissie van de Europese Gemeenschappen kan wijzigingen van dit verdrag voorstellen. Elk wijzigingsvoorstel wordt aan de bewaarder toegezonden, die het aan de Raad van de Europese Unie meedeelt. 2. De wijzigingen worden vastgesteld door de Raad, die de aanneming ervan door de verdragsluitende staten, overeenkomstig hun onderscheiden grondwettelijke regels, aanbeveelt. 3. De aldus vastgestelde wijzigingen treden overeenkomstig het bepaalde in artikel 61, lid 3, in werking. 4. Onverminderd de leden 1, 2 en 3, kan het modelformulier in de bijlage op voorstel van elke verdragsluitende staat of van de Commissie bij besluit van de Raad worden gewijzigd. Artikel 63 (Geschrapt) Artikel 64 1. De Secretaris-Generaal van de Raad van de Europese Unie is de bewaarder van dit Verdrag. 2. De bewaarder maakt in het Publicatieblad het volgende bekend: 1) de aannemingen; 2) de datum waarop dit Verdrag in werking treedt; 3) de datum met ingang waarvan dit Verdrag tussen twee lidstaten van toepassing is, en eventueel de data van toepassing in de in artikel 61, lid 4, bedoelde gevallen; 4) de ingevolge artikel VI van Protocol nr. 1 gedane mededelingen. Artikel 65 De Protocollen maken een wezenlijk onderdeel van het Verdrag uit. Artikel 65 bis 1. De verdragsluitende staten erkennen dat elke staat die lid wordt van de Europese Unie, tot dit Verdrag toetreedt. 2. Voor de onderhandelingen inzake de toetreding van nieuwe lidstaten tot de Europese Unie worden dit Verdrag en de Protocollen in de bijlagen, die daarvan een wezenlijk onderdeel uitmaken, als een acquis beschouwd dat de kandidaat-landen volledig moeten aanvaarden. 3. Vóór de ondertekening van het toetredingsverdrag verstrekt het kandidaat-land de voor de toepassing van de artikelen 3, 32, 37, 40, 41, 46 en 55 van dit Verdrag en van artikel 2 van Protocol nr. 2 vereiste inlichtingen. Artikel 66 Dit Verdrag wordt voor onbeperkte tijd gesloten. Artikel 67 (Geschrapt) Artikel 68 (Geschrapt) VERKLARING >BEGIN VAN DE GRAFIEK> Artikel 46, lid 2, van het Verdrag betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (Nederlands, neerlandés, nederlandsk, Niederländisch, ïëëáíäéêÜ, Dutch, néerlandais, olandese, hollanti, nederländska) 1. STUK DAT HET GEDING INLEIDT (of een gelijkwaardig stuk) 1.1. Datum van de betekening of kennisgeving van het stuk dat het geding inleidt (of van elk ander gelijkwaardig stuk): jaar: .......... maand: .......... dag: .......... 1.2. Wijze van betekening of kennisgeving Afgegeven van 1.2.1. de geadresseerde van het stuk 1.2.4. er post bezorgd 1.2.2. een andere persoon 1.2.4.1. zonder ontvangstbevestiging 1.2.3. het huisadres van de geadresseerde 1.2.4.2. met ontvangstbevestiging 1.2.5. op andere wijze 2. BESLISSING 2.1. Datum van de beslissing: jaar: .......... maand: .......... dag: .......... 2.2. Soort beslissing 2.2.1. Beslissing ten gronde 2.2.2. Beslissing in kort geding 2.3. Datum van de betekening of kennisgeving van de beslissing: jaar: .......... maand: .......... dag: .......... 2.4. Wijze van betekening of kennisgeving van de beslissing Afgegeven aan 2.4.1. de geadresseerde van het stuk 2.4.4. er post bezorgd 2.4.2. een andere persoon 2.4.4.1. zonder ontvangstbevestiging 2.4.3. het huisadres van de geadresseerde 2.4.4.2. met ontvangstbevestiging 2.4.5. op andere wijze 2.5. Aard van de beslissing: 2.5.1. op tegenspraak gegeven 2.5.2. bij verstek als op tegenspraak gegeven aangemerkt 2.6. Datum van de terechtzitting ten gronde: jaar: .......... maand: .......... dag: .......... 2.7. Rechterlijke instantie die de beslissing heeft gewezen 2.7.1. Benaming van de rechterlijke instantie 2.7.2. Plaats van de rechterlijke instantie 3. IDENTITEIT VAN DE PARTIJEN 3.1. Eiser: 3.2. Verweerder: Door middel van deze verklaring wordt verklaard dat: - de bovengenoemde beslissing binnen het materiële toepassingsgebied valt van het Verdrag betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken - de bovengenoemde beslissing uitvoerbaar is in de staat waar zij is gewezen (artikel 31 van het Verdrag) - omdat geen enkel rechtsmiddel meer openstaat - omdat zij bij voorraad uitvoerbaar is Gedaan te (plaats) .........................., .......................... (datum) Ondertekening en/of stempel >EIND VAN DE GRAFIEK> (1) In het gehele Verdrag en alle Protocollen geldt de vermelding "onveranderd" ten aanzien van het Verdrag van Brussel en de bijbehorende Protocollen in hun huidige versie (na de toetreding van Oostenrijk, Finland en Zweden). (2) Er zal rekening moeten worden gehouden met de ondertekening van het verdrag betreffende de bevoegdheid, de erkenning en de uitvoering van beslissingen op het gebied van het huwelijksrecht ("Brussel II"). BIJLAGE 1 PROTOCOL Nr. 1 DE HOGE VERDRAGSLUITENDE PARTIJEN HEBBEN over de volgende bepalingen, die als bijlage aan het Verdrag worden toegevoegd, OVEREENSTEMMING BEREIKT: Artikel I Ieder die in Luxemburg zijn gewone verblijfplaats heeft en met toepassing van artikel 5, punt 1, voor een gerecht van een andere verdragsluitende staat is opgeroepen, kan de bevoegdheid van dit gerecht afwijzen. Dit gerecht verklaart zich ambtshalve onbevoegd indien de verweerder niet verschijnt. Een overeenkomst tot aanwijzing van een bevoegde rechter in de zin van artikel 17 heeft, ten opzichte van een persoon die in Luxemburg zijn gewone verblijfplaats heeft, slechts rechtsgevolg indien deze de overeenkomst uitdrukkelijk en in het bijzonder heeft aanvaard. Artikel II Degenen die in een verdragsluitende staat hun gewone verblijfplaats hebben en wegens een onopzettelijk gepleegd strafbaar feit vervolgd worden voor de gerechten van een andere verdragsluitende staat, waarvan zij geen onderdaan zijn, zijn, onverminderd aldaar geldende gunstigere bepalingen, bevoegd zich te doen verdedigen door daartoe bevoegde personen, zelfs indien zij niet persoonlijk verschijnen. Artikel III (Ongewijzigd) Artikel IV 1. (Ongewijzigd) 2. (Geschrapt) Artikel V De rechterlijke bevoegdheid, voorzien in de artikelen 6, punt 2, en 10, ten aanzien van de vordering tot vrijwaring of de vordering tot voeging of tussenkomst kan in de Bondsrepubliek Duitsland niet worden ingeroepen. In deze staat kan ieder die zijn gewone verblijfplaats in een andere verdragsluitende staat heeft met toepassing van de artikelen 68 en 72 tot en met 74 van het Wetboek van burgerlijke rechtsvordering betreffende de litis denunciatio voor de gerechten worden opgeroepen. Artikelen V, V bis, V ter (Ongewijzigd) Artikel V quater (Geschrapt) Artikel V quinquies Onverminderd de bevoegdheid van het Europees Octrooibureau volgens het op 5 oktober 1973 te München ondertekende Europees Octrooiverdrag, zijn de gerechten van elke verdragsluitende staat, zonder acht te slaan op de gewone verblijfplaats, bij uitsluiting bevoegd ter zake van inschrijving of geldigheid van een Europees octrooi dat voor die staat is verleend en dat geen Gemeenschapsoctrooi is krachtens artikel 86 van het op 15 december 1975 te Luxemburg ondertekende Verdrag betreffende het Europees octrooi voor de gemeenschappelijke markt. Artikel V sexies (Ongewijzigd) Artikel VI De verdragsluitende staten zullen aan de Secretaris-Generaal van de Raad van de Europese Unie mededeling doen van de teksten van hun wettelijke bepalingen, die verandering brengen hetzij in de in het Verdrag vermelde artikelen uit hun wetgeving hetzij in de aanwijzing van de gerechten in titel III, afdeling 2, van het Verdrag. Artikel VII Dit Protocol vervangt tussen de verdragsluitende staten het Protocol van 27 september 1968 dat is gehecht aan het Verdrag van Brussel van 27 september 1968 betreffende de rechterlijke bevoegdheid en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken, zoals dit is gewijzigd bij de Toetredingsverdragen van 1978, 1982, 1989 en 1996. GEMEENSCHAPPELIJKE VERKLARING Nr. 1 (Geschrapt) GEMEENSCHAPPELIJKE VERKLARING Nr. 2 (Geschrapt) BIJLAGE 2 PROTOCOL Nr. 2opgesteld op grond van artikel K.3 van het Verdrag betreffende de Europese Unie betreffende uitlegging door het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen, van het Verdrag betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging in de lidstaten van de Europese Unie van beslissingen in burgerlijke en handelszaken DE HOGE OVEREENKOMSTSLUITENDE PARTIJEN GELET op artikel 52 van het Verdrag betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging in de lidstaten van de Europese Unie van beslissingen in burgerlijke en handelszaken, volgens hetwelk het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen bevoegd is uitspraak te doen over de uitlegging van dit Verdrag. VERLANGEND de voorwaarden vast te stellen waaronder het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen bevoegd is uitspraak te doen over vragen betreffende de uitlegging van het Verdrag en van het onderhavige Protocol, HEBBEN over de volgende bepalingen, die als bijlage aan het verdrag worden toegevoegd, OVEREENSTEMMING BEREIKT: Artikel 1 Overeenkomstig artikel 52 van het Verdrag betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging in de lidstaten van de Europese Unie van beslissingen in burgerlijke en handelszaken, hierna "Verdrag" genoemd, is het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen bevoegd onder de in dit Protocol vastgestelde voorwaarden uitspraak te doen over de uitlegging van het Verdrag en van het onderhavige Protocol. Artikel 2 1. De volgende rechterlijke instanties kunnen het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen verzoeken, bij wijze van prejudiciële beslissing een uitspraak te doen over een vraagstuk van uitlegging: a) de hierna genoemde hoogste rechterlijke instanties van de verdragsluitende staten: . . . . . . b) (Ongewijzigd) c) (Ongewijzigd) 2. Op verzoek van de betrokken verdragsluitende staat kan de in lid 1, onder a, bedoelde lijst van de hoogste rechterlijke instanties van de verdragsluitende staten, bij een besluit van de Raad van de Europese Unie worden gewijzigd. Artikel 3 (Ongewijzigd) Artikel 4 1. De bevoegde autoriteit van een verdragsluitende staat en de Commissie kunnen (de rest ongewijzigd). 2.-3. (Ongewijzigd) 4. De griffier van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen geeft kennis van het verzoek aan de verdragsluitende staten, aan de Commissie van de Europese Gemeenschappen en aan de Raad van de Europese Unie, die het recht hebben binnen twee maanden, te rekenen vanaf deze kennisgeving, bij het Hof van Justitie memories of schriftelijke opmerkingen in te dienen. 5. (Ongewijzigd) Artikel 5 1. Voor zover dit Protocol niet anders bepaalt, zijn de bepalingen van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap en die van het daaraan gehechte Protocol betreffende het Statuut van het Hof van Justitie, die van toepassing zijn wanneer het Hof van Justitie bij wijze van prejudiciële beslissing een uitspraak dient te doen, tevens van toepassing op de procedure inzake de uitlegging van het Verdrag en van de andere in artikel 1 genoemde teksten. 2. Het Reglement voor de procesvoering van het Hof van Justitie zal zo nodig worden aangepast en aangevuld overeenkomstig artikel 188 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap. Artikel 6 Ten aanzien van het onderhavige Protocol kan geen enkel voorbehoud worden gemaakt. Artikelen 7 tot en met 10 (Geschrapt) Artikel 11 Voor de toepassing van artikel 2, lid 2, doen de verdragsluitende staten aan de Secretaris-Generaal van de Raad van de Europese Unie mededeling van de teksten van hun wettelijke bepalingen die een wijziging van de lijst van de in artikel 2, lid 1, onder a), genoemde rechterlijke instanties mede brengen. Artikel 12 (Ongewijzigd) Artikel 13 Iedere verdragsluitende staat of de Commissie van de Europese Gemeenschappen kan verzoeken om herziening van het Protocol. In dat geval roept de voorzitter van de Raad van de Europese Unie een conferentie voor de herziening bijeen. Artikel 14 Dit Protocol vervangt tussen de verdragsluitende staten, het Protocol van 3 juni 1971 betreffende de uitlegging door het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen, van het Verdrag van 27 september 1968 betreffende de rechterlijke bevoegdheid en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken, zoals dit is gewijzigd bij de Toetredingsverdragen van 1978, 1982, 1989 en 1996. BIJLAGE 3 SUGGESTIES VAN DE COMMISSIE VOOR WIJZIGINGEN VAN HET VERDRAG VAN LUGANO 1. De Commissie stelt voor, de wijzigingen die naar aanleiding van haar voorstellen in de titels I tot en met IV van het Verdrag van Brussel zullen worden aangebracht eveneens in het Verdrag van Lugano op te nemen. 2. Tevens stelt zij voor, de artikelen 5, punt 1, 16, punt 1, onder b), en 17, lid 5, van het Verdrag van Lugano aan te passen aan de overeenkomstige bepalingen van het Verdrag van Brussel en bijgevolg artikel 28, 2e alinea, van het Verdrag van Lugano te schrappen. 3. Ten aanzien van de "Overgangsbepalingen" stelt de Commissie voor: - artikel 54 bis zodanig om te werken, dat rekening wordt gehouden met het verstrijken van de termijn van drie jaar welke ten aanzien van bepaalde, tot het Verdrag van Lugano toetredende staten, is voorgeschreven; - artikel 54 ter (evenals de artikelen 60 en 61) te wijzigen door de zinsnede "Lid-Staten van de Europese Gemeenschappen" te vervangen door de zinsnede "lidstaten van de Europese Unie" en artikel 54 ter lid 1, betrekking te doen hebben op "de tot het Verdrag van Brussel toetredende staten". 4. Ten aanzien van de "Slotbepalingen" stelt de Commissie de volgende wijzigingen voor: Artikel 62 1. (Ongewijzigd) 2. Met betrekking tot elke toetredende staat wordt het Verdrag van kracht op de eerste dag van de derde maand volgende op het nederleggen van de akte van toetreding. Artikel 63 De toetredende staat doet bij het nederleggen van zijn akte van toetreding de voor de toepassing van de artikelen 3, 32, 37, 40, 41 en 55 van dit Verdrag vereiste mededelingen en legt zo nodig de verklaringen voor de toepassing van Protocol nr. 1 af die in verband met de in artikel 62, lid 1, onder b), bedoelde mededeling zijn vastgesteld. Artikel 63 bis 1. Wanneer een toetredende staat bijzondere bepalingen betreffende de bevoegdheid, de wijze van proceduren en de tenuitvoerlegging in Protocol nr. 1 wenst op te nemen, worden te dien einde onderhandelingen geopend. Er wordt een conferentie voor de onderhandelingen bijeengeroepen door de Zwitserse Bondsraad. 2. Het gewijzigde Verdrag wordt de ondertekenende staten ter bekrachtiging voorgelegd. De akten van bekrachtiging worden nedergelegd bij de Zwitserse Bondsraad. 3. Het Verdrag treedt in werking op de eerste dag van de derde maand die volgt op de datum waarop twee staten, waarvan een verdragsluitende staat en een toetredende staat, hun akten van bekrachtiging nederleggen. 4. Het Verdrag wordt met betrekking tot elke andere ondertekenende staat van kracht op de eerste dag van de derde maand volgende op het nederleggen van de akte van bekrachtiging van die staat. Artikelen 64 tot en met 66 (Ongewijzigd) Artikel 67 1. (Ongewijzigd) 2. Na iedere toetreding stelt de bewaarder de tekst van het Verdrag vast. Hij doet de verdragsluitende staten een gewaarmerkt afschrift van het Verdrag toekomen.