51997IP0259

Resolutie over de mededeling van de Commissie aan de Raad "Europa en Japan: de volgende stappen" (COM(95)0073 C4-0147/ 95)

Publicatieblad Nr. C 304 van 06/10/1997 blz. 0119


A4-0259/97

Resolutie over de mededeling van de Commissie aan de Raad "Europa en Japan: de volgende stappen" (COM(95)0073 - C4-0147/95)

Het Europees Parlement,

- gezien de Mededeling van de Commissie (COM(95)0073 - C4-0147/95),

- gezien de conclusies van de Raad van 29 mei 1995,

- onder verwijzing naar zijn resolutie van 22 januari 1993 over de economische en handelsbetrekkingen tussen de Europese Gemeenschap en Japan ((PB C 42 van 15.2.1993, blz 260.)),

- gezien de Gemeenschappelijke Verklaring van de Raad en de regering van Japan van Den Haag van 18 juli 1991, waarin de doelstellingen worden vastgelegd voor de samenwerking tussen de EG en Japan inzake politieke en veiligheidskwesties en waarin wordt gepleit voor nauwere economische en handelsbetrekkingen,

- gezien de resultaten van de jaarlijkse topontmoeting tussen de EU en Japan, die op 30 september 1996 in Tokio plaatshad, de resultaten van het overleg op hoog niveau van 23 april 1997 en de resultaten van de topontmoeting tussen de EU en Japan, die op 25 juni 1997 in Den Haag plaatshad,

- gezien de Mededeling van de Commissie aan de Raad "De mondiale uitdaging van de internationale handel: een markttoegangsstrategie voor de Europese Unie" van 14 februari 1996 (COM(96)0053),

- gezien de conclusies van de Top Europa-Azië, die plaatshad op 2 maart 1996 in Bangkok,

- gezien het verslag van de Commissie externe economische betrekkingen en de adviezen van de Commissie buitenlandse zaken, veiligheids- en defensiebeleid, de Commissie economische en monetaire zaken en industriebeleid en de Commissie onderzoek, technologische ontwikkeling en energie (A4-0259/97),

A. overwegende dat de EU en Japan een gemeenschappelijk belang hebben bij het bewaren van de economische en politieke stabiliteit en het beschermen van het milieu in de wereld,

B. overwegende dat de samenwerking tussen de EU en Japan, zoals bepaald in de bovengenoemde verklaring van 18 juli 1991, gebaseerd is op de gemeenschappelijke gehechtheid van de EU en Japan aan vrijheid, democratie, de rechtsstaat en de mensenrechten, alsook de ontwikkeling van een welvarende en gezonde wereldeconomie die gebaseerd is op de beginselen van de vrije handel en de vrije markt,

C. overwegende dat de ontwikkeling van de economische betrekkingen tussen de Europese Unie en Japan een essentiële wegbereider is voor het verdiepen van de politieke en culturele betrekkingen,

D. overwegende dat het probleem van de toegang tot de markten van de EU echter niet te vergelijken is met de belemmeringen waarop bedrijven die toegang tot de Japanse markt willen krijgen, nog steeds stuiten,

E. overwegende dat het verdiepen van de politieke en culturele betrekkingen de wederzijdse kennis tussen de Japanse en de Europese burgers zou moeten bevorderen,

Politieke aspecten

1. gelooft dat de Europese Unie een grotere politieke rol voor Japan op de wereldscène moet steunen en aanmoedigen, in de hoop dat Japan op zijn beurt het communautair beleid in Azië zal steunen;

2. meent dat de politieke dialoog met Japan, net zoals met alle andere derde landen, ook betrekking moet hebben op mensenrechtenkwesties en dat in dit debat niet alleen moet worden gesproken over mensenrechtenkwesties in de Europese Unie en in Japan, maar ook over een coördinatie van de standpunten van beide partijen inzake de bescherming van de mensenrechten op andere plaatsen in de wereld en met name in andere Aziatische landen, alsook over kwesties inzake ontwikkeling en samenwerking;

3. stelt met goedkeuring vast dat het feit dat Japan zijn militaire uitgaven heeft beperkt een belangrijke factor is geweest bij het afremmen van een wapenwedloop in het Verre Oosten en verwacht van Japan dat het grotere verantwoordelijkheden op zich neemt op regionaal niveau;

4. verwelkomt de grotere deelname van Japan aan samenwerkingsopdrachten voor de internationale vrede, en verwacht dat Japan een grotere rol op zich neemt in het kader van de Verenigde Naties, zowel op het gebied van vredesbehoud/vredestichting/humanitaire aspecten en financiële bijdragen als op het gebied van grotere politieke invloed, gedeeltelijk door een hervorming van het VN-systeem en met name van de Veiligheidsraad;

5. is van mening dat de op 25 juni 1997 te Den Haag gehouden top EU/Japan duidelijk heeft laten zien dat de betrekkingen van Europa met Japan een steeds belangrijkere politieke dimensie krijgen; dat een dialoog over onderwerpen als de integratie van China en Rusland in de wereldgemeenschap, het Koreaanse schiereiland, de initiatieven in het kader van de ASEM dient te leiden tot samenwerking bij de versterking van de betrekkingen tussen Azië en Europa;

6. roept de Europese Unie en haar lidstaten op om nauw samen te werken met Japan om zo snel mogelijk een overeenkomst inzake een volledig verbod op kernwapens ten uitvoer te leggen;

Economische aspecten

7. verwelkomt de vierde opeenvolgende jaarlijkse daling van het bilaterale overschot op de handelsbalans in 1996 van Japan ten opzichte van de EU -een daling van 36,2% tot 17 miljard ecu-, maar is bezorgd over de tekenen die wijzen op een omkering van deze trend in het laatste kwartaal van 1996 en in januari en februari 1997;

8. stelt niettemin vast dat er nog steeds sprake is van een zeer grote en aanhoudende ongelijkheid tussen de EU-investeringen in Japan en de Japanse investeringen in Europa, en dat de stroom van directe buitenlandse investeringen (FDI) in Japan zeer sterk fluctueert, waaruit kan worden afgeleid dat de toegang tot de markt in Japan nog steeds aanzienlijke restricties kent, waaronder die welke in het recente JETRO-witboek over FDI worden genoemd;

9. verzoekt de Commissie om onderzoek naar het verband tussen de schommelingen van het globale overschot op de handelsbalans van Japan en de recente schommelingen van de yen;

10. merkt bovendien op dat de directe buitenlandse investeringen (FDI) van de Europese Unie in Japan de afgelopen 10 jaren beperkt zijn gebleven, betreurt dat de voorbije periode gekenmerkt is door een vlucht van EU- kapitaal uit Japan en verzoekt de Commissie de oorzaken hiervan te onderzoeken; neemt met voldoening kennis van de aankondiging van de Commissie d.d. 1 juli 1997 dat er onderzoek zal worden verricht naar de oorzaken van de ongelijke verhouding van de directe investeringen tussen de EU en Japan; onderstreept dat een dergelijk onderzoek een volledig en accuraat beeld dient te geven van de situatie en een operationele basis dient te bevatten voor beleidsmaatregelen ter verbetering van de FDI- betrekkingen tussen de EU en Japan;

11. stelt met verontrusting vast dat het Aziatische aandeel in de totale Japanse FDI-stroom naar het buitenland het aandeel van de Europese Unie inmiddels ruimschoots overtreft, terwijl de investeringsstroom uit Japan naar de Europese Unie in de jaren '90 vrijwel constant is afgenomen; dat deze ontwikkelingen lijken te wijzen op een koerswijziging van de Japanse FDI in de richting van de ontluikende economieën in Azië en weg van de Europese Unie; stelt bovendien vast dat de toenemende participatie van Japanse bedrijven in de nieuwe Aziatische industrielanden en China gepaard gaat met de opbouw van krachtige zakennetwerken in deze landen, vergelijkbaar met die in Japan;

12. wijst daarom op het belang van het lopende dereguleringsprogramma dat door Japan wordt uitgevoerd, alsook op de bijdrage van de Commissie aan de definitieve versie van dit programma (28.3.1997);

13. deelt echter het standpunt van de Commissie dat de algemene vooruitgang binnen het programma beperkt is en dat Japan een doortastende deregulering moet uitvoeren, die meer gebieden moet bestrijken dan onder het huidige programma het geval is, en is daarom van oordeel dat Japan een nieuw ambitieus meerjarenprogramma voor deregulering moet opstellen;

14. dringt er bij Japan op aan in eigen land echte vrijhandelsvoorwaarden te scheppen zonder hierbij uit te gaan van bestaande handelsmonopolies, aangezien alleen op deze wijze kan worden gewaarborgd dat Europese producten een betere toegang tot de markt krijgen, hetgeen in het belang zou zijn van de Japanse consumenten;

15. is van oordeel dat deregulering niet alleen de aanwezigheid van Europese handelspartners op de Japanse markt in de hand werkt maar ook zal zorgen voor betere prestaties van de Japanse economie en voor een grotere keuze voor de Japanse consumenten;

16. benadrukt dat administratieve hervormingen, veranderingen in de mededingingswetgeving en -praktijken, hervormingen in de distributiesector en erkenning van buitenlandse diensten voor testen en controle in het toekomstige dereguleringsprogramma moeten worden opgenomen op basis van duidelijke toezeggingen en een nauwkeurig tijdschema voor de uitvoering van de maatregelen;

17. wijst op de voordelen die de afschaffing van het merendeel van de controles op buitenlandse deviezen zou moeten hebben voor de mondiale handel en hoopt dat dit zal leiden tot de verdere deregulering van de Japanse financiële diensten;

18. erkent de positieve resultaten van het Trade Assessment Mechanism (instrument voor de beoordeling van de handel), waarvan nu een eerste fase is afgewerkt en hoopt dat deze inspanningen in een tweede fase zullen worden voortgezet;

19. dringt erop aan dat spoed wordt gezet achter de onderhandelingen over een vergaande overeenkomst inzake wederzijdse erkenning (MRA) met betrekking tot het testen en de certificatie van producten en neemt met voldoening kennis van de toezegging van Japan om (vanaf 1 september 1997) de resultaten van kwaliteitsonderzoek van Europese medische apparatuur te aanvaarden;

20. wijst op de noodzaak voor de EU en Japan om samen te werken binnen multilaterale economische organisaties, met name de WTO, over thema's zoals de verhouding tussen handel en mededinging, investeringen, milieubescherming, minimumnormen inzake arbeid en overheidsopdrachten, ten einde te komen tot overeengekomen multilaterale voorschriften;

21. acht het van zeer groot belang dat beide partijen binnen de WTO samenwerken, teneinde uiterlijk in december 1997 een MFN-overeenkomst inzake financiële diensten tot stand te brengen met aanzienlijk verbeterde toezeggingen wat betreft toegang tot de markt en nationale behandeling;

22. is verder van oordeel dat de EU en Japan moeten streven naar spoedige afronding van de onderhandelingen over de multilaterale OESO-overeenkomst inzake investeringen met het oog op verbetering van de regels op het vlak van investeringen, teneinde de internationale investeringsstromen te bevorderen;

23. steunt met nadruk de bestaande sectoriële wetenschappelijke en technologische samenwerkingsovereenkomsten tussen de EU en Japan;

24. meent dat deze samenwerking moet worden geïntensiveerd en uitgebreid, in een poging om te komen tot systematisch beleid met het oog op een kennisproductie die bij voorkeur gespreid is en niet gecentraliseerd en gericht op het terugdringen van het tekort aan technologische flexibiliteit, overeenkomstig zijn op 28 november 1996 in het kader van zijn verslag over de vooruitzichten voor een Europees wetenschaps- en technologiebeleid in de 21ste eeuw aangenomen resolutie ((PB C 380 van 16.12.1996, blz. 72.));

25. is een krachtig voorstander van grotere betrokkenheid van de Unie bij het door Japan geïnitieerde "Human Frontiers Programme" dat basisonderzoek van hersenfuncties en biologische functies van de mens integreert met informatica en cybernetics, en is van mening dat dit programma verder moet worden uitgebreid;

26. is ingenomen met het door de EU en Japan vastgestelde uitwisselingsprogramma voor jonge wetenschappers en technici, maar verzoekt de Commissie voorstellen te doen voor een uitbreiding en verbetering van de resultaten van het programma;

27. steunt het voorstel voor de uitwisseling van een memorandum van overeenstemming tussen de EU en het AIST (Agency for Industrial Science and Technology) teneinde Europese onderzoekers de mogelijkheid te bieden gebruik te maken van de onderzoek- en logistieke faciliteiten van de onderzoekscentra in Tsukuba, en spoort de Commissie derhalve aan haar initiatieven dienaangaande verder uit te werken;

28. is van oordeel dat indien rechtstreekse onderhandelingen niet mogelijk zijn, de procedure voor geschillenbeslechting in het kader van de WTO het gepaste instrument is voor beide partijen om geschillen op te lossen rekening houdend met de regels inzake de wereldhandel; meent ook dat de regeling van het geschil over de Japanse belasting op gedistilleerde dranken in overeenstemming met de uitkomst van de WTO-procedure, een goed voorbeeld is van de resultaten die het volgen van multilateraal overeengekomen procedures kan hebben;

29. is van oordeel dat de Unie de bilaterale initiatieven van de VS en Japan van dichtbij moet volgen en dringt erop aan dat elke opening van de markt wordt uitgebreid op een multilaterale basis;

30. steunt de strategie van de EU om voortdurend, consequent en wereldwijd aan te dringen op verandering en wijst erop dat het belangrijk is dat de Unie en de lidstaten duidelijk omschreven doelstellingen nastreven door middel van een gecoördineerd optreden;

31. wijst erop welke waardevolle bijdrage tot de betrekkingen tussen de EU en Japan de Europese en Japanse zakenwereld zouden kunnen leveren, en verzoekt de Commissie steun te verlenen aan initiatieven voor een gestructureerde bijdrage van economische actoren tot de dialoog tussen de EU en Japan naar het voorbeeld van de transatlantische economische dialoog (TABD);

Overige kwesties

32. meent dat bijzondere aandacht moet blijven uitgaan naar het versterken van industriële samenwerking (onder meer opleidings- en uitwisselingsprogramma's voor bedrijfsleiders, wetenschappers, overheidsambtenaren) en samenwerking tussen vakbonden, evenals naar wetenschappelijke, milieutechnische en culturele samenwerking, terwijl tegelijkertijd een nieuw meerjarig dereguleringsprogramma van ruimere omvang wordt opgezet;

33. hoopt op een grotere en positieve rol van de Japanse regering bij de bescherming van het milieu, zowel in haar eigen wetgeving als in internationale instellingen en fora;

34. verzoekt de Japanse regering initiatieven te nemen met betrekking tot de voorstellen die in november 1996 zijn gedaan door de Economische Raad en de Commissie voor hervorming van het bestuur, om diverse sectoren van de Japanse economie te hervormen;

35. bevestigt opnieuw zijn krachtige steun voor de initiatieven voor exportbevordering van de Commissie, met inbegrip van het Programma voor de opleiding van leidinggevend personeel (ETP), dat meer dan 670 jonge Europese kaderleden de kans heeft gegeven om deel te nemen aan een 18 maanden durend programma in Japan;

36. betreurt dat geen vooruitgang is geboekt in het project voor het "Europa- Huis", hetgeen het beeld van de EU als een samenhangend geheel ten goede zou komen;

37. verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de regeringen en de parlementen van de lidstaten, alsook aan de Japanse regering en de Diet.