51996PC0093

Voorstel voor een RICHTLIJN VAN DE RAAD tot wijziging van Richtlijn 76/207/EEG betreffende de tenuitvoerlegging van het beginsel van gelijke behandeling van mannen en vrouwen ten aanzien van de toegang tot het arbeidsproces, de beroepsopleiding en de promotiekansen en ten aanzien van de arbeidsvoorwaarden /* COM/96/0093 DEF - CNS 96/0095 */

Publicatieblad Nr. C 179 van 22/06/1996 blz. 0008


Voorstel voor een richtlijn van de Raad tot wijziging van Richtlijn 76/207/EEG betreffende de tenuitvoerlegging van het beginsel van gelijke behandeling van mannen en vrouwen ten aanzien van de toegang tot het arbeidsproces, de beroepsopleiding en de promotiekansen en ten aanzien van de arbeidsvoorwaarden

(96/C 179/07)

(Voor de EER relevante tekst)

COM(96) 93 def. - 96/0095(CNS)

(Door de Commissie ingediend op 2 mei 1996)

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, inzonderheid op artikel 235,

Gezien het voorstel van de Commissie,

Gezien het advies van het Europees Parlement,

Gezien het advies van het Economisch en Sociaal Comité,

Overwegende dat artikel 2, lid 4, van Richtlijn 76/207/EEG van de Raad (1) bepaalt dat die richtlijn geen belemmering vormt voor maatregelen die beogen te bevorderen dat mannen en vrouwen gelijke kansen krijgen, in het bijzonder door feitelijke ongelijkheden op te heffen welke de kansen van de vrouwen op de in artikel 1, lid 1, bedoelde gebieden nadelig beïnvloeden;

Overwegende dat de Lid-Staten verschillende vormen van positieve actie hebben ondernomen om het beginsel van gelijke behandeling van mannen en vrouwen ten aanzien van de toegang tot het arbeidsproces, de beroepsopleiding en de promotiekansen en ten aanzien van de arbeidsvoorwaarden ten uitvoer te leggen;

Overwegende dat in het licht van de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen, met name van zijn arrest van 17 oktober 1995 in zaak C-450/93, Kalanke/Freie Hansestadt Bremen (2) betreffende de uitlegging van artikel 2, lid 4, van Richtlijn 76/207/EEG de toegang van het ondervertegenwoordigde geslacht tot het arbeidsproces en de aanstelling in en promotie tot bepaalde functies mogen worden bevorderd door maatregelen van positieve actie met inbegrip van het geven van de voorkeur aan het ondervertegenwoordigde geslacht, mits een dergelijke voorkeursregeling de inaanmerkingneming van de bijzondere omstandigheden in een bepaald geval mogelijk maakt;

Overwegende dat artikel 2, lid 4, van Richtlijn 76/207/EEG in overeenstemming met de rechtspraak dient te worden verduidelijkt;

Overwegende dat positieve actie ten goede moet kunnen komen aan personen van het geslacht dat in een bepaalde sector van of op een bepaald niveau in het arbeidsproces ondervertegenwoordigd is;

Overwegende dat het Verdrag voor de vaststelling van deze richtlijn niet in andere bevoegdheden voorziet dan in die van artikel 235,

HEEFT DE VOLGENDE RICHTLIJN VASTGESTELD:

Artikel 1

Artikel 2, lid 4, van Richtlijn 76/207/EEG komt te luiden:

"4. Deze richtlijn vormt geen belemmering voor maatregelen die beogen te bevorderen dat mannen en vrouwen gelijke kansen krijgen, in het bijzonder door feitelijke ongelijkheden op te heffen welke de kansen van het ondervertegenwoordigde geslacht op de in artikel 1, lid 1, bedoelde gebieden nadelig beïnvloeden. De maatregelen kunnen inhouden dat ten aanzien van de toegang tot het arbeidsproces of de promotie de voorkeur wordt gegeven aan een persoon van het ondervertegenwoordigde geslacht mits dergelijke maatregelen niet in de weg staan aan de beoordeling van de bijzondere omstandigheden van een individueel geval.".

Artikel 2

De Lid-Staten doen de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in werking treden om uiterlijk op 1 december 1998 aan deze richtlijn te voldoen, of dragen er uiterlijk op die datum zorg voor, dat de sociale partners de nodige bepalingen bij overeenkomst hebben ingevoerd, waarbij de Lid-Staten alle nodige maatregelen moeten treffen om de in deze richtlijn voorgeschreven resultaten te allen tijde te kunnen waarborgen. Zij stellen de Commissie daarvan onverwijld in kennis.

Wanneer de Lid-Staten de bedoelde bepalingen vaststellen, wordt in die bepalingen naar de onderhavige richtlijn verwezen of wordt hiernaar verwezen bij de officiële bekendmaking van die bepalingen. De regels voor deze verwijzing worden vastgesteld door de Lid-Staten.

Artikel 3

Deze richtlijn treedt in werking op de twintigste dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen.

Artikel 4

Deze richtlijn is gericht tot de Lid-Staten.

(1) PB nr. L 39 van 14. 2. 1976, blz. 40.

(2) Jurisprudentie 1995, blz. I-3051.